Proloog: Gestrand

De regen viel in een ononderbroken stroom neer op de grijze rotsen, alsof het verdriet van de wereld geen einde kende. Vanuit zijn schuilplaats in een holte onder een overhangende klif keek de man neer op een vallei waaruit de mistflarden als geesten omhoog probeerden te kruipen. Met een vermoeide blik speurde hij de hellingen af, maar zijn trouwe reisgenoot liet zich niet zien. De hond was er een tijdje geleden vandoor gegaan, zoals wel vaker gebeurde wanneer het dier bevangen werd door zijn jachtinstinct. Maar nooit eerder wanneer het zulk slecht weer was. Een gure windvlaag drong door zijn vochtige kleding en er trok een siddering over zijn ruggengraat omhoog.

Toen hij die ochtend opstond in een schuilhut op de bergweide vlak over de grens had de zon zich laten zien. Het leek er op dat moment alleszins op dat het een goede dag zou worden om zijn trektocht door de bergen te vervolgen. Hij was de nacht ervoor de grens eindelijk overgestoken en verheugde zich op wat er nu voor hem lag, ook al was de toekomst ongewis. Slechter dan wat hij achter zich had kon het niet worden. Maar door de mist in de laaggelegen dalen was hij verdwaald en in de middag was de regen teruggekeerd. En het was niet bij een bui gebleven. Mistroostig en gedesoriënteerd volgde hij het verharde pad door een nauwe vallei omhoog. Hij was dan ook opgelucht geweest toen hij deze schuilplaats vond in de flank van de piek die de bergketen domineerde. Wat hij zich niet realiseerde was dat de regens van de afgelopen weken de bodem van de berghelling hadden verzadigd en dat zijn schuilplaats op instorten stond. Binnen een uur zou hij bedolven worden onder een laag modder en steen.

Met behulp van een half paraffineblokje had hij water aan de kook gebracht in zijn metalen mok en wat instant-soep gemaakt om zichzelf te verwarmen. Met de beker dampende drank tussen zijn handen dacht hij terug aan zijn trektocht door Frankrijk. Niet eens zozeer aan de humanitaire ramp die hij had zien voltrekken – die was naar zijn mening in de een of andere vorm onafwendbaar geweest. De instincten van het oeroude reptielenbrein van de mens leken het elke keer te winnen van de verstandige zelfbeheersing die in de prille prefrontale cortex zetelde. En dat was in een nauw verweven en dichtbevolkte wereld vol geavanceerde technologische hoogstandjes nu eenmaal een uiterst hachelijke zaak. Narrow minds in een global village. Kleine geesten die een steeds grotere invloed uitoefenden op de complexe wereld om hen heen. Als kinderen die achteloos speelden met een doorgeladen pistool. De mensheid had gebalanceerd op een onzeker koord en was onverbiddelijk in een diepe afgrond gestort.

Maar zijn gedachten gingen op dat moment uit naar de inzichten die hij gedurende zijn omzwervingen had verworven over zichzelf. Zijn voettocht was tenslotte ook een ontdekkingsreis door zijn innerlijke landschap geworden. Onontkoombaar misschien, want wat was een pelgrimsweg anders dan een pad voor bespiegelingen over de ziel? Onderweg had hij nagedacht over de uiteenlopende verklaringen die hij tijdens zijn leven gevonden had voor zijn voortdurende krachtmeting met de emotionele mankementen van zijn persoonlijkheid en zijn worsteling met de obstakels en beperkingen die het lot op zijn levensweg had geplaatst. Hij had zich overgegeven aan mijmeringen over de mogelijkheid om het eigen bestaan vorm te geven en het spel van het leven te spelen met de kaarten die je bij je geboorte uitgereikt kreeg: de kaart voor de genen die je erfde van je ouders, een kaart voor de sociale positie van het gezin waarin je opgroeide, eentje voor de cultuur waarin je ter wereld kwam, een andere voor het historische tijdsgewricht van je leven en nog een kaart voor de geografische positie – het land of de streek waarin jouw leven begon. Bij elkaar bepaalden ze zowel de mogelijkheden als de beperkingen die je meekreeg in het leven.

