10 | Vergezichten in tijd en ruimte

Stef werd de volgende ochtend gewekt door het landelijke geluid van een haan die kraaide. Na een kort moment van verwarring realiseerde hij zich waar hij was en rekte zich genoeglijk uit. Zijn blaas was vol en hij stond even later op om te plassen. De wijn van de vorige avond dreunde nog gevoelig na in zijn hoofd en ook zijn maag voelde onzeker, dus hij gaf zich over aan de luxe van terug te kunnen keren naar het comfortabele bed en de wereld tussen slaap en droom nog eens te omarmen. De volgende keer dat hij wakker werd stond Roquet naast zijn bed te piepen. Achter de gesloten luiken scheen buiten de zon. Het schijnsel dat dat door de kieren binnendrong veroorzaakte grillige vormen van hard licht op de muur.

“Goedemorgen Roquet”, begroette hij zijn reisgezel met uitgestrekte arm. De hond kwam kwispelstaartend dichterbij en begon enthousiast zijn hand te likken.

“Jij moet natuurlijk dringend naar buiten om je behoefte te doen, nietwaar?”

Kreunend kwam hij overeind. Zijn spieren waren niet meer gewend aan het gemak van een echt bed en protesteerden na de weldadige ontspanning tegen de plotselinge activiteit. Roquet hupte naar de deuropening als om hem tot spoed te manen. Met de tong uit de bek bleef het dier hem daar vragend aankijken terwijl Stef wat kleding aantrok. Hij opende een vensterluik en keek met knipperende ogen uit over het felverlichte panorama. De wind was gaan liggen en het zonlicht streek ongehinderd over de hollingen en bollingen van het landschap. In de verte zag hij de golvende rand van een wolkendek dat zich terugtrok naar het zuiden. Het verwaaide rode stof lag hier en daar als roestvlekken op het landschap, wat het uitzicht een surrealistische aanblik gaf.

Gapend krabde Stef zich over het hoofd en draaide zich om naar Roquet. “Kom maar jongen, ik zal de deur voor je opendoen.”

De hond trippelde voor hem uit de trap af en de lange gang door. Stef opende de buitendeur en liet hem gaan. Zelf liep hij terug naar de keuken om de broodbakmachine te controleren. De geur van het versgebakken brood veroorzaakte een aangename kramp in zijn speekselklieren terwijl hij een boterham afsneed. Opgewekt neuriede hij een wijsje terwijl hij het brood besmeerde met margarine. Zelden smaakte een boterham hem beter dan die ochtend, zijn eerste zelfgebakken brood in een verloren wereld. Hij zette theewater op en opende de vensters in de keuken. Het viel hem nu pas op dat het stil was buiten, doodstil. Dat was een groot verschil met de vorige dag toen het geraas van de storm over het landschap gierde en horen en zien bijkans onmogelijk maakte. Het leek alsof de natuur zwijgend haar wonden likte.

Later ging hij weer naar boven met een schaar die hij in een keukenlade had gevonden. In de badkamer knipte Stef zijn haren voor de spiegel. Ook zijn woeste baardhaar werd getrimd. Na een verfrissende douche voelde hij zich als herboren en was hij klaar voor zijn voorgenomen inspectieronde over het terrein van het landgoed. In het kleine kantoortje naast de trap had hij een sleutelkastje gezien en met het gereedschap hij zich de vorige dag had toegeëigend wist hij dat open te breken. Hij vond er wat losse sleutels, een setje autosleutels en een paar sleutelbosjes aan een ring. Aan de beide ringen zaten zo’n beetje dezelfde sleutels, dus Stef meende dat eentje wel zou volstaan en liet die in zijn broekzak glijden.

Hij liep door de terrasdeur naar buiten met een paar hondenkoekjes voor Roquet. Die kwam hem opgewekt tegemoet en werkte de versnaperingen schrokkend naar binnen. Samen liepen ze langs de zijkant van het huis in de richting van de doorgang met de zuilen die Stef in gedachten de Griekse Poort noemde. Hoopjes verwaaid rood stof hadden zich verzameld itegen de plinten van het kasteel. De toren en de bijgebouwen aan die kant liet hij op dat moment even voor wat ze waren, want hij was vooral benieuwd waar die monumentale opening naartoe leidde. Achter de doorgang vond hij een terras dat zich uitstrekte langs de buitenmuur van de vleugel van het kasteel. Een kort betegeld pad leidde van daar naar een volgend langwerpig rechthoekig terras dat omzoomd werd door een strakke, in verticale en horizontale vlakken geschoren haag die op pootjes van ongeveer een meter hoog stond. Die stijlvolle omheining was bij nadere beschouwing samengesteld uit twee rijen kleine boompjes van ruim twee meter hoog waarvan het loof vergroeid was tot één geheel. Het pad liep naar de dichtstbijzijnde korte kant van de haag, waar een opening was. Toen Stef dichterbij kwam zag hij dat de twee rijen boompjes los van elkaar stonden. Er stonden dus eigenlijk twee strakke heggen als de schillen van een rechthoekige ui rondom het terras. En in het midden van de beschutte ruimte bevond zich een langgerekt zwembad van zo’n tien bij drie meter. Aan de verre zijde van het terras was ook weer een opening in de haag, net zo breed als het bassin, waardoor je voorbij het water tussen twee coulissen door uitkeek over de open weide erachter en het heuvellandschap in de verte. Heel doordacht en smaakvol ontworpen allemaal, ook al was het misschien wel erg modernistisch voor deze landelijke omgeving. Op het water dreven verwaaide takjes en bladeren in een vale laag stof. Stef zag vlekken rode aarde op de stenen van het terras, als bloedspetters op het land. Een paar opvouwbare ligstoelen lag ondersteboven tegen de knokige boomstammetjes, de hoekige poten in de lucht als dode dieren op een slagveld.

Vanaf die plek leek het landgoed op een soort uitgerekte terp in het landschap te liggen, een kleine landtong die aan één kant vastzat aan het hoge land en aan de andere kant uitrees boven de vallei van het riviertje dat hij de vorige dag gevolgd was. Het kasteeltje bevond zich achter hem en hij keek nu uit over een uitloper van het plateau. Honderd meter links van Stef daalde de weg door een smalle geul af naar het riviertje dat op dat moment niet zichtbaar was, maar ergens recht voor hem aan de voet van de terp door de brede vallei liep. Rechts van hem, wist hij, stroomde een eind verderop een beek door een kleinere vallei met akkers in de richting van het riviertje. Maar die was, evenals het nabijgelegen plaatsje dat aan de overkant van de vallei lag, nu aan het oog onttrokken door bomen en een lange lage heg die tot halverwege de terp liep. De haag eindigde vijftig meter verderop bij een geëgaliseerd stuk grond aan het einde van de verhoging. Daar zag Stef een schuurtje staan aan de rand van een rommelig stuk tuin.

