18 | De bergen in

De regen was nog niet verdwenen de volgende dag. Zware wolken lagen tegen de donkere hellingen aan weerszijden van de vallei en een fijne motregen hing als een zompige grijze waas in de lucht. Maar Stef wilde zijn vertrek niet uitstellen en begon goedgemutst zijn boeltje in te pakken. Hij had altijd een voorliefde gehad voor zulke verstilde dagen, wanneer de druilerige atmosfeer zijn gevoelige zenuwen beschermde tegen zowel het felle licht van de zon als de schelle geluiden van menselijke bedrijvigheid. De temperatuur was aangenaam koel en leek hem bijzonder geschikt voor een flinke wandeling door de bergen. Na een diepe slaap voelde hij zich goed uitgerust en Stef was vol ongeduld om eindelijk de Spaanse grens te bereiken. Roquet snuffelde nieuwsgierig aan het wagentje dat zijn meester de vorige middag had geconstrueerd en Stef besloot de hond eerst een rondje te laten lopen met het onbeladen voertuig om de bedoeling nog eens goed duidelijk te maken. Afgeleid door een hondenkoekje liet het dier zich voor het karretje spannen en liep vervolgens naast Stef monter het straatje een stuk op en neer. So far, so good. Roquet leek geen probleem te hebben met het rijtuigje en kauwde gretig zijn beloning weg. Nadat hij het dier had losgekoppeld bond hij het pakket met zijn voedselvoorraad op de aanhanger.

Zelf gordde hij als vanouds de twee rugzakken om zijn lijf, de grote met zijn kleding en andere persoonlijke bezittingen op zijn rug en de kleinere met de waardevolle spullen voor zijn buik. Zijn trekkerstentje bond hij nog bovenop het karretje. Het jachtgeweer hing hij om zijn nek, horizontaal voor zijn borst, onder de kleine rugzak, zoals hij paratroopers in oorlogsfilms had zien doen. Bepakt met hun bagage zagen man en hond er uit als een fraai stel ontdekkingsreizigers, stelde Stef vast met een ironische glimlach op zijn gezicht. Hij had zichzelf weer een paar wandelstokken toegeëigend en zijn regenponcho omgedaan tegen de neerdalende nattigheid. Ook zijn oude lichtblauwe baret was in ere hersteld om zijn kruin droog te houden.

Zo marcheerde het tweetal de winkelstraat uit, langs de doe-het-zelf winkel en tot de rotonde. Daar namen ze de eerste afslag aan hun rechterzijde en liepen tien meter terug om daar een smal zijstraatje aan hun linkerkant op te gaan. Na vijftig meter passeerden ze een stenen brug over het riviertje en kwamen ze bij een elektriciteitscentrale. Aan de achterzijde van het gebouw was een onverhard pad dat hen tegen de berghelling omhoog voerde. De korte klim was hun eerste inspanning van de dag en ondanks de matige temperatuur vormden zich transpiratiedruppels op het voorhoofd van Stef. Boven vonden ze na een paar honderd meter de aansluiting op een hoger gelegen secundaire weg die door de kloof verder de bergen in leidde. Op die manier omzeilden ze de barrière van voertuigen die ze de dag ervoor bij de brug op de hoofdweg hadden gezien. Met de tong uit zijn bek sjouwde Roquet hijgend zijn last tegen de helling op, maar op het asfalt rolden de wieltjes van de bagagewagen even later soepel voort en gelukkig werd de weg verderop vlakker.

Ze passeerden een klein kerkje en een aantal robuuste huizen van natuursteen die zich op de steile helling leken vast te klampen aan de weg. Daarna namen ze een half-verhard landweggetje dat een stukje verder omhoog voerde. Na een paar bochten waren ze aan alle kanten ingesloten door rotswanden en beboste hellingen terwijl de hemel boven hun hoofden aan het zicht onttrokken werd door het grauwe wolkendek. Dat gaf Stef eerder een aangenaam gevoel van geborgenheid dan dat het hem benauwde. Afgezien van het ritmische tak-tak van zijn wandelstokken en het zachte geknerp van de wieltjes van de bagagedrager op het losse wegdek was het doodstil. De natuur zweeg in alle talen en alle andere geluiden werden gesmoord in de vochtige sluier die over het landschap lag. Ondanks die prettige intimiteit werd Stef bekropen door het onheilspellende gevoel dat hij in een bubbel van verstilde tijd liep, een kosmisch vacuüm dat wachtte op de vervulling van de een of andere lotsbestemming.

