11 | Sapiens

Stef was op het terras in slaap gevallen met in zijn hoofd een tombola van futuristische voorstellingen van het type waar vooral gamers en liefhebbers van sciencefiction al sinds jaren vertrouwd mee waren. Interstellaire ruimteschepen, exploratie van de verste uithoeken van de ruimte en de kolonisatie van planeten in exotische zonnestelsels. In gedachten zag hij daar robots of biots gestuurd door kunstmatige intelligentie die de meegebrachte code van het menselijk genoom gebruikten om met behulp van geavanceerde biotechnologie nieuwe mensensoorten en nieuwe beschavingen te creëren. Het feit dat serieuze wetenschappers zulke scenario’s ernstig in overweging namen tilde zulke speculaties uit boven het niveau van verleidelijke escapistische fantasieën. Het was adembenemend. Ook al bleef het een vooruitzicht voor de lange termijn en zou hij er zelf niets meer van meemaken. Hij twijfelde er niet aan dat zijn kinderen interessante tijden zouden beleven, maar interstellaire kolonisatie zou op zijn minst nog wel een paar eeuwen op zich laten wachten. Als de mensheid zo lang zou overleven tenminste.

Toen hij later die middag weer wakker werd was de zon verdwenen achter een diffuus wolkendek. Toch was het drukkend warm. Stef had het boek van Harari opgepakt en was begonnen met lezen, maar de onrust zat in zijn benen en hij kon zich niet concentreren. Daarom was hij naar de moestuin gelopen om te zien of er misschien verse groenten waren die hij kon oogsten voor zijn avondmaaltijd. Maar de paarden waren hem voor geweest en hadden zich tegoed gedaan aan de voedzame gewassen. Tussen de hoefafdrukken vond hij in de omgewoelde grond nog een paar aardappelen en een enkele ui. Aan een geknakte stengel hingen een paar armetierige tomaten. De paarden had hij niet meer gezien, maar een stelletje kuikens pikte nerveus naar kleine insectjes in de losse aarde terwijl een paar volwassen hennen behaaglijk in het warme zand zat te knikkebollen. Een waakzame haan krabde met zijn grote poten de bodem los in de schaduw van een pierige bessenstruik.

Stef had zijn schamele oogst meegenomen naar de keuken. Het was te weinig voor een volledige maaltijd, maar gelukkig vond hij in de keukenkast een paar potjes met olijven, ansjovis en een blikje haricots verts. Alles bij elkaar had hij zo de geschikte ingrediënten voor een geïmproviseerde Salade Niçoise die hij later kon maken. Uit de diepvries pakte hij een zakje fruits-de-mer en legde dat op het aanrecht om te ontdooien. Die kon hij mooi in een pastasaus verwerken. Met een geopende fles wijn in de hand liep hij terug naar het terras. Hij schonk zichzelf een glas in en begon te lezen in zijn boek.

Harari was een vlotte schrijver die zo te zien aansprekende voorbeelden en prikkelende analogieën moeiteloos uit de mouw schudde. Het eerste deel van het boek ging over de Cognitieve Revolutie, oftewel hoe een ‘onbeduidend dier’ snoepte van ‘de boom van kennis’ en wat daar de gevolgen van waren. Daarmee was de toon gezet en de titel van het boek verklaard. ‘Sapiens’ kon je tenslotte vertalen als ’denkende’ of ‘wijze’ en de auteur beschreef de geschiedenis van de mensheid vanuit het perspectief van onze mentale en cognitieve ontwikkeling en ons vermogen om ons in gedachten zaken voor te stellen die niet bestonden. Het belangrijkste fundament van de Cognitieve Revolutie was het ontstaan van de taal, een flexibel en efficiënt middel om informatie te verwerken, te onthouden en uit te wisselen. Eigenschappen die de mens een enorm voordeel opleverden in de evolutionaire strijd om het bestaan. Zoveel voordeel dat het taalvermogen zich snel ontwikkeld en verspreid moet hebben. Van opgejaagd prooidier voor prehistorische wilde beesten werd de mens zelf een dodelijke jager omdat de taal haar in staat stelde effectiever samen te werken zowel bij de verdediging tegen roofdieren als bij de eigen jacht op dieren voor vlees, huiden en botten.

Een onverwachte bijvangst van de taal was het vermogen om ons dingen voor te stellen, in ons hoofd zaken te verzinnen die in de werkelijkheid niet, of nog niet, bestonden. Dergelijke imaginaire voorstelingen vormden een belangrijke bijdrage aan het ontstaan van een sociale orde met waarden en normen, of wat we een cultuur of beschaving noemen. Vaak ging het daarbij om spirituele zaken, vooral in de vroege, pre-historische samenlevingen. Richard Dawkins had de immateriële dragers van een cultuur ‘memen’ gedoopt, analoog aan de genen waarin de blauwdruk voor onze lichamelijke kenmerken waren vastgelegd. Memen werden gevormd door gedachten of opvattingen en die konden niet bestaan zonder taal. Ze stonden, net als genen, bloot aan evolutionaire druk. Ze waren veranderlijk en konden na beproeving in de werkelijkheid verdwijnen of ingeburgerd raken: nuttige memen overleefden en werden doorgegeven, terwijl denkbeelden en gebruiken die niets of weinig bijdroegen aan de gemeenschap in onbruik raakten en als het ware uitstierven. De opvattingen die het beste werkten in de praktijk overleefden en werden automatisch doorgegeven en verspreid. Net als genen in de biologische evolutie. Maar bij de mens ging de culturele evolutie sneller dan de biologische. Door te leren kon de menselijke samenleving zich sneller ontwikkelen en aanpassen aan veran- derende omstandigheden zoals natuurrampen of maatschappelijke processen.

