2 | Een nieuwe reisgenoot

Een paar kilometer voorbij de brug over de Tarn sliep Stef een paar uur in een van de talloze fruitboomgaarden langs de weg. De abrikozen waren overrijp en vielen al op de grond. Overal lagen de sappige vruchten onder de kleine boompjes, sommige al rottend in het gras. Maar er hingen er nog meer dan genoeg die voldoende rijp waren om geplukt te worden en hij deed zich tegoed aan de overvloed voordat hij uitgeput in een diepe slaap viel.

Eigenlijk had het hem beter geleken om overdag te slapen en tijdens de nachtelijke uren verder te lopen. Op die manier hoopte hij zowel de hitte van de zon als de opmerkzaamheid van nieuwsgierige ogen te vermijden. Maar Stef schatte dat hij die middag ruim veertig kilometer had afgelegd en zijn knieën begonnen vreselijk pijn te doen. Ook zijn rug speelde op. Toch wilde hij zo spoedig mogelijk het volgende grote obstakel op de weg naar het zuiden nemen, de machtige Garonne, voordat hij zichzelf een meer gematigd wandelschema zou toestaan. Daarom had hij zich voorgenomen om slechts een paar uur te gaan liggen, zodat hij weer bijtijds op pad kon gaan.

Hij werd wakker in het vale licht van de maan dat scheen door de netten die als baldakijnen boven de fruitboompjes hingen ter bescherming tegen hongerige vogels. Toen hij opstond van de harde grond protesteerden de spieren in zijn lichaam met kramp en stijfheid. De jeuk op zijn vingers was overgegaan in een rode, schilferige uitslag die hij probeerde te negeren en zijn benen en rug voelden gekneusd. Maar hij moest verder. De geur van vochtige aarde vermengde zich met de weeë lucht van het overrijpe ooft, een aroma dat onprettige associaties opriep. Het aaneengesloten wolkendek van de vorige dag was gebroken en de eilanden van stratocumulus hingen roerloos in de lucht, in afwachting van de zon die zich in het oosten aankondigde met een vaag lichtschijnsel achter de horizon. Bij wijze van vroeg ontbijt plukte hij nog een paar van de rijpe abrikozen en begaf hij zich in de richting van Labastide, het volgende plaatsje van enige betekenis langs deze fruitweg.

Al lopend testte hij de verschillende soorten fruit die hij passeerde. De appels en peren waren nog niet te eten en de pruimen begonnen net op smaak te komen. Maar rijpe kersen waren er volop en Stef plukte een paar keer een handjevol dat hij onder het lopen opat. De druiven daarentegen hingen grotendeels nog als dofgroene trossen aan hun ranken en de enkele die al blauw kleurden smaakten zuur. Daarop moest de zon nog een paar weken haar werk doen. Tot zijn genoegen vond hij wel een moestuintje met wat rijpe tomaten die hij inpakte om later op te eten.

Stef begon nu uit te zien naar de een of andere epicerie of supermarché. Niet dat hij verwachtte dat hij daar gewoon naar binnen kon stappen om boodschappen te doen, maar misschien had hij geluk en trof hij net als in Cabrerets een geforceerde voordeur of ingeslagen winkelruit. Als hij op die wijze wat levensmiddelen kon bemachtigen zou men hem dat niet al te kwalijk nemen, hield hij zichzelf voor. Hij maakte dan slechts gebruik van de gelegenheid die geboden werd door de omstandigheden. En nood brak wet, zo suste hij zijn geweten.

Naarmate hij vorderde verschenen er meer huizen langs de weg, maar hij zag geen sporen van plundering of inbraak. Wel trof hij bij een driesprong een paar wrakken van auto’s die zo te zien met hoge snelheid op elkaar geklapt waren. Gelukkig was er van de inzittenden geen spoor te bekennen, ook al zag het er niet naar uit dat ze er ongeschonden vanaf waren gekomen. Dat suggereerde dat de ambulancedienst tenminste nog functioneerde toen het ongeluk plaatsvond. Een geluk voor de slachtoffers, maar een geluk dat waarschijnlijk van korte duur was geweest.

Ook in de ochtendschemering zag Stef dat de grote huizen er goed onderhouden bij stonden. Strak in de verf, met patio’s en overdekte veranda’s die uitkeken op keurig gecoiffeerde grote tuinen met daarin helderblauwe zwembaden als toonbeeld van het goede leven. Zo te zien had de vruchtbare grond tussen Tarn en Garonne de nodige voorspoed gebracht aan haar bewoners. Een enkele keer passeerde hij een oud landgoed, wat erop leek te wijzen dat de lokale welstand een lange geschiedenis kende.

In Labastide vond Stef nog een moestuin langs de weg, waar hij in de schemering wat radijzen en een paar uien oogstte. Hij kreeg zo langzamerhand visioenen van een stevig boerenomelet en hij begon uit te kijken naar de sporen van een kippenren, maar te oordelen naar de spits van een kerktoren die boven de daken uitstak naderde hij het centrum van het plaatsje: geen voor de hand liggende locatie om loslopend pluimvee aan te treffen. Vlak bij de kerk trof hij wel een café-restaurant dat volgens het grote bord aan de muur ook fungeerde als leverancier van alimentation générale, maar het stalen rolluik zat stijf dicht en Stef zag geen manier om binnen te geraken en zichzelf te bedienen.

Naast de kerk bevond zich een statig gemeentehuis waar de vlag van de Franse Republiek teneergeslagen aan de gevel hing. Daarna kwam het einde van het plaatsje alweer in zicht en leek het ook gedaan met de fruitbomen. Stef liep nu langs ruime akkers waarop graan en mais stond. Hij vond zelfs een veldje waar hij tot zijn genoegen een paar jonge aardappelen uit de grond kon halen. Hopelijk zou hij een manier vinden om ze ergens gaar te koken. Ook verschenen er weer velden met zonnebloemen.