Nieuwsgierig liep hij over het gras in de richting van het houten gebouwtje. Hij merkte een stelletje halve deuren op die suggereerden dat het om een kleine paardenstal ging. Ervoor lag een stuk zandpad dat bij nadere beschouwing deel uitmaakte van een ovaalvormig parcours dat rondom de afgevlakte top van de terp liep. Binnen de ring stonden wat losse bomen en struiken en aan de verre zijde nog een bosje. Van een afstand had hij de indruk gekregen dat het om een slecht onderhouden siertuin ging. Boven het dak van het schuurtje zag Stef zelfs de statige donkergroene kolommen van een paar cipressen omhoog reiken. De indruk van een tuin werd versterkt door de kleine vijver die hij in het oog kreeg toen hij dichterbij kwam. Alles bij elkaar genomen leek dit deel van het landgoed helemaal ingericht op paarden: een onderkomen voor de nacht, een weide om te grazen, een parcours om te rennen en een vijver om uit te drinken. Maar geen spoor van de edele viervoeters zelf.

In de stallen trof hij de te verwachten parafernalia van de paardensport: tuigjes en leidsels, een versleten zadel, een paar oude dekens, pakken krachtvoer, balen stro, een emmer en enkele zweepjes. Het rook er naar leervet, mest en paardenzweet. Onder een afdakje aan de zijkant lag een berg hooi. Stef had weinig met paarden en hij vond er verder niets dat hem kon opwinden. Aan de achterkant van de schuur trof hij een waterkraan die zo te zien via een speels slingerende waterloop van ongeveer twintig meter lengte het water in de vijver kon aanvullen. Dat vond hij wel interessant, omdat hij nu eenmaal van vijvers en waterloopjes hield. De hypnotiserende schittering van zonlicht in een plas en het rustgevende gemurmel van stromend water hadden altijd een weldadige uitwerking op zijn gemoed. Er kwam op dat moment echter geen water uit de tap en de bochtige goot lag er droog bij. Hij vermoedde aanvankelijk dat er ergens een pomp zou zijn om het water naar dit hoge punt te krijgen. Maar bij nader inzien leek het niveau overeen te komen met dat van de slotgracht en Stef bedacht dat de twee waterpartijen met de een of andere ondergrondse pijp verbonden waren en water opvingen van het verderop gelegen hoge land. Hoe dat ook zij, het water van de vijver werd op dat moment grotendeels aan het oog onttrokken door dikke plakken alg en eendekroos waarop een laagje rood stof lag.

Hij volgde het ovaalvormige zandpad en kwam aan de rand van het kleine plateau, waar hij neerkeek op een bosje dat op de steile helling groeide. Daarachter lagen een paar velden en in de diepte liep de doorgaande weg waarover hij de vorige dag was gekomen. Een halve kilometer verderop naar rechts zag hij het lichtgekleurde pleisterwerk en de rode daken van huizen. Daarna liep hij weer in de richting van het kasteeltje en bij de cipressen vond hij een zijpad dat langs de flank van de terp omlaag voerde, naar de lager gelegen weide. Stef daalde het korte pad af en ging onderaan rechtsaf. Daar volgde hij de rand van een kale akker in de schaduw van de hoge bomen die aan die kant op de helling van de terp groeiden tot waar het woonhuis stond. Zo kwam hij onder het terras aan de achterzijde van het kasteeltje.

De helling lag volop in de zon en Stef ging in het lange gras zitten met uitzicht op het zuiden. De zandstorm leek nu iets uit een boze droom, ware het niet dat er op de grassprieten een fijn poeder lag dat in het zonlicht een herfstachtige oranjebruine gloed veroorzaakte, alsof het groen verwelkt was. In de verte hing nog een bruinige waas van stof boven het land, als een deken van uitlaatgassen boven een drukke stad. Maar in de blauwe lucht boven zijn hoofd stonden lange rafelige wolkenstrepen en aan de horizon kon hij door de roestbruine mist nog juist een dreigend, donker wolkendek onderscheiden. Hij keek een tijdje naar Roquet, die rondscharrelde in de groene rand van het onverharde pad aan de overkant van de akker. Ietsje verderop zag hij de bomenrij die het beekje in de kleine vallei volgde. Stef strekte zich uit in het gras en genoot van de stilte. Hoog in de lucht klonk het ijle geluid van een leeuwerik die zichzelf amechtig omhoog zong. Een flinke hommel zoemde slingerende patronen boven de grassprieten, op zoek naar een late weidebloem.

Hij dacht terug aan zijn mijmeringen over de zestiger jaren, die zoveel tegenstrijdige emoties opriepen. Het roerige tijdperk werd over het algemeen opgehemeld door een deel van de welvarende babyboomers die toen jong waren, vol levenslust, goede intenties en hoopvolle verwachtingen. De wereld was er in de ogen van velen sindsdien niet op vooruit gegaan en het was te begrijpen dat ze vol nostalgie en weemoed terugdachten aan die periode van hun leven. Of probeerden iets van hun beleving van die tijd vast te houden. De teloorgang van hun idealen viel samen met de ontegenzeggelijke verharding van de samenleving en de verscherping van de sociale en economische tegenstellingen. Die ontwikkelingen werden door de latere generaties toegeschreven aan de in hun ogen naïeve verwachtingen van vele van zijn leeftijdsgenoten. En dat was misschien niet helemaal onterecht, voor zover het ging over de vrijheden die in die tijd veroverd waren. Die hadden niet de rechtvaardige en open samenleving gebracht waarop velen hadden gehoopt. En er was een categorie voor wie de teleurstelling over het uitblijven van hun idealistische wereld van de weeromstuit had geleid tot cynisme en negativisme. Dat was met name het geval bij de groep die niet de vruchten had kunnen plukken van de nieuwe wereld.

