5 | Een onzekere toekomst

Het was een paar uur lopen naar het volgende plaatsje. Halverwege nam Stef een korte rustpauze omdat hij geplaagd werd door pijnlijke steken in zijn rechterknie. Hij vreesde dat zijn zware last en de geforceerde mars van een paar dagen eerder hem begonnen op te breken. Gezeten op een elektriciteitspaal die dwars over de weg lag masseerde hij zijn knie en at een zuur appeltje dat hij onderweg geplukt had. De omgewaaide houten mast had in zijn val de telefoondraden meegesleurd die ernaast hingen en een rijtje van de kortere palen waar die aan bevestigd waren lag schots en scheef over de weg. Door die blokkade zou er voorlopig geen verkeer langs kunnen, observeerde hij. Roquet holde over een stuk braakliggend land en joeg een paar fazanten op die panisch fladderend in een bosje verdwenen. Hoog in de lucht trok een vliegtuig een kaarsrecht condensspoor door het zwerk. Verbaasd staarde Stef het toestel na. Dat was een hoopvol teken van leven, want een vliegtuig in de lucht veronderstelde dat er op de grond nog ergens een werkende infrastructuur moest zijn. Ergens functioneerde de beschaving nog. Het toestel leek in zuidwestelijke richting te vliegen, dezelfde kant die Stef op ging.

Een paar kilometer verderop kwam hij bij een onaanzienlijke plattelandsgemeente op het kruispunt van een paar wegen. Aan dat kruispunt lag een kleine kruidenierswinkel met een postagentschap. De gevelreclame adverteerde het supermarktje als epicerie convivale – de gezellige buurtsuper dus. Op de stoep voor de winkel lagen glasscherven en wat er verder nog restte van een pot augurken. Iemand had niet lang geleden iets van zijn boodschappen laten vallen en niet de moeite genomen om de boel op te ruimen. En waarschijnlijk ook niet de tijd gehad om af te rekenen, want de deur was zo te zien geforceerd met een koevoet. Hij stond wagenwijd open. Stef deed zijn rugzakken af en stapte voorzichtig over de drempel, gevolgd door een nieuwsgierig snuffelende Roquet.

Een groot deel van de voorraad houdbare voedingsmiddelen was meegenomen door de inbrekers, maar er lag nog wel een rommelig allegaartje van blikken, potten, flessen en pakken op de planken. Stef liet zijn oog vallen op een blik knakworstjes en een paar blikjes ratatouille, die hij met een pakje noten in een plastic zak stopte. Ook pakte hij een rol wc-papier, een tube tandpasta en een pak vruchtensap. Roquet vond achter de toonbank een stuk droge worst op de grond en begon daar luidruchtig op te kauwen. Aangestoken door het gesmak van zijn reisgenoot trok Stef een pak zoutjes open en werkte een paar handen vol van de krakende snacks naar binnen terwijl hij de schappen inspecteerde. Het spul in zijn mond had de substantie van karton en bevatte vermoedelijk weinig voedingswaarde. Maar het vulde de maag en door de fysieke inspanning van het lopen wist zijn lichaam waarschijnlijk wel raad met de geconcentreerde dosis vetten en koolhydraten. Het droge zoute snoepgoed maakte hem wel flink dorstig en hij trok een blikje frisdrank open om de opdringerige smaak van de ongezonde krakelingen te compenseren. Hij had onmiddellijk spijt van zijn impulsieve gesnaai en kreeg een visioen van een knapperig stuk stokbrood met een fris geitenkaasje of een stuk paté. Helaas was de koelvitrine voor beperkt houdbare waren helemaal leeg en Stef meende dat hij al in geen weken vers brood gezien had. Om het ongezonde gevoel weg te werken trok hij een blik ananas open, maar de schijfjes waren mierzoet en smaakten net zo kunstmatig als de vette snacks die hij probeerde te vergeten. Gastronomisch gefrustreerd begaf hij zich weer op pad.

De weg slingerde nu over goudgele hellingen vol oogstrijp graan en nog meer zonnebloemen met hier en daar een veldje aardappelen of braakliggend stuk land. De onaangename sensatie in zijn maag was gelukkig snel weggelopen en het duurde niet lang voordat Stef weer trek kreeg.

Na een uurtje lopen kondigde het volgende plaatsje zich aan met een paar bedrijfjes en moderne woningen langs de weg. Aan de horizon verscheen een kerktorentje en niet veel later keek hij uit over het lege dorpsplein van een klein gehucht. De open ruimte links van de doorgaande weg werd omgeven door traditionele plattelandshuizen. Op het versleten asfalt stonden schots en scheef een paar verlaten personenauto’s geparkeerd en ook hier zaten alle luiken van de woningen potdicht. Aan de overkant van het plein stond een doorleefd kerkje naast een klein straatje dat uitzicht bood op een stel gedrongen spitse torens die zo te zien toebehoorden aan een voornaam kasteel. Het zicht op het slot werd belemmerd door een aantal forse bijgebouwen achter een deftig toegangspoortje met een gesloten hek. Een witte engel op een sokkel bij de kerk wees de weg naar de ingang.

Het kerkgebouw bevatte een gezellig allegaartje van stijlelementen en zag eruit alsof die de gemeenschap door de eeuwen heen goed gediend had. Boven een statige classicistische poort scholen in de smalle voorgevel een paar heiligbeelden in smalle nissen met Romaanse bogen. Daarboven verrees een achtkantige toren met een uurwerk in de massieve basis en daarop een elegant deel met aan alle kanten slanke openingen voor de klokken. De toren was gekroond met een ranke spits. De wijzers van het uurwerk waren gestopt op zes voor halfzeven.

Honderd meter verderop trof Stef bij een zebrapad over de hoofdweg een tweede toegangspoort naar het kasteel, dat zich aan het einde van een lange laan nog altijd verscholen hield achter bomen en bijgebouwen. Uit een banier dat aan de poort bevestigd was maakte Stef op dat het kasteel onderdak bood aan een expositieruimte voor eigentijdse kunst. Het was nu rond het middaguur en hij overwoog om te zien of hij op het landgoed een comfortabel plekje kon vinden om even te pauzeren. Zijn knie speelde nog altijd op en het leek hem verstandig om het rustig aan te doen.