Hij was tot de conclusie gekomen dat zijn levensloop in hoge mate gevormd was door de heftige, tegenstrijdige gevoelens die menselijke relaties soms bij hem opriepen. Die hadden zijn ontwikkeling gedirigeerd, zijn carrière beïnvloed, zijn interesses gestuurd en bijgedragen aan de obsessie met zijn eigen gevoelsleven waardoor hij leed aan wat weleens emotionele obesitas genoemd werd. En hij vermoedde dat het ook een verklaring bood voor zijn afkeer voor sentimentele romantiek, zijn neiging om zich emotioneel te hechten aan objecten in plaats van mensen en zijn voorkeur voor afstandelijke abstracties. Door het deplorabele verloop van zijn menselijke relaties – met partners, vrienden, collega’s en werkgevers – was hij zichzelf gaan beschouwen als een psychisch beschadigde persoon die het slachtoffer was van omstandigheden van zijn geboorte en opvoeding die hij nooit had kunnen overkomen. En dat was een bril waardoor hij ook zijn medemensen was gaan bekijken.

Hij had lange tijd gedacht dat er in hem ergens een betere versie van hemzelf verborgen zat die onder de juiste omstandigheden wel naar buiten zou komen. Als een verborgen schat die in de aarde lag te wachten tot de natuurlijke erosie van wind en regen haar zou blootleggen. Maar na zijn vijfenvijftigste levensjaar werd het hem onverbiddelijk duidelijk dat die verwachting niet meer was dan een mooie fantasie. En zoals alle prettige fantasieën was deze een verleidelijke schuilplaats geweest om zich in af te sluiten voor de ongemakken van het leven. Hij had geen eigen huis, geen partner waarop hij kon leunen, geen kind om voor te zorgen en geen noemenswaardige carrière die hem doel en richting verschafte. En hij had vaak het gevoel dat er voor hem geen plaats was in de sociaal overspannen en politiek gepolariseerde neoliberale consumptiemaatschappij van de vroege eenentwintigste eeuw. Hij zag zichzelf toen hij begon aan zijn reis als een uitgebluste misantroop met een onverkwikkelijk huidprobleem, een hoge bloeddruk en zonder enig perspectief.

De uitzichtloosheid van zijn situatie en het beklemmende gevoel dat de samenleving die hij kende gedoemd was ineen te storten hadden hem er toe gebracht om zijn boeltje te pakken en te voet op weg te gaan naar het Zuiden. Hij had niets te verliezen en rond de Middellandse Zee zou in ieder geval het klimaat aangenamer zijn, het voedsel smakelijker en de wijn goedkoper. Hij was vertrokken in de verwachting dat zo’n lange wandeltocht naar de zon zijn fysieke en mentale conditie zou verbeteren en wellicht als bonus nieuwe kansen en mogelijkheden op zijn weg zou brengen. Nu zat hij doorweekt en moegelopen in een kille spelonk in de Pyreneeën te schuilen voor een regenbui die al dagen leek aan te houden. Er trok even een wrange glimlach over zijn gezicht toen hij dacht aan de ironie van zijn situatie: op zoek naar de warmte was hij gestrand in de kou. In gedachten verzonken blies hij over de beker hete soep.

De afgelopen maanden was de Spaanse zon steeds een wenkende belofte achter de Pyreneeën geweest. Wat hij aan het begin van zijn reis zag als een tijdelijke bestemming om te ontsnappen aan de druk van het moderne leven, tot rust te komen en te genieten van een vroege pensionering, was onder de doem van de pandemische storm die zijn wereld teisterde in zijn voorstelling gaandeweg een permanent toevluchtsoord geworden, een veilige haven achter de horizon. In zijn fantasie was het land achter de bergen tijdens zijn reis uitgegroeid tot het equivalent van mythische plaatsen als het utopische Shangrila, het verloren Arcadië of het Cockanje van overvloed en welbehagen. Zijn eigen Luilekkerland achter de berg rijstebrij, waar alles goed zou komen en een mens niet geplaagd werd door zorgen en gebrek. Maar nu hij de Spaanse grens gepasseerd was stroomde het van de regen, zat hij vast in de rijstebrij en leek Luilekkerland verder weg dan ooit.

Het kwam hem voor alsof zijn leven almaar niet in harmonie met de omstandigheden leek te kunnen verlopen. Alsof hij vervloekt was met een ewigen Wiederkehr van de deprimerende omstandigheid dat hij zich altijd op het verkeerde tijdstip op de verkeerde plaats bevond. Hij leek nooit ‘op zijn gaatjes te lopen’, zoals een vriendin de toestand van harmonie met jezelf en de wereld ooit aanduidde. Alsof hij een trein was die ergens een keer uit de rails was gelopen en nooit meer goed teruggezet was. Het elementaire menselijke geluk van huisje-boompje-beestje had vaak binnen handbereik geleken, maar was hem om de een of andere reden steeds ontglipt. Hij zag wel in hoe dat ontbreken van de stabiliteit van een eigen gezin en van de doelgerichtheid van een bevredigende carrière hem had geleid naar een levensweg die afweek van het pad dat zijn vrienden en verwanten volgden. Hij kon bogen op een ongebonden leven met veel vrijheid en weinig zekerheden, een afkeer van burgerlijke waarden en een voorkeur voor eigenzinnige opvattingen. Maar voor die onafhankelijkheid betaalde hij de prijs met een terugkerend gevoel van isolatie en eenzaamheid. Het besef dat hij een vreemde eend in de bijt was vergezelde hem op al zijn reizen, als een vaste verstekeling in zijn bagage.