Taal was ook de moeder van roddel en achterklap. Dat mocht misschien klinken als de donkere kant van ons spraakvermogen, maar Harari stelde dat roddelen over je groepsgenoten bijdroeg aan het vaststellen van de hiërarchische verhoudingen binnen een gemeenschap. Daarmee droeg het ogenschijnlijk zinloze geklets over anderen bij aan het vaststellen van de sociale orde, wat bijzonder nuttig was voor de cohesie en samenwerking binnen een groep. Dat was geen nieuw inzicht voor Stef, die de uitwisseling van triviale feiten altijd al beschouwde als de verbale equivalent van het sociale vlooien bij apen.

Sinds de Cognitieve Revolutie leefde de mens in twee werelden, die van de objectieve werkelijkheid en die van de verzonnen werkelijkheid, zo stelde Harari. Dat was de rode draad van het boek. Gezamenlijke verzinsels in de vorm van gedeelde mythologieën bevorderden eenheid en samenwerking op een steeds grotere schaal en maakte toenemend complexe samenlevingen mogelijk. Dat was een lange weg die begon bij kleine groepen jagers en verzamelaars die op den duur uitgebreide handelsnetwerken ontwikkelden dankzij gemeenschappelijke bedenksels als gedragscodes, taboes, rituelen en de verhouding tot het bovennatuurlijke, wat leidde tot de steden en koninkrijken van de Agrarische Revolutie en vervolgens de globale cultuur van de Wetenschappelijke en Industriële Revolutie.

Gefascineerd door de tekst was Stef de tijd helemaal vergeten. In veel van wat hij las zag hij een bevestiging van ideeën over het leven die hij zelf koesterde. Vooral de nadruk op evolutionaire psychologie sprak hem enorm aan. Het was buitengewoon verhelderend hoe Harari evolutionaire ontwikkeling en mentale processen tot een samenhangend geheel wist te smeden.

Zijn maag begon te knorren toen de wijnfles bijna half leeg was. Met tegenzin legde Stef het boek terzijde, maar hij merkte dat zijn concentratie begon af te nemen en het werd tijd om iets te eten. In de keuken schilde hij de aardappelen en zette ze in een pannetje water op het vuur. Daarna liep hij naar de muziekkamer en zette na enig neuzen in de verzameling de langspeelplaat Revolver van de Beatles op, hard genoeg om de muziek te kunnen horen in de keuken aan de andere kant van het huis. De melodie van Eleanor Rigby meeneuriënd verzamelde hij de overige ingrediënten voor zijn diner en zette ze klaar op het aanrecht. Tegen de tijd dat hij de aardappelen kon afgieten was de eerste kant van de elpee afgelopen. Hij draaide de plaat om en keerde terug naar de keuken. Terwijl de aardappelen stonden af te koelen vulde hij de broodbakmachine en startte het programma voor een pain français. Daarna maakt hij zijn salade af. Die werd groot genoeg voor een volledige maaltijd en Stef besloot de pasta met zeevruchten te bewaren voor de volgende dag.

Likkend aan een Magnum-ijsje dat hij had gevonden in de vriezer liep hij na het eten met het boek onder zijn arm naar de bibliotheek. Stef had zich voorgenomen om later nog een rondje te gaan lopen met Roquet, maar de wijn en het eten maakten hem slaperig en hij dutte in op de sofa. Toen hij met een schok wakker werd was het al donker buiten. Maar de hond lag op hem te wachten en maakte een ongeduldig piepgeluidje. Stef kwam met een zwaar hoofd en slappe benen overeind om hem naar buiten te laten. Zelf had hij ook wel behoefte aan frisse lucht en hij liep achter Roquet aan het terras op. De nacht was maanloos en de sterren speelden verstoppertje achter het gebroken wolkendek. Het was doodstil. Geen teken van leven.

Stef recapituleerde wat hij had gelezen voordat hij in slaap viel. Harari schreef dat de prijs voor de ontwikkeling van de menselijke beschaving werd betaald door de natuur. Cultuur ontwikkelde zich ten koste van de natuur. De verspreiding van H. sapiens over de wereld maakte een einde aan het bestaan van geïsoleerde ecosystemen. Alle continenten raakten uiteindelijk met elkaar verbonden door de opmars van de menselijke soort. En die sprekende exoot bleek een dodelijke indringer die het plaatselijke natuurlijk evenwicht grondig verstoorde. Door bejaging werden grote inheemse diersoorten uitgeroeid, van de wolharige mammoet in West-Europa tot de gigantische loopvogels en buideldieren in Australië en de reuzenluiaard in Zuid-Amerika. Ook de introductie van vuurlandbouw, het afbranden van stukken bosland ten behoeve van de jacht en de groei van voedingsgewassen, speelde daarbij een rol. Die activiteit had Stef met eigen ogen gezien bij de aanleg van kostgrondjes in het Surinaamse binnenland. Hetzelfde proces werd in zuidoost Azië op industriële schaal toegepast voor de aanleg van grote palmolieplantages en in Zuid-Amerika voor de produktie van soja en biobrandstoffen. En met het verdwijnen van de grote dieren en de komst van de mens veranderden voedselketens en ecosystemen voor altijd. Harari somde drie golven van uitroeiing op die veroorzaakt werden door de mens, respectievelijk door de prehistorische jagers van de Cognitieve Revolutie, de boeren van de Agrarische Revolutie en de consumenten van de Industriële Revolutie.