Bij een volgend kruispunt verliet hij de hoofdweg en sloeg hij linksaf, een lange geasfalteerde landweg op die een kilometer of vijf lang pal naar het zuiden liep langs platte akkers. De welvarende landhuizen die hij daar passeerde deden hem denken aan Romeinse villa’s: lage bepleisterde gebouwen met oranje daken van het mediterrane model die met een flauwe hoek schuin omhoogliepen tegen een verhoogd deel dat als een vierkante wachttoren uitzicht bood op het omringende domein. De deftige woningen werden afgewisseld met nuchtere boerenbedrijfjes en rommelige erfjes. Ergens stond een verlaten sproei-installatie als een reusachtige wandelende tak werkloos op een akker.

De zon stond op het punt om door het schemerduister te breken toen Stef ergens tussen Castelsarrasin en La-Ville-Dieu-du-Temple een uitgebrand huis aantrof. Een deel van het dak was ingestort en verkoolde balken staken als een rijtje visgraten door de schubbenhuid van geblakerde dakpannen. Rond de vensteropeningen straalden zwarte roetvegen uit over het pastelkleurige pleisterwerk en een paar halfverbrande houten garagedeuren hing scheef in hun scharnieren, een uitnodigende opening biedend. Stef keek schuldbewust om zich heen, maar zag uiteraard geen mens en besloot op onderzoek uit te gaan.

De indringende geur van verbrand hout dat nat is geworden kwam hem tegemoet toen hij voorzichtig de verschroeide garage binnenstapte. Daaruit maakte Stef op dat de brand hooguit een paar dagen eerder had plaatsgevonden, niet lang voordat de regen was gekomen. De inwoners waren toen vermoedelijk al vertrokken want er stond geen auto – of wat daarvan over was – in de geblakerde ruimte. Wel zag hij het door de hitte verwrongen skelet van een metalen stelling en de verbrande resten van wat blikken verf en schoonmaakmiddelen op de zwart geblakerde betonnen vloer. Her en der zag hij ook gereedschappen liggen, het verkleurde staal gewikkeld in de vormloze klompjes plastic van gesmolten handvaten. Het dak was grotendeels verdwenen. Behoedzaam stapte hij over de verbrande overblijfselen van apparaten en werktuigen in de richting van een groot gapend gat dat eens de toegangsdeur naar het woongedeelte was geweest. De brand moest op die plek buitengewoon fel gewoed hebben, want de deur was volledig verkoold. De natuurstenen vloer in de passage erachter was bedekt met een laag roet en as, evenals de muren en het plafond. De ruime woonkamer was een augiasstal vol onherkenbare overblijfselen van verbrande meubelen en andere huisraad. Zwarte balken en planken van het ingestorte plafond lagen als bovenmaatse mikadostokjes in een troosteloze hoop over elkaar heen. Omhoog kijkend zag Stef door het gat in het plafond de half verkoolde dakbalken die nog op hun plaats zaten en het dak overeind hielden. De vensterruiten waren gesprongen door de hitte en de scherven hingen half gesmolten in hun sponningen.

Weinig hoopvol liep hij in de richting van de keuken aan de andere kant van het huis. Hij passeerde een paar deuren die toegang gaven tot slaapkamers. Ze stonden halfopen, de verf een abstract schilderij van door de hitte opengesprongen veelkleurige blazen. Erachter leken de slaapvertrekken redelijk ongeschonden, maar van het plafond en het dak erboven resteerden slechts een verkoolde lattenconstructie. De keuken was eveneens een wanordelijke abstracte compositie in zwart en grijs, als een somber kunstwerk van Armando of Anselm Kiefer. Er hing een geur van verbrand plastic die Stef op zijn longen sloeg en hem een misselijk gevoel gaf. Een hoopje mat uitgeslagen tafelzilver lag in een stapel as en sintels waarin hij de overblijfselen van de een of ander keukenmachine meende te herkennen, een deegmixer of blender. In wat er van de koelkast over was vond Stef wat zompige resten van beschimmelde groenten en een pak verzuurde melk. Niets dat zijn eetlust zou kunnen bevredigen. Enkele blikken groenten in een aangebrand keukenkastje waren opengebarsten door de hitte. Verdorie, wat een pech, dacht hij om zich heen kijkend. Gefrustreerd trok hij een stapel rommel opzij en vond tot zijn verrassing het deurtje van een ingebouwde kast die er nog redelijk intact uit zag. Met wat moeite wrikte hij het paneel open en tot zijn grote opluchting vond hij een paar blikken soep, een blik ravioli en een pot witte bonen in tomatensaus op een plank staan naast een paar pakken macaroni, vermicelli en rijst en wat plastic flessen met schoonmaakmiddelen. Genoeg voorraad om het een paar dagen mee uit te houden. De verpakkingen zagen er redelijk ongeschonden uit, hoewel de plastic flessen enigszins vervormd waren. Gretig verzamelde Stef wat er van zijn gading was en begaf zich door de garage terug naar buiten, waar hij zijn bepakking had achtergelaten tegen de gevel.

Hij moest zich bedwingen om zijn buit niet meteen aan te spreken, maar besloot eerst op zoek te gaan naar een veilige plek waar hij ongestoord de dag slapend kon doorbrengen. De eerste zonnestralen gluurden door het wolkendek in het oosten en Stef meende dat het nog wel een uur of zo veilig zou zijn om ongezien te kunnen doorlopen. Met zijn rug tegen de muur bestudeerde hij de kaart met zijn zaklamp in de hand. Het liefst wilde hij de Garonne oversteken voordat hij zichzelf een lange rustpauze zou gunnen.

Bij de brug over de rivier die op zijn route lag stond een abdij aangegeven, de Abdij van Belleperche. Volgens een symbooltje op de kaart was het gebouw een monument. Stef wist niet precies wat hij daarvan kon verwachten, maar zo te zien ging het om een geïsoleerd gelegen klooster want er was geen dorp of stad aangegeven in de directe nabijheid. Wel was er een oude watermolen aan een stroompje op ongeveer een kilometer afstand. De omgeving zag er onbewoond uit en leek hem zodoende zeer geschikt om een veilige rustplaats te vinden, maar het was zo te zien nog een kilometer of tien gaans naar de rivier. Ruim twee uur lopen als hij een flink marstempo aanhield, waarschijnlijk langer. Tot dan moest hij nog een spoorlijn, een kanaal en een drietal hoofdverkeerswegen, waaronder een autoroute, oversteken.