Ook deze poort was afgesloten en hij liep een stukje verder zodat hij om de lage afrastering heen kon lopen die het gazon naast de oprijlaan van het kasteel moest beschermen. Aan de overkant van de weg verscheen aan zijn rechterkant een inrit naar een grote parkeerplaats voor de bezoekers van het landgoed. Het tafereel dat hij daar zag bracht hem terug in de realiteit van de ramp die zich voltrokken had. Op het geblakerde wegdek stonden de resten van een uitgebrande wagen. Eerst dacht Stef dat het een gewone camper was, uit Zwitserland misschien, want hij zag een rood kruis. Maar dat klopte natuurlijk niet en toen hij nog eens goed keek kon hij nog net de tekst Croix Rouge Française onderscheiden en de woorden clinique mobile. Het leek erop dat de machteloze woede van zieke burgers zich in ontvlamde drift had gericht op de hulpverleners – of althans hun mobiele materieel. Een eindje naar achteren op de parkeerplaats zag hij een personenauto op zijn kant liggen. Uit vrees voor wat hij verder nog zou aantreffen wendde Stef zich af en stapte aan het einde van het hekwerk langs de weg onder de laaghangende takken door om op het terrein van het tegenoverliggende landgoed te komen.

Het laantje naar het slot lag op een dijkje met jonge boompjes erlangs. Aan de rechterzijde liep de grond schuin af en het werd nu duidelijk dat het gebouwencomplex op een soort terp bovenop een heuveltje in het landschap stond, omringd door strakke gazons op keurig geëgaliseerde terrassen op verschillende niveaus. Zelfs de droge bodem van de slotgracht rond het rechthoekige kasteel was vlak gemaakt en bedekt met een verzorgd tapijt van gras. Op de vier hoeken van het symmetrisch gebouwde kasteel stonden identieke vierkante torens met puntdaken. Het meest in het oog springende detail vond Stef de horizontale banden van afwisselend rode bakstenen en wit natuursteen op alle muren. Dat deed hem denken aan die typisch Nederlandse herenhuizen uit de Gouden Eeuw. Het kasteel was in prima conditie en zo te zien niet lang geleden gerestaureerd. Slechts het opgeschoten gras van de gazons verraadde dat het onderhoud van het landgoed de afgelopen tijd verwaarloosd was. Ondanks het elegante voorkomen was het gebouw toch ook een goed verdedigbare burcht, met haar hooggelegen positie, de gracht eromheen en de massieve muren zonder openingen die bereikbaar waren vanaf de begane grond. De grote houten deuren van de poort waren gesloten en Stef zag geen mogelijkheid om binnen te komen. Hij liep om het gebouw heen en vond een rustig plekje op de helling achter het kasteel met uitzicht op de omringende landerijen en het symmetrische grondplan van een klassieke Franse tuin. Door een pittoresk bosje aan de voet van de heuvel slingerde een beekje in de richting van de doorgaande weg, een terreinbegrenzing die beter paste bij een Romantische Engelse tuin uit de negentiende eeuw.

Hij nestelde zich comfortabel met zijn rug tegen een boom en ontdeed zich van zijn sokken en schoenen om zijn voeten te masseren. Ook Roquet maakte van de gelegenheid gebruik om zichzelf te verzorgen en krabde zich achter een oor om daarna met onsmakelijke geluiden op zijn vacht te gaan zitten knagen. Om de hond af te leiden hield Stef hem een hondenkoekje voor en wierp dat een eindje weg. Even later lag het dier op enige afstand enthousiast te kauwen in het hoge gras. Stef trakteerde zichzelf ook op een zoete versnapering, maar terwijl hij zich probeerde te ontspannen gingen zijn gedachten naar de parkeerplaats aan de overkant van de weg. Hij probeerde de verontrustende beelden van wat zich daar misschien had afgespeeld tegen te houden. Maar het gezoem van een bromvlieg die op zijn bezweette voorhoofd landde wekte een misselijkmakende geur op en zijn maag kromp ineen. Met moeite slikte hij de laatste hap van zijn lekkernij weg. Hij meende nu de onmiskenbare geur van ontbindende lichamen te ruiken, alsof die met de wind over de velden werd meegevoerd vanaf de parkeerplaats en het onheilspellende tafereel dat hij zojuist achter zich had gelaten. Maar er was nauwelijks wind. En hij had beneden ook helemaal niets van dien aard opgevangen – niet geroken en ook niet gezien. Het leek er verdorie op dat het opdringerige geluid van die vlieg voldoende was om de misselijkmakende geursensatie op te wekken – zoals alleen al de bel voor etenstijd bij de hond van Pavlov zijn speekselklieren aan het werk zette zonder dat er daadwerkelijk voedsel aangeboden werd. Het zweet brak hem uit en hij kon zich nu niet meer ontspannen, zo dicht bij die onheilsplek die misschien wel of misschien ook niet echt de geur van de dood verspreidde. Geërgerd deed hij zijn schoenen weer aan en pakte zijn boeltje op.

Door het gras daalde Stef af naar het beekje dat hij volgde tot hij weer tegen de weg kon opklimmen. Zo omzeilde hij een tweede confrontatie met het verontrustende schouwspel bij de ingang van het kasteel. Het landschap leek hier wat kleinschaliger, de kleine akkers en velden werden vaker afgewisseld door stukjes bos. De asfaltweg slingerde over de flank van een heuvelrug met aan weerszijden de gebruikelijke rommelige haag van pierige boompjes, woekerende struiken en opschietend onkruid. Door het groen langs de weg zag hij de daken van kleine boerderijen die zichtbaar waren boven de welvingen van de landerijen. In een bocht zag Stef ineens een ree midden op de weg staan. De vacht van het dier vlamde oranjebruin op in een straal zonlicht. Met een zacht ‘sssht’ kon hij nog net voorkomen dat Roquet nieuwsgierig op het ranke dier toe zou hollen. De hond begreep hem feilloos en ging subiet naast hem op de grond liggen, zonder het oplettende reetje vijftig meter verderop uit het oog te verliezen. Het dier keek hen met gespitste oren even wantrouwend aan en verdween toen met een sierlijke sprong in de schaduw van het struikgewas. Deze onverwachte ontmoeting ontstak het licht van de schoonheid van de natuur en het wonder van het leven weer even in zijn gedachten en verdrong daarmee de sombere schaduw die over de dag was gevallen.