Volgens Stef illustreerde het politieke landschap van Nederland die verwarrende erfenis van dat energieke decennium. De behoefte aan inspraak en de roep om democratisering had geleid tot de oprichting van de partij Democraten ’66, oftewel D66. Die had zich in de loop der tijd ontwikkeld tot de neoliberale partij bij uitstek. Haar aanhang bestond vooral uit hoogopgeleide en welvarende babyboomers die goed in staat waren om zich staande te houden in het competitieve klimaat van na de oliecrisis. Voor wie een rechtvaardige en vreedzame wereld zonder kernwapens zwaarder wogen dan inspraak en vrijheid was er de Pacifistisch Socialistische Partij, de PSP. Tot die partij had Stef zich altijd het meeste aangetrokken gevoeld, evenals veel andere jonge idealisten. Dat gold ook voor de opvolger van die partij, Groen Links, die de pacifistische idealen koppelde aan een oprechte bezorgdheid om het milieu. Bij die partij trof je ook de oude hippies aan die het gretige materialisme van de consumptiemaatschappij verwierpen en veelal een levenswijze dichter bij de natuur voorstonden. Daarbij bevonden zich ook veel New-agers met hun soms wonderlijk zweverige opvattingen. De burgers die zich minder lieten leiden door zulke morele principes en vrijheid meer zagen als een doel op zich dan een middel om hoogstaande idealen te verwerkelijken, voor wie het individu belangrijker was dan de gemeenschap, was de VVD lange tijd de aangewezen partij, met haar negentiende eeuwse belofte dat het liberale gedachtengoed van vrijheid en ondernemerschap en zo weinig mogelijk staatsbemoeienis in de vorm van belastingen en regels, iedereen rijk of tenminste welvarend zou maken. Naarmate het duidelijker werd dat die verleidelijke belofte niet ingelost zou worden, en de voorzieningen waarvan een deel van de aanhang afhankelijk was werden afgebroken, begon de aanhang van de Volkspartij te morren. Geheel volgens hun levensovertuiging van ‘eigenbelang eerst’ splitsten groepen op rechts zich af in steeds radicalere splinterpartijen als de Centrumpartij, Lijst Pim Fortuyn, Leefbaar Nederland, Partij Voor de Vrijheid en het Forum voor Democratie, die meenden dat de eigen vrijheid alleen gewaarborgd kon worden door die van anderen te beknotten. En daarmee werd een fundamenteel probleem van het individuele vrijheidsstreven blootgelegd. Het ideaal van economische gelijkheid en solidariteit tenslotte, werd vooral gedragen door de communistische CPN en haar opvolger de Socialistische Partij. Allebei partijen die vanwege hun wortels in activisme en sociale betrokkenheid konden rekenen op Stef’s sympathie. Maar het anti-Europese standpunt van de sp had hij nooit begrepen, vooral omdat De Internationale nog altijd als het socialistische volkslied gold. Ook al had hij wel degelijk kritiek op de wijze waarop de Europese eenwording verliep. Het was in zijn ogen teveel een neoliberaal project geworden met een overdreven nadruk op de economie en een te gretige ambitie om Oost-Europese landen zonder democratische achtergrond te binden. Maar daar had je de idealen van de sixties en hun gefragmenteerde erfenis op een rijtje: vrijheid en inspraak voor de liberalen, gelijkheid en rechtvaardigheid voor de socialisten, respect voor de natuur voor de groenen en ophef en vertier voor de cabaretiers van het populisme. De herinnering aan de opwindende zestiger jaren bood zo voor elk wat wils om over te klagen of om zich op te beroepen.

Voorbij de verste toren klom hij later weer omhoog aan de andere kant van het kasteel. Recht voor hem verscheen nu het bijgebouwtje met de carport waar hij de vorige dag langs was gelopen. Er schitterde iets op het dak van de kleine loods. Even meende Stef dat het een pas gerepareerd stuk dakbedekking was, maar de vorm en kleur waren nogal opvallend. Het waren zonnepanelen! Het dak van het bijgebouwtje was aan de zuidzijde bekleed met zonnepanelen. Dat verklaarde waarom de elektriciteit in het huis gewoon werkte. Wat een geweldige toevalstreffer! De eigenaar van het landgoed wekte zijn eigen stroom op en nu de publieke stroomvoorziening was uitgevallen kwam dat heel goed van pas. Stef had onderweg niet veel panelen gezien op de daken en wellicht had hij voor zijn tijdelijke onderkomen toevallig het enige huis met stroom in de wijde omtrek uitgekozen. Hij nam zich voor om ze zo snel mogelijk te ontdoen van de rode laag die de stofstorm erop had achtergelaten.

De deur van het schuurtje zat op slot, maar een van de sleutels aan de ring die hij had meegenomen paste. In het opgeruimde hok achter de onopmerkelijke deur vond hij een high-tech installatie met een batterij accu’s die aangesloten waren op een metalen kast die wel iets weg had van een compacte verwarmingsketel. Ernaast hingen nog een paar andere kastjes die hij niet kon thuisbrengen, maar omdat ze een schermpje hadden met digitale cijfers vermoedde Stef dat ze de opgewekte of verbruikte stroom registreerden. Dankzij een schema dat aan de muur hing werd de werking van de installatie hem duidelijk. De zonnepanelen waren aangesloten op een convertisseur die de 12 Volt gelijkstroom die opgewekt werd door de panelen omzette in 220 Volt wisselspanning voor het huishouden. Op die omvormer – dat was dat ding dat eruit zag als een verwarmingsketel – waren ook de accu’s aangesloten, zodat de opgewekte stroom die niet meteen werd gebruikt kon worden opgeslagen. Op het schema zag hij dat er ook een windmolen, een éolienne, was verbonden met het systeem. Die had hij buiten nog niet gezien, maar hij veronderstelde dat die wel ergens op het dak zou staan. Dat was handig, want zo kon er ook stroom opgewekt worden als er geen zon was, zoals de dag ervoor toen er wel veel wind en geen noemenswaardig zonlicht was geweest. Voor noodgevallen was er een klein aggregaat aangesloten op het systeem om ook stroom te kunnen opwekken als de productie van zonne- en windenergie het liet afweten. Alle controlelampjes stonden op groen dus Stef veronderstelde dat de installatie naar behoren werkte.

“Kijk Roquet, we hebben een enorme mazzel gehad. Het ziet er naar uit dat we hier voorlopig wel goed zitten”, verklaarde hij opgewekt.

De hond keek hem met een schuin hoofd aan, blafte een keer instemmend en liep toen naar buiten. Stef haalde zijn schouders op en volgde hem. “Laten we eens zien of we die windmolen kunnen vinden”, zei hij terwijl hij zich omdraaide en omhoog keek. “Aha. Dat was niet zo moeilijk, heh?”

Aan de rechterkant zag hij nu een klein model windturbine op de rand van het dak staan. Het was niet zo’n gigantisch futuristisch geval dat je vaak midden in een akker ziet staan en het landschap ontsiert, maar een huis-tuin-en-keukenmodel van bescheiden afmetingen. Meer iets dat je op een zeilboot zou kunnen aantreffen. Hij liep naar de zijkant van de schuur om het ding van dichtbij te bekijken. Daar verscheen nog een zelfde molen op de daklijst aan de andere kant van de nok. Stef vroeg zich af of die verdubbeling van opwekkend vermogen te maken had met de stroombehoefte, of dat de tweede miniturbine een verstandige noodvoorziening was voor het geval dat de eerste uitviel. Op dat moment stond er nauwelijks wind en de bladen bewogen zo af en toe aarzelend als er een kleine windvlaag opstak. Onzeker draaiend om hun assen waren de twee toestellen doorlopend op zoek naar de meest gunstige windrichting.