Gerustgesteld door zijn aangevulde mondvoorraad en aangemoedigd door het vooruitzicht van een veilige dag uitrusten schoot Stef, ondanks zijn vermoeide lichaam, flink op. Zonder noemenswaardig oponthoud vond hij zijn weg door een doolhof van kleine laantjes tussen wat boerengehuchten die ingesloten werden door de verschillende land- en waterwegen tussen Castelsarrasin en La-Ville-Dieu-du-Temple. Hij trof zelfs een stelletje kippen in een voortuin langs de weg en na enig zoeken vond hij het bijbehorende kippenhok waar hij wat eieren raapte. Er verschenen ook weer meer fruitbomen en hij verzamelde wat hij kon. Voor die paar kilometer die hij nog te gaan had wilde hij die extra last wel dragen in een plastic tas die hij aan zijn bezemsteel hing en over zijn schouder meedroeg als een negentiende-eeuwse vagebond. Het liep ondertussen tegen achten en de dag was aangebroken, maar er was niets dat erop wees dat hij gevaar liep en Stef wilde graag voortmaken en de rivier oversteken.

Uiteindelijk kwam hij op een lange doorgaande weg die naar de brug over de Garonne leidde. Ongeveer een kilometer voor de rivier maakte die vlak na een spoorwegviaduct een flauwe bocht en kon hij in de verte de brug zien liggen. De asfaltstrook voor hem eindigde aan de horizon bij de pyloon van een hangbrug, ogenschijnlijk net zo’n constructie als hij bij het oversteken van de Tarn had gezien. Dat was niet zo verrassend, want de hele lokale infrastructuur van doorgaande wegen en bruggen was waarschijnlijk in dezelfde periode aangelegd. Wat hem wel verontrustte was het feit dat de weg versperd leek. Er scheen een obstakel op het wegdek te staan. Hij stopte en pakte zijn vertrouwde verrekijkertje uit het zijvak van zijn rugzak. Nu zag hij dat de versperring gevormd werd door een file van auto’s. Zo zag het er tenminste uit. Dat verraste hem, want er was geen sprake van rijdend verkeer, ook niet vanuit de tegenovergestelde richting. Gealarmeerd bestudeerde hij de situatie in de verte nog eens en nu zag hij ook dat er auto’s kriskras door elkaar in de berm stonden, zelfs in de velden aan weerszijden van de weg. Maar er was geen spoor van de bestuurders. Dat was vreemd, maar misschien wel verklaarbaar. Stef kreeg het vermoeden dat er een vluchtelingenstroom was vastgelopen vlak voor de brug, misschien doordat een auto met panne de doorgang blokkeerde of omdat er in de paniek een kettingbotsing was ontstaan. Hij betwijfelde of hij wel ongehinderd de brug zou kunnen oversteken en was ook wel bang voor wat hij daar zou aantreffen. Zo te zien was de meute te voet verder getrokken en dat zou vast niet zonder de nodige strubbelingen gegaan zijn. Hij was het lijk in het autowrak op de vlakte tussen de Lot en de Célé niet vergeten. Vertwijfeld keek hij om zich heen. Op de kaart had hij gezien dat de dichtstbijzijnde bruggen over de Garonne kilometers verderop lagen en het vooruitzicht van een flinke omweg was niet erg aanlokkelijk. Nu viel zijn oog op een lange stenen spoorbrug met bogen die links van hem in het land stond. Het monumentale bouwwerk lag half verscholen achter rijen jonge fruitboompjes en in het verlengde van het viaduct waar hij een paar honderd meter terug onderdoor gelopen was. Die surrealistische boogbrug midden in het land verbaasde hem, maar de verklaring was waarschijnlijk dat de oevers van de rivier vroeger regelmatig overstroomden en dat men later boomgaarden had aangelegd op de vruchtbare uiterwaarden. Die veronderstelling leek te worden bevestigd door de onlogisch kronkelende lijnen van een gemeentegrens en enkele oude weggetjes die hij op zijn kaart zag. De zeven bogen verbonden twee stukken talud die evenwijdig liepen aan de weg, wat suggereerde dat er een eindje naast de geblokkeerde verkeersbrug ook een spoorbrug moest liggen. Voor de zekerheid raadpleegde Stef nogmaals zijn kaart en hij zag dat zijn conclusie klopte. Er liep inderdaad een treinverbinding over de Garonne aan de andere kant van de abdij. De oplossing voor zijn probleem diende zich aldus op vanzelfsprekende wijze aan: hij moest proberen op de dijk te komen en de rivier oversteken via de spoorbrug.

Vanaf de brug toonde de abdij zich als een massieve gevel van twee verdiepingen op een fundament van dezelfde hoogte, met forse steunberen en boogconstructies die met hun voeten zowat in het water stonden. De zomerstand van de rivier was laag en in andere jaargetijden zou het water regelmatig tot halverwege het onderste deel kunnen stijgen. Het indrukwekkende gebouw lag zowat ingeklemd tussen de twee bruggen voor respectievelijk autoverkeer en spoor. Stef schatte dat de Garonne ter plekke ruim honderd meter breed was en het water stroomde zelfs bij deze lage waterstand met een flinke kracht onder de overspanningen door. De gevel van het klooster was ook bijna honderd meter lang. Het complex had aan deze zijde geen enkele versiering waaruit je zou kunnen opmaken dat het om een religieus gebouw ging. Geen bewerkte zuiltjes, geen gebeeldhouwde kapiteeltjes, geen fries met afbeeldingen uit de Bijbel, nog geen kruis. De zakelijke stenen wand met twee rijen karakterloze vensters was flink verweerd en leek beter te passen bij een fabriek uit het tijdperk van de Industriële Revolutie dan bij een middeleeuwse abdij. Alleen de rokende schoorstenen ontbraken. Die afwezigheid van religieuze opsmuk suggereerde dat het hier een klooster van de hardwerkende Cisterciënzerorde betrof, volgelingen van Bernhard van Clairveaux.