De schrijver noemde de zogenaamde vooruitgang van de Agrarische Revolutie op de voor hem kenmerkend prikkelende wijze history’s biggest fraud – het grootste bedrog uit de geschiedenis. De mens raakte na de laatste IJstijd vanaf ongeveer 10.000 jaar geleden gevangen in een vicieuze cirkel. Landbouw en veeteelt leverden de herders en boeren van de late steentijd weliswaar meer voedsel dan hun voorvaderen bij elkaar konden jagen en verzamelen, maar door de bevolkingsgroei die daarop volgde waren er ook steeds meer monden om te voeden. Waardoor men meer voedsel moest en kon produceren. Enzovoort. Hun rondtrekkende voorouders die leefden van wat ze konden vangen en vinden op het land hadden volgens de historicus een samenleving waarin meestal voldoende voedsel beschikbaar was. Het leven van die nomaden was volgens hem over het algemeen comfortabel en bevredigend met een gevarieerd dieet en weinig besmettelijke ziektes. Daar stond wel tegenover dat het zwervende bestaan een hoge tol aan kinderlevens eiste. De Agrarische of Neolithische Revolutie bracht verbetering voor de mensheid als geheel, maar een verslechtering van het leven van individuele mensen, betoogde Harari. Er ontstonden steden, elites, tempels en paleizen, maar een grotere bevolking was ook kwetsbaar voor besmettelijke ziektes, hongersnoden bij misoogsten en oorlogen tussen gemeenschappen.

Dieren waren het grootste slachtoffer van de nieuwe leefwijze, stelde de schrijver. De domesticatie van geiten, schapen, kippen, koeien en varkens ging gepaard met een behandeling die we tegenwoordig schandalig zouden noemen. Ze werden met harde hand uit hun natuurlijke bestaan gehaald en in het keurslijf van de menselijke behoefte aan voedsel en werkkracht gedwongen. Teneinde ze te onderwerpen moesten hun natuurlijke instincten worden afgebroken en hun bewegingsvrijheid beperkt. Dit gebeurde door de verminking van zintuigen, castratie en andere gewelddadige mishandeling. Ook hun natuurlijke levensspanne werd ernstig ingekort wanneer de dieren bestemd waren voor consumptie. Onze moderne legbatterijen en slachthuizen kenden een traditie die bijna net zo oud was als de menselijke samenleving.

Uit de keuken kwam de onweerstaanbare geur van versgebakken brood en Stef liep weer naar binnen met Roquet in zijn kielzog. Hij haalde het brood uit de machine en zette het op tafel om af te koelen. De spullen van zijn avondmaal stonden nog op het aanrecht en hij deed snel een kleine afwas. Daarna maakte hij een paar boterhammen en met een potje thee op een dienblad nam hij zijn late snack mee naar de loungekamer. Hij overwoog even om een muziekfilm op te zetten, maar besloot nog wat verder te lezen en installeerde zich comfortabel op een van de banken met het dienblad onder handbereik.

Het leven in grotere gemeenschappen en een complexere samenleving veroorzaakte ook veranderingen in de manier waarop de mens tegen de wereld aankeek. De afhankelijkheid van het oogsten van landbouwgewassen maakte de mens meer bewust van de cyclus van seizoenen en leidde tot de noodzaak om vooruit te kijken en plannen te maken met de blik op de toekomst. Het belang van een imaginaire orde, een gedeelde mythe, werd groter naarmate de omvang van de groepen waarin men samenleefde toenam. Religie werd een onmisbaar bindmiddel. Evenals wetten om de sociale orde te bestendigen en belastingen om priesters, wetshandhavers en militairen te bekostigen. Er kwamen gespecialiseerde ambachtslui en ambtenaren die de noodzakelijke administratie bijhielden. De samenleving werd steeds complexer en de hoeveelheid informatie die dit met zich meebracht was te omvangrijk en te specifiek voor het menselijke geheugen. Bovendien waren de menselijke dragers van de informatie sterfelijk en bestond het risico dat hun kennis verdween met hun onvermijdelijke overlijden. Dat leidde tot de volgende grote stap in de menselijke geschiedenis, de introductie van het schrift.

Het spijkerschrift ontstond ongeveer 5000 jaar geleden in Soemerië, in de delta van de Eufraat en de Tigris, een uitloper van de Vruchtbare Halvemaan waar de Agrarische Revolutie voor dat deel van de wereld ooit begon. En met het schrift ontstonden de bureaucratie en de specialistische beroepen die daarvoor nodig waren: schrijvers, boekhouders en administrateurs. En onderwijzers om deze specialisten op te leiden.