Plotseling begon Roquet te grommen. Verschrikt keek Stef om. De herinnering aan de roedel verwilderde honden die hem een paar dagen eerder had aangevallen veroorzaakte een adrenaline-reactie in zijn lichaam. Ook toen was hij gewaarschuwd door zijn waakzame metgezel en zijn versnelde hartslag verraadde de vecht-of-vlucht reactie die was geactiveerd door het gegrom. Pavlov’s geconditioneerde reflex in een notendop. Maar gelukkig was het ditmaal geen sinister gevaar waardoor Roquet gealarmeerd was, maar een grote zwart-witte kat die langs de gevel van een bijgebouw enkele tientallen meters verderop sloop. Stef had gemeend dat het gebouw een boerderij was die bij het landgoed hoorde, maar nu zag hij dat het een grote stal was, gebouwd in dezelfde stijl als het kasteel, met pastelkleurig gepleisterde muren en boogvensters boven de deuren. Geen rommelige open koeienstal, maar een stevige en fraai gebouwde paardenstal, deduceerde hij. Het kleine complex stond een stukje voorbij de oprit van het kasteel langs de doorgaande weg.

De kat ging er nu als een hazewind vandoor, op de hielen gezeten door een blaffende Roquet. Lachend voelde Stef de spanning uit zijn lichaam vloeien terwijl het tweetal om de hoek van het gebouw verdween. Toen werd zijn aandacht getrokken door een paar kippen die aan de achterzijde van de stal rondscharrelden. Dat verklaarde natuurlijk de haan die hem die ochtend gewekt had. Er was aan die kant een afdak tegen het luxe paardenonderkomen gebouwd, groot genoeg om er een paar auto’s of landbouwvoertuigen onder te parkeren. Hij vond er nu een flinke stapel hooibalen, wat stro en een kippenhok. ‘Verse eieren’, ging er door hem heen en hij opende een deurtje op buikhoogte dat toegang gaf tot het verhoogde legnest dat aan het nachtverblijf vast zat. Hij moest zich bukken om iets te zien en werd argwanend aangekeken door twee kippen die zo te zien op hun eieren zaten te broeden. Stef liet zich daardoor niet tegenhouden en met zachte dwang lieten de hennen zich onder luid kakelend protest van hun broedsel verjagen. De oogst was vijf eieren en hij hoopte dat er een paar verse bij zouden zijn. De rest zou hij aan Roquet voeren. Wel weinig eieren, trouwens. Als de kippenren al een paar weken niet verzorgd was en er geen eieren geraapt werden, dan zou je er toch wel meer verwachten. Misschien dat de kippen, zo overgelaten aan zichzelf, hun eieren elders hadden gelegd? Of waren er rovers bezig geweest? Een vos zou de kippen uitgemoord hebben, maar misschien was het een wezel of fret geweest? Stef had geen idee of die hier in het zuiden van Frankrijk leefden. Er was genoeg stro in de schuren en op het terrein er omheen om een comfortabel nest in te maken. En er dribbelden in ieder geval een stel flinke kuikens tussen de lichtbruine hennen op het erf. Hij nam zich voor om dat later eens te onderzoeken, want op dat moment werd zijn aandacht afgeleid door wat hij aantrof op het deel van het landgoed dat hij nog niet gezien had, waar het aansloot op de velden van het hoge land.

Stef zag een moestuin met daarachter de typische kenmerken van een paardenboerderij: een omheinde zandbak om de viervoeters in te trainen en een grote ronde betonnen houder voor de mest. Verderop langs de weg zag hij paar weides die afgezet waren met schrikdraad en waarop een paar overdekte metalen hooiruiven stonden. Een tweetal paarden stond met gespitste oren belangstellend, misschien wel vragend, achter het hekwerk zijn kant op te kijken. Ze stonden ieder in een apart weitje, wat Stef een beetje treurig vond. Hij wist weinig van paarden, maar het was hem wel opgevallen dat het sociale dieren waren.

Hij legde de eieren even op een veilig plekje en liep in de richting van het weiland. In het voorbijgaan plukte hij snel wat sappig onkruid dat langs het hek van de zandbak stond. De beesten hielden hem nauwlettend in de gaten terwijl Stef op hen toe kwam. Een van de twee, een ranke bruine merrie, schudde de zwarte manen en begon met een voorpoot op de grond te stampen, alsof ze haar ongenoegen over het lange wachten wilde uiten. Het andere dier, een witte merrie met grijze vlekken, stond in het volgende weitje een beetje wezenloos te kijken. Met uitgestrekte arm liep Stef met het malse groen in de hand op het bruine dier toe terwijl hij kalmerend bedoelde smakkende geluidjes maakte. Gretig hapte het paard toe en Stef klopte het zachtjes op de nek.

“Zo jongedame. Hoe lang zijn jullie al zo aan je lot overgelaten, heh?”

Hij bukte zich om nog wat onkruid te plukken dat buiten het bereik van het dier groeide. Hij merkte op dat de paarden waarschijnlijk hadden overleefd dankzij het water dat in de greppel stond die het weideveld omringde. Maar hoelang zou dat nog goed gaan, vroeg hij zich af. Het leek hem dat er op en rond het landgoed voorlopig voldoende voer aanwezig was, maar dan moesten ze er wel bij kunnen. Nu er niemand meer was om voor de paarden te zorgen, kon hij ze misschien maar het beste vrijlaten zodat ze zelf op zoek konden gaan naar voedsel en drinkwater. Hij had eerlijk gezegd geen idee of zulke paarden in staat waren om in het wild voor zichzelf te zorgen. Het waren duidelijk luxe rijdieren of renpaarden en geen boerenwerkpaarden of zo. Maar het leek hem in ieder geval dat hun kansen op overleven groter waren als ze niet beperkt werden tot een kleine weide die omgeven werd door schrikdraad. Het andere paard hinnikte alsof het hem eraan wilde herinneren dat zij ook wel een lekkere verse versnapering zou lusten.

“Ja ja, ik ben je niet vergeten, hoor”, riep Stef naar het witte dier, terwijl hij de bruine merrie over de kop aaide.

Het hek zat niet op slot en hij lichtte de klink om de toegang open te trekken. Het bruine paard maakte een opgewonden geluidje en liep aarzelend door de opening naar buiten. Haar witte soortgenoot hinnikte nogmaals ongeduldig en de bruine keek op, beantwoordde het geluid en zette het op een drafje in de richting van het kasteel. Daar kwam Roquet zojuist om de hoek van de stal aanlopen. Die schrok van het grote dier dat recht op hem af leek te komen en belandde met de staart tussen de poten in de moestuin. Het paard negeerde de hond volkomen en liep naar een drinkbak die vlakbij de weg stond, waar het gulzig begon te drinken. Stef keek het dier even verbaasd na en liep toen naar het andere paard. Dat keek hem verwachtingsvol aan en zette haar staart rechtop om een paar droge vijgen te laten vallen. Daar moest Stef om lachen.

“Haha, is dat nu een manier om een redder met goede bedoelingen te begroeten?” zei hij tegen het dier, terwijl hij het toegangshek opende.

