19 | Een andere koers

Zo troffen de reisgezellen elkaar een uur later weer bij Mas de Doucet, een kleine nederzetting halverwege Larroque-Toirac. Daar stond tegenover een oude boerenhoeve, tussen de akkers, boomgaarden en moestuinen, een oud baanwachtershuisje van de Quercyrail. Stef had een prettige wandeling in de koele schaduw van het droge bos gehad en zich daarna comfortabel geïnstalleerd tegen een muurtje dat de spoorlijn scheidde van de straat. Daar zat hij wat te mijmeren toen hij Xavier in de verte zag aankomen lopen over de weg. Met een bezweet gezicht vertelde zijn metgezel even later dat hij ook niets opzienbarends te melden had. Xavier’s uithoudingsvermogen was duidelijk niet meer wat het was toen de mannen elkaar bijna een maand geleden voor het eerst ontmoetten. Stef vreesde dat Xavier toch iets van het virus had opgelopen en dat zijn lichaamskrachten daardoor werden aangetast. Ook de met enige regelmaat terugkerende hoestbuien en zijn blaffende gekuch gaven de indruk dat zijn metgezel iets onaangenaams onder de leden had. Maar het leek hem weinig zinvol om de ander daar op te wijzen: die was zich ongetwijfeld zelf heel goed bewust van zijn conditie.

Na een korte pauze vervolgden ze hun weg stroomopwaarts. Een paar kilometer verderop verscheen aan hun linkerkant plotseling het imposante kasteel van Larroque-Toirac. Het stond op een verhoging tegen de steile klif aan het einde van een kaarsrecht toegangsweggetje naar het gehucht met dezelfde naam. De burcht stond verdekt opgesteld in een kleine kloof. Het was alsof de oude muren en de statige torens door een reusachtige mythische steenhouwer bevrijd waren uit het natuurlijke gesteente van de omringende rotswand. Het slot keek uit over de daken van de kleine huisjes die zich aan haar voet hadden samengetrokken in de vallei van de Lot. Een paar hoge ronde torens met kleine venstertjes hield een slank en hoog hoofdgebouw overeind. Het zadeldak ervan reikte tot de bovenste verdiepingen van de torens. Een robuste poort met lage ronde versterkingen die zo te zien een stuk ouder was lag er tegenaan.

Van een afstand vielen meteen een paar grote gaten op in de steile rotswand die de achtermuur van het kasteel vormde. Die grotopeningen hadden een enerverend effect op Xavier, die opgewonden zijn verrekijker tevoorschijn haalde om de situatie beter te kunnen bestuderen. “Ideaal, ideaal!”, zei hij geestdriftig tegen niemand in het bijzonder.

Terwijl ze de richting van de burcht opliepen streepte Stef in gedachten een aantal belangwekkende kenmerken af: De holen lagen hoog en droog boven de rivier, met een strategisch uitzicht naar alle kanten in de vallei en te oordelen naar de openingen van de holen waren ze ruim genoeg om mensen en dieren te huisvesten. Hij deelde deze observaties met Xavier, die inmiddels zijn tablet had gepakt om meer informatie over het kasteel te zoeken en voegde eraan toe: “Hiervandaan valt niet goed te zien of er daarboven ook drinkwater te vinden is, maar ik denk dat er geen burcht zou staan als er niet ook een put of bron was.”

“Ja, prachtig”, antwoordde Xavier terwijl onder het lopen zijn vingers driftige bewegingen maakten over zijn beeldschermpje. “Mmmm”, klonk het even later weifelend terwijl hij een stuk tekst las. “Hier staat dat het oudste deel van het kasteel uit de twaalfde eeuw stamt…”

“Ja, dat stond ook al op het bordje bij de ingang van het dorp”, merkte Stef op. “Dat maakt de kandidatuur voor deze plek twijfelachtig, is het niet? Ik bedoel, als hier toen al een vesting was, dan ligt het niet voor de hand dat er struikrovers huisden…”

Terwijl hij dit zei begon hij al te twijfelen aan die overhaaste conclusie en ook Xavier had de fout in zijn redenatie gezien: “Dat hangt er helemaal van af of het kasteel in de eerste helft van die eeuw is ontstaan, dus vòòr de vermissing van de monniken uit Cluny en hun geschenk, of daarna. In dat laatste geval kunnen we rekening houden met de mogelijkheid dat het kasteel gebouwd is met de opbrengst van de buit van de overval.”