De menselijke samenleving zette zo een nieuwe stap op het pad van toenemende complexiteit en samenwerking op steeds grotere schaal. En de nieuwe hiërarchieën en sociale verhoudingen moesten natuurlijk gelegitimeerd worden door een nieuwe laag van verzonnen verhalen. Zoals de Code van Hammurabi, die Harari ter vergelijking naast de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 besprak. De eerste, meer dan 3500 jaar oud, benadrukte dat iedereen zijn vaste plaats had in de sociale hiërarchie die door de goden gegeven was, terwijl het Amerikaanse document juist stelde dat voor de Schepper ieder individu gelijk was. Beide weerspiegelden een door de mens verzonnen orde, en hadden – in Harari’s woorden – ‘geen objectieve waarde’, maar waren een product van de ‘vruchtbare verbeelding van Sapiens’. Een ander voorbeeld waar de schrijver uitgebreid op inging was de traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen en hoe die bepaald werd door mythen over verschillen in fysieke kracht en vermeende gedragskenmerken. Sekse is een biologische categorie, maar gender een culturele, stelde hij.

Het was Stef allemaal uit het hart gegrepen. Dit was een boek dat hij zelf wel geschreven zou willen hebben. Hij had in de inhoudsopgave gezien dat de historicus zich in de laatste hoofdstukken uitsprak over de toekomst en Stef vroeg zich af hoe dat zou aansluiten op de trajecten die beschreven werden in het fascinerende artikel van Baum, Armstrong en trawanten dat hij net gelezen had. En in hoeverre zijn eigen pogingen om iets te schrijven over een betere samenleving voor de toekomst zouden passen bij die inzichten.

De volgende ochtend maakte Stef na zijn ontbijt een rondje over het landgoed met Roquet. In het oosten stond een optimistisch zonnetje boven het land en de wolken hadden zich teruggetrokken tot de aan horizon. Hoog in de blauwe lucht hing een melkwitte waas. Tot zijn verrassing werd hij begroet door de twee paarden die hij de vorige dag had losgelaten. Ze hadden hun weg gevonden naar de kleine stal bij de piste naast het kasteel. De dieren stonden een beetje te kauwen op het onkruid dat verspreid over het veld groeide, maar toen ze Stef in de gaten kregen keken ze op en spitsten de oren. Het leek wel of ze hem stonden op te wachten. Roquet had het niet erg op de grote viervoeters en bleef bedremmeld in de schaduw van Stef lopen. Die zag zo gauw geen vers groen dat hij kon plukken binnen handbereik, dus hij stond met lege handen terwijl de paarden nieuwsgierig op hem toe liepen. Hij begroette de dieren op kalmerende toon en aaide ze over de snuit. Het witte paard schudde de manen en rook aan zijn hand, op zoek naar een verborgen lekkernij.

“Zo, beestjes, jullie zijn nog niet aan het zwerven geslagen? Heel verstandig hoor. Volgens mij redden jullie het hier voorlopig wel. Kom, ik zal jullie eens lekker verwennen…”

Stef liep naar het schuurtje en trok daar een zak van het speciale krachtvoer voor paarden open. Nauwlettend gadegeslagen door twee paar donkere ogen schepte hij met zijn handen een flinke portie van de graanmix in een emmer. Die strooide hij vervolgens in twee hoopjes uit over het gras. De dieren begonnen gretig te kauwen en Stef keek even tevreden toe. Toen draaide hij zich om en liep naar de zijkant van het gebouwtje waar hij een armvol hooi opraapte. Hij propte het droge spul in een ruif die aan de openstaande deur bevestigd was. Hij verwachtte niet dat de dieren ervan zouden eten, er stond tenslotte volop vers gras en ander groen op het plateau, maar hij wilde niet uitsluiten dat de beesten het spul lekker of voedzaam vonden. De bruine merrie keek even op, maakte een snuivend geluid en richtte haar aandacht weer op de korrels op de grond.

Stef liet de paarden eten en vervolgde zijn wandeling. Hij liep achter Roquet aan, die hem stond op te wachten aan de rand van het plateau. Opgewekt holde de hond voor hem uit, de helling af naar de braak liggende akker onder de heuvel. Ze staken het veld over in de richting van het onverharde landweggetje in de vallei en sloegen linksaf, in de richting van het nabijgelegen plaatsje. Maar zover kwamen zet niet. Bij een bocht in de weg gingen ze weer naar links en liepen over het veld terug tot ze aan de andere kant kwamen van de uitloper waarop het landgoed lag. Dat bracht hen weer bij de weg die omhoog ging naar de ingang van het kasteel. De vorige keer dat hij daar voor de oprijlaan stond werd het uitzicht verstoord door de vuile sluier van de stofstorm. Nu kon hij het kasteel, zijn droompaleis, in het volle licht van de ochtendzon zien liggen in het midden van een golvend groen laken waarop aan weerszijden van de inrit een rommelig gelid van vijf of zes verschillende bomen en struiken groeide. Met het pastelgele pleisterwerk, de lavendelkleurige luiken en de symmetrisch opgestelde torentjes aan weerszijden van het hoofdgebouw leek het landgoed een plaatje uit een toeristische reisgids. Als een kasteelheer die zijn ochtendwandelingetje maakte over zijn domein liep hij naar de poort in het hek tussen de zijvleugels. De hoofdingang naar het binnenhof zat nog altijd op slot en Stef ging voor het traliewerk rechtsaf, in de richting van de overdekte poort in de zijvleugel. Dat bracht hem ook bij de grote stallen waar de kippen huisden aan de achterkant. Hij hoopte dat de vogels voor een paar verse eieren gezorgd hadden.