Na een paar kilometer ging het pad met een scherpe bocht omlaag en het tweetal stak het riviertje en daarna de doorgaande weg over. Aan de andere kant lag Tramezaïgues, een gehucht dat was ontstaan aan de voet van een wachttoren uit de twaalfde eeuw. De wijzers van het horloge op een lage, stompe kerktoren waren stil blijven staan op vijf voor twaalf. Bij een klein kruispunt midden in het dorpje passeerden ze een ouderwetse openbare wasgelegenheid, een overdekt lavoir. Dat was verbonden met een drinkplaats voor mens en dier die aangevuld werd door een waterbron in een muurtje langs de weg. Er tegenover stond het gemeentehuisje, een lelijk modern geval met veel glas en staal in de gevels maar wel met traditionele vormen en afmetingen. Op de achtergrond was de vierkante toren van het oude kasteeltje net te zien boven de toppen van de bomen. Een donker silhouet in de grijze mist.

Ze lesten hun dorst bij de bron en Stef haalde het geweer van zijn nek. Door het gewicht begon de draagband hem pijn te doen en de wandelstokken maakten het lopen op de redelijk vlakke weg ook niet veel gemakkelijker. Hij bevestigde de stokken op het karretje van Roquet en nam het vuurwapen losjes in de hand. De geasfalteerde weg liep in oostelijke richting het dorp uit en boog daarna langzaam af naar het zuiden, door eendiepe vallei omhoog. Dit was de route van het Jacobspad, de GR105, die naar de Pas van Ourdissetou voerde, een oude grensovergang en smokkelaarsroute.

De stilte werd verstoord door het geruis van een snelstromend beekje dat hen links van de weg door een diepe kloof tegemoet kwam. Een stukje verderop kwam het water met donderend geraas naar beneden vallen bij een kleine waterkrachtcentrale waarachter de kloof was volgelopen tot een smal, langgerekt stuwmeertje.

Op de hypnotiserende metronoom van zijn voetstappen kwam de onvermijdelijk voortkabbelende stroom van gedachten, reflecties en ingevingen weer op gang. Stef dacht aan het eenzame pad dat hij bewandelde. Het stelde hem weliswaar in staat om als buitenstaander observaties te doen waar de meeste mensen niet aan toe kwamen en hij vond werkelijk dat hij daardoor een rijk geestelijk leven leidde, maar de vraag kwam in hem op of dat hem nu werkelijk geluk gebracht had. En wat was er voor hem nu werkelijk belangrijk in het leven? Begrip? Heel pretentieus had hij ooit ‘cognitionis gaudium est’ als motto boven zijn website geschreven, dat hij wenste te zien als de Latijnse vertaling van ‘kennis brengt geluk’. Maar was dat ook werkelijk zo? Droegen al zijn inzichten bij aan zijn geluksgevoel? Of wentelde hij zich in het genoegen van zijn zelfgemaakte werkelijkheid? In de eenzaamheid van zijn trektocht door het bewolkte berglandschap werd hij weer eens geplaagd door de aloude angstige onzekerheden over zijn leven.