“Ja, dat is natuurlijk zo”, antwoordde Stef. “Is er geen nauwkeuriger datering te vinden voor de oprichting van de burcht?”

“Zo te zien niet. Oh, wel staat hier dat er in de grotten ernaast sporen van prehistorische bewoning zijn gevonden…”

“Maar dat zegt toch helemaal niks.”

“Nee. Maar een oerversie van het gebouw kan ook gediend hebben als uitvalsbasis voor de overvallers. Misschien dat het kasteel dat we nu zien een latere uitbreiding is van een vroegere simpele versterking.”

Stef moest toegeven dat zoiets wel tot de mogelijkheden behoorde. Toch had hij zo zijn twijfels, maar hij besloot zijn mening voor zich te houden en eerst maar eens te zien of ze wat meer konden opmaken uit de spelonken in de rotswand.

De weg naar de toegangspoort van het slot slingerde door de nederzetting omhoog tegen de natuurlijke stenen wand. In een veldje op de helling aan de voet van de klif verhief zich op vier oude Romeinse zuiltjes trots een fraaie vierkante pigeonnier met een puntdakje. Het robuuste bouwsel wekte de suggestie dat de vogels zich vroeger verschanst hadden in hun eigen versie van het kasteel.

De poort maakte een massieve en ontoegankelijke indruk. In de ruimte onder een grote boog in de muur was de vroegere hoofdingang dichtgemetseld met grofgehakte brokken natuursteen. Een enkel muurplantje had zich genesteld in de voegen tussen de ruwe stenen. Aan hun rechterkant zat in een Gotische boog met een verweerd wapenschild in de nok een houten poort geklemd. Op een kleine deur in het midden van de poort prijkte uitnodigend een forse koperen klopper, maar een rood-met-wit geschilderde ketting belemmerde de doorgang. Het bordje ‘Propriété Privée – Défense d’entrer’ dat aan een wit hekje hing wekte de indruk dat die deurklopper vooral een decoratieve functie had.

Het was nu duidelijk te zien hoe de vesting tegen de klif aan gebouwd was. Met een haarspeldbocht zigzagde een steil paadje langs de helling naar een hoger gelegen terras. Dat wekte het vermoeden dat zich daar nog een andere ingang van het kasteel bevond. Die zou dan aan de achterkant halverwege de hoogte van de gevel aan de voorzijde liggen. Het slot leek daardoor uit de rotswand te groeien. Vol verwachting klommen de twee mannen omhoog. Het viel Stef op dat er een paar flinke waaierpalmen en yucca’s tegen de zonovergoten muren stonden. Dat riep een mediterraan gevoel op dat hem deed denken aan de kruisvaardersburchten in het Heilige Land.

Hijgend van de inspanning bereikten ze het bovenste terras. Daarop bevond zich een smalle doorgang tussen de verticale rotswand en de achtergevel van het hoofdgebouw. Er stond een kniehoog ijzeren hekje voor dat geen al te groot obstakel vormde. Ook hier hing een bordje met de mededeling dat er achter de versperring privéterrein lag, maar zonder de toevoeging die de toegang verbood. Er was geen mens te zien en na een korte aarzeling stapte Xavier resoluut over het hekje. Ze liepen een paar meter door een nauwe passage en kwamen bij een nis in de rots waar een muurtje stond met een schietgat erin. Van het poortje dat er vroeger naast stond waren zowel de boog als de deur verdwenen en de mannen konden ongehinderd verder lopen.

Ze kwamen nu op wat je de binnenplaats van de vesting zou kunnen noemen. Vanaf de achterkant waren de proporties van de burcht een stuk minder imposant. Rechts van hen stond een van de ronde torens ingeklemd tussen een rechthoekige verblijfsruimte en het grote hoofdgebouw. Een rustiek deurtje met een boog gaf toegang tot de toren, waarin Stef een wenteltrap vermoedde die naar de hoger en lager gelegen etages van beide aangrenzende gebouwen zou leiden.

Xavier had al zijn aandacht gericht op de rotswand die aan hun linkerzijde boven het kasteel uittorende. Daar verscheen nu zo’n tien meter boven hun hoofden de eerste grote spelonk, half verscholen achter de overhangende begroeiing. Ze konden zien dat de opening grotendeels was afgesloten door een gemetselde muur van natuursteen met een paar kleine vensteropeningen erin. Bijna recht daaronder bevond zich op grondniveau de ingang van een andere holte, die meer weg had van een kelder. De ingang was laag – niet hoger dan anderhalve meter – en lag enigszins verzonken in de bodem. Deze ruimte was afgesloten met een paar solide houten deuren. Het zag eruit als een wijnkelder of een bergruimte voor tuingereedschap.