Het witte paard had op dat moment alleen nog maar aandacht voor haar soortgenoot die zich smakkend laafde aan het verse water. Opgewonden briesend stapte het dier door de opening en haastte zich naar de drinkplaats. De twee paarden begroetten elkaar als oude vrienden die elkaar lang niet gezien hadden. Ze drukten de koppen tegen elkaar, snuffelend aan elkaars flanken en achterste en eenmaal gerustgesteld doken beide dieren met hun neus in de waterbak om hun dorst te lessen. Stef vond het een ontroerend tafereel. Paarden waren sensitieve wezens en het was mooi om te zien hoe zulke grote dieren uitdrukking gaven aan hun gevoelens. Het raakte een gevoelige snaar bij hemzelf. Misschien herinnerde de begroeting hem aan zijn eigen diep begraven behoefte aan contact met soortgenoten.

Roquet had zich inmiddels weer bij hem gevoegd en keek hem onzeker aan, alsof hij een vorm van bescherming of geruststelling zocht in de aanwezigheid van de grote beesten. Stef hurkte zich neer naast de hond en krabde hem over de flank terwijl ze samen naar de drinkende paarden keken.

“Nou Roquet, ik geloof dat we voor vandaag onze goede daad wel weer verricht hebben, denk je niet? Zullen wij ’ns kijken of we een lekker vers eitje kunnen eten met de lunch? Dat hebben we wel verdiend. Wat een geluk dat we dat kippenhok gevonden hebben, heh? Heb je die kat nog te pakken gekregen? Vast niet…”

Hij kwam weer overeind en gerustgesteld liep de hond met hem mee, langs de moestuin in de richting van het kasteel. Halverwege pakte hij de eieren weer op. Stef had het vermoeden dat de paarden wel in de buurt zouden blijven. Hij nam zich voor om ze later op de dag wat van het krachtvoer te geven dat hij in de kleine stal aan de andere kant van het landgoed had gevonden.

Slechts twee van de vijf eieren bleven niet drijven in een pannetje met water. Die waren dus helemaal vers. De andere drie had Stef aan Roquet gevoerd, die ze met smaak verorberde terwijl hij voor zichzelf een omelet bakte. Op weg naar de keuken had hij de kleine poortwachterswoning in de zijvleugel van het kasteel nog even geïnspecteerd. Hij kreeg de indruk dat er een beheerder van het landgoed in woonde, want het huisje was duidelijk ingericht voor één persoon, een man. Er hing een geur van ongewassen kleding en bedorven voedsel. De bewoner leek hals over kop vertrokken, want de afwas stond te beschimmelen in de gootsteen. Een schoteltje op de vloer en een paar blikken kattenvoer in een keukenkastje wezen erop dat de zwartwitte kat bij dit kleine huishouden hoorde. In een kast vond Stef een jachtgeweer. Dat had hij samen met een grote verrekijker en een doos hagelpatronen meegenomen naar het woonhuis. Hij voelde zich nog niet helemaal op zijn gemak in zijn nieuwe onderkomen. Wat de verzachtende omstandigheden ook waren, hij was het kasteel ontegenzeggelijk illegaal binnengedrongen. De aanwezigheid van zoveel persoonlijke spullen van de bewoners herinnerde hem er doorlopend aan dat hij een indringer was en dat de plek eigenlijk aan anderen toebehoorde. En ook al wees alles erop dat er in de wijde omtrek geen levend mens te vinden was, hij bleef bang om betrapt te worden. Daarnaast hield hij in zijn achterhoofd steeds rekening met de mogelijkheid dat er nog andere op drift geraakte overlevenden konden rondzwerven. En volgens de post-apocalyptische Hollywoodfilms die hij had gezien verloren de schipbreukelingen van een grote catastrofe in veel gevallen iedere zelfbeheersing die de beschaving hen had opgelegd en ontpopten zich al snel tot plunderende barbaren die nergens voor terugdeinsden. Hoe onwaarschijnlijk het misschien ook was dat er overlevenden in de omgeving waren, Stef vond dat hij maar beter voorzichtig kon zijn. Hij had weliswaar zijn pistool nog, maar daarin zaten nog maar een paar patronen. Het geweer gaf hem een extra middel om zichzelf te verdedigen wanneer dat nodig zou zijn. En het wapen kon nu in ieder geval niet in handen vallen van kwaadwillende onbekenden.

Op de benedenverdieping van de toren bij de portierswoning had hij een berging gevonden waar wat tuinmeubelen stonden opgeslagen. Dat had hem het idee gegeven om een ligstoel en een tafeltje naar het terras te slepen. Daar had Stef zich nu, met de verrekijker onder handbereik, comfortabel geïnstalleerd met uitzicht over de landerijen in het zuiden. Op het lage tafeltje naast hem stonden de restanten van zijn lunch: een leeg bord, een aangebroken pak koekjes, een flinke mok en een potje thee. Hij was blij dat er voorlopig voldoende te eten in het huis was, want zijn knie was nog altijd gevoelig en nog niet hersteld van de inspanningen van de voorafgaande week. Tijdens zijn klim tegen de terp op had hij die ochtend nog een paar steken gevoeld. Gelukkig hoefde hij dus de komende dagen nog niet af te dalen voor een expeditie naar het nabijgelegen dorp om boodschappen te halen.

Op zoek naar wat onderhoudend leesvoer had hij in de bibliotheek de bestseller Sapiens – A Brief History of Humankind van Yuval Noah Harari gevonden. Hij wist iets van de reputatie van dat werk en het stond al enige tijd op zijn lijstje van boeken die hij ooit nog wilde lezen. Nu lag het naast zijn bordje op het bijzettafeltje. Maar die publicatie moest toch nog even wachten, want zijn aandacht was getrokken door een uitgeprint artikel dat hij op het bureau in de studeerkamer had gevonden. De titel van dat geschrift was Long-Term Trajectories of Human Civilization en dat vond Stef mateloos intrigerend, want het ging over niets minder dan het lot van de mensheid op de lange termijn. De heel erg lange termijn kon je wel zeggen. De auteurs probeerden namelijk iets te zeggen over de toekomst van de mens voor zolang de menselijke beschaving zou kunnen bestaan en dat kon in hun optiek nog wel miljoenen jaren zijn. Met zijn fascinatie voor technologische ontwikkelingen, sciencefiction en futuristische scenario’s was Stef bijzonder geïnteresseerd in wat een stelletje serieuze geleerden te zeggen kon hebben over iets dat zo ongrijpbaar leek als de verre toekomst. In zijn ambitie kon je het artikel zien als de tegenhanger van het boek van Harari, dat voor zover hij kon beoordelen in de beschrijving van de grote lijnen van de menselijke geschiedenis vooral keek naar de oorsprong en de ontwikkeling van de soort Homo sapiens. Het verleden en het verre verleden dus.