In de hypnotische regelmaat van zijn stappen liet Stef zich weer meevoeren in het vertrouwde gekabbel van zijn vrije gedachtestroom. Aangewakkerd door zijn mijmeringen over ruimteonderzoek en sciencefiction flakkerden nu allerlei voorstellingen over de toekomst van de mensheid op in zijn hoofd. Dat was misschien volstrekt misplaatst, gezien de ramp die zich om hem heen voltrok, maar de verre toekomst had hem altijd net zozeer beziggehouden als het verre verleden, ook al begreep hij drommels goed dat toekomstvoorspellingen, net als sciencefictionfilms, meestal niet veel meer waren dan een expressie van de wensen, verwachtingen en vooral ook de angsten van het tijdperk waarin ze ontstonden. In The Time Machine van H.G. Wells, A Brave New World van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell werd een uiterst somber toekomstbeeld geschilderd dat gebaseerd was op de sociale ongelijkheid, de uitwassen van eugenetica en de opkomst van totalitaire regeringen waarvan de schrijvers in hun eigen tijdsgewricht getuige waren geweest. Hetzelfde gold voor de latere dystopische films die Stef geslaagd vond en die voortborduurden op eigentijdse thema’s als overbevolking, klimaatverandering en schaarste. En ja, ook een wereldwijde pandemie van een dodelijk virus dook regelmatig op als onderwerp van films en televisieseries.

Het doen van toekomstvoorspellingen was altijd een riskante onderneming, ook al was het beroep van futuroloog inmiddels algemeen ingeburgerd – ongetwijfeld een reflectie van de behoefte aan iets waaraan politici, beleidsmakers, investeerders en publiek zich konden vastklampen. Het probleem met uitspraken over de toekomst was dat de weg die zich vòòr ons uitstrekte bezaaid was met onzekerheden. Ook indien het universum deterministisch was, dan nog schoten onze modellen tekort om betrouwbare voorspellingen te doen. We konden ons slechts baseren op waarneembare trends in het eigen tijdsgewricht en de grillige lessen van het verleden. Maar in zulke projecties ontbraken de schijnbare toevalligheden, onverwachte natuurrampen en ongrijpbare interacties die het lot zo vaak bepaalden. De loop van de geschiedenis hing nu eenmaal af van de wisselwerking tussen een onoverzichtelijke hoeveelheid variabele fenomenen, die elkaar ook nog eens voortdurend wederzijds beïnvloedden.

Het geschetste beeld van de toekomst was ook nogal afhankelijk van de persoonlijke gesteldheid van de betreffende futuroloog-van-dienst. Ook onder die moderne toekomstvoorspellers trof je natuurlijk zowel optimisten aan als pessimisten, mensen voor wie het glas half vol of juist halfleeg was. Maar allemaal baseerden ze hun voorspellingen op de ontwikkelingen die ze zagen in hun eigen tijd. Zo kon je enerzijds kijken naar de positieve ontwikkelingen die uit de globale cijfers naar voren kwamen. Wereldwijd ging de gemiddelde levensverwachting omhoog, evenals het onderwijsniveau, de welvaart en werd de positie van vrouwen beter. Anderzijds waren er de mensen die wezen op de negatieve trends: de klimaatverandering en haar gevolgen, de afname van biodiversiteit, de uitputting van natuurlijke grondstoffen, de nucleaire proliferatie, de toenemende verschillen tussen arm en rijk en de destabiliserende migratiestromen. Sommigen zagen alleen maar rampzalige scenario’s op zich afkomen, terwijl anderen juist de uitdagingen en mogelijkheden van de toekomst omarmden.

Stef werd zelf heen en weer geslingerd tussen optimisme en pessimisme. Dat was nu eenmaal de prijs die hij betaalde voor zijn ambitie om genuanceerd te zijn. Hij onderkende de enorme vooruitgang die de twintigste eeuw had gebracht, maar zag ook de negatieve gevolgen van de ontwikkelingen. De grootouders van Stef waren geboren in een tijd dat stoomkracht alle fabrieken, schepen en treinen aandreef, elektriciteit iets was dat je slechts in enkele grote steden aantrof en de post er nog maanden over kon doen om de andere kant van de wereld te bereiken. Aan het einde van de negentiende eeuw was stemrecht uitsluitend voor welgestelden, waren infectieziektes meestal dodelijk en was een paar jaar lager onderwijs vaak het maximaal haalbare voor kinderen uit de lagere standen. Zijn beide opa’s hadden hun hele leven op houten klompen gelopen en vaak gegeten wat ze zelf verbouwden of slachtten. Ze hadden ook nakomelingen verloren aan kwalen die nu niet meer dodelijk zouden zijn. Cijfers voor armoede en kindersterfte waren sindsdien wereldwijd drastisch omlaaggegaan en welvaart, onderwijs en politieke invloed waren voor de meeste mensen op een niveau waarvan hun voorouders niet eens konden dromen.

Tijdens zijn eigen leven had Stef ongelooflijke veranderingen meegemaakt. Toen hij een kleuter was baadde het gezin zich eenmaal per week in een zinken teiltje in de keuken en werd het badwater verwarmd op een oliepitje. Zijn grootouders gebruikten een lampetkan op de slaapkamer om zich ‘s ochtends te wassen en scheren. Hij leerde nog schrijven met kroontjespen die je in een inktpotje doopte en de kachel werd gestookt op kolen die hij als jongentje in een kolenkit acht trappen op sjouwde, want het flatgebouw waarin hij woonde had geen lift. Stef had de maanlandingen meegemaakt en de ontcijfering van het menselijk genoom, de opkomst gezien van goedkope vliegreizen voor iedereen en de invoering van de smartphone. Behandelingen voor ziekten die vroeger een doodvonnis betekenden waren inmiddels algemeen beschikbaar en de gemiddelde levensduur was aanzienlijk verlengd. En dankzij de zegeningen van de digitale techniek kon je de inhoud van een hele boekenkast kwijt op een usb-stick die kleiner was dan een lucifersdoosje.