Hij vond vijf eieren, drie in het leghok en twee in het stro ernaast, waar een paar van de hennen zich comfortabel had genesteld en hem met argwanende oogjes opwachtte. Stef verzachtte de pijn van de roof van hun eieren met een paar handjes graankorrels uit een kleine afgedekte container die tegen het kippenhok stond. Hij strooide het voer uit over het erf en de toegesnelde dieren begonnen geestdriftig in het rond te pikken. Dat deed hem denken aan zijn opa, die ook altijd zo’n tien tot twintig kippen hield om de gezinnen van zijn kinderen en kleinkinderen wekelijks van een mandje verse eieren te voorzien. Op het einde van zijn leven woonde hij zelfs met zijn kippen onder één dak, in een schuur die hij zelf gebouwd had.

Weer terug bij het woonhuis pakte hij zijn boek en begaf zich naar het terras. Hij maakte het zich gemakkelijk op de ligstoel en ging verder met lezen. De vorige avond was hij begonnen met het deel dat gewijd was aan de eenwording van de verspreide mensheid. Dat begon met de vaststelling dat cultuur geen onveranderlijk fenomeen is, maar een ingebeeld bouwsel van de geest dat in een constante staat van flux verkeert. Die veranderingsprocessen werden volgens de schrijver gedreven door de interne contradicties waarop iedere cultuur gebouwd is. Harari illustreerde dat met het voorbeeld van de Middeleeuwen in het Westen en de discrepantie in die periode tussen de christelijke waarden van medemenselijkheid en vreedzaamheid en de ridderlijke moraal van gewelddadige eerzucht en heldhaftigheid die daar haaks op stond. Stef begreep dat die tegenstelling mede het enthousiasme verklaarde voor de kruistochten en het ontstaan van religieuze ridderorden zoals de Tempeliers, die een oplossing boden voor de ongemakkelijke spanning tussen die twee idealen. Het andere voorbeeld dat Harari beschreef was uit ons eigen tijdperk, waar gelijkheid en vrijheid golden als hoogste waarden – ook al werden die begrippen niet overal op dezelfde wijze geïnterpreteerd, meende Stef. De schrijver stelde dat die twee eigenlijk onverenigbaar waren. Gelijkheid kon alleen gegarandeerd worden als je de vrijheid van de bevoorrechten beknotte. En de vrijheid voor ieder individu om te doen wat hij wil leidt onvermijdelijk tot ongelijkheid. In het eerste geval volgde je het liberale gedachtegoed, met als uitgesproken voorbeeld de ongebreidelde vrije concurrentie in het negentiende-eeuwse Engeland die leidde tot extreme ongelijkheid en de grote verschillen tussen arm en rijk waarvan Charles Dickens zulke hartverscheurende taferelen beschreef. En het streven naar gelijkheid onder het communisme bracht onderdrukking en de uitzichtloze strafkampen van Siberië waarover Solzhenitsyn geschreven had. In mildere vorm trof je dezelfde tegenstelling in Amerika waar aanhangers van de Republikeinse partij de belastingdruk zo laag mogelijk wilden houden, zodat de burgers vrij waren om zelf te beslissen waaraan ze hun geld uitgaven, ook al betekende dit dat minder welvarende mensen zich bepaalde belangrijke voorzieningen, zoals een goede ziektekostenverzekering, niet konden permitteren. De Democratische partij was daarentegen voor meer regulering door de overheid, en dat betekende hogere belastingen om voorzieningen voor armen, bejaarden en zieken te bekostigen. Dergelijke tegenstellingen vormden sinds de Franse Revolutie de machinerie die culturele ontwikkeling aandreven. De geschiedenis van de moderne westerse democratieën kon je volgens de schrijver zien als een worsteling tussen die twee idealen.

Maar als je de lange termijn bekeek, dan bewoog de geschiedenis zich onmiskenbaar in de richting van eenwording van de menselijke beschaving. Harari stelde dat er 12.000 jaar geleden vele duizenden geïsoleerde gemeenschappen waren, een aantal dat rond het jaar 1450, aan de vooravond van de grote intercontinentale ontdekkingsreizen, was geslonken tot een vijftal grote geïsoleerde beschavingsgebieden: het Afro-Aziatische inclusief Europa, Midden-Amerika, de Andes, Australië en Oceanië. Noord-Amerika telde hij blijkbaar niet mee. Sinds de ontdekkingsreizen en het tijdperk van de koloniale rijken was de mensheid op weg naar één wereldomvattend gebied waar dezelfde orde gold. En de krachten die dat proces dreven waren economisch, politiek en religieus.