Het artikel van Baum, Armstrong en een hele rits andere Amerikaanse, Europese en Russische wetenschappers uit uiteenlopende disciplines richtte zich daarentegen op de verre toekomst, ook al beperkte die blik op de toekomst zich tot slechts enkele contouren. Je zou kunnen zeggen dat de teksten samen een beeld schetsten van de gehele evolutie van de menselijke soort van het verre verleden tot de verre toekomst. Al snel werd Stef helemaal in beslag genomen door het overzicht van mogelijke toekomstscenario’s dat gegeven werd. Die beschrijving was natuurlijk behoorlijk abstract en algemeen, want hoe verder je inzoomde op de details van de toekomst, hoe onzekerder de voorspellingen zouden worden. Het was natuurlijk ook niet het doel van de auteurs om bijvoorbeeld de impact van nanotechnologie, kunstmatige intelligentie of bio-engineering in detail te beschrijven. Vandaar het woord trajectories in de titel. Het ging erom de verschillende richtingen voor de toekomst van de mensheid in beeld te brengen. De achterliggende gedachte daarbij was dat bepaalde menselijke keuzes en handelingen van invloed zouden kunnen zijn op die toekomstscenario’s en de vraag of bewust menselijk ingrijpen ethisch wenselijk of zelfs noodzakelijk was.

Het begrip Menselijke Beschaving werd in zeer brede termen opgevat als ‘iedere beschaving die terug te voeren valt op de huidige menselijke bevolking’. Deze definitie omvatte, aldus de auteurs, ook ‘beschavingen die geleid worden door genetische afstammelingen van Homo sapiens sapiens, of beschavingen die geleid worden door biologische of niet-biologische wezens die gecreëerd zijn door Homo sapiens sapiens of zijn genetische afstammelingen’. Dat was om te beginnen al een adembenemend perspectief: een verre toekomst waarin wezens die door de mens gemaakt waren vorm gaven aan een beschaving. Stel je eens voor, een futuristische samenleving van niet-menselijke wezens, voor wie de mensheid gold als schepper, als goden misschien. Hot stuff! Stef kon in ieder geval enorm opgewonden raken van zulke vergezichten. Hij vond het trouwens wel raar dat wetenschappers die zich met de toekomst bezighielden voor onze eigen menselijke soort zo’n verouderde term met tweemaal het woord sapiens gebruikten. Die aanduiding was namelijk een echo van de onduidelijkheid die voor de Tweede Wereldoorlog bestond over de plaats van de Neanderthaler in de menselijke stamboom. Die stond lange tijd officieel te boek als Homo sapiens Neanderthaliensis en ter onderscheid kreeg de moderne mens een dubbele sapiens in zijn officiële wetenschappelijke naam. Tegenwoordig was Homo sapiens de ingeburgerde aanduiding voor ons mensenras en werd de Neanderthaler gezien als een aparte tak van het geslacht Homo.

In het artikel werden vier potentiële richtingen voor de ontwikkelingen op de lange termijn gepresenteerd, de schrijvers spraken van classes of trajectories. In de eerste plaats onderscheidde men de trajecten waarin de status quo in de een of andere vorm gehandhaafd bleef, waarbij het pad van de menselijke beschaving op de lange termijn niet onderbroken werd door grote fundamentele veranderingen. Hoe zo’n ontwikkeling eruit zou zien of waaruit het onderscheid bestond met radicaal andere richtingen viel moeilijk vast te stellen, dat gaven de wetenschappers zelf ook toe. Wat hen betreft kon het gaan om het voortbestaan van de samenleving zoals wij die kenden, maar ook om een continuering van de huidige trends op allerlei maatschappelijke terreinen, of zelfs een continuering van de ontwikkeling en verandering van zulke trends. Zolang zich maar geen wereldwijde rampen voordeden of revolutionaire technologische ontwikkelingen plaatsvonden die het mensdom op een radicaal andere koers zouden zetten. Een heel scala aan mogelijke toekomstige werelden kon binnen deze klasse vallen, ook samenlevingen waarvan wij misschien niet veel zouden herkennen. Stef meende dat deze categorie in al haar vaagheid vooral fungeerde als ijkpunt om ingrijpende koerswijzigingen van onze beschaving in de verre toekomst mee te vergelijken. Want in het artikel achtte men deze variant op de lange duur niet houdbaar. De kansen waren groter dat de samenleving zoals we die nu kennen helemaal zou verdwijnen. Het kon in de toekomst twee kanten opgaan met de menselijke beschaving: vooruit of achteruit. Of als je naar de grafiekjes bij het stuk keek, omhoog of omlaag.

De tweede klasse van ontwikkelingen die men onderscheidde was daarom die van de catastrofale scenario’s. Daarin veroorzaakten bepaalde gebeurtenissen grote schade aan de menselijke beschaving of zou de mens zelfs helemaal kunnen uitsterven. Het is natuurlijk onvermijdelijk dat de Aarde ooit zal ophouden te bestaan. Als onze thuisplaneet de komende honderden miljoenen jaren weet te ontsnappen aan allerlei catastrofes, dan nog zal ze uiteindelijk onbewoonbaar zijn omdat de zon warmer en groter wordt en over een paar miljard jaar als Rode Reus de Aarde zal opslokken. De verschroeide en uiteindelijk gesmolten planeet zal over een miljard jaar al geen leven meer kunnen herbergen. Als er voor die tijd geen drastische koerswijziging plaatsvond dan liep de route van de mens over de status quo uiteindelijk dood in de natuurlijke ontwikkeling van ons zonnestelsel.

Maar de beschaving liep een serieus risico om ver voor die tijd te verdwijnen als gevolg van de een of andere grote ramp. Het artikel noemde kernoorlogen, de inslag van een object uit de ruimte, een uitbarsting van een supervulkaan, klimaatverandering, een losgeslagen kunstmatige intelligentie, een uit de hand gelopen natuurkundig experiment of de cumulatieve effecten van meerdere rampen als mogelijke oorzaken voor het uitsterven van de mens.

Stef moest denken aan de catastrofe die hij zelf meemaakte: een wereldwijde pandemie van een dodelijke ziekte. Was hij op dat moment zelf getuige van de ondergang van de mensheid? Hij huiverde bij die gedachte. Stel je voor dat hij de laatste overlevende mens was, dolend over een verlaten wereld, levend van ’s werelds geconserveerde voedselvoorraden en van wat hij aantrof in de natuur. Totdat hij zijn laatste adem uitblies en het boek van de menselijke geschiedenis voorgoed dichtgeslagen werd. Hij herinnerde zich zijn gesprek met Jacques Déchelette over de ondergang van Bibracte en zijn opmerking over de laatste Gallische bewoner die daar ooit rondzwierf tussen de ruïnes van een achterhaald tijdperk. In een empathische flits voelde hij een moment van verwantschap met die verre lotgenoot, ook al was die slechts getuige geweest van de ondergang van de leefwijze van zijn volk en niet die van de totale mensheid. Hoewel dat in de beleving van het gevoel van verlies waarschijnlijk niet veel verschil zou maken.