Zwijgend nam het tweetal alles in zich op terwijl ze verder liepen. Boven de kelder liep vanaf de hoger gelegen grot langs de rotswand voor hen uit een richel schuin af naar het natuurlijke terras waarop ze zich bevonden, dat op haar beurt licht omhoog ging, als om de richel tegemoet te komen. Halverwege de plek waar richel en terras samenkwamen bevond zich een tweede afgesloten kelderruimte die was uitgehouwen of uitgesleten in de rots. Boven, op de richel, gaapten nog twee grote spelonken met hun grote openingen. Dat waren de holen de ze vanaf de weg beneden in de vallei hadden gezien. Schuin tegenover de tweede kelder staken de hoekige fundamenten van een vijfkantige versterkte toren uit de rand van het smalle plateau .

De twee kelders waren niet toegankelijk, maar door het open lattenwerk dat de tweede holte afsloot konden ze zien dat de ruimte niet diep was, niet meer dan een meter of twee. Nieuwsgierig tuurden Xavier en Stef tussen de houten tralies door naar binnen. Er stonden wat tuinmeubelen en onderhoudsgereedschappen in de halfduistere ruimte opgeslagen. Voordat ze de gaten op de richel boven hun hoofden gingen bekijken legden de mannen hun rugzakken bij de resten van de vijfkantige toren, die als een belvedère boven de huizen in de diepte hing en een schitterend uitzicht bood over de vallei van de Lot.

Opgewonden liep Xavier heen en weer om de juiste hoek te vinden voor de talloze foto’s die hij afknipte terwijl hij goedkeurend mompelende geluidjes voortbracht. Vol verwachting beklommen ze het gemetselde onderste deel van de oplopende richel. De holen daar hadden enorme openingen, maar waren tot hun teleurstelling niet erg diep. De eerste ingang was zo’n meter of zes breed, maar in de boog van de opening kon je op het hoogste punt net rechtop staan. Het plafond liep naar achteren over niet meer dan vier meter afstand schuin naar de grond. Stef merkte op dat de ruimte misschien geschikt was als verblijf voor een paar prehistorische holbewoners, maar zeker niet groot genoeg voor een bende struikrovers met hun gevangenen. Xavier knikte afwezig bij deze observaties van zijn metgezel, maar hield er zo te zien zijn eigen gedachten op na. Er waren overigens ook geen sporen van instortingen en gevallen puin. Stef vroeg zich af of de grot op natuurlijke wijze door erosie was ontstaan, of dat er mensenhanden met gereedschappen aan te pas waren gekomen. Misschien een beetje van beide.

De tweede holte was wijder en toegankelijker. Deze opening was ongeveer vier meter breed bij twee meter hoog en de zijwanden liepen minder schuin naar boven. Ook deze grot was niet erg diep, slechts een paar meter. Een prima schuilplaats tegen de regen en je kon er waarschijnlijk net een koppel paarden in kwijt – als die de klim over de smalle richel hadden kunnen nemen – maar de ruimte kwam bij lange na niet overeen met de voorstelling die Stef in zijn hoofd had gevormd naar aanleiding van Xavier’s beschrijving van de gebeurtenissen zoveel eeuwen geleden. Daarbij dacht hij meer aan een uitgebreid stelsel van onderaardse gewelven.

Uiteindelijk bereikten ze de meest hooggelegen grot in de klif – de eerste die ze vanaf de nauwe passage bij de ingang van het kasteel gezien hadden. Dat was die met het halve muurtje en de venstertjes voor de opening. Ook deze was niet veel dieper dan een paar meter. De ruimte was bijna rechthoekig en had zo te zien ooit dienst gedaan als opslagruimte, misschien had er zelfs vee in gestaan. Wat geiten of een ezel zouden er wel in passen. Nu was het een toeristische bezienswaardigheid waar bezoekers van het kasteel snoeppapiertjes, sigarettenpeukjes en graffiti hadden achtergelaten.