In de verte klonk het dreigende gerommel van onweer tussen de bergen. Terwijl de regen nu kletterend neerkwam op de met korstmossen bedekte stenen bij de ingang van zijn schuilplaats vroeg hij zich af wat hij eigenlijk bedoelde met die ‘betere versie van hemzelf ’ die zich ergens diep vanbinnen zou schuilhouden? Was hij werkelijk zo ontevreden over zijn levensloop, of liet hij zich meeslepen door somberheid omdat hij al zo lang alleen was? Gingen zijn eenzaamheid en de ervaringen van de afgelopen maanden nu niet teveel aan de haal met zijn kritische vermogen, in een neerwaartse spiraal van deprimerende gedachten?

De oude Grieken dachten dat geluk samenhing met deugd, met moreel gedrag. En volgens Socrates was kennis het fundament voor moreel gedrag. Als dat zo was, dan zou dat betekenen dat geluk voortkwam uit het verwerven van kennis, zo redeneerde hij. Zonder dat hij daarvoor een bewuste keuze had gemaakt was die opvatting wel een belangrijke leidraad van zijn leven geworden. De manier waarop filosofen vragen stelden over de werkelijkheid was volgens hem de beste manier om je dichter bij begrip en inzicht te brengen. Ook met betrekking tot je eigen leven. Het was natuurlijk niet voor niets dat alle takken van wetenschap die de moderne wereld kende op de een of andere manier afstamden van de filosofie. Filosofie was in de kern niets anders dan een kritische manier van vragen stellen over de fenomenen van de werkelijkheid – een denkwijze die aan de oorsprong stond van alle wetenschappelijke disciplines.

Zonder iets over zijn eigen deugdzaamheid te willen beweren, bleek het allegaartje aan kennis dat hij gaandeweg verworven had in ieder geval bruikbaar als schild tegen het altijd dreigende gevoel van malheur. Hij kon zich goed voorstellen dat hij zonder zijn relativeringsvermogen en zelfspot – naar zijn mening beide gefundeerd op kennis en inzicht over de wereld en zichzelf – ten onder gegaan zou zijn aan permanente zwaarmoedigheid en wanhoop. Gedreven door nieuwsgierigheid had hij als een spons zo gretig allerlei wijsheden die hij op zijn weg aantrof opgezogen. Niet dat hij een groot geleerde was geworden. Daarvoor was zijn belangstelling te grillig geweest, zijn nieuwsgierigheid te weinig doelgericht en waarschijnlijk te veel gestuurd door zijn beperkingen.

Misschien stond hij daarom wantrouwend tegenover specialisatie, die volgens hem vaak gepaard ging met een beperking van het blikveld. Het beeld van de uomo universalis, de ideale Renaissancemens die van alle markten thuis was, had hem lange tijd geïnspireerd. Leonardo was zowel een veelzijdig kunstenaar als een begaafd ingenieur en multidisciplinair wetenschapper geweest. Ook de mannen – helaas voornamelijk mannen – van de achttiende-eeuwse Verlichting hadden een brede interesse gehad voor alle verschijnselen in de natuur en ook hun nieuwsgierigheid richtte zich vaak op een ongeordende veelheid van uiteenlopende onderwerpen. Nu was er in de tijd van de zogenaamde Encyclopédistes en hun geestverwanten ook veel te onderzoeken en ontdekken geweest omdat er nog zoveel onbekend was, dus voor een nieuwsgierige geest was de wereld toen één grote maagdelijke sneeuwvlakte waarop men naar hartenlust kon rondbanjeren en zijn sporen duidelijk zichtbaar nalaten. Een schot in de duisternis van onwetendheid trof al snel een tot dan toe verborgen gebleven doelwit aan de jonge en alsmaar groeiende boom van kennis en wijsheid.