Maar zijn gevoel van opwinding over de adembenemende mogelijkheden voor de toekomst werd serieus getemperd door allerlei ontwikkelingen die hij van dichtbij meemaakte en die hem grote zorgen baarden. Hij zag de vooruitgang wel in de cijfers die gepubliceerd werden, maar die gaven over het algemeen slechts een beeld van globale gemiddelden. En die gemiddelden werden sterk beïnvloed door de werelddelen waarin ge- durende de voorafgaande vijftig jaar nog veel te winnen viel. De persoonlijke ervaringen van Stef gaven hem vooral een gevoel van decadentie en achteruitgang. Hij was tenslotte een kind van de optimistische zestiger jaren, toen door de economische welvaart de bevolking in het zogenaamde Vrije Westen de top van de Piramide van Maslow wist te bereiken en vanaf die comfortabele positie op zoek kon gaan naar zichzelf door de knellende banden van autoriteit en traditie af te werpen. Maar voor veel van de wereldverbeteraars en dromers die toen opgroeiden leek alles sindsdien alleen maar slechter geworden. De oliecrisis van 1973 maakte een einde aan de welvaart die de hooggestemde verwachtingen voor de toekomst had gevoed. Sociale idealen werden verdrongen door economische belangen en in ons verlangen naar meer individuele vrijheid werden we overspoeld door de waan van het neoliberalisme. De regering moest bezuinigen en veel collectieve voorzieningen werden uitgeleverd aan de krachten van de vrije markt met het argument dat dereguleringen zouden leiden tot prijsverlagingen voor de kiezer. Ze zouden in ieder geval niet meer drukken op de overbelaste begroting van de overheid. De burger was consument geworden en individuele vrijheid kwam met een heel pakket aan eigen verantwoordelijkheden, wat in veel gevallen betekende dat men het zelf maar moest uitzoeken waar men vroeger op voorzieningen van de staat kon rekenen. De keuzevrijheid werd toegejuicht door het mondige en goed opgeleide deel van de bevolking, maar pakte minder gunstig uit voor mensen die afhankelijk waren van publieke voorzieningen en minder vaardig waren in het beoordelen van het overdadige aanbod van diensten. De post, nutsvoorzieningen, onderwijs en zorg werden geheel of gedeeltelijk geprivatiseerd, afgebroken of geherstructureerd en mensen die minder goed voor zichzelf konden opkomen, van chronisch zieken tot werkloze laagopgeleiden, werden aan de valstrikken van de markt overgelaten of moesten hun weg zien te vinden in een doolhof van administratieve voorschriften waar ze op iedere hoek een achterdochtige ambtenaar tegenkwamen.

Na val van de Berlijnse Muur in 1989 zochten Oost-Europese landen zonder noemenswaardige democratische traditie gretig aansluiting bij de Europese Unie in de hoop een graantje mee te pikken van de – inmiddels haperende – welvaart van het Westen. Er waren zonnige verwachtingen van voorspoed en geluk gewekt, maar men kreeg in plaats daarvan de kou van de vrije concurrentie en het onzekere bestaan binnen een markteconomie. En bij gebrek aan ervaring met de waarden van een open pluriforme samenleving zag men het Europese project al snel als een middel voor het najagen van het economische eigenbelang in plaats van een mogelijkheid om tot een gedeelde sociale en politieke identiteit te komen. Daarin gaven de oudere leden van de Gemeenschap, inmiddels volledig in de ban van het marktdenken, het weinig idealistische voorbeeld.

Tegelijkertijd vonden er technologische innovaties plaats die de menselijke samenleving diepgaand zouden veranderen. Als een invasie van buitenaardse wezens veroverden computers sluipenderwijs de wereld. Overheid en bedrijfsleven konden bezuinigen op personeelskosten door te automatiseren, de burger kreeg er een verslavend speeltje bij, de handel een nieuw medium om haar waren aan te prijzen en de wetenschap de mogelijkheid om ongekende hoeveelheden informatie te vergaren en verwerken. Aangezwengeld door deze digitale revolutie bloeide de economie weer op, maar het waren in dit neoliberale tijdperk vooral bankiers en aandeelhouders die profiteerden van de hoogconjunctuur terwijl de rest van de samenleving genoegen moest nemen met de kruimels van het kapitalistische feestmaal vanwege de marktgerichte veranderingen die de overheid had doorgevoerd. Maar de burgers kregen uiteindelijk wel de rekening gepresenteerd toen het systeem ontspoorde en de banken gered moesten worden.

Deze informatica-revolutie kende, zoals iedere revolutie in de geschiedenis, winnaars en verliezers. De winnaars waren in dit geval de technocraten en hoogopgeleiden die dankzij de nieuwe computertechnologie carrière maakten in dienstverlenende bedrijven, multinationale ondernemingen en grote financiële instellingen. De verliezers waren de laagopgeleide digibeten en ouderen die de ontwikkelingen niet konden bijbenen, maar ook professionele ambachtslieden die het vooral van hun handen moesten hebben en mensen in administratieve functies en productiearbeiders die vervangen werden door geautomatiseerde systemen of gerobotiseerde fabrieken in binnen- of buitenland. In Europa was er bovendien de concurrentie van goedkope arbeidskrachten uit de nieuwe lidstaten in het oosten en in toenemende mate van asielzoekers en economische vluchtelingen.

Terwijl de ene helft van de bevolking zich laafde aan een decadente stroom van materiële overvloed, leefde de andere helft in angst en onzekerheid over de toekomst. De samenleving begon scheuren te vertonen door de toenemende tegenstellingen op allerlei maatschappelijke terreinen. De kloof tussen arm en rijk werd gevoelig zichtbaar, met aan de ene kant mensen die zicht hadden op een carrière met een vast salaris en een jaarlijkse verhoging of vette bonussen en aan de andere kant kleine zelfstandigen, deeltijdwerkers en contractarbeiders die de eindjes aan elkaar moesten knopen omdat hun inkomsten geen pas hielden met de stijging van de kosten voor levensonderhoud of zich in de schulden staken omdat ze geen weerstand konden bieden aan de verlokkingen van de alom aanwezige commercie. Die financiële kloof viel deels, maar niet helemaal, samen met de sociale tweedeling tussen stad en provincie, tussen hoog- en laagopgeleid en tussen moderne en traditionele levenswijzen. Deze hutspot van winnaars en verliezers van de vooruitgang leidde tot een klimaat van politieke polarisatie waarbij men elkaar emotioneel om de oren sloeg met gejammer over het verval van waarden en normen en zoals zo vaak vreemdelingen, minderheden en buitenstaanders gemakzuchtig de Zwarte Piet kregen toegespeeld.