Het gebouw leek in bezit genomen door vogels die in groten getale waren neergestreken op de wit uitgeslagen pannen van het schuine dak. Opgewonden leken ze elkaar een plek met uitzicht te betwisten en regelmatig maakten groepjes zwarte gedaanten zich luid krijsend los van het dak om een stukje verderop de rust te gaan verstoren. Te oordelen naar de vele rondcirkelende dieren was ook aan de achterzijde van het gebouw een zwerm neergestreken. Het hele tafereel deed Stef sterk denken aan Alfred Hitchcock’s film The Birds. Zulke grote groepen vogels had hij in werkelijkheid alleen nog maar gezien op ondiepe fourageerplekken voor watervogels of wanneer spreeuwen zich verzamelden voor hun jaarlijkse trektocht naar het zuiden. Maar daarvoor leek het hem nu nog veel te vroeg in het seizoen. Bovendien waren dit vooral kraaien die met hun geagiteerde gekras een heel anders klonken dan het reiskoortsige getsjirp en gekwetter in een boom vol spreeuwen.

Plotseling werd hij getroffen door een weerzinwekkende geur die op een vlaagje wind werd meegevoerd en het koude zweet brak hem uit. De lucht was onmiskenbaar. Zijn lichaam kwam zonder erbij na te denken in opstand. Een gruwelijk visioen manifesteerde zich in zijn hoofd. Dit wilde hij niet weten, ging er door hem heen, waar die stank vandaan kwam. Maar er was geen weg terug. De misselijkmakende lucht deed hem kokhalzen en hij draaide zich af met zijn hand voor zijn gezicht. Stef haalde een zakdoek tevoorschijn en hield die zo stijf tegen zijn neus en mond dat hij bijna niet kon ademen. Met een uiterste inspanning van zijn wil liep hij naar het einde van de spoorbrug en zag aan de andere kant van het grote gebouw wat hij al vreesde: een chaotisch tentenkamp dat in bezit genomen was door een zwerm lijkenpikkende vogels. Op het terrein direct naast het oude klooster stonden grote tenten van het Rode Kruis en de velden aan de andere kant van de weg waren bezaaid met verlaten auto’s, campers en tentjes. Het was een herhaling van de geïmproviseerde nederzetting die hij en Xavier hadden gezien bij Figeac, maar dan in een verder stadium van ontwrichting. De geur van de dood hing zwaar in de lucht en het leek Stef onmogelijk dat zich nog een levende ziel bevond in dat gruwelijke banket voor aaseters.

Hij had een matige wind schuin in de rug gehad, dus de geur van de dood waaide van hem weg, maar wel juist in de richting die hij wilde volgen. Gedreven door een macabere vorm van nieuwsgierigheid liep hij nog een stukje over het spoor in de richting van de weg en de verschrikkingen die eraan lagen. Stef hield zichzelf voor dat er misschien nog een overlevende was die hulp nodig had, maar het enige dat hij van een afstand zag bewegen waren de zwermen vogels en een paar rondstruinende honden die hem niet opmerkten omdat ze te druk waren met hun eigen strijd om het bestaan. Een akelig gezoem dat hij niet direct kon thuisbrengen hing in de lucht. Hij moest moeite doen om de beelden die probeerden door te dringen tot zijn bewustzijn tegen te houden. Dat lukte, totdat een grote vlieg met een glimmend blauwgroen achterlijf op zijn arm landde. En toen nog een. Een ander landde op zijn bezweette voorhoofd en voordat hij hem kon wegslaan was hij omsingeld door een hele zwerm zoemende bromvliegen. Vol walging draaide hij zich om en haastig liep hij, ondanks zijn vermoeidheid en de zware bepakking, als een bezeten snelwandelaar maaiend met zijn vrije arm terug in de richting van de rivier in de hoop daar, boven de wind, aan de allesoverheersende misselijk makende geur en de opdringerige vliegenwolk te ontsnappen.

Langs de rails lag een onverhard pad dat bij de brug afboog en aan de rand van een akker de rivier een eindje stroomopwaarts volgde. Buiten adem trof hij daar na honderd meter een kleine kom aan in de oever waar een idyllisch gelegen kleine ruïne stond die zo te zien bij het klooster hoorde. Het was een gemetselde façade in de walkant van de Garonne met een paar symmetrisch aangebrachte nissen en pilaren rond een centrale opening waarin zich een aarzelend druppelende waterbron bevond. Op de grond ervoor was een dubbel bassin geplaatst, maar dat stond droog en was met onkruid overwoekerd. Toen hij dichterbij kwam zag Stef tot zijn schrik twee ingezakte gedaanten met hun rug tegen de gemetselde waterbak zitten, ogenschijnlijk uitkijkend over de rivier. Maar de lijkenlucht waaraan hij dacht te ontsnappen drong zich hier weer aan hem op en hij besefte dat twee van de radeloze vluchtelingen deze idyllische plek gekozen hadden om de dood in de ogen te zien en, wie weet, er zelf een einde aan te maken voordat de Mort Rouge hen te pakken kreeg. In een laatste gebaar van intimiteit had de ene figuur zijn arm om de schouder van de ander geslagen, een bevroren moment van liefde en medemenselijkheid. Het deed hem terugdenken aan een ontroerende foto die hij ooit uit de krant had geknipt, van twee junkies die op een ochtend gevonden waren op een speelplaatsje in de buurt van de Amsterdamse Zeedijk, verenigd in een serene dood. Maar een gedrukte zwartwit foto in de krant was toch iets anders dan de rauwe werkelijkheid in kleuren en geuren en Stef wendde zijn nieuwsgierige blik af met een gevoel van schaamte. Het aanschouwen van een dode had iets dat gênant voyeuristisch was. Dat had hij ook ervaren na het overlijden van zijn vader toen diens lichaam werd afgevoerd als het dode ding dat het geworden was, maar zich nog sterker gerealiseerd bij zijn moeder, die zich altijd erg bewust was geweest van haar uiterlijk. Opgebaard worden nadat onbekenden je uiterlijk aan de hand van een oud fotootje hebben gefatsoeneerd had iets treurigs. Je werd tenslotte tentoongesteld in de ultieme staat van verval. De doden hebben geen verweer tegen de opdringerige blikken van de levenden.