Vooral in de twintigste eeuw was de wetenschap door de enorme toename van kennis en onderzoeksmethoden gefragmenteerd in talloze disciplines en specialismen. Dat was onvermijdelijk en zelfs noodzakelijk om te reageren op de vele nieuwe vragen die rezen en de uitdagingen die zich aandienden. Voor wie zocht naar antwoorden viel er te putten uit een enorm reservoir van vergaarde inzichten en feiten. Maar hij was zelf nooit goed geweest in het onthouden van details en had altijd een voorkeur gehad voor een generalistisch overzicht dat hem in staat zou stellen het grote geheel van het bestaan te overzien. Lang geleden had hij een klassiek sciencefiction verhaal gelezen van A.E. van Vogt waarin de nexiologie als integratieve wetenschap werd geïntroduceerd. De held van het verhaal was in staat om de kennis van elkaar bestrijdende wetenschappelijke disciplines samen te brengen en daaraan een meerwaarde te geven die de bemanning van het ruimteonderzoeksschip waar hij deel van uitmaakte meermalen het leven redde. Die wetenschappelijke synergie, het idee dat het geheel meer opleverde dan de som der delen, had hem erg aangesproken. Daarentegen doken in de alledaagse werkelijkheid de begrippen ‘tunnelvisie’ en ‘verkokering’ regelmatig op als oorzaak van allerlei maatschappelijke misstanden en gerechtelijke dwalingen. Wat hem betrof bracht specialisatie ook allerlei risico’s met zich mee omdat specialisten het gevaar liepen om zich sociaal en psychologisch af te zonderen.

Zelf grossierde hij graag in abstracties en algemeenheden. Vroeg hem niet om concrete voorbeelden, namen of feiten die zijn soms tegendraadse of onorthodoxe opvattingen zouden kunnen illustreren of onderbouwen. Voor zulke details had hij geen hoofd. In het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs van zijn jeugd had hij meegekregen dat het belangrijker was om inzicht te hebben in de verschijnselen dan dat je in staat was om allerlei feiten en weetjes te reproduceren die je zonder al teveel moeite kon terugvinden in de boeken. Dat was een les die hij zich ter harte had genomen en die goed leek te passen bij het informatietijdperk waarin je via het alom aanwezige internet altijd en overal toegang had tot een schier oneindige hoeveelheid van die feiten en weetjes. Het ging er volgens hem vooral om hoe je uit die informatie een samenhangend en betekenisvol verhaal samenstelde. Zo bleef hij in de ogen van veel mensen waarschijnlijk een vage fantast met hooggestemde idealen en weinige praktische ideeën.

Hij was vooral geïnteresseerd geweest in de menselijke natuur, om het zo maar te noemen. Daaronder viel voor hem wel zo’n beetje alles wat het handelen van de mens kenmerkte en veroorzaakte. Vandaar dat hij er ooit voor had gekozen om geschiedenis te gaan studeren. Alles wat je kon onderzoeken over de mens lag tenslotte in het verleden, had hij zichzelf voorgehouden. Die belangstelling had natuurlijk alles te maken met zijn behoefte om mentaal grip te krijgen op de onbegrepen grilligheden van het menselijk gedrag, niet in de laatste plaats die van hemzelf. Hij had het altijd moeilijk gevonden om mensen te vertrouwen en trachtte dat blijkbaar te compenseren door een gevoeligheid te ontwikkelen voor de diepere beweegredenen van hun handelen. Dus naast zijn interesse voor de culturele verworvenheden van de mens was hij vooral nieuwsgierig naar diens natuurlijke wortels, die uiteraard tot diep in de evolutie reikten, tot aan het ontstaan van de kosmos toe. Dat inzicht had zijn belangstelling gestuurd in de richting van het ontstaan van het leven en de biologische evolutie. In het licht van zijn eigen worsteling met het bestaan was het geen verrassing dat hij bij zijn pogingen om het menselijk gedrag te doorgronden vaak uitkwam bij de psychische averij die men als soort en als individu had opgelopen. In de periode van zijn geschiedenisstudie was psycho-history in de mode als subdiscipline en honderdvijftig jaar na het verschijnen van Darwin’s Origin of Species keerde hij terug naar de universiteit en volgde hij colleges over de evolutie van het menselijk gedrag en las hij The Expression of the Emotions in Man and Animals.