Maar van een totale vernietiging van de mens was ook bij de catastrofale scenario’s niet altijd noodzakelijkerwijs sprake. Het was ook mogelijk dat de beschaving weliswaar helemaal of grotendeels verdween, maar dat een kleine overlevende populatie verviel tot de primitieve omstandigheden uit een ver verleden en bij wijze van spreken het wiel opnieuw moest uitvinden. Bij zulke rampzalige ontwikkelingen onderscheidden de wetenschappers in het artikel naast het volledige uitsterven van de mens twee mogelijke scenario’s: een waarbij de overlevenden terugvielen tot een stadium waarin kennis over landbouw en industrie helemaal verdwenen waren en een scenario waarbij alleen de industrie verdween, maar de kennis over landbouw bewaard bleef. In het eerste geval zou wat restte van de mensheid moeten zien te overleven als prehistorische jagers en verzamelaars en stond ze voor de uitdaging om zowel de Agrarische Revolutie als de Industriële Revolutie opnieuw uit te vinden. In het tweede geval beschikte de post-catastrofale samenleving nog wel over landbouw en veeteelt, maar niet meer over de verworvenheden van technologie en industrie. Mocht de mensheid er bij zo’n herkansing in slagen om te herstellen en weer terug te keren tot ongeveer het huidige niveau, dan lag de weg weer open naar een tijdperk van ingrijpende transformatie van de beschaving. Maar ook dan bleef het rampzalige vooruitzicht van een catastrofe op de loer liggen.

De enige weg vooruit was volgens de schrijvers die van de technologische transformatie, waarbij radicale wetenschappelijk en technische doorbraken de mensheid op een fundamenteel andere koers plaatsten. Deze derde richting onderscheidde zich van die van de status quo in de ontwikkeling van technologieën die men soms associeerde met een zogenaamde ‘singulariteit’. Dat was in deze context een soort evolutionaire Stunde Null, een nieuw begin waarna de menselijke samenleving revolutionair anders zou zijn.

Stef had op de universiteit bij een aantal colleges over kunstmatige intelligentie kennis gemaakt met de opvattingen van Ray Kurzweil en diens theorie over de Singulariteit. De eigenzinnige uitvinder verwees met dat begrip naar het ontstaan van een kunstmatige superintelligentie die het gezamenlijke menselijke vermogen ver oversteeg en die een versnelde technologische ontwikkeling met fantastische nieuwe mogelijkheden teweeg zou brengen. Daarmee zou de mensheid verlost worden van allerlei existentiële bedreigingen en de beschaving naar een hoger plan getild worden. Zo was de verwachting. Die visie getuigde van een grenzeloos vertrouwen in technische oplossingen voor de problemen waarmee de mensheid worstelde.

Voor zover Stef zich herinnerde schuilde de kracht van die superintelligentie in de communicatie tussen verspreide lokale AI’s – die zo hun krachten bundelden tot één groot superbrein – en de informatie die toegankelijk was via het wereldwijde web oftewel het alom aanwezige internet. In die zin was de superintelligentie te vergelijken met het SkyNet uit de apocalyptische Terminator-films. Sinds veel moderne apparaten waren aangesloten op het zogenaamde Web-of-Things, was het niet ondenkbaar dat zo’n super AI in staat zou zijn om allerlei installaties, van keukenapparatuur tot complete fabrieken en energiecentrales, te beïnvloeden of zelfs op afstand te bedienen of te herprogrammeren. De zogenaamde Opstand van de Machines uit de sciencefiction kon daarmee niet zomaar verwezen worden naar het rijk der fabelen. Maar er was ook de belofte van een ongekende toename van welvaart, gezondheid en levensverwachting. En dat was een veelbelovend perspectief dat het wel waard was om enig risico voor te nemen, nietwaar? Stef meende dat Kurzweil had voorspeld dat de Singulariteit rond het midden van de eenentwintigste eeuw bereikt zou worden, over enkele decennia dus al. Veel recente ontwikkelingen in de informatica en communicatietechnologie kon je zien als wegbereiders voor de Singulariteit, evenals vorderingen op andere wetenschappelijke terreinen en in de commerciële ruimtevaart. Dus die voorspelling leek niet helemaal uit de lucht gegrepen.

Naast kunstmatige intelligentie werden biotechnologie en nanotechniek genoemd als innovatieve takken van wetenschap die een rol konden spelen bij het tijdperk van technologische transformatie. Misschien dat de langverwachte schone energie uit kernfusie eindelijk gerealiseerd kon worden in de komende decennia, bedacht Stef. Of dat per saldo ontwikkelingen ten goede of ten kwade waren, hing volgens de schrijvers helemaal af van je ethische perspectief. Dat begreep Stef wel. De aanhangers van de christelijke moraal hadden er nog altijd grote moeite mee wanneer de mens zich begaf op het terrein van leven en dood, dat in hun ogen exclusief was voorbehouden aan God. Dat was al zo sinds Darwin het Scheppingsverhaal onderuit haalde. Overeenkomstige bezwaren kon je verwachten van de orthodoxe gelovigen van de andere grote monotheïstische godsdiensten, het joodse geloof en de Islam. Een almachtige god die beschikte over leven en dood viel slecht te verenigen met vruchtbaarheidstechnieken, opvattingen over vrijwillige levensbeëindiging of de ontwikkeling van kunstmatige levensvormen. Het viel te verwachten dat bijvoorbeeld ook technieken om de fysieke of cognitieve vermogens van de mens door middel van implantaten of genetische modificatie te verbeteren op ethische bezwaren zouden stuiten. Ook al werden menselijke tekorten sinds jaar en dag gecorrigeerd met behulp van brillenglazen, hoortoestellen, protheses en uiteenlopende behandelingen en medicijnen. Waar lag de grens van het acceptabele? Dat zou een gewetensvolle afweging van de voor- en nadelen moeten bepalen. Levensverlengende behandelingen zouden misschien minder bezwaren ontmoeten, zeker wanneer die voor iedereen bereikbaar zouden zijn en niet zouden leiden tot een licht ontvlambare tweedeling van sterfelijken en onsterfelijken. Maar hoe zou de mensheid reageren op de futuristische mogelijkheid om kunstmatige vormen van biologisch of niet-biologisch leven met een bewustzijn te creëren? Zouden fanatieke gelovigen toestaan dat de mens God definitief van zijn troon stootte?

In het Verre Oosten ging men in dat opzicht veel pragmatischer om met dergelijke ingrijpende technische en medische mogelijkheden. Daar leken ze veel minder last te hebben van beperkende morele scrupules. Sommigen noemden de ontwikkelingen daar op het gebied van biotechnologie en informatica amoreel of zelfs immoreel. Genetische modificatie van menselijk DNA en het klonen van menselijke embryo’s was in China weliswaar ook omstreden, maar vond daar desalniettemin toch plaats. Ook de elektronische observatie van burgers en digitale informatieverzameling over hun gedrag ging daar vooralsnog veel verder dan in het Westen acceptabel was. Stef veronderstelde dat het iets te maken had met het confucianisme en traditionele waarden waarbij de gemeenschap belangrijker was dan het individu. En misschien speelden de materialistische en totalitaire trekjes van het communisme daarin ook een rol. In ieder geval bood dit ethische verschil in opvatting China een verleidelijke mogelijkheid om een wetenschappelijke voorsprong te nemen op het Westen.