De herinnering aan zijn ouders was de katalysator voor een kettingreactie van heftige gevoelens waaraan Stef geen weerstand kon bieden. Als door een onverwachte golf die brak in de branding werd hij overrompeld door hartverscheurende beelden, naar de diepte getrokken door het gewicht van hun emotionele kracht. Hij schoot vol en met een brok in de keel en tranen in de ogen zakte hij door zijn benen en viel neer in het gras. Het was allemaal te veel: de stress van de lange achtervolging door Frankrijk, het schuldgevoel over de dood van Xavier en Janusz, de angst om gepakt te worden, de aanblik van de massale sterfte, de geur van de dood, de vermoeidheid, de honger, de eenzaamheid. Jammerend rolde hij over de grond als een radeloos en angstig kind dat verdwaald is en zijn ouders niet kan vinden.

Hoe lang hij daar lag op die plek die doordrenkt was van de dood wist Stef niet, maar hij moest in een diepe slaap gevallen zijn. Toen hij zijn ogen weer opende hingen er woest kolkende donkere wolken in de lucht, zwaar van de regen. De misselijkmakende lijkenlucht en het gezoem van de vliegen brachten hem onmiddellijk bij zijn positieven en met een klap in het gezicht kwam de ontreddering terug. Maar hij had geen tranen meer over en de spanning was met het verdriet uit zijn lichaam gestroomd. Stef had het gevoel dat het al laat in de middag was en hij begon zich juist af te vragen wat hij zou gaan doen toen hij een jammerend geluid achter zich hoorde. Gealarmeerd draaide hij zich om en zag op een meter of vijf afstand een hond liggen. Het was hetzelfde dier met de witte teentjes dat hij de vorige dag – of was het langer geleden? – van de weg gejaagd had. Het hield zijn kop schuin en keek hem vragend aan, de flaporen nieuwsgierig opgericht. Er ging geen dreiging uit van het grauwe kleine mormel, dat hem met een zekere compassie leek aan te kijken. In een gebaar van onderwerping legde het de kop op de voorpoten en kwispelde met zijn staart terwijl het zacht klaaglijke geluidjes maakte, alsof het hèm op zijn gemak wilde stellen. Stef was hogelijk verbaasd het beest aan te treffen, maar niet langer bevreesd. Had de hond zijn spoor al die tijd gevolgd? In een warme golf van ontspanning vielen voor een moment alle angst en vermoeidheid van hem af en instinctief strekte hij zijn arm uit naar het dier terwijl hij diens vragende klanken met een kalmerend gesmak van zijn tong tegen zijn verhemelte beantwoordde. Het hondje richtte zich op en kwam kwispelstaartend en met gespitste oren voorzichtig dichterbij. Stef zag nu dat het een reu was.

“Hee jongen, ben je mij achterna gekomen? Wat is er dan? Ben je je baasje kwijt? Kom maar hier, hoor. Kom dan…” Het waren de gebruikelijke nietszeggende woorden die men tot een dier richt, betekenisloze lettergrepen die het vooral moesten hebben van de geruststellende klank waarmee ze geuit werden. De hond liet zich gewillig achter de oren krabben en zat met de lange tong uit de bek tevreden te hijgen, alsof hij zojuist de marathon gelopen had.

De gruwelen verdwenen even naar de achtergrond en Stef bedacht zich dat hij nog een halve rol koekjes in zijn bagage had. Hij besloot dat het beest met zijn mottige vacht wel een beloning verdiend had voor zijn inspanning om hem te volgen. Met volle aandacht volgde de hond Stef ’s beweging richting zijn rugzak, misschien onzeker of er straf of beloning zou volgen, maar het geknisper van de koekjesverpakking wekte meteen een enthousiast zwiepen van zijn staartje op. Terwijl ze allebei tevreden op een biscuitje kauwden werd Stef overvallen door een diep gevoel van verbondenheid met het verweesde dier. Om hun ontmoeting te vieren deelde Stef nog een rondje koekjes uit. Volledig opgaand in het moment drong het plotseling tot hem door hoe bizar de situatie eigenlijk was: hier zat hij genoeglijk koekjes te eten met een zwerfhond, terwijl er tien meter verderop twee dode geliefden deden alsof ze van het uitzicht genoten. Dat bracht hem terug naar de rauwe werkelijkheid van zijn situatie. Hij had gehoopt een tijdje te kunnen bivakkeren in de nabijheid van de abdij, om op krachten te komen en zijn trektocht naar het zuiden in alle rust voor te bereiden. Maar met alle verschrikkingen die hem hier omgaven moest hij dat plan bijstellen en omzien naar een andere veilige plek om een paar dagen neer te strijken. Rondkijkend concludeerde hij snel dat hij zijn weg het beste stroomopwaarts langs de Garonne kon vervolgen. Volgens zijn kaart was er in de rivier een paar kilometer die kant op een bocht naar het zuiden, waar het water uit de richting van Toulouse, zo’n vijftig kilometer verderop, stroomde. Zo ver wilde hij niet gaan, maar als voorlopige leidraad leek de rivier hem op dat moment de beste optie.

Vol verwachting volgde zijn harige bezoeker alle bewegingen van Stef terwijl die zijn bagage omgordde: de grote rugzak die steunde op een heupband, plus de kleinere die hij voor zijn buik hing. De stok waar de tas met etenswaren aan bungelde zwaaide hij over zijn schouder. De hond begon opgewonden geluidjes te maken, als een opgesloten huisdier dat wordt uitgelaten, en Stef vermoedde dat de reu hem voorlopig wel zou volgen. Die gedachte gaf hem het aangename gevoel niet meer alleen op de wereld te zijn.

Ondanks de toegenomen wind en zijn gewijzigde koers werd Stef nog altijd achtervolgd door de walgelijke geur die opsteeg van het dodenkamp toen hij over de akkers tegen een heuvel naast de rivier op sjouwde. Misschien was de wind gedraaid, of misschien was het land doordrenkt geraakt van het penetrante parfum van verrotting. Hoe lang zou het duren voordat de bodem verlost was van de herinnering aan dit open massagraf? Gelukkig werd de vliegenplaag allengs minder. Op de top van de heuvel draaide hij zich nog een keer om zodat hij een laatste blik kon werpen op het verschrikkelijke tafereel dat hij achter zich liet voordat hij afdaalde naar een landweggetje dat door een onschuldiger, ongeschonden landschap voerde. Vanuit de verte leek het net of er het een of andere festival gaande was op de velden rond de abdij. Maar de wapperende sluier van zwermen zwarte vogels hing als een sinistere spookverschijning boven het terrein. Als een dementor die het leven uit de Aarde zoog.