Bij de discussies over de oorzaken van en oplossingen voor de maatschappelijke problemen liepen de emoties hoog op. In Nederland werd de rechtse politieke leider Pim Fortuyn vermoord door een verontruste linkse activist en de journalist Theo van Gogh werd om het leven gebracht door een beledigde moslim. Linkse standpunten werden verdacht gemaakt en het publieke debat spitste zich na het jaar 2000 steeds meer toe op migranten, asielzoekers en moslims in het algemeen. Vooral in kringen die de veranderingen in de samenleving als een bedreiging zagen werden de stemmen luider en de standpunten onverzettelijker.

Die gebeurtenissen vielen samen met de internationale ontwikkelingen waarbij de wanhoop van armen en achtergestelden in het Midden-Oosten leidde tot de opkomst van moslimfundamentalisme dat in 1978 zichtbaar werd met de bloedige revolutie in Iran en leidde tot een dramatische aanslag op het Wereldhandelscentrum in New York op 11 september 2001, een subliem protest tegen het vermeende decadente Westen. De terreur die islamitische extremisten uit naam van Allah uitoefenden gaf de angstige bevolking in het Westen een zondebok die door baard en hoofddoekje gemakkelijk te herkennen viel in het straatbeeld. Daarmee werden ook veel gematigde gelovigen, vaak zelf op de vlucht voor het geweld in eigen land, in de armen van het extremisme gedreven, wat het probleem alleen maar groter maakte.

In het emotionele debat over terrorisme, migranten en vluchtelingen had men nogal eens moeite om de feiten te onderscheiden van meningen en de leveranciers van onwelgevallige feiten, zoals gevestigde nieuwsmedia en serieuze wetenschappers, werden in toenemende mate gewantrouwd. Datzelfde gold voor de berichtgeving over die andere angstaanjagende ontwikkeling van wereldwijde omvang, de opwarming van de Aarde als gevolg van de uitstoot van broeikasgassen door allerlei menselijke activiteiten. De klimaatverandering vormde een ernstige bedreiging voor de globale voedselproductie en door het stijgen van de zeespiegel zouden dichtbevolkte en economisch belangrijke gebieden onder water komen te staan. Hongersnoden, vluchtelingenstromen en een economische crisis van ongekende omvang bedreigden de hele mensheid, maar de aanpak van de klimaatverandering vergde zo’n ingrijpende aantasting van onze comfortabele levensstijl dat men liever de ogen sloot voor dat angstaanjagende toekomstscenario.

Die desastreuze ontkenning van de werkelijkheid werd gemakkelijker gemaakt doordat er in de echokamers van het internet altijd wel bronnen te vinden waren die het tegendeel beweerden, de feiten ontkenden en het eigen gelijk bevestigden. Het wantrouwen jegens bonafide en genuanceerde informatie strekte zich ook uit naar de oprechte bedoelingen van traditionele politici. Die probeerden weliswaar de gemoederen te sussen en de verontruste burgers gerust te stellen, maar waren niet in staat om de angst weg te nemen en deden beloften die ze niet waar konden maken. Wat het wantrouwen nog groter maakte. Regeringsleiders waren in hun aanpak van de wereldomvattende problemen van vluchtelingen, terrorisme en klimaat beperkt in hun mogelijkheden omdat ze gebonden waren aan nationale wetten en internationale verdragen, afhankelijk waren van globale ontwikkelingen en opliepen tegen de praktische en technische grenzen van hun ambities. Wat veel verontruste burgers deed verlangen naar sterkere leiders en strengere maatregelen. Wereldomvattende uitdagingen leidden zo tot bekrompen nationalisme, religieus geweld werd beantwoord met conservatief extremisme en open grenzen versterkten de haat jegens vreemdelingen. De wereld raakte verstrikt in een neerwaartse spiraal van verdelende krachten die tegenstellingen verscherpten terwijl ze gevangen was in een web van internationale problemen die om een krachtige eensgezinde aanpak vroegen.

Het algehele gevoel van onbehagen werd nog versterkt door verschillende technologische ontwikkelingen waarvan de gevolgen waarschijnlijk nuttig, maar ook verontrustend waren. In het kielzog van de informaticarevolutie met al haar bedreigende gevolgen kwamen onzekere vernieuwingen op het gebied van biotechnologie, genetische modificatie en nanotechniek die wetenschappers in staat stelde om de basis van het leven zelf te manipuleren. Dat was iets dat, ondanks de hoopgevende medische toepassingen, veel mensen enorm verontrustte, vooral gelovigen. En die vormden nog altijd het overgrote deel van de wereldbevolking.

De verwarrende emoties die de ongewisse toekomst opriep werden versterkt door de alom aanwezige nieuwe media. Die hielden het publiek via reclame-uitingen en filmseries een onbereikbare droomwereld voor vol gelukkige en geslaagde mensen, maar overspoelden de consumenten tegelijkertijd in real time met verontrustend nieuws over gebeurtenissen van over de hele wereld die vroeger de krant niet haalden, met een morbide voorkeur voor rampen, ongelukken en aanslagen. En omdat de digitale techniek de mogelijkheid bood om meteen op die nieuwtjes te reageren met persoonlijk commentaar dat vervolgens gedeeld kon worden met de hele wereld, ontstond er vaak een koortsige sfeer waarin emoties werden opgeblazen en gemoederen wereldwijd verhit konden raken. Zo werd het beeld van de vlinderslag die volgens de Chaostheorie op een ander continent een orkaan veroorzaakte een allegorie voor de gekte en hysterie van het informatietijdperk.

Terwijl de open samenlevingen in het Vrije Westen worstelden met interne verdeeldheid en geplaagd werden door de zwakheden van zowel het kapitalistische stelsel als die van hun politieke systeem, probeerden minder democratische landen als China, Rusland en Turkije hun eigen politieke en economische posities op het schaakbord van de wereld te verbeteren. De nieuwe despoten stookten onrust door leugens te verspreiden, tegenstellingen aan te wakkeren en nationalistische sentimenten bij hun eigen bevolking te exploiteren. Dat was nogal kortzichtig, want zij waren niet immuun voor de gevolgen van klimaatverandering, ecologische rampen en sociale spanningen. Maar ze hadden verhoudingsgewijs minder te verliezen en meer te winnen dan de rijke westerse landen.