Het inzicht overviel hem. Op dat moment miste hij vooral het gezelschap van zijn oude vrienden, met wie hij in de meeste gevallen al sinds de middelbare school omging en die hij zo vaak achteloos verwaarloosd had. De vrienden, kennissen en collega’s die hij in de tijd daarna had leren kennen had hij tot zijn grote spijt in de loop der tijd zo’n beetje allemaal van zich vervreemd, door overgevoeligheden, nooit bijgelegde conflicten of ander sociaal gestuntel. Of door domme arrogantie omdat hij meende dat hij beter begreep hoe de wereld in elkaar zat, terwijl hij het zelf was die geen aansluiting meer vond bij het normale leven dat ze leidden. Stef verlangde plotseling naar de ongecompliceerde gezelligheid van een gezamenlijke maaltijd met vertrouwde leeftijdsgenoten, de gedeelde ervaring van het uitwisselen van de laatste roddels, vakantieverhalen, familieperikelen en belevenissen van de kinderen. Van herinneringen ophalen aan kennissen van vroeger, vergane tijden en gedeelde ervaringen. De ongedwongen gesprekken over interessante boeken, goede films en mooie tentoonstellingen. Al die gewone dingen die mensen bij elkaar brachten sinds ze in de oertijd vuur hadden leren maken en rond die bron van warmte en licht bij elkaar geborgenheid vonden en de duisternis buitensloten. En liederen zongen om de wereld waarin ze leefden betekenis te geven, in songlines, liefdesliedjes, strijdliederen en heldendichten. Wat zou hij niet willen geven om een avondje ontspannen muziek te kunnen maken met een paar gelijkgestemden, samen wat oude liedjes te zingen die deel uitmaakten van hun gemeenschappelijke geheugen of zich onbekommerd over te geven aan de pret van liederlijke frivoliteiten. We konden nog zulke uitzonderlijke ervaringen en belangwekkende gedachten hebben, ze betekenden weinig als ze niet gedeeld werden. Een traan mengde zich met de vochtige neerslag op zijn gezicht en Stef proefde het zout dat zich over zijn bovenlip verspreidde. Heimwee naar een onbereikbaar verleden, voor altijd verloren. De onverbiddelijke tijd gaf zelden een tweede kans.

Hij moest terugdenken aan de uitvaart van een neef van hem die als gevolg van een tragisch verkeersongeval te jong was overleden. Die had een bescheiden leven geleid, zonder spectaculaire verrichtingen en opmerkelijke hoogtepunten. De onmiskenbare neurotische kant van diens karakter had hem beperkt in de ontplooiing van zijn talenten, ogenschijnlijk veel meer gehinderd dan Stef. Toch was de afscheidsbijeenkomst buitengewoon drukbezocht door familie, vrienden, dorpsgenoten en collega’s en waren de sprekers vol lof over zijn, weliswaar ongemakkelijke, maar vooral trouwe en toegewijde persoonlijkheid en konden ze vele mooie herinneringen en grappige anekdotes delen met de aanwezigen. De overledene had, in tegenstelling tot Stef, altijd zijn sociale contacten gewetensvol onderhouden en liet blijkbaar een leegte achter in het leven van zijn dierbaren. Stef vreesde dat hij nooit op die manier door zoveel mensen gemist zou worden. Daarvoor was zijn leven te weinig verweven met dat van anderen. Zou hij daarover vroeger zijn schouders hebben opgehaald, op dat moment liet die gedachte hem bepaald niet onverschillig.

Bij een groot rotsblok stonden een informatiepaneel en een overdekte picknicktafel. Achter de rots verdween de bruisende waterstroom onder een stenen brug. Hij was inmiddels ruim anderhalf uur onderweg en Stef schatte dat hij alles bij elkaar zo’n vijf of zes kilometer gelopen had. Het was een mooie plek voor een korte rustpauze dus hij deed zijn bagage af en bevrijdde ook Roquet van zijn last. De hond had wel een beloning verdiend en Stef lustte zelf ook wel wat. Dus viste hij een paar versnaperingen op uit zijn rugzak en luisterde kauwend op een notenreep naar het ontspannende geruis van het voorbij stromende water.

Terwijl Roquet de rand van het bos inspecteerde, bekeek Stef even later het paneel met een fles water in zijn hand. Op het bord stond een plattegrond met de bezienswaardigheden en wandelpaden die voor hem lagen in de Vallée du Rioumajou. In de foto’s met zonnige berggezichten herkende Stef niets van het mistige landschap dat als het onscherpe decor uit een griezelfilm om hem heen hing. Hij zag op de plattegrond dat er meerdere paden waren die in de bergen omhoog voerden tot aan de Spaanse grens. De bergpassen rondom de vallei lagen op 2400 tot 2600 meter hoogte, zo’n duizend meter hoger dan hij zich op dat moment bevond. Het was duidelijk dat hij nog een flinke klim voor de boeg had.