Alle weetjes en inzichten die hij had kunnen distilleren uit het rommelige corpus van kennis dat hij in de loop der tijd had vergaard gaven de werkelijkheid waarin hij leefde wel een enorm reliëf. Het zien van die rijkdom aan details was de kunst van het combineren en verbanden leggen. Alledaagse dingen konden in zijn hersenen een netwerk van associaties activeren waardoor ze verbonden werden met een veelheid aan betekenissen. Dat creatieve mechanisme was als een tweede natuur geworden en had zijn belevingswereld enorm verrijkt, maar maakte hem tegelijkertijd ook kwetsbaar voor chaotische redenaties en grillige hersenspinsels. Hij was zich goed bewust van dat risico en twijfelde daarom doorlopend aan het selectieve vlechtwerk van zijn eigen inzichten en opvattingen.

Maar de warmte van een schraal zonnetje op zijn huid tijdens een gure vroege lentedag kon hem in gedachten van onze eigen levengevende ster tot zonnen in de verste uithoeken van het heelal voeren. Het eerste voorjaarsgezang van een Tuinfluiter opende een venster naar de woestijn waar deze trekvogel overwinterde. En voor de meeste mensen was een brug een gewoon ding waarover je zonder verdere gedachten aan de overkant van het een of andere water kon komen. Maar met een beetje kennis kon je onderscheid maken tussen een Romeinse of Middeleeuwse brug, of eentje die gemaakt was tijdens de Industriële Revolutie. Met alle historische kennis die hij in zijn hoofd bewaarde kon hij zich een levendige voorstelling maken van een antieke wereld waarin legionairs en slaven houten funderingen voor pijlers sloegen, of van het middeleeuwse gildesysteem met rondtrekkende steenhouwers die bogen metselden, of van een geïndustrialiseerde samenleving waarin loonslaven het mogelijk maakten om gietijzeren constructiedelen voor een Victoriaanse brug te produceren.

Niets in zijn belevingswereld was zomaar een object, alles had een historische context en alles kon door middel van verhalen met elkaar verbonden raken. Aard en kwaliteit van een landschap kwamen voor hem tot leven door zijn kennis van biologie en ecologie. In het gezicht van een kind kon hij soms het getekende gelaat van een bejaarde zien en omgekeerd kon een blik in de ogen van een gerimpelde bejaarde een visioen oproepen van een ondeugend kind in een lang vervlogen tijdperk. Zo kon hij alledaagse dingen op een voor anderen ongekend intense manier beleven, alsof hij in de loop van zijn leven supergevoelig was geworden voor allerlei indrukken. Hij voelde zich soms als een helderziende met een uitzicht op werelden die voor de meeste mensen verborgen bleven. En dat kon flink vermoeiend zijn.

Zelf was hij van mening dat zijn mentale vergezichten hem overeind hielden in een chaotische en bedreigende wereld waarin je als individu weinig controle had over je eigen leven. Zijn verstand en denkvermogen boden hem vaak een beschermend buffer wanneer hij overmand dreigde te worden door een stortvloed van emoties en irrationele gedachten. Door zijn neiging om gevoelens analytisch en relativerend het hoofd te bieden kon men de vergissing maken hem te bestempelen als een kille en afstandelijke persoon. In werkelijkheid was zijn verstand voor hem soms het enige middel om zijn heftige gevoelsleven enigszins in toom te houden.

Maar met al zijn geestelijke inspanningen had hij geen ‘betere versie van zichzelf’ kunnen vinden. Wel het inzicht dat ieder mens het in het leven moet doen met de kansen, mogelijkheden en beperkingen die hem gegeven zijn. En dat we daarin allemaal verschillen en er maar het beste van moeten maken. Uiteindelijk zijn dat de factoren die onze persoonlijkheid bepalen. Cesare Pavese noemde de worsteling om de onontkoombare tekortkomingen van zijn noodlot ten goede te keren zijn ambacht van het leven. Die worsteling om van de nood een deugd te maken had zijn weerslag gevonden in het oeuvre van de Italiaanse dichter.