Ook de druk die de menselijke economische activiteiten uitoefenden op het milieu droeg bij aan onrust en beroeringen. Enerzijds door de industriële en agrarische uitputting van de natuurlijke grondstoffen op Aarde en anderzijds door de enorme hoeveelheid afvalproducten die het resultaat waren van de menselijke productie en consumptie. De concurrentie om grondstoffen en afzetgebieden op de wereldmarkt zorgde voor spanningen die gelijke pas hielden met de groei van de economie en de toenemende schaarste van ruwe materialen en grondstoffen waar de productieprocessen op draaiden. Buurlanden ruzieden over de toegang tot het water van rivieren als de Jordaan, de Eufraat en Tigris en de Mekong dat ze nodig hadden voor hun drinkwatervoorziening en de irrigatie van hun akkers. En net als tijdens de bloeitijd van het kolonialisme van de negentiende eeuw aasden de industriële naties op controle over gebieden die rijk waren aan delfstoffen zoals ertsen, mineralen, olie en gas. Begerige blikken waren al sinds decennia gericht op de smeltende poolgebieden en het was slechts een kwestie van tijd tot de eerste boringen op en onder het ijs zouden plaatsvinden.

Het was voor iedereen duidelijk dat de enorme groei van de Chinese economie van de voorafgaande paar decennia bezig was de internationale politieke verhoudingen grondig te herschikken. De Verenigde Staten waren onzeker op zoek naar een nieuwe rol in een veranderende wereld en wendden de blik naar binnen in een anachronistisch verlangen naar de gouden jaren van de Amerikaanse Droom. De Europese Unie dreigde te bezwijken onder haar eigen ambities en was wanhopig op zoek naar een gemeenschappelijke identiteit die haar leden kon verenigen, in weerwil van de eindeloze reeks historische trauma’s en onderlinge tegenstellingen. En ondertussen maakten in Rusland en Turkije cynische heersers misbruik van de zwakte van het Westen bij hun streven naar een herstel van verloren nationale macht en glorie. Daarbij aarzelden ze niet om te lonken naar het neocommunistische China dat in het gekrakeel een kans zag om haar invloed te vergroten en haar macht uit te breiden. De negentiende-eeuwse imperialistische politiek van landjepik en invloedssferen was dankzij de moderne autocratische machten weer volop in de mode, met een hernieuwde vitaliteit.

Van China was bekend dat het veel investeerde in de infrastructuur van Afrikaanse landen om voor haar groeiende economie de toegang tot de grondstoffen die daar in de bodem zaten voor de toekomst te waarborgen. Sinds ontginning van de zeebodem tot de technische mogelijkheden behoorde, werd ook de zeggenschap over de kleinste atollen en meest afgelegen eilanden de inzet van territoriale conflicten. De nieuwe Zijderoute op rails die werd aangelegd door Centraal Azië was ook een voorbeeld van imperialistische expansiedrift en had als doel om de producten van de Chinese industrie tegen concurrerende prijzen naar de Westerse afzetmarkten te kunnen transporteren.

De mensheid stond met betrekking tot klimaat en ecologie, technologie en economie, nationalisme en imperialisme, voor internationale uitdagingen van ongekende omvang. Die vroegen om een eensgezinde wereldwijde aanpak, maar vooralsnog leek het erop dat ieder land met oogkleppen op haar eigenbelang volgde en het gemeenschappelijk belang overliet aan de voorzienigheid. En dat voorspelde weinig goeds voor de toekomst.

Misschien verklaarde dat sombere vooruitzicht van zijn eigen wereld de fascinatie die Stef voelde voor de teloorgang van het Romeinse Keizerrijk in het westen. Vele generaties historici hadden getracht een eenduidige verklaring te vinden voor de ondergang van de eerste grote pan-Europese natie. Maar zo werkte de geschiedenis natuurlijk niet. De werkelijkheid was altijd het resultaat van een eindeloze hoeveelheid factoren die op elkaar inwerkten en Stef dacht dat zo’n beetje elke redelijke verklaring voor het verval van Rome waar de geschiedschrijvers in de loop der tijd mee op de proppen waren gekomen wel een kern van waarheid bevatte.

Edward Gibbon had vlak voor de Franse Revolutie de ondergang van Rome toegeschreven aan de invasies van barbaren die hun gang konden gaan omdat de christenen – lees: de paapse katholieken – de deugdzame Romeinse moraal hadden ondermijnd. Later waren historici tot het inzicht gekomen dat die barbaren oprukten omdat ze op de vlucht waren voor de Hunnen die de Aziatische steppen onveilig maakten. Meer recentelijk had Adrian Goldsworthy de verzwakking van Rome verklaard door te wijzen op het verdwijnen van een sterk centraal gezag en de doorlopende interne machtsstrijd van generaals uit de provincies die zich lieten uitroepen tot keizer. Een andere moderne verklaring was de klimaatverandering van de tweede tot de vierde eeuw, waardoor oogsten mislukten en het systeem verzwakte door hongersnoden en teruglopende belastinginkomsten. DNA-onderzoek had aanvullende informatie opgeleverd over epidemieën waarvan sprake was in de geschreven bronnen en men had een aantal grote uitbraken van besmettelijke ziekten vastgesteld. De zogenaamde Antonijnse Plaag van rond het jaar 165 en de uitbraak van een ebola-achtig virus in het midden van de derde eeuw hadden een ontwrichtend effect gehad en zeker bijgedragen aan de ondergang van het Westen. Het oostelijke rijk werd tijdens de regering van Justinianus rond het jaar 541 getroffen door een grote uitbraak van de pest die gedurende twee eeuwen voortwoekerde en de kracht en macht van Byzantium aantastte.

Het leek Stef evident dat de wisselwerking van natuurrampen, effecten van klimaatsverandering, epidemieën, ecologische uitputting, kostbare oorlogen en volksverhuizingen, de veranderende opvattingen over waarden en normen, politieke spanningen, economisch mismanagement enzovoort gedurende vijf eeuwen beetje bij beetje de oude orde erodeerde en uiteindelijk deed verkruimelen. Het complexe samenspel van gebeurtenissen en ontwikkelingen dat leidde tot de ondergang van het Romeinse rijk illustreerde hoe allerlei factoren konden samenwerken om een samenleving de afgrond in te trekken.

Stef moest terugdenken aan zijn gesprek met Jacques Déchelette bij Bibracte over de levenscyclus van beschavingen volgens Oscar Spengler en de verschillende omstandigheden die Jared Diamond opsomde in zijn boek waarmee hij probeerde te verklaren waarom beschavingen niet in staat waren om hun eigen naderende ondergang effectief aan te pakken. Hoewel de tijdperken natuurlijk grondig verschilden, meende hij dat zulke analytische vragen over het verleden wel enig licht konden werpen op de ontwikkelingen waarvan hij getuige was in zijn eigen tijd. De wereld was in vijftienhonderd jaar misschien wel enorm veranderd, maar Stef meende dat de menselijke psyche in de kern van de zaak hetzelfde was gebleven: impulsief en gestuurd door primaire overlevingsdriften en kortzichtig eigenbelang. De toekomst was ongewis, de vooruitzichten waren somber, de mogelijkheden groots en de mens in veel opzichten nog even primitief als een holbewoner.