Geen tijd om te dralen dus. Na de brug liepen ze een paar honderd meter aan de andere kant van het snelstromende beekje dat nu rechts van hen vlak langs de weg voorbij stroomde, in de schaduw van kaarsrechte naaldbomen. Behalve de vertrouwde rood-witte streepjes van de Grande Randonnee zag Stef ook rode en blauwe markeringen van enkele lokale wandelpaden. Kleine stroompjes met helder, koud en verfrissend water vloeiden aan alle kanten over de bergflanken omlaag. Bij een daarvan waste Stef zijn gezicht, spoelde zijn mond en vulde zijn fles bij. Hij zou in ieder geval niet van de dorst omkomen, stelde hij vast.

Bij de volgende brug was ook weer een picknickplaats met een informatiebord. De weg maakte zich daarna los van de waterloop en ging vervolgens gestaag omhoog. Door aardverschuivingen en kleine lawines waren los puin en kleine rotsblokken op het asfalt terecht gekomen. Op de helling naast de weg lagen hier en daar ontwortelde bomen die meegesleurd waren door het gesteente. Het water stroomde nu weer aan de linkerzijde een eindje beneden hem in de kloof omlaag, terwijl de smalle weg al slingerend steeds dichter bij het laaghangende wolkendek kwam. Stef zag een paar gebouwen aan de overkant van de bergbeek, verlaten barakken die bereikbaar waren via een voetgangersbruggetje over een nauwe spleet waar het kolkende water zich doorheen perste. Een onderkomen voor houthakkers of een vakantieverblijf voor padvinders?

Langs de weg lagen nu her en der lange, rechte boomstammen die ontdaan waren van hun zijtakken. Wachtend op transport naar een houtzagerij dat wel nooit zou komen. Ze moesten volgens zijn kaart nu ongeveer vijf kilometer voorbij Tramezaïgues zijn en Stef merkte dat hij, ondanks het frisse weer, flink begon te zweten. Ook Roquet liep te hijgen met de zware last op zijn schouders. De ijle lucht op deze hoogte deed zich gelden. Het zware jachtgeweer droeg hij afwisselend links of rechts, nu eens losjes in de hand en dan weer aan de band over zijn schouder.

Na de zoveelste brug over de bruisende bergbeek verscheen er rechts van de weg een dam voor een waterkrachtinstallatie met een flink stuwmeertje erachter. Het diepblauwe water strekte zich uit over een paar honderd meter lengte en was zo’n dertig meter breed. Aan de overkant opende de steile rotswand zich en bood zicht op een kleine vallei van waaruit door een smalle spleet een tweede beekje in het bassin stroomde. Naast een kleine waterval stond aan het begin van het dal een stevig laag gebouw van natuursteen op een rotsachtige verhoging. Dat was waarschijnlijk het restaurant dat een stukje eerder stond aangekondigd op een bordje langs de weg. Op de achtergrond kon hij nog net de vage contouren van een steile bergpiek onderscheiden. Bedrogen zijn ogen hem nu, of zag hij door de mist inderdaad witte sneeuwvlekken rond de top?

Aan het einde van het stuwmeer was weer een brug met aan de andere kant een zijweggetje naar het restaurant en het begin van een paar wandelpaadjes de bergen in. Het water stroomde Stef weer aan de linkerzijde tegemoet, nu eens slingerend door een brede bedding, dan weer schuimend door een nauwe doorgang tussen de rotsen. De motregen ging hier over in echte, gestaag vallende regen en Stef was blij dat hij zijn plastic poncho had omgedaan. Naast hem stapte Roquet trouwhartig voort met het zelfgemaakte bagagekarretje achter zich.

Een kilometer voorbij het stuwmeertje werd de bodem van de vallei vlakker en breder en was er ruimte voor veldjes waar bezoekers konden picknicken of kamperen. Stef passeerde een bordje waarop, onder andere in gebrekkig Engels, stond dat het verboden was vuurtjes te stoken – feux interdits; fuegos prohibodos; fire prohebited. Langs de weg stonden afvalbakken en een keurige houten pijl wees aan waar men zijn camper mocht parkeren onder de bomen. Even verderop was een aire bivouac, waar recreanten hun tent konden opslaan. Een ruime parkeerplaats en een houten huisje voor toiletten maakten de recreatieve voorziening compleet. Met al die regen en laaghangende bewolking zag het er niet erg uitnodigend uit.