Het tijdperk van de technologische transformatie vormde de opmaat tot de laatste klasse van richtingen die in het artikel genoemd werd, die van de Astronomical Trajectories. In die ontwikkelingsfase zou de mens zich buiten de Aarde verspreiden tot in de uithoeken van het heelal. Dit was volgens de schrijvers een noodzakelijke stap voor het overleven van onze beschaving op de lange termijn, vanwege het toenemende risico dat onze thuisplaneet getroffen zou worden door een ramp van kosmische omvang. Een visie die Stef van harte onderschreef. Dit beeld van een toekomst waarin de mensheid de ruimte koloniseerde vormde een bekend thema in het soort sciencefiction dat hij inspirerend vond. Vooral de ecologische sciencefiction van Kim Stanley Robinson had hem erg aangesproken omdat de beschrijving van de moeizame opmaat naar die sprong in de toekomst op hem zo realistisch over kwam. De schrijver noemde het tijdperk van technologische ontwikkeling en menselijke expansie aan het slot van zijn boeiende Mars Trilogie het ‘Accelerando’. Dat had Stef altijd een mooie aanduiding gevonden dat eenzelfde gevoel van optimisme en vooruitgang opriep als de Renaissance. Hij vond het enorm jammer dat hij een dergelijk opwindend tijdperk zelf niet zou meemaken.

Maar alle prachtige vooruitzichten ten spijt bleven de risico’s op een monumentale catastrofe levensgroot. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de omvang en impact van een ramp ten gevolge van de een of andere ontspoorde technologie evenredig was aan de invloed en de maatschappelijke betekenis van die technologie. De mensheid wankelde op een onzeker koord van technologische vooruitgang de toekomst tegemoet.

Wat de, op dat moment misschien achterhaalde, vraag opriep wat de mensheid in het heden kon doen om mogelijke rampenscenario’s in de nabije of verre toekomst te voorkomen. Stef moest denken aan de invloedrijke Foundation-cyclus van sciencefictionschrijver Isaac Asimov, waarin op basis van mathematische waarschijnlijkheden gedetailleerde voorspellingen gedaan werden over ontwikkelingen die zich tienduizenden jaren in de toekomst van een Galactisch Rijk afspeelden. De schrijver had zich bij deze epische verhalenreeks laten inspireren door Gibbon’s boeken over de ondergang van het Romeinse Rijk en beschrijft de pogingen om de onvermijdelijke neergang en wedergeboorte van zijn sterrenrijk bij te sturen. Baum en zijn mede-auteurs moesten het stellen zonder Asimov’s verzonnen methodiek – die blijkbaar ingegeven was door Laplace’s Demon – en hun aanbevelingen bleven vaag omdat we nu eenmaal niet precies weten wat de toekomst voor ons in petto heeft. De wetenschappers waren erin geslaagd om de mogelijkheden in enkele grote lijnen te schetsen, maar de details van de toekomst bleven onkenbaar en dat bood ruimte voor speculatie en fantasie, voorspellingen van utopie en dystopie. Het was onmogelijk om te weten welke specifieke rampen de mensheid boven het hoofd hingen, in ieder geval zolang er geen mogelijkheid werd uitgevonden om door de tijd heen en weer te reizen. En de kans daarop leek Stef erg klein, want anders zouden we toch wel iets gemerkt moeten hebben van bezoekers uit de toekomst of van anomalieën in de vorm van mysterieuze historische anachronismen, waarneembare verstoringen van de wet van causaliteit of onverklaarbare natuurkundige bijverschijnselen. Hij vermoedde dat er een nog onbekende natuurwet was die tijdreizen zoals wij ons dat voorstelden verbood, zodat het fenomeen wel altijd tot het domein van de sciencefiction zou blijven behoren.

Stef begreep ook dat de filosofische implicatie van de achterliggende gedachtegang van het artikel – dat de mensheid haar lot in eigen handen kon nemen – botste met het concept van een deterministisch universum waarin alles voorbestemd was. De auteurs gingen er dus van uit dat er ruimte was voor een Vrije Wil. In elk geval werd in het artikel gesuggereerd dat beslissingen ten aanzien van de toekomst met een aantal prioriteiten rekening moesten houden. En die prioriteiten waren er vooral op gericht om de mensheid in staat te stellen om zichzelf of haar afstammelingen te verspreiden over het heelal. Teneinde dat doel te bereiken was het daarom van het grootste belang om het risico op uitsterven van het menselijk ras te beperken en de kans op grote catastrofes te verkleinen. Daartoe was het belangrijk om technologische doorbraken te stimuleren en te verzekeren dat deze ten goede kwamen aan de hele mensheid. Ook de kolonisatie van de ruimte moest worden bespoedigd. Voor de uitvoering van die voornemens was het van belang dat het welzijn van de mensheid op de korte termijn gewaarborgd werd.

Mooie ambities. Inspirerend ook. Het leek Stef dat zo’n toekomstperspectief de hele mensheid zou kunnen verenigen in een gemeenschappelijk doel dat hoopvol en zingevend was. Dat vooruitzicht was naar zijn mening van hetzelfde kaliber als de oproep van president Kennedy in 1961 om binnen tien jaar een mens op de maan te zetten. Daar kwam nog iets bij. Zolang we niet wisten of er nog andere vormen van intelligent leven bestonden in het heelal en dus de kans bestond dat de mens alleen was, zou je kunnen zeggen dat er een enorme morele verplichting was om onszelf in leven te houden en te verspreiden over de potentieel cognitief maagdelijke kosmos.

Hij vroeg zich af hoe zijn eigen verhaal zou passen in de trajecten die geschetst werden in het artikel. Als hij inderdaad, zoals hij vermoedde, door een toevallige genetische mutatie resistent was tegen het virus dat dodelijk was voor de rest van de wereldbevolking, dan bestond er een kans dat zijn kinderen die eigenschap hadden geërfd en ook immuun waren. Zouden zijn biologische nakomelingen dan deel gaan uitmaken van een kleine groep overlevenden die de samenleving opnieuw zou moeten opbouwen? Zouden ze door de bottleneck van evolutionaire aanpassing ontsnappen? Hij fantaseerde dat zijn genetische afwijking opgenomen werd in het DNA dat de mensheid bij zich zou dragen tot in de verre, verre toekomst. Stef kon voor zichzelf niet vaststellen of dat wenselijk of zelfs maar mogelijk was, maar het was een gedachte die hem op een bepaalde manier voldoening gaf. Wonderlijk, die kracht van ideeën en voorstellingen die praktisch gezien niets van doen hadden met de actualiteit, of zelfs maar met zijn eigen leven in heden of toekomst.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.