Plotseling stond Stef na een scherpe bocht in de landweg voor een bordje dat het plaatsje Cologne aankondigde. Een kaarsrechte weg voerde langs een paar boerenschuren die bijna omsingeld waren door de moderne lage woonhuizen die oprukten vanuit het dorpscentrum. Dat centrum had volgens de kaart de bijna ronde omtrek van een oude bourg. Het leek er zelfs op dat er een gracht om het stadje had gelopen, in ieder geval lag er aan de kant waar Stef nu kwam aanlopen een strakke waterpartij voor de blinde gevels van de oude stadshuizen. Half in het water stond een gemeenschappelijke wasgelegenheid, een smaakvol langwerpig bouwwerk met een elegant dubbel trappetje dat afdaalde naar een overdekt plateau dat net boven het wateroppervlak van de gracht uitstak. Het lavoir deed hem denken aan de kleine steigertjes voor de oude huisjes in zijn geboortedorp die ze de stoep noemden en waar in zijn grootvader’s jeugd de was gedaan werd toen er nog lang geen sprake was van een waterleiding of wasmachines. In het individualistische Holland had iedereen die aan het water woonde zijn eigen stoepje gehad, hier ging het om een voorziening voor de hele gemeenschap. Tussen gracht en gevelrij lag een keurige strook gras die zo te zien bijzonder geschikt was als bleekveld om wasgoed op te drogen. De aanblik bood een mooi nostalgisch plaatje, maar het was duidelijk dat de Rode Dood deze plaats niet had overgeslagen. Op de weg stonden her en der achtergelaten auto’s geparkeerd. Ook op de twee kleine parkeerplaatsen aan de ringweg voor de gracht stond een wanordelijke verzameling voertuigen. Stef zag zelfs een boerentractor met een open aanhangwagen vol huisraad, een Oost-Europees aandoend symbool van ontheemding. De afwezigheid van mensen riep een naargeestige, desolate sfeer op. De stilte was drukkend. Een verlaten politiebusje barricadeerde de brug die over de gracht naar het centrum leidde. Op een omgevallen sandwichbord herkende hij de waarschuwingsposters voor de Mort Rouge met het advies om gezichtsmaskers te dragen. Gelukkig waren er geen sporen van geweld waarneembaar en afgezien van de modderige aardse dampen van stilstaand water pikte zijn reukorgaan geen spoor op van de misselijkmakende geur van ontbindende lichamen. Maar dat was misschien het geluk van de juiste windrichting, want boven het stadshart draaide als een verontrustende zwarte tornado een zwerm vogels over de rode daken. Roquet blafte angstig naar de dreigende donkere wolk en kwam toen zachtjes jammerend naar Stef toe.

Hij aarzelde. Hij had totaal geen behoefte aan een nieuwe confrontatie met de dood en het vooruitzicht om recht het centrum in te lopen trok hem daarom niet erg aan. Dus was de vraag of hij linksom dan wel rechtsom de ringweg zou nemen om aan de andere kant van het plaatsje zijn weg te kunnen vervolgen. Linksom was de kortste route, maar hij vreesde dat die hem onder de wind van de vogelzwerm en de bron van hun hongerige belangstelling zou voeren. Met alle onwelriekende consequenties van dien. Maar hij realiseerde zich al snel dat de tegenovergestelde richting hem daarvan niet zou vrijwaren, omdat de doorgaande weg die hij wilde volgen aan de andere kant van het plaatsje precies beneden de wind lag. Een dilemma dus. Tenzij hij van zijn route wilde afwijken zat er niets anders op dan zich zo goed mogelijk te wapenen tegen de walmen van ontbinding die hem ongetwijfeld opwachtten. Maar, zo bedacht hij met een wrang gevoel, dit zou wel niet de laatste keer zijn dat hij voor deze keuze stond. En om nu iedere keer zijn route te wijzigen als hij bij een plaatsje kwam waar de doden de atmosfeer verpestten… Nee, dat leek hem niet erg praktisch. Hij besloot de kortste weg te nemen, maar wel een paar voorzorgsmaatregelen te treffen.

Nu kwam de tandpasta die hij die ochtend had meegenomen uit de gekraakte buurtsuper goed van pas. Hij diepte de tube op uit zijn bagage, evenals het mondkapje dat hij al een tijd niet meer gebruikt had. Hij smeerde wat van de witte mentholgeurige pasta onder zijn neusgaten, zoals hij dat weleens had gezien op televisiefilms waarbij forensische onderzoekers of pathologen een lichaam in staat van ontbinding onderzochten. Met het mondkapje ervoor moest hij zo toch enigszins beschermd zijn tegen ergste aanvallen op zijn overgevoelige reukorgaan.

Linksaf ging het dus, de Chemin de Ronde op met het water aan zijn rechterzijde en de kolkende zwarte wolk vogels over zijn rechterschouder. Roquet volgde hem aarzelend, met de staart tussen de achterpoten. Bij een plantsoentje passeerde Stef een straatje naar het centrum dat afgesloten was met een hek. Hij liep vervolgens door de smalle Rue de l’église langs een kerk en kwam bij een hoofdstraat die van oost naar west het plaatsje doorkruiste. Ook hier een wegafzetting met een verlaten politieauto. Langs de kerk en op het pleintje erachter stond weer een allegaartje van auto’s opgesteld, van glimmende dure sedans tot afgeragde bestelwagentjes: de angst voor de Rode Dood maakte geen onderscheid in welvaartsklasse. De meeste wagens stonden keurig geparkeerd langs de kant van de weg, alsof het een gewone marktdag was. Maar de levendige drukte die gepaard gaat met een boerenmarkt was voelbaar afwezig. Een paar honderd meter de straat in zag hij op de hoek van een plein een grote witte tent staan met een rood kruis erop. Van een afstand zag Stef zwarte spikkels op het zeildoek landen en weer opvliegen, beweeglijk als een kolonie bacteriën onder een microscoop. Het waren vogels die zich tijdelijk losgemaakt hadden van de aas etende werveling boven de daken. Meer hoefde hij niet te zien en snel liep Stef het straatje uit naar de andere kant van de stadsring. Daar vond hij de landweg naar Saint-Germier, waar geruststellende richtingbordjes de verkoop aan huis van zowel foie gras als honing aankondigden, een herinnering aan het landelijke Frankrijk uit de reisgidsen. Alsof hij bevrijd was uit een duistere betovering rende Roquet vooruit, weg van de verschrikkingen die ongetwijfeld zijn gevoelige zintuigen belaagden.