De hond trippelde opgewekt naast hem op zijn rare witte voetjes, hier en daar nieuwsgierig snuffelend aan de grond. Zo te zien was het dier onaangedaan door te taferelen die ze achter zich lieten en vol goede moed over de toekomst. Het was nu vroeg in de middag en in de lucht hing de dreiging van regen. Op de akkers aan weerszijden van het smalle weggetje stonden de goudgele korenhalmen en lange staken mais somber te wachten op de terugkeer van de zon. In de verte wenkte een vriendelijk kerktorentje achter een klein bos op een heuvelrug. Dit was het schilderachtige Frankrijk dat hem gedurende zijn hele reis had omgeven. Voor het eerst sinds lange tijd voelde hij zich niet bedreigd door achtervolgers. Nadat hij er even over nadacht kwam Stef tot de conclusie dat dit een onverwacht gevolg moest zijn van het rampzalige schouwspel bij de abdij. Als er niemand meer was om al die dodelijke slachtoffers te begraven, dan was de kans ook minimaal dat er nog iemand in leven was om hem achterna te zitten. Het zat er dik in dat hij de enige levende ziel in de wijde omtrek was, een gedachte die hem op dat moment niet bepaald verontrustte. Hij was eraan gewend om alleen te zijn, gaf er zelfs meestal de voorkeur aan om het gezelschap van andere mensen te vermijden, dus op een wonderlijke en misschien ook wel verontrustende manier voelde hij zich bevrijd en in zijn element.

De heuveltop met het bakstenen kerkje liet hij links liggen, maar al snel liep hij tegen de volgende helling op. Aan zijn linkerzijde liep het land nu af naar de Garonne en rechts van het landweggetje verschenen weer fruitboompjes. Zijn voeten waren weliswaar gevoelig van de geforceerde mars van de afgelopen dagen, maar mentaal voelde Stef zich weer een stuk beter. Hij verbaasde zich daarover, want de afschuwelijke beelden van het open massagraf bleven zich aandienen in zijn hoofd. Maar de emotionele catharsis en de slaap die erop volgde hadden hem blijkbaar goed gedaan. Hij kreeg zelfs de neiging om met zijn nieuwe reisgenoot te spelen en een stok te gooien die hij kon apporteren, maar dat bleek met al die bagage om zijn lijf niet goed te doen. Bovendien had het dier meer dan genoeg om te exploreren in deze onbekende omgeving en holde het uitgelaten heen en weer. Toch verloor de hond Stef niet uit het oog en liep regelmatig een stukje met hem op.

Stef stapte nu langs de rand van een plateau en bij tijd en wijle zag hij door een opening in het groen het donkere water links beneden hem in tegenovergestelde richting stromen. Maar na enkele kilometers week de rivier terug en liep hij tussen de akkers naar een knooppunt van wegen. Daar nam hij een binnenweggetje naar het volgende plaatsje, dat volgens zijn kaart op de oever van de rivier lag. Plotseling werd hij overvallen door een regenbui en hij schuilde even in een schuur naast een grote zendmast om zijn regenponcho om te doen, wat niet meeviel met al die bagage op zijn lijf. Tegen de tijd dat hij klaar was en zijn bepakking weer op zijn schouders had gehesen was de bui overgetrokken.

Een paar honderd meter verderop stonden een paar moderne lage woningen bij een splitsing in de weg, de luiken gesloten alsof de inwoners met vakantie waren. Bij de eerste stond een flink speelbad in de rommelige voortuin, zo’n zwembadje voor de kinderen dat je zelf in elkaar kunt zetten. Over het water lag een groen waas van algen. De tuin vol woekerend onkruid werd omzoomd door recentelijk aangeplante jonge naaldboompjes, alsof de bewoners grootse plannen hadden voor de omgeving waarin hun kinderen zouden opgroeien. Op het erf stonden naast het huis een paar afgereden personenautootjes. Welke hoop voor de toekomst was hier verloren gegaan?

Vanaf de elektriciteitsdraden langs de weg leken zwarte vogels de beide passanten met begerige ogen te volgen. De draden verdwenen in de richting van een boerderij die in de verte tussen de akkers op een helling stond. Aan een van de betonnen masten hing een zwartgeblakerde transformator met losse einden elektriciteitskabel die alle kanten opstaken. Het zag eruit als een gespiest insect dat in een vuurtje gemarteld was.

Stef liep nu weer in de richting van de rand van het plateau en plots kwam de onmiskenbare weeë en misselijkmakende geur hem weer tegemoet. Aan het einde van het landweggetje zag hij een poort met een ijzeren hekwerk verschijnen. De kruizen die boven de omheining uitkeken spraken voor zichzelf, hier was de lokale begraafplaats. Links van de weg was een verhoogd stuk land waar men begonnen was met de aanleg van een uitbreiding van de dodenakker. Een hoop aarde naast een eenzame graafmachine en rusteloos opvliegende vogels die elkaar onder luid gekrakeel iets ondefinieerbaars betwistten behoefden geen nadere toelichting. Voordat de smerige zwerm bromvliegen boven het gat in de grond hem in de gaten kon krijgen sloeg Stef haastig een zijweg in, gevolgd door de hond, die zachtjes jammerend naar hem opkeek. Hij wist niet wat hij moest zeggen om het dier, of zichzelf, gerust te stellen.

Het weggetje slingerde in de flank van het plateau omlaag naar het dorpje en met een haarspeldbocht bereikte hij de nauwe straatjes van de oude woonkern. Hij zag geen sporen van een bourg, wat erop leek te duiden dat dit plaatsje voor de verandering niet ontstaan was rond een middeleeuws klooster. Door haar ligging vlak bij de rivier zou haar oorsprong wel iets te maken hebben met handelsactiviteiten en transport over het water. Bij de hoofdstraat zag Stef schuin aan de overkant het uithangbord van een bakkerij die bij nadere inspectie tevens dienstdeed als dorpskruidenier, maar net als in Labastide waren ook hier de ijzeren hekken neergelaten en zat de boel stevig op slot. Ertegenover was een pleintje naast een monumentaal kerkje met een Classicistische gevel van verweerde bakstenen. Er stonden een oorlogsmonument en een crucifix. Bij het monument voor de gevallenen van de Grote Oorlog lagen nog de verwelkte bloemenkransen die er op Quartorze Juillet, de nationale feestdag, moesten zijn neergelegd. Dat was inmiddels bijna een maand geleden, berekende Stef. De verwaaide bloemenhulde was, als het doodshoofd op een zeventiende-eeuws stilleven, een herinnering aan de tijdelijkheid van het menselijke bestaan. Stef vroeg zich af welke monumenten in de toekomst alle slachtoffers van de Rode Dood zouden gedenken?