Schuilend onder het afdakje van weer een informatiepaneel bestudeerde Stef de plattegrond van de omgeving nog eens. Hij zag dat het dal zich een stukje verderop splitste in twee kloven. Over de kampeerplaats kwam je bij een knooppunt van wandelpaden waarvan er een paar door het zijdal in oostelijke richting gingen. Recht vooruit, naar het zuiden, hield het asfalt ook op en was de weg verder verhard met steenslag. Over de route non revêtue liep de GR105 volgens een verkeersbord nog vier kilometer verder. Daarna ging het volgens de landkaart omhoog naar de bergpas over een smal voetpad. Dat zou het zwaarste stuk van de tocht worden, vooral voor Roquet met zijn karretje. Maar tot aan het Hospice du Rioumajou was het volgens een beschrijving op een houten bord een ‘prettige wandelroute’ over een ‘schaduwrijk pad’. Wel, aan schaduw ontbrak het zeker niet op deze bewolkte dag, bedacht Stef grimmig.

Toen ze het hospice aan het einde van de middag bereikten was de regen opgehouden. De wolken hingen laag tegen de massieve groene hellingen die een kleine vlakte omsloten en waar het water vanaf droop in taloze kleine watervalletjes. Het vocht verzamelde zich op het laagste punt van de weide om bij elkaar het stroompje te vormen dat Stef de hele dag tegemoet gelopen was, de Rioumajou. Die naam leek hem samengesteld uit woorden die verwant waren aan ‘rio’ en ‘major’, waardoor de vertaling iets als ‘hoofdrivier’ moest luiden, een aanduiding die in ieder geval voor deze vallei van toepassing was.

Overal klonk het geluid van druppelend en vallend water in de mist. Lage muurtjes van gestapelde stenen wezen erop dat hier soms het loslopende vee verzameld werd dat de bergweiden begraasde. Maar Stef had de hele dag nog geen koeien of schapen gezien. De vorm van het langgerekte lage gebouw van natuursteen deed hem denken aan een Drentse schaapskooi. Het onderkomen stond aan de westkant van de open ruimte, vlak voor een klif van steile rotsen, gevallen puin en hellingen bekleed met sparren, struikgewas en mos. Het was gebouwd om de strenge weersomstandigheden van het winterseizoen te doorstaan en de luiken voor de kleine vensters waren gesloten. Op een parkeerplaatsje stonden enkele verlaten auto’s. Ongetwijfeld waren die daar achtergelaten door vluchtelingen voor de Rode Dood die net als Stef hun heil zochten in Spanje. Hij vroeg zich af wat er van hen geworden was, maar was niet erg optimistisch over hun lot als ze de besmetting met het virus met zich meedroegen. De weg hield hier op en je kon alleen verder over een smal pad dat aan het einde van de vallei omhoog voerde.

Stef voelde zich afgemat en bij een groepje keurig geordende picknicktafels dat voor het gebouw stond ontdeed hij zichzelf en Roquet van de last die ze de hele dag hadden meegesjouwd. Terwijl hij zijn rug strekte inspecteerde hij de buitenkant van het gastenverblijf. Het leek hem niet verstandig om op dit late tijdstip nog verder te trekken en een poging te ondernemen om de bergpaadjes die voor hem lagen te beklimmen terwijl de duisternis inviel. Hij zou dus, zoals hij zich had voorgenomen, hier de nacht doorbrengen.

Nadat Stef een deur geforceerd had vond hij op de langgerekte zolder boven het restaurant een aantal slaapverblijven voor passanten. Onder de dakspanten stonden propere eenpersoonsbedjes en stapelbedden, zo’n vijf slaapplekken per vertrek. Hij vond zelfs een kamertje met een riant tweepersoonsbed, dat hij voor zichzelf claimde. Jammer genoeg was er geen warm water in de douches, maar de keuken van het restaurant was voorzien van kooktoestellen op gas. De gasflessen waren nog gevuld en terwijl zijn spullen hingen te drogen, maakte hij een warme kop soep voor zichzelf. Daarna viel hij in slaap op het grote bed.