Even later liep Stef weer door een landschap van golvende landerijen, akkers met graan, mais en aardappelen. Aan deze kant van Cologne werd hij ingehaald door de verwachte geur van verrotting. Ze hing op de lichte bries die uit de richting van het centrum waaide en hoewel Stef een wee gevoel voelde optrekken uit zijn maagstreek was de aanslag op zijn zintuigen lang niet zo erg als hij gevreesd had. Hij moest een aandrang om te kokhalzen onderdrukken, maar vergeleken bij de ondraaglijke, bijna tastbare stank van het open massagraf bij Belleperche rook hij nu slechts een onaangename oprisping van de natuur. Misschien kwam dat door zijn geïmproviseerde voorzorgsmaatregelen. Of misschien, bedacht Stef met een rilling, had de hongerige zwerm vogels het vlees niet de tijd te gegeven om tot ontbinding over te gaan. Of was er sprake van ordinaire gewenning? Kon de mens zelfs wennen aan het meest gruwelijke dat hij zich kon voorstellen?

Zijn gedachten gingen terug naar de mijmeringen van eerder die dag. Stef verwonderde zich over zijn eigen logica – of liever, het ontbreken daarvan. Ondanks de positieve statistieken van levensverwachting, opleiding en welvaartsniveau zag hij overal om zich heen tekenen van verval, achteruitgang en oplopende spanningen. Zijn gevoelens over de toekomst waren dan ook bepaald niet als optimistisch te kwalificeren. Tegelijkertijd had hij hoge verwachtingen van toekomstige technologieën en droomde hij van een futuristische samenleving waarin de mensheid de ruimte zou exploreren, exploiteren en koloniseren, de welvaart een kosmische groei zou doormaken en sociale en politieke problemen werden opgelost door een alleswetende kunstmatige intelligentie die zonder de beperkingen van menselijke gevoelens en reflexen nuchtere beleidsvoorstellen zou doen. Zoiets. Maar toch zag hij tegelijkertijd op de weg naar een dergelijk interplanetair Utopia alleen maar hindernissen, obstakels, gevaren en doemscenario’s. Was zijn hoopvolle verwachting voor de toekomst dan een product van opportunistisch zelfbedrog en existentiële behoefte? Het soort psychologische acrobatiek waar de mens zich keer op keer zo bedreven in toonde? Stef kon een cynische glimlach niet onderdrukken toen hij zich realiseerde dat hij daarin niet verschilde van de naïevelingen die geloofden in een paradijselijk hiernamaals, een socialistische heilstaat of in karma-bepaalde reïncarnatie. Hij hing ergens in het luchtledige tussen vrees voor de gevolgen van de moderne technologie en hoop voor de technische oplossingen van de toekomst.

Hij had de stellige indruk dat de mensheid op een revolutionair keerpunt in haar geschiedenis stond. Alle voortekenen leken te wijzen in de richting van een doemscenario waarin de samenleving zoals hij die kende zou bezwijken onder de druk van haar ambities en tekortkomingen. Maar er was een sprankje hoop waar Stef zich graag aan vastklampte. Toen Thomas Malthus er aan het einde van de achttiende eeuw op wees dat de wereldwijde agrarische productiecapaciteit maar een beperkt aantal monden kon voeden, had hij wel een principieel punt, maar in de praktijk bleek er veel meer rek te zitten in de voedselproductie dan men had vermoed. Door vernieuwende landbouwmethodes en de invoering van kunstmest en later de toepassing van mechanisatie konden er in het jaar 2000 miljarden meer monden gevoed worden dan men twee eeuwen eerder had durven dromen.

Met dit voorbeeld voor ogen meende Stef dat de techniek van de toekomst veel van de wereldwijde problemen uiteindelijk wel zou kunnen oplossen, als de mensheid het maar eens kon worden over de manier waarop dat zou moeten gebeuren. De grenzen aan de groei werden sinds het rapport dat de Club van Rome in de zeventiger jaren publiceerde niet alleen meer bepaald door de Malthusiaanse beperkingen van de landbouw, maar ook door de beschikbare grondstoffen en de draagkracht van de natuurlijke ecologische systemen. Ook toen was de reactie dat de mens met behulp van haar technologie de voorspelde rampspoed wel zou kunnen afwenden. De soep werd nooit zo heet gegeten als die werd opgediend en dat gold misschien – hopelijk – ook voor dystopische toekomstvoorspellingen.

Dankzij de invoering van de computer en de mogelijkheid om daarop gecompliceerde mathematische modellen van toekomstscenario’s te draaien hadden we inmiddels veel geleerd over de effecten van het menselijk handelen op de natuur. Zo waren het gat in de ozonlaag, de zure regen en de opwarming van de Aarde op de internationale politieke agenda gekomen. En dat was weliswaar een goede zaak, maar met het constateren van de problemen waren die nog niet opgelost. Het kwam aan op een eendrachtige aanpak en voor zover Stef kon zien was de solidariteit die daarvoor nodig was ver te zoeken.

Na een kilometer maakte de rechte laan waarop hij liep een scherpe bocht en daalde af naar een paar kleine bruggetjes. Links van de weg stond tussen de verwilderde bomen en struiken de ruïne van een oude watermolen. Het dak was ingestort en de vervallen muren waren zwaar begroeid met mos en onkruid, maar twee openingen met bogen boven een klaterend stroompje lieten weinig misverstand bestaan over de aard en functie van het vervallen gebouwtje. Stef was zojuist een landgoed met een kasteeltje en een grote boerenhoeve gepasseerd en het leek erop dat de watermolen in betere tijden deel had uitgemaakt van een bloeiend agrarisch bedrijf. Voor een onverbeterlijke romanticus als Stef was deze idyllische plek ideaal om even neer te strijken en zijn vermoeide voeten en pijnlijke knieën wat rust te gunnen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.