Het boek ging verder met een beschrijving van die drie drijfveren voor de evolutie van de menselijke beschaving. De economische kracht die werkte in de richting van eenheid werd bepaald door geld, in de optiek van de schrijver een puur mentaal systeem gebaseerd op vertrouwen. Geld zag hij als een neutraal fenomeen dat boven de mythen stond waarop culturen zich beriepen. De moderne wereld kende inmiddels één monetair systeem dat zelfs mensen die elkaar niet kenden of niet vertrouwden in staat stelde om samen te werken. Tot in de verste uithoeken van de wereld.

De unificerende kracht in politieke zin kwam van grote rijken, empires, die gekenmerkt werden door de verschillende volkeren en ecologische zones die onder dezelfde regering, dezelfde wetten en dezelfde moraal werden samengebracht. Hoewel de eerste gedachte van Stef daarbij uitging naar de westerse koloniale rijken van de negentiende eeuw, gaf Harari een reeks voorbeelden die begon in de oudheid met het Akkadische Rijk van Sargon de Grote van omstreeks 2250 voor onze jaartelling. Cyrus van Perzië, regerend rond het jaar 550 voor Christus, zette een trend door zichzelf te beschouwen als weldoener voor al zijn onderdanen, ongeacht hun etnische identiteit. Die trend werd voortgezet door achtereenvolgens Alexander de Grote, de Hellenistische koningen, Romeinse keizers, Islamitische kaliefen en Indische dynastieën tot aan de partijleiders van de Sovjet Unie en Amerikaanse presidenten van de twintigste eeuw. Dezelfde houding zag je bij de grote rijken in precolumbiaans Centraal- en Zuid-Amerika en in het oude China. Binnen de grenzen van deze grote politieke eenheden kon een ongehinderde uitwisseling plaatsvinden van mensen, ideeën, goederen en technieken. Ook al was de ontstaansgeschiedenis van hun staat vaak gewelddadig en bloedig, de veroveraars meenden dat ze beschaving brachten naar de volken die ze onderwierpen. Zo claimden de Romeinen – en zij niet alleen – dat ze met hun gebiedsuitbreidingen de zogenaamde barbaren deelgenoot maakten van de vrede, rechtvaardigheid en beschaving die hun samenleving kenmerkte.

Godsdiensten gaven de ingebeelde structuren waarop de samenleving rustte een metafysische rechtvaardiging. De grote religies die ontstonden vanaf ongeveer 1000 jaar voor Christus leverden zo een essentiële bijdrage aan de eenwording van de mensheid. Beperkten de godsdiensten zich vòòr die tijd tot de lokale gemeenschap, de grote wereldreligies zoals Boeddhisme, Christendom en Islam kenmerkten zich door hun claim de universele waarheid te verkondigen en hun behoefte die waarheid te verspreiden door zieltjes te winnen. Religieuze intolerantie was vooral een kenmerk van monotheïstische geloven. Voor polytheïsten, zoals bijvoorbeeld de Romeinen, was er altijd wel ruimte om een vreemde, nieuwe godheid toe te laten tot het levendige pantheon van de uitgebreide godenfamilie.

De schrijver noemde de zogenaamde toenemende secularisatie van de afgelopen eeuwen een illusie. Hij karakteriseerde de ideologieën die de twintigste eeuw hadden vormgegeven als moderne religies die zich beriepen op natuurlijke wetten in plaats van goddelijke openbaringen. Daarmee doelde hij met name op het liberalisme, communisme, kapitalisme, nationalisme en nazisme. De aanhangers van die politieke denkrichtingen hadden met veel bloedvergieten geprobeerd de wereld van hun gelijk te overtuigen.

Net als de vorige dag maakte Stef voor zijn lunch een omelet dat hij ditmaal deelde met Roquet. Terwijl hij op het terras zat te eten merkte hij in het zuiden een paar vogels op die hoog in de lucht cirkels draaiden. Ze waren nauwelijks te onderscheiden in het tegenlicht, maar toen hij de verrekijker op de kleine zwarte vormen richtte zag hij de onmiskenbare contouren van grote uitgestrekte vleugels. Het waren geen gewone roofvogels, zoals hij had gedacht. De vleugels waren massief en bijna rechthoekig en leken niet op die van buizers of kiekendieven, of van de wouwen die hij tijdens zijn tocht door Frankrijk vaak had gezien. De afstand in aanmerking genomen moesten de vogels enorm groot zijn. Stef telde er een stuk of vijf. Gieren! Het moesten wel gieren zijn, afkomstig uit de Pyreneeën. Vale gieren of lammergieren. Hij had ooit op een droog veldje in de bergen gestaan terwijl er een dozijn van die majestueuze dieren enkele tientallen meters boven zijn hoofd rondcirkelden. Een even huiveringwekkende als fascinerende ervaring. Dat was aan de Spaanse kant van de grens geweest. Ook op andere plekken aan de zuidkant van de bergketen had hij de grote aaseters weleens geobserveerd terwijl ze langs steile rotswanden scheerden. Sindsdien associeerde hij de dieren altijd met Spanje, ook al wist hij dat ze in staat waren om enorme afstanden af te leggen. Het was bekend dat ze bij een gunstige windrichting in sommige gevallen zelfs Nederland konden te bereiken. Stef meende er wel eens eentje gezien te hebben boven de Utrechtse Heuvelrug, hoog in het luchtruim voorbij snellend. Hij veronderstelde dat de dieren die hij nu zag waren afgekomen op de kadavers van dood vee dat op het land lag. Hij hoopte tenminste dat het dode dieren waren en geen menselijke lichamen die de vogels uit de bergen hadden gelokt. Voor het eerst in dagen begon Stef zich af te vragen hoe ver het nog was naar de Pyreneeën. En wat hem daar wachtte…