Op het kruispunt voorbij de kerk nam hij een straat in zuidelijke richting, linksaf. Maar toen ze honderd meter verder gelopen waren stopte de hond en begon gealarmeerd te grommen, de nekharen overeind. Onderzoekend keek Stef voor zich uit, zich afvragend wat zijn nieuwe reisgenoot had gezien dat hij zelf nog niet had opgemerkt. Op de hoek van een zijstraat zag hij ineens een vos rondscharrelen bij een afvalstation. De roodbruine vacht stak scherp af tegen het groen van de plastic vuilnisbakken. Het dier keek verbaasd naar de onverwachte verstoorders en maakte zich snel uit de voeten. Met enige moeite bukte Stef zich om de hond over de kop te aaien en gerust te stellen.

“Goed gedaan, jongen. Volgens mij ben jij een uitstekende waakhond”, zei Stef. De hond piepte zachtjes en keek vragend naar hem op. “Kom, laten we verder gaan.” Stef begon het oplettende beest te waarderen. Met zijn scherpe zintuigen en opmerkingsvermogen nam het dier dingen waar die hem zelf ontgingen. Dat kon bijzonder nuttig zijn tijdens zijn trektocht door het uitgestorven landschap. Die foeragerende vos vatte hij op als een eerste aanwijzing dat de natuur bezig was om de wereld terug te veroveren op de mens. En daarmee zou de strijd om het bestaan zich in toenemende mate afspelen buiten de ordelijke wetten van de beschaving om. Een tijdige waarschuwing voor gevaar kon van levensbelang zijn.

Door een buitenwijkje met nieuwbouwwoningen liepen ze omhoog en het tweetal kwam al snel op een vlakte met uitgestrekte akkers waarop graan en aardappelen stonden. De landbouw was hier veel grootschaliger dan op de lappendeken van kleine akkertjes dat hij tot dan toe vooral was tegengekomen tijdens zijn trektocht door Frankrijk. Het deed Stef denken aan de Noordoostpolder. Het landschap was zo plat als een pannenkoek en de elektriciteitspalen langs de weg waren de enige objecten die boven de horizon uitstaken.

Hij begon uit te kijken naar een verlaten schuur of iets dergelijks om de nacht in door te brengen. De verspreide huizen die ze passeerden liet hij voor wat ze waren uit vrees voor wat hij daar kon aantreffen. Uiteindelijk vond hij een grote boerenloods midden in het lege landschap. Het halfopen gebouw stond achter een rijtje verwilderde struiken en bomen langs de weg. In die natuurlijke haag was een opening die toegang gaf tot het terrein waarop de loods stond en Stef stapte over de ketting die de weg versperde. Met zijn neus op de grond dribbelde de hond voor hem uit in de richting van de grote schuur. Er stonden een paar indrukwekkende landbouwmachines en wat andere zaken die je kon verwachten op een boerenbedrijf: vaten olie, zakken kunstmest, bouwmaterialen, gereedschappen en onderdelen van apparaten om het land te bewerken. Het was een tochtige open hal die niet erg uitnodigde tot kamperen. Stef had gehoopt om iets als een com- fortabele hooizolder te vinden, maar aangezien hij gedurende de middag geen sporen had gezien van koeien of ander vee verbaasde het hem niet dat hij een dergelijk toonbeeld van zwerversromantiek hier niet aantrof. Op het terrein achter de loods vond hij wel een paar kleine schuurtjes die zo te zien dienstdeden als opslagruimte. Een ervan leek zelfs te fungeren als onderkomen voor landarbeiders of jagers, want door een gebarsten ruitje zag hij een ouderwets potkacheltje en een paar stoelen naast een tafeltje. Het zag er veelbelovend uit en Stef keek naar de hond die nieuwsgierig aan de gesloten deur snuffelde. Het dier gaf geen teken van onraad en Stef bestudeerde het hangslot dat aan de deur zat. Er zou niet veel nodig zijn om de vergrendeling uit het verweerde hout te trekken en hij liet zijn bagage zakken om zijn zakmes te zoeken.

Even later stapte hij naar binnen in de kleine halfduistere ruimte. Het rook er muf en overal zaten dikke kluwens spinrag, maar op dat moment leek het hutje het toppunt van gezelligheid en geborgenheid. In een hoek achterin stond zelfs een soort veldbed. Gerustgesteld haalde Stef zijn bagage naar binnen en plaatste die tegen het bed. Hij deed zijn regenponcho af en hing die over een van de stoelen. Tevreden deelde hij de laatste koekjes met de hond en at nog een handje kersen om de scherpte van zijn hongergevoel af te halen. Vervolgens liet hij zich vermoeid zakken op het bed en strekte zijn benen. De hond ging naast hem op de grond zitten, krabde zich achter een oor en begon zichzelf op zijn gemak te likken. Met zijn handen op de buik sloot Stef zijn ogen en viel als een blok in slaap.