Na hun inspectie van de holen in de rotswand zaten de mannen op de rand van de vijfkantige toren om iets te eten. Het gehucht aan hun voeten was spookachtig stil. Uitgestorven. Letterlijk misschien? Ze bespraken hun bevindingen, maar er viel weinig meer te concluderen dan dat de rotswand wel iets weg had van een gatenkaas. Maar de openingen die ze hadden bekeken voldeden niet aan de voorwaarden voor een rovershol. In ieder geval niet als schuilplaats voor een bende van enige omvang inclusief hun gevangenen. Xavier stelde dat ze niet konden uitsluiten dat er ook diepere grotten waren, bijvoorbeeld op de plek van het kasteel zelf. Het leek voor de hand te liggen dat de burcht ontstaan was om een toegankelijke en goed verdedigbare grot heen. Misschien waren de stenen waaruit de gebouwen waren opgetrokken zelfs wel uit de rotswand gehakt, suggereerde hij. Stef liet zijn blik nog eens over de hellingen gaan, maar zag geen sporen van iets dat kon doorgaan voor een oude steengroeve. Hoewel hij moest toegeven dat het hem aan de kennis ontbrak om die mogelijkheid helemaal uit te sluiten.

Terwijl Stef zich met zijn rug tegen de warme stenen nestelde in het zonnetje, was Xavier met zijn tablet druk op zoek naar meer informatie over de geschiedenis van Larroque-Toirac. Met zijn ogen gesloten dommelde Stef een beetje weg bij fantasieën over ridders, rovers en bedevaartgangers terwijl zijn metgezel zachte geluidjes maakte die instemming, verbazing of afkeuring uitdrukten over hetgeen hij onder ogen kreeg.

“Stef, ben je wakker? Moet je horen. Ik lees hier dat we zitten op de resten van een toren die de Cinq Cayres wordt genoemd, de ‘vijf kanten’. Dat was de oorspronkelijke dertiende-eeuwse donjon. Het kasteel zelf is pas in de vijftiende eeuw gebouwd. Allemaal ver nà het tijdperk van Eleanor dus.”

Stef deed zijn ogen open en trok een teleurgesteld gezicht.

“Er is in een document uit 1233 sprake van het Castrum van Larroque dat eigendom is van de heren van Montbrun”, vervolgde Xavier. “Volgens de erfgoedwebsite van het Departement du Lot zijn de grotten inderdaad de oudste onderkomens op deze plek, maar een datum voor die eerste bewoning wordt niet genoemd.”

“Tsja,” reageerde Stef gelaten, “als die grotten al in prehistorische tijden bevolkt werden door rondtrekkende jagers, dan valt daar verder niet veel zinnigs over te zeggen”.

“Nee nee, ik denk niet dat ze doelen op prehistorische holbewoners. Er wordt volgens mij verwezen naar bewoning in de periode vlak voor 1233, naar de mensen die de oudste versterkingen hier hebben gebouwd en die hier dus al vòòr die tijd bivakkeerden.”

“Hm.” Stef keek bedenkelijk. “Dat kunnen dus net zo goed boeren als struikrovers geweest zijn. En mogelijk zelfs allebei. Ik bedoel, vreedzame landbouwers kunnen zich als de gelegenheid zich voordeed of de omstandigheden hen daartoe dwongen, buiten het bereik van lokale of regionale gezaghebbers, ontpopt hebben tot bandieten.”

“Ja. Er valt dus weinig met zekerheid te zeggen. Het blijft onduidelijk of deze plek rond 1150 bevolkt was en een gevaar vormde voor nietsvermoedende pelgrims of niet.”

“Nee. En we kunnen ook niet vaststellen of het latere kasteel over een ingestorte grot is gebouwd.”

“Dat klopt, maar het is geen ondenkbaar scenario dat men bij de bouw van de versterkingen rond de Cinq Cayres-toren een ingevallen onderaardse holte heeft gevonden.”

“En dat men daarbij die schat van Eleanor heeft opgegraven?” vulde Stef aan. “Jij houdt het nog steeds voor mogelijk dat zo’n vondst geheim gebleven is en dat van de opbrengst daarvan de uitbreiding van het kasteel gefinancierd kon worden?”

“Ja, dat lijkt mij nog steeds een denkbare gang van zaken. Maar ik ben het met je eens dat het slechts een van vele mogelijkheden is. We hebben de afgelopen dagen al een hoop interessante plekken gezien en voor mij staat deze op dit moment bovenaan de lijst. Maar we zijn er nog niet. Ik zal eens kijken of ik nog iets meer kan vinden over grotwoningen bij middeleeuwse kastelen.”

Even later onderbrak Xavier de mijmeringen van Stef nogmaals. “Stef, hebben wij ooit weleens een pelgrimsroute door de vallei van de Célé overwogen?”