Hij richtte zijn aandacht weer op het boek en bedacht hoezeer Harari als historicus ook weer een kind van zijn tijdperk was door zich met zijn nadruk op eenwording en schaalvergroting af te zetten tegen het groeiende nationalisme en regionalisme – en de toenemende intolerantie jegens ‘anderen’ – van de vroege eenentwintigste eeuw. Stef begreep niet goed of de schrijver bedoelde te beweren dat zijn vaststelling van een historische trend voor de lange termijn doorgetrokken mocht worden naar de toekomst. En was het in dat geval een staaltje van optimistisch wensdenken of een onvermijdelijk scenario voor de toekomst van de menselijke beschaving?

Het antwoord op die vraag kwam in een beschouwelijk hoofdstukje aan het slot van het deel over de eenwording van de mensheid. Daarin bracht de schrijver een tweetal kenmerken van de geschiedenis onder de aandacht om te verklaren dat de schaalvergroting en eenwording weliswaar een onontkoombaar resultaat was van de dynamiek van de menselijke geschiedenis, maar dat de specifieke kenmerken van onze beschaving allermist vooraf vaststonden. De dominantie van het Westen, met het Christendom als gemeenschappelijke religie en het kapitalisme als bepalend economisch systeem was geenszins de onvermijdelijke uitkomst van een deterministisch proces, betoogde hij, maar een uitvloeisel van bepaalde historische ontwikkelingen gebaseerd op menselijke keuzes.

In de eerste plaats wees hij op een fenomeen dat hij de hindsight fallacy noemde. Achteraf gezien leken bepaalde ontwikkelingen onontkoombaar, maar Harari stelde met nadruk dat mogelijkheden die in een bepaald tijdvak zeer onwaarschijnlijk leken toch vaak werkelijkheid werden. Er waren weliswaar allerlei praktische beperkingen van geologische, biologische of economische aard, schreef hij, maar geen deterministische wetten. Hij noemde de geschiedenis een chaotisch systeem van de tweede orde, waarmee hij bedoelde dat de toekomst reageerde op voorspellingen over die toekomst zelf, zonder dat wij veel grip op hadden op de uitkomst. De schrijver leek een grote rol toe te kennen aan het toeval. De bestudering van het verleden leverde volgens hem in ieder geval geen methode op om nauwkeurige voorspellingen te doen over de toekomst.

Ten tweede stelde Harari dat de geschiedenis, net als de evolutie, geen doelgericht proces was. Homo sapiens was niet de uitkomst van een vooropgezet plan dat de evolutie dreef, maar slechts een toevallige loot aan de boom van het leven. Die was echter zo succesvol gebleken dat die inmiddels al het leven op de planeet domineerde. De vertakkingen van de evolutie groeiden waar ze de ruimte hadden en voedsel vonden. Zo was ook de geschiedenis een blind proces dat geen einddoel voor zich zag en geen voorkeuren kende, slechts reageerde op gelegenheid en mogelijkheden. De mensheid volgde haar historische route van de ene splitsing naar de volgende over een snelweg van causaliteit en chronologie waarop je niet kon omkeren. De opkomst van het Westen was geen onvermijdelijk gevolg van historische ontwikkelingen, maar had alles te maken met de min of meer toevallige keuzes die werden gemaakt op de knooppunten van de geschiedenis. En zo kwam het dat een relatief achtergebleven uithoek van het Afro-Aziatische continent op de snelweg van de Wetenschappelijke Revolutie was beland. Die revolutionaire ontwikkeling was het onderwerp van het vierde en laatste deel van Harari’s boek.

Na zijn middagdutje besloot Stef zijn benen te strekken en hij slenterde wat over het terrein van het kasteel. Tegen een zijmuur vond hij een stapel brandhout en dat gaf hem een idee. Hij gooide een aantal van de gekloofde stammetjes in de kruiwagen die hij zich onderweg had toegeëigend om zijn bagage in te vervoeren en dumpte de stapel op het terras. Daarna wilde hij op zoek gaan naar wat stenen om een kampvuur op te maken, maar hij bedacht dat er wel ergens een vuurkorf moest zijn op het landgoed. Die vond hij inderdaad in de bergruimte in de toren waar hij de vorige dag de ligstoel vandaan had gehaald. Hij zette het gietijzeren geval naast de stapel hout en verheugde zich op het vuurtje dat hij die avond zou stoken. Tevreden dronk hij in de keuken een glas limonade om zijn dorst te lessen en liep vervolgens terug naar het terras om verder te lezen in het boek dat zoveel draadjes uit de geschiedenis van de mens verhelderend samenvlocht.