Toen Stef weer wakker werd kletterde de regen tegen het kleine venster in het schuine dak. Buiten schemerde het en het leek wel of je de wolken kon aanraken, zo laag hingen ze. De avond bracht hij door met het ordenen van zijn spullen en zich zo goed mogelijk voorbereiden op de zware klim naar de bergpas die voor hem lag. Bij het licht van een elektrische lantaarn die hij vond in de bijkeuken maakte hij een stevige maaltijd voor zichzelf en Roquet en samen liepen ze later een rondje over het omliggende terrein, langs de beekbeddingen met grote kiezels en de ommuurde kleine weideveldjes. Boven het zachte geruis van neerkomend water meende Stef in de verte het gemoedelijke gerammel van een schorre koeienbel te horen.

Na een droomloze slaap ontwaakte Stef in het grijze ochtendlicht dat aarzelend door het kleine venster naar binnen keek. Het regende niet langer en de wolken hingen hoger dan de dag ervoor, maar de pieken waren nog altijd aan het zicht onttrokken door een dichte mist. Even zag Stef de zilveren glinstering van een verre waterval toen het zonlicht een kleine scheur in het wolkendek vond, maar het zou geen zomerse dag worden, leek hem zo.

Vol goede moed begon het tweetal een halfuurtje later aan de grote uitdaging die voor hen lag. Stef kon moeilijk inschatten hoe zwaar de tocht zou worden en hoe lang het zou duren voordat ze de grens bereikten, maar hij verwachtte toch wel die middag het hoogste punt te kunnen passeren. Over een onverhard pad liepen ze langs de lage muurtjes en hekken die bedoeld waren om het vee bij elkaar te houden naar een houten voetgangersbrug die het kleine beekje overspande dat van de westelijke hellingen naar beneden stroomde. Een vaag spoor in het natte gras leidde hen naar een bosje en een kleine weide verderop. Daarna zigzagde het pad heen en weer over een klein waterstroompje tegen de steile helling op. Al snel begon Stef weer te zweten van de inspanning. Het ongelijke terrein was moeilijk begaanbaar vanwege de gaten van koeienpoten en de losse stenen. Door de grote kiezels die zich er in de loop der tijd verzameld hadden en niet waren weggespoeld was het spoor volkomen ongeschikt voor de kleine wieltjes van het bagagewagentje dat Roquet moest trekken. En sommige stukken leken meer op een trap met onregelmatige treden van uitgesleten rots. Er zat voor Stef niks anders op dan de hond te bevrijden van zijn last en het ding zelf op sleeptouw te nemen. Dat schoot dus niet erg op en kostte hem erg veel tijd en energie. Maar naarmate ze hoger kwamen, werd het uitzicht op het land beneden hen beter. In iedere bocht van de beklimming zat Stef even hijgend bij te komen en kon hij genieten van het uitzicht over de vallei in de diepte. Het hospice lag als een miniatuurbouwwerk uit Madurodam in de kale open vlakte omringd door de berghellingen die in hoeken van vijfenveertig graden met de horizon een abstract schilderij in grauwe tinten van groen en grijs vormden.

Bij de laatste haarspeldbocht vertakte het pad zich. De pijlen recht vooruit gaven de oranje route aan die boven de vallei van Rioumajou naar de Pic de Lia in het westen leidde. De blauwe route naar links volgde de GR105 naar het zuiden, over de Port d’Ourdissetou naar Spanje. Dat pad vlakte gelukkig af en leek voorlopig de hoogtecontouren te volgen, langzaam maar gestaag hoger de vallei in. Het uitzicht op de bergflanken aan de overkant was spectaculair, met bergbeken die uit de wolken leken te vallen en in reeksen van bruisende cascades hun weg naar beneden vonden. Stef was blij dat hij een stuk niet hoefde te klimmen, ook al moest hij wel oppassen voor losse stenen en kleine rotsblokken waar hij het karretje overheen moest tillen. De voortgang bleef zwaar en tot zijn frustratie schoot hij niet erg op.