Het schemerde buiten toen hij weer wakker werd. De hond lag naast het bed op de vloer en richtte zich op toen Stef overeind kwam. Op kalme toon zei hij een paar woordjes tegen het dier dat met kwispelende staart naar hem toe kwam en zich over de kop liet aaien. Het krabde zich nog eens, draaide zich om en wandelde naar de deur. Daar ging hij zitten en maakte zachte piepgeluidjes. Stef begreep de hint en opende de deur zodat zijn metgezel zichzelf kon uitlaten. Daarna ging hij op onderzoek uit en bijgelicht door zijn zaklamp inspecteerde hij de inventaris van het hutje. Op een plank aan de muur stonden een paar roestige koekblikken waarin hij een paar kaarsen en een doosje lucifers vond. Een van de blikken bevatte vreemde paarse korrels die Stef niet helemaal kon plaatsen. Het zag eruit als een soort gekleurde hagelslag. Toen besefte hij dat het waarschijnlijk rattengif was. In een laatje in de tafel lagen nog een oude schroevendraaier met een gebroken handvat en een bolletje touw. Verder had de ruimte niet veel te bieden. Hij besloot om voordat het helemaal donker werd nog eens rond te kijken op het terrein om zich ervan te vergewissen dat hij veilig was en of er niet nog ergens iets lag dat hij kon gebruiken. Met zijn lamp in de hand inspecteerde hij de schuurtjes en scheen met de lichtbundel in donkere hoeken en spleten, maar Stef vond niets van zijn gading. De hond had zich inmiddels weer bij hem gevoegd en scharrelde nieuwsgierig rond, alsof het zijn steentje wilde bijdragen aan deze kleine speurtocht.

Weer teruggekeerd in hun tijdelijke onderkomen besloot hij het erop te wagen om een vuurtje te maken in de roestige kachel en een warme maaltijd te bereiden. Hij hoopte maar dat de geur van brandend hout geen ongenode gasten zou aantrekken, maar het was buiten weer zachtjes gaan regenen en hij dacht dat de rook zich niet ver zou kunnen verspreiden. Bovendien, de kans dat er nog iemand leefde om wat dan ook te ruiken leek hem nihil.

Nieuwsgierig gadegeslagen door de hond brak Stef wat droge takjes in stukken en stak met een stuk karton en een lucifer een vuurtje aan. Gezellig knetterend vlamden de takken op en hij deed er wat grotere stukken hout bij van een vermolmde plank die hij gevonden had. Met gespitste oren keek het dier toe terwijl hij een blik groentesoep openmaakte en op de kachel plaatste.

“Jaja, ouwe jongen. Dat hebben we wel verdiend, heh? Na zo’n lange dag. Wees maar niet bang dat je wordt overgeslagen, je hebt recht op jouw deel van de maaltijd.” Hij betwijfelde echter of de hond wel zo gelukkig zou zijn met zijn vegetarische keuze voor het avondeten en inspecteerde de verzameling blikjes die hij bij zich had. Hij besloot dat de confit de canard die hij had meegenomen uit Cabrerets wel kon doorgaan voor hondenvoer. Dat leek een juiste keuze want toen hij het blik met eendenbouten openmaakte begon de hond opgewonden te piepen. Hij zette het ingemaakte gevogelte naast de soep op de kachel zodat het vet kon smelten en al gauw begon zich een aangenaam aroma te verspreiden in het schuurtje. Het speeksel stroomde hem in de mond en hij kreeg een ontzettende zin in wijn, maar tot zijn spijt had hij geen fles bij zich. Terwijl de blikken warm werden schilde hij een paar van de aardappels die hij onderweg geoogst had en sneed ze in kleine blokjes om later te bakken in het eendenvet. De eieren wreef hij schoon en legde hij in het blik soep nadat hij een beetje van de lauwe groenten had overgegoten in zijn drinkbeker en het blik had aangevuld met water uit zijn fles. Hij hoopte dat de eieren op die manier gaargekookt zouden worden. Hij pelde vervolgens ook een van de uien die hij had gevonden en hakte die fijn. Die zou hij later kunnen vermengen met de gebakken stukjes aardappelen. Stef vond zelf dat hij lekker op dreef was met kokerellen en snoepte genoeg- lijk van de slappe groenten die hij uit de soep viste. De hond zat oplettend toe te kijken en volgde al zijn bewegingen. Het dier schrokte haastig een stuk wortel naar binnen dat Stef hem toewierp.

“Zozo, dus jij bent ook niet vies van een vegetarische versnapering, heh? Honger maakt rauwe bonen zoet, zoals ze bij ons zeggen.” Het dier keek hem onderzoekend aan, alsof het zich afvroeg waarom het zo lang duurde voordat het hoofdgerecht werd opgediend.

“Ik denk dat het zo langzamerhand tijd wordt om je eens een naam te geven, want het lijkt erop dat we nog wel een tijdje samen zullen optrekken, denk je niet?” De aangesprokene hield de kop schuin met een geconcentreerde blik in de ogen, alsof hij nadacht over een belangrijke beslissing, terwijl Stef hardop peinsde over een geschikte naam.

“Mmmmh, laten we eens kijken. Hoe was dat kinderverhaal waar die hond in voorkwam ook al weer? Alleen op de wereld? Zat daar geen hond in? Er schiet me geen naam te binnen… Wat had je nog meer? Belle en Sebastiaan? Ja, dat ging geloof ik ook over de vriendschap van een jongetje met zijn hond. Maar ik geloof niet dat Belle een toepasselijke naam voor je is. Je bent misschien intelligent en trouw, maar mooi zou ik je niet willen noemen. Bovendien past zo’n meisjesnaam ook niet bij je. Wat dan? Rex is geloof ik wel een gangbare naam voor een hond hier in Frankrijk… Oh, maar natuurlijk!”, de ideale naam schoot hem plotseling in gedachten. Met een opgeheven wijsvinger verkondigde hij: “Je moet natuurlijk genoemd worden naar de trouwe metgezel van Saint-Roch, de beschermheilige van de pelgrims. Diens hond werd weliswaar heiligverklaard en zulk eerbetoon moet jij nog wel verdienen, maar voorlopig mag je door het leven gaan als Roquet. Wat dacht je daarvan? Roquet! Vind je dat wat?”

Tot zijn verbazing blafte de hond tweemaal bij het horen van zijn nieuwe naam. Stef moest daar erg om lachen, maar vatte het op als een teken van instemming met zijn keuze. Om de doop te bezegelen gaf hij het dier een van de malse eendenbouten. Daarna bediende hij zichzelf. De vrijgekomen ruimte in het blik benutte hij om de aardappelblokjes in gaar te stoven. Terwijl hij de gare stukken vlees zonder moeite van het bot trok bedacht hij dat het tijd werd om eens uit te kijken naar een steelpannetje of zo, want het vooruitzicht om uit blikjes te blijven eten vond hij plotseling maar deprimerend. Genoeglijk smakkend deelden de nieuwe reisgezellen zo hun eerste gezamenlijke warme maaltijd.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.