Tot zo’n vijfhonderd jaar geleden was men er – met name in het Westen – van overtuigd dat de beste tijd van de mensheid in het verre verleden lag. De christelijke wereld beschouwde de Bijbelse tijd dat Jezus op de Aarde rondliep en onder de mensen verkeerde als de gouden periode van de geschiedenis. Tijdens de Middeleeuwen keek men naar de overblijfselen van Griekse tempels en theaters en de ruïnes van het Romeinse Rijk en besefte dat de techniek en de middelen om zulke bouwwerken op te richten niet meer voorhanden waren. Het tijdperk dat het einde van de Middeleeuwen markeerde en waarin men de prestaties van de Oudheid probeerde te evenaren werd niet voor niets de ‘wedergeboorte’ oftewel de Renaissance genoemd.

Het nostalgische verlangen naar een glorieus Bijbels verleden begon snel te vervagen toen Columbus in 1492 een heel nieuw continent ontdekte. Harari zag in de toevallige ontdekking van Amerika de aanleiding voor de Wetenschappelijke Revolutie. De schok van de ontdekking van een tot dan toe onbekend werelddeel bracht een fundamentele verandering teweeg in het denken van Europeanen. Men moest toegeven dat de Bijbel en andere religieuze boeken niet, zoals gedacht en geclaimd, alle kennis en wijsheid over de wereld openbaarden. De mensheid was gedwongen onder ogen zien dat wat ze meende te weten over de wereld zeer beperkt was en dat er dus nog veel te ontdekken viel. Als er een heel continent verborgen had gelegen achter de horizon, wat was er dan nog meer waarvan de mens het bestaan niet kende en dat wachtte op ontdekking? Dat was volgens de schrijver het eerste kenmerk van de moderne wetenschap: de bereidheid om onwetendheid te erkennen.

De inwoners van de afgelegen westelijke uitlopers van de bekende wereld waren over de oceaan westwaarts gevaren om de machtige keizerrijken te omzeilen die de landroutes naar de rijkdommen van het oosten controleerden. Rond het jaar 1500 domineerde het Ottomaanse Rijk de Middellandse Zee en de Levant en waren het Perzische Rijk, India en China op het hoogtepunt van hun macht. De Chinese admiraal Zheng He exploreerde rond 1430 zelfs de hele Indische Oceaan en bezocht India, het Arabisch schiereiland en Oost-Afrika. De dynastieën van het Oosten voerden weliswaar talloze oorlogen om aangrenzende gebieden te onderwerpen, maar ze misten de motivatie om de rijkdom verder van huis te zoeken. De bronnen van hun welvaart lagen immers veelal binnen de grenzen van hun eigen rijken. Dat konden de Europeanen niet zeggen en zij waren gedreven om lange reizen te ondernemen op zoek naar de schatten van goud en waardevolle handelswaar zoals exotische specerijen. Columbus was tenslotte op zoek naar India toen hij land in zicht kreeg. Na een machtswisseling in Beijing werd Zheng He teruggefloten en kwam er een einde aan de Chinese ontdekkingsreizen. De Europeanen veroverden de wereld omdat de Aziatische machten er geen belangstelling voor hadden. Dat was de interessante gedachtegang die Harari presenteerde. Een mooie illustratie van de wet van de remmende voorsprong: vanwege hun rijkdom ontbrak het de oosterse rijken aan motivatie om op zoek te gaan naar nieuwe bronnen van welvaart.

De schaduwen werden alweer langer en Stef ging naar binnen om zijn avondeten te bereiden. Hij zette een pan water op het vuur om een handje spaghetti in te koken. Een fijngehakt uitje ging de koekenpan in, met een gesneden teentje van een uitgelopen bol knoflook die hij onderin de koelkast had gevonden. Het schaaltje gemengde zeevruchten dat naast stukjes inktvis en garnaaltjes ook mosseltjes, kokkels en andere schelpdiertjes bevatte, ging er luid sissend van de hete olie bij. Hij bluste de boel af met een flinke scheut witte wijn, voegde peper en zout toe en liet de saus even pruttelen terwijl hij de spaghetti afgoot. Jammer genoeg had Stef geen peterselie en citroen kunnen vinden om het gerecht af te maken, maar dat deerde hem op dat moment niet zoveel. Een dikke snee brood om de zilte saus op te deppen maakte de maaltijd af.

Na het eten stak hij op het terras de vuurkorf aan en met een glas wijn in de hand keek hij toe hoe de droge houtblokken opvlamden. Knetterend kwam het vuur tot leven en Stef staarde een tijdje dromerig in de warme gloed. Het viel hem in dat zijn kampvuur tot ver in de omtrek zichtbaar moest zijn, misschien zelfs wel waarneembaar voor de gevoelige sensoren van satellieten in de ruimte, maar aan die paranoïde gedachten wilde hij nu even niet toegeven. Er was in de wijde omtrek geen mens in leven en hij overtuigde zichzelf ervan dat het maar zeer de vraag was of er iemand ergens achter een beeldscherm van een volgstation op dat moment überhaupt geïnteresseerd was in zijn bestaan. De wereld had waarschijnlijk wel andere problemen om zich zorgen over te maken. Toen werd hij bevangen door een muzikale jeuk in zijn vingers en stond hij op om een van de akoestische gitaren uit de muziekkamer te halen. Bij het flakkerende licht van de vlammen pingelde hij wat, maar zijn gedachten dwaalden steeds af, naar het boek van Harari, naar de wereld, naar de toekomst…

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.