Hij had zelf misschien zijn volledige potentieel niet kunnen bereiken, maar zijn existentiële malheur had geleid tot een eigenzinnige levensloop die hem paste en ook een hoop voldoening had opgeleverd, met een rijkdom aan gevarieerde ervaringen en een aantal bijzondere hoogtepunten die hij koesterde. Door het grillige verloop van zijn carrière en de opeenvolging van relaties met zeer verschillende vrouwen met ieder hun eigen achtergrond en sociale omgeving had hij soms het gevoel meerdere levens te hebben geleid. En er waren ook enkele zaken waarop hij trots kon zijn omdat ze opmerkelijk waren en iets nuttigs hadden bijgedragen aan het leven van anderen. Zo had zijn kennismaking met een bijzondere oorlogsveteraan ertoe geleid dat hij een veelgeprezen website had opgezet die een inventarisatie bood van de vrijwilligers uit het Caraïbisch gebied die tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden gevlogen voor de Royal Air Force – een groep die na 1945 in het vergeetboek raakte en voor hun offers nooit de waardering kreeg die ze verdiende. Het had hem vele hartverwarmende reacties uit alle uithoeken van de wereld opgeleverd. En de bijzondere eer om in het House of Lords in Londen een presentatie te mogen geven over dat archief. Hij stelde zich ook voor dat hij een bescheiden bijdrage had geleverd aan de groei van het wereldwijde netwerk van Repair Café’s door het oorspronkelijke logo met de huisstijl te ontwerpen. De oprichtster van dat succesvolle initiatief om duurzaamheid en sociale cohesie te bevorderen was in die tijd een zeilvriendin van hem. Hij was er ook trots op dat hij zijn geestelijk en lichamelijk aftakelende moeder een paar jaar had kunnen verzorgen na het overlijden van zijn vader. Daarbij had hij als onverwachte bonus ervaren wat werkelijk onbaatzuchtige liefde was. En ook hoe zwaar de last van zulke liefde kon zijn. In die periode had hij ook de geestelijke nalatenschap van zijn vader veiliggesteld door het verslag van diens jeugdervaringen en oorlogsonderzoek te boek te stellen en zelf uit te geven. Dankzij de publiciteit rond het fraaie boek was hij er in geslaagd om de documentatie die zijn vader verzameld had onder te brengen bij het provinciaal archief van Noord-Holland waardoor het levenswerk van zijn vader voor de hele wereld toegankelijk zou blijven. Het boek dat hij zelf had vormgegeven en op eigen kosten had geproduceerd bood het regionale oorlogsmuseum een bescheiden bron van inkomsten en vormde voor de bezoekers en medewerkers een gedegen naslagwerk met interessante informatie over de plaatselijke geschiedenis.

En dan had hij nog als donor een tiental paren in staat gesteld om hun kinderwens te vervullen. Hij hoopte dat die kinderen in liefdevolle en zorgzame omstandigheden waren opgegroeid en dat ze hun ouders vreugde en geluk hadden gebracht. Wat er ook van zijn biologische nakomelingen geworden was, het vervulde hem met een haast kosmisch gevoel van voldoening dat zijn genen niet verloren gegaan waren voor het grote continuüm van de evolutie. Hij hoopte vurig dat ze goed terechtgekomen waren en zichzelf hadden kunnen ontplooien tot evenwichtige en gelukkige individuen.

Zijn blik dwaalde af naar de diepe vallei die beneden hem lag. Waar was die verdraaide hond nou toch? Een grauwsluier van regen belemmerde zijn zicht op de kale grijze rotsen en de besneeuwde top van de Monte Perdido. De soep was op en het leek er niet op dat de regen snel zou ophouden. Hij vreesde dat hij de nacht zou moeten doorbrengen in deze kille holte en hij keek rond om te zien of er iets brandbaars was waarmee hij een kampvuurtje aan de gang zou kunnen houden.

Pavese had geschreven dat een man nooit helemaal alleen is in deze wereld. Dat hij op zijn minst altijd vergezeld ging van de jongen en de adolescent die hij ooit was en van de volwassen man die hij gaandeweg geworden was. Voor deze gestrande langeafstandswandelaar was dat geen nieuws, want het kwetsbare en onzekere kind uit zijn verleden droeg hij altijd in zich mee. Evenals de zoekende tiener die zich gretig en vol levenslust op de vrijheden van de vroege jaren zeventig had geworpen. ‘Wat geweest is, zal zijn’, citeerde de dichter uit het Bijbelboek Prediker. En zo had hij zijn leven lang gehunkerd naar een kinderlijke vorm van veiligheid en geborgenheid die natuurlijk voor altijd buiten bereik bleef in zijn verloren Jeugdland, zijn persoonlijk Arcadië. Desondanks klampte hij zich vast aan de kleine souvenirs uit die tijd die hij had meegesmokkeld naar de volwassenheid. Hij had zijn hele leven lang een merkwaardige voorliefde gehouden voor miniatuurtreintjes en modelbouwprojecten, vooral van oorlogstuig zoals de vliegtuigen en militaire voertuigen uit de kindertijd van zijn vader.