Bevrijd van zijn last maakte Roquet volop gebruik van de gelegenheid om rond te struinen en zich te laven aan alle opwindende vreemde geuren. Maar ongeveer driehonderd meter voorbij de splitsing begon het dier plotseling gealarmeerd te grommen. Zijn nekharen stonden overeind en hij zakte door zijn poten alsof hij zich wilde verbergen voor de een of andere dreiging. Stef wist inmiddels genoeg van het gedrag van zijn metgezel om dergelijke signalen serieus te nemen. Hij zette het karretje neer en sloop voorzichtig vooruit tot hij vanachter een rotsblok het pad dat voor hem lag ongezien kon observeren. Roquet voegde zich met de staart tussen de poten bij hem en Stef maande het dier tot stilte en fluisterde: “Wat is er, jongen? Heb je onraad geroken? Ik zie niets bijzonders, hoor…”

Een meter of twintig verderop werd het pad onderbroken door een geul waarin een bergstroompje schuimend omlaag kwam klotsen. Het pad voor hem liep de kloof in en aan de andere kant van het water weer omhoog naar een kleine glooiende weide waarachter het bos weer begon. Turend speurde hij de omgeving af. Toen zag hij iets bewegen, hij schatte op een afstand van ongeveer honderd meter recht vooruit. Een donkere vlek maakte zich los uit de schaduw van de bosrand. Hij knipperde even met zijn ogen, maar toen sloeg de schrik hem om het hart. Vanuit de beschutting van de bomen kwam een flinke beer zijn kant opstappen. Het dier had hem niet opgemerkt, want hij liep op zijn gemak wat te snuffelen aan de lage struiken, maar zijn voortgang was onmiskenbaar in de richting van Stef. Waarschijnlijk was het beekje zijn doel, ging er door hem heen, maar dat was onaangenaam, om maar niet te zeggen gevaarlijk dichtbij. Achterom kijkend controleerde hij of het karretje met zijn voedselvoorraad ver genoeg uit het zicht stond. Er was nauwelijks wind, maar voor zover hij kon beoordelen kwam de luchtstroom van boven, vanaf de Spaanse kant. Dat verkleinde in ieder geval de kans dat zijn lichaamsgeur de kant van de beer op waaide, maar veilig voelde hij zich niet. Het geweer had hij op het karretje gebonden om zijn handen vrij te hebben voor het slepen, maar nu wenste hij dat hij het wapen bij zich droeg. Hij keek weer in de richting van de beer en zag nu dat er ook een paar jongen vanonder de bomen tevoorschijn was gekomen. Dat was bijzonder verontrustend. Iedereen wist dat beren gevaarlijk agressief konden zijn wanneer ze jongen hadden. Stef meende te weten dat de beren die waren uitgezet in de Pyreneeën weinig risico vormden voor mensen, die ze bij voorkeur vermeden. Maar er waren ook verhalen van boeren die erover klaagden dat hun vee gedood werd door de wilde dieren. Dat leek hem vreemd, want voor zover hij wist waren deze bruine beren toch planteneters? Maar zeker weten deed hij dat niet. Inmiddels telde hij drie pups, die stoeiend over de weide rolden terwijl hun moeder, het moest wel een wijfje zijn, midden op het grasveld nietsvermoedend op de tak van een bessenstruik zat te kauwen.

Wat te doen? Zijn pad was geblokkeerd en er was geen andere route naar de bergpas die voor hem lag. Hij kon een stuk terug gaan in een poging om door de lager gelegen beekbedding het berengezin te omzeilen en trachten om hogerop in het dal het pad weer terug te vinden, maar Stef betwijfelde of hij dat onopgemerkt zou kunnen doen. Nog los van de overweging dat het dier tegen de tijd dat hij met zijn bagage onderlangs wilde passeren, daar inmiddels ook zou kunnen rondhangen. Verdomme, wat een rottige tegenslag. Op zijn schreden terugkeren dan maar? Terug naar het hospice en het de volgende dag opnieuw proberen? Stef wist weinig van het gedrag van beren, maar er was niets dat hem garandeerde dat dit exemplaar dan uit het dal verdwenen zou zijn. Bovendien had hij helemaal geen zin om een dag te wachten. Hij stond voor een groot dilemma. Zo’n onoverkomelijk obstakel had hij op deze laatste etappe van zijn tocht door Frankrijk niet verwacht.