En ook de muziek van zijn jeugd had hij nooit losgelaten. Tijdens die wankele tienerjaren werden de gevoelens van zijn generatie voornamelijk vertolkt door de popmuziek die op de radio te horen was. Muziek vervulde voor hen dezelfde rol als de sterren van het witte doek voor de generatie van zijn ouders en de romantische dichters een eeuw eerder. De muzikanten waren rolmodellen en hun muziek gaf uitdrukking aan de beleving van hun eerste liefdes en de hoop voor de wereld die hun generatie uitdroeg. Sommige van de alom aanwezige hits van de Beatles die hij in zijn kindertijd onbevangen had meegezongen kregen tijdens zijn vroege tienerjaren een nieuwe betekenis doordat de sentimenten die ze vertegenwoordigen zo sterk resoneerden met zijn eigen verwarrende gevoelsleven. Titels als Help! en Nowhere Man spraken voor zich en de tekst van Eleanor Rigby schetste een desolate eenzaamheid die hij soms ook voelde en die hem deed verlangen naar een ongedefinieerd nostalgisch Yesterday. Het voorbeeld van zijn muzikale helden stimuleerde hem om zelf liedjes te schrijven en gitaar te leren spelen. En zich over te geven aan de fantasie zelf een troubadour van de tijdgeest te zijn. In zijn grot in de bergen bedacht hij nu dat hij daarmee zonder het te weten in het voetspoor trad van de grootvader van die middeleeuwse Eleanor – de hertog van Aquitanië die men beschouwde als de allereerste troubadour. Maar zijn eigen liedjes vormden vooral een therapeutische uitlaatklep voor de heftige emoties die de nakende volwassenheid losmaakte in zijn jongere ik. En waarschijnlijk ook een schreeuw om aandacht en begrip, zoals die iconische literaire antiheld Holden Caulfield, die zoveel van zijn puberale monologen begon met het uitroepen van een nadrukkelijk ‘Listen!’ omdat hij meende anders niet gehoord te worden. Een ervaring die hij tijdens zijn leven ook vaak had gevoeld.

En toch was die verwarrende periode misschien wel de gelukkigste van zijn leven geweest. Het was waarschijnlijk niet voor niets dat zoveel van zijn idealen, dromen en fantasieën uit die tijd waren blijven plakken. Dat gold in ieder geval ook voor zijn muzikale aspiraties. Terugkijkend leken die bevrucht door de mix van waardering, ontdekking, kameraadschap en losbandigheid die hij toen had ervaren. Misschien had zijn muziek hem ook een veilige vluchtplaats geboden tegen de emotionele stormen van het bestaan.

Andermaal gingen zijn gedachten uit naar het spreekwoordelijke zonnige Zuiden dat achter de in wolken gehulde bergtoppen op hem wachtte, het Shangrila van zijn dromen. Hij hoopte er een mooie, rustige plek te vinden met uitzicht op zee. En hij verlangde ernaar om zich als een pensionado over te geven aan de ontspannende liefhebberijen van zijn voorkeur: wandelen in de vrije natuur, veel lezen, goed eten en misschien ook wat tekenen of schilderen. Bovenal wilde hij graag zijn liefde voor de muziekbeoefening nieuw leven inblazen. Zijn hele leven was de gitaar een vertrouwd en geruststellend toevluchtsoord geweest voor zijn gevoelige lange vingers wanneer hij de behoefte voelde om uitdrukking te geven aan zijn emoties. En met grote voldoening keek hij terug op de periode dat hij in 1984 zijn woonkamer had ingericht als opnamestudio en naar hartenlust een selectie van zijn zelfgeschreven liedjes opnam en daarbij alle instrumenten zelf inspeelde.

Hij meende dat de toonkunst met de emotie van klanken en de mathematische principes van compositie de ultieme verbintenis van gevoel en verstand uitdrukte. In Die Geburt der Tragödie beschreef Nietzsche het onderscheid tussen de Dionysische en de Apollinische aspecten van de kunst: de instinctieve, primitieve oerkracht die getemd werd door de cerebrale, evenwichtige ordening van de geest. De filosoof verklaarde dat zonder muziek het leven een Irrtum was, eine Strapatze, ein Exil. Harmonie, maatvoering en tonaliteit zaten vol wiskundige verhoudingen, maar konden de meest intense emoties oproepen. Dat had hem zelfs de gedachte gegeven dat professionele muzikanten, met name componisten, op een hoger geestelijk niveau functioneerden. De muziekleer vormde, dankzij Pythagoras, niet voor niets met de rekenkunde, de meetkunde en de sterrenkunde samen het quadrivium, een van de twee pijlers van de klassieke studie in de Oudheid en Middeleeuwen.

Wetenschap, kunst en religie werden in zijn eigen tijdperk gezien als drie wegen die, ieder op haar eigen manier, toegang gaven tot kennis over de wereld. In religie had hij nooit enige troost gevonden, evenmin als een antwoord op de vragen die hem bezighielden. Voor hem was de wetenschap altijd de enige betrouwbare bron van kennis over het leven geweest, een houvast in de emotionele stormen van zijn bestaan. Maar op dat moment moest hij plotseling denken aan de woorden van de legendarische rockstar, performer en composer Frank Zappa:

Information is not knowledge 
Knowledge is not wisdom 
Wisdom is not truth
Truth is not beauty
Beauty is not love 
Love is not music 
Music is THE BEST

Deze opsomming daagde ons uit tot kritische gedachten over wat we denken te weten, maar misschien wilde Zappa vooral vaststellen dat de verschillende aspecten van de menselijke ervaring die hij noemde allemaal overtroefd werden door de muziek. En misschien was dat ook wel zo. Muziek kon heel cerebraal zijn en was in zijn kern terug te voeren tot wiskundige verhoudingen, maar of je nu luisterde naar klassiek of modern, chromatisch of minimal, atonaal of cool, rock of rap, altijd wisten klank en ritme wel een emotie op te roepen en op die manier door te dringen tot de diepere lagen van de menselijk beleving. Dat opende de weg naar een vorm van spiritualiteit die hem wel aansprak.

Ineens werd hij getroffen door een verrassende gedachte. Het leek hem heel goed mogelijk dat zang en dans in de menselijke evolutie eerder tot ontwikkeling waren gekomen dan het vermogen om te spreken. Hij kreeg een visioen van een groepje prehistorische voorgangers van de mens dat bij elkaar gekropen was in een grot – misschien net als hij op dat moment, schuilend voor regen en onweer. Het kon zijn dat ze honger had- den omdat ze die dag geen voedsel hadden gevonden, of misschien waren ze getroffen door een andere vorm van onheil of tegenslag. Hij stelde zich voor dat ze hun behoefte aan geruststelling en saamhorigheid deelden in gezamenlijk ritmisch gebrom of zangerig weeklagen, in de klanken waarmee ze vertrouwd waren. Wellicht hadden ze geleerd om roofdieren te verjagen of kwade geesten te bezweren met lawaai dat ze maakten door op de grond te slaan met stenen, stokken en botten. Zulk ongeordend getrommel was misschien op een bepaald moment overgegaan in een gecoördineerde cadans, een ritme dat opzweepte en uitdrukking gaf aan hun dapperheid als groep. In gedachten zag hij hoe met muziek een krachtig ritueel gecreëerd werd dat hun zelfvertrouwen voedde en gemeenschapszin aanwakkerde.

Die beroemde scene uit de film 2001 A Space Odyssee dook op in zijn geest, waarin onder de aanzwellende klanken van Also sprach Zarathustra een verre voorouder van Homo sapiens een grote evolutionaire stap maakte door te ontdekken hoe hij een bot kon gebruiken als gereedschap. En als moordwapen. Dat was nogal een gewelddadige voorstelling van de dagenraad der mensheid geweest. En waarschijnlijk niet eens zo vergezocht. Maar was het niet veel mooier om in plaats daarvan te suggereren dat muziek een beslissende rol gespeeld had in de menselijke evolutie en dat het allereerste werktuig gebruikt werd om die stap voorwaarts te voorzien van een ritmische begeleiding?

En toen moest hij denken aan de natgeregende menigte in de modder van het vreedzame muziekfestival van Woodstock in 1969. Zingend zonder woorden en onder het ritme van handgeklap en lege blikjes die ze tegen elkaar sloegen weerstonden de festivalgangers de elementen en vonden ze kracht en vreugde en eensgezindheid in een spiritueel bezweringsritueel dat misschien wel een echo was van iets dat hun verre voorouders ook had samengebracht.Diep in zijn hart was hij op zoek naar een zelfde gevoel van diepe verbondenheid, dat besefte hij nu het einde van zijn voetreis in zicht kwam. Zou muziek daartoe de sleutel kunnen zijn? Zou hij in de luwte van het gebergte lotgenoten vinden met wie hij weliswaar geen taal deelde, maar wel een behoefte aan warmbloedig, empathisch menselijk contact? Hij werd onverwacht bevangen door een optimistisch gevoel over de toekomst. Hij had geen idee wat hem wachtte aan de andere kant van de bergen, maar een ding was zeker, wanneer de regen ophield zou alles anders worden…

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.