Hij besloot van de nood een deugd te maken en een flinke rustpauze in te lassen om te zien of de dieren vanzelf verder zouden trekken, weg van zijn voorgenomen route. Voorzichtig sloop hij terug naar zijn wagentje en sleepte die een eindje verder terug over het pad waar hij het met zijn overige bagage in de schaduw van een paar bomen plaatste. Hij pakte het geweer een laadde het met een paar hagelpatronen. Stef moest er niet aan denken om op de dieren te schieten, maar als zijn leven ervan afhing zou hij niet mogen aarzelen. Gewapend kroop hij terug naar zijn uitkijkpost en zag dat de beren nog steeds midden op het veld zaten. De kleintjes onbekommerd ravottend met elkaar, terwijl moeder rustig, maar oplettend rondsnuffelde op zoek naar eetbare planten. Stef trok zich weer terug en installeerde zich zo goed en zo kwaad als het ging bij zijn bagage, met zijn rug tegen een rots verdekt opgesteld naast het pad en het geweer onder handbereik. Hij haalde zijn kaarten tevoorschijn en begon de omgeving te bestuderen.

Toen hij een half uur later ging kijken waren de dieren nog niet van hun plaats gekomen en Stef begon ongeduldig te worden. In zijn gedachten had het idee postgevat om dan maar de oranje wandelroute naar het westen te nemen. Die leidde naar de Pic de Lia, een bergtop die precies op de grens lag, maar een stuk terug, in het noordwesten. Halverwege die route passeerde je dan een andere bergpas, de Port d’Arriouère. De naam suggereerde dat er ook een grensovergang was, dus moest er een begaanbare route zijn, zo redeneerde hij. Stef meende die ook gezien te hebben op een plattegrond in het hospice. Deze pas lag wel een stuk hogerdan die in het zuiden, maar het leek erop dat hij weinig keuze had. Hij besloot nog een kwartiertje te wachten en als er dan nog geen verandering was in de situatie, die kant op te gaan. Ter voorbereiding begon hij zijn spullen bijeen te rapen en klaar te zetten voor vertrek.

Een minuut of twintig later kon Stef zijn geduld niet langer bedwingen en sloop weer in de richting van het veldje waar hij de beren had gezien. Er ging even een gevoel van opluchting door hem heen toen hij de dieren niet meer zag op de weide aan de overkant van de ondiepe kloof, maar toen hoorde hij gesnuif en gespetter dat van dichtbij leek te komen. Tot zijn ontsteltenis zag hij de jongen in de kleine stroomversnelling rondscharrelen terwijl hun moeder zich nu op het pad aan zijn kant van het water bevond. Iets moest haar aandacht getrokken hebben, want ze kwam overeind en keek onmiskenbaar zijn kant op. Ze schudde met de grote kop en ontblootte de tanden met een vervaarlijk gegrom. Stef dook weg achter de rots. De boodschap was duidelijk. Wegwezen hier!

Zonder verder af te wachten haastte Stef zich terug naar zijn tijdelijke schuilplaats en gordde zijn rugzakken om, ondertussen een waakzaam oog houdend op het pad in de richting van de beren. Met het geweer in de ene hand en het karretje onhandig voortslepend in de andere spoedde hij zich struikelend in de richting van de driesprong een paar honderd meter terug.

Buiten adem wachtte hij daar af of hij gevolgd werd. Dat leek niet het geval en nu moest hij de moeilijke beslissing nemen om over een onzeker en onbekend pad tegen de berg op te gaan naar de grensovergang op bijna 2600 meter hoogte. Het was droog, windstil, maar zwaar bewolkt. Geen ideale omstandigheden voor een dergelijke onderneming, realiseerde Stef zich. Maar het had slechter gekund. Afgezien van terugkeren op zijn schreden en helemaal teruglopen naar Tramezaïgues om van daaruit op zoek te gaan naar een andere bergpas in de volgende vallei, zag hij op dat moment geen alternatief.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.