Dat kwam Stef niet bekend voor en hij vroeg zich af wat zijn wispelturige reisgenoot nu weer bedacht had. Hij zat juist te mijmeren over de categorieën die hij wilde gebruiken voor de systematische puntentelling om de interessante locaties die ze de afgelopen dagen hadden gezien overzichtelijk te ordenen. Hij dacht even na over de vraag van Xavier en hun conversatie in de buurt van Montredon schoot hem te binnen, toen ze de verschillende mogelijkheden bespraken om van Figeac naar Cahors te lopen. Voor zover hij zich kon herinneren was de Célé daarbij niet ter sprake gekomen.

“Er is blijkbaar een alternatieve route van het moderne Jacobspad die langs dat riviertje loopt”, vervolgde Xavier. “Dat is de GR651. Ik lees hier dat er aan de Célé verschillende plaatsjes liggen met oude grotwoningen. Houd jij het voor mogelijk dat ons middeleeuwse reisgezelschap vanaf Figeac die weg heeft gekozen?”

Die vraag overviel Stef. “Goh, Xavier. Ik heb geen idee. Dan zou ik de kaart eens moeten bestuderen. Zijn er nog bijzondere plekken uit de twaalfde eeuw op die route?”

“Nou, eens even kijken… Er zijn behoorlijk wat middeleeuwse restanten langs die weg, zo te zien. Maar de datering ervan zouden we moeten uitzoeken. Die zie ik er zo snel niet bij staan op deze plattegrond. Toch ziet het er veelbelovend uit. Bij Saint-Eulalie heb je een oude abdij. Bij Espagnac ook, met een gîte d’étape voor het Jacobspad. Dan is er een Château Anglais op de weg naar Brengues – alweer zo’n strategische verschansing bij een grot. Ah, in Saint-Sulpice zijn grotwoningen en bij Marcilhac heb je weer de resten van een aanzienlijke abdij. Dat zijn allemaal plaatsjes die op een paar kilometer afstand van elkaar langs de rivier liggen. Boven Marcilhac zie ik op het plateau ook een Grotte de Bellevue. En stroomafwaarts van de Célé gaat het zo verder: Meer grotwoningen bij Sauliac, waar ook een kasteel staat. En vervolgens op de weg naar Cabrerets, waar de beroemde prehistorische grotten van Pech Merle zijn, het Château Cuzals. Oh…Nee, maar! Bij Cabrerets heb je ook nog een Château du Diable! Stef, hoor je dat!” Geestdriftig sprong hij op, wijzend naar het beeldscherm. “Het Kasteel van de Duivel! Niet te geloven. Dat kan geen toeval zijn. Als die naam verbonden is aan een oude middeleeuwse versterking, dan is dat de beste aanwijzing die we tot nu toe hebben. Weet je nog dat er in die kroniek uit Moissac sprake was van een duivel die met zijn demonen omlaag kwam van een rots en het groepje pelgrims meesleurde naar de poorten van de hel? Stel je voor dat die gebeurtenissen deel zijn geworden van een plaatselijke overlevering en dat daarvan iets is overgebleven in de naam van de een of andere kasteelruïne…”

De conclusie van die laatste zin hing in de lucht als een zinderend verlangen. Stef moest toegeven dat een plek met die naam in de buurt van de oude pelgrimsroute in het licht van Xavier’s verhaal over de schat van Eleanor wel heel erg toevallig was. Er ging een warme golf van opwinding door hem heen. Zou die hele onderneming van Xavier dan toch meer zijn dan de zoektocht naar een luchtkasteel?

“Hé Stef, hé, moet je kijken!” Opgewonden hield Xavier zijn tablet op naar Stef, maar die kon van een afstand niet direct zien wat de ander hem wilde tonen. “Het is nog veel mooier. Niet te geloven. Kijk dan, hier een paar plaatjes van dat Duivelskasteel. Je kunt duidelijk zien dat het de façade van een primitieve versterking is die, net zoals hier, vòòr zo’n grote spelonk staat. Zie je?”

Stef was overeind gekomen en naast Xavier gaan staan bij de rand van het pentagram dat werd gevormd door de torenfundamenten. Tot zijn verbazing zag hij op het kleine scherm inderdaad de resten van een stuk vervallen muur met een halfronde toren op een smalle richel in een rotswand. Vlak onder de ruïne zag hij de daken van een paar woonhuizen die tegen de rots waren gebouwd, precies zoals ze die ochtend gezien hadden bij Cadrieu, alleen was de klif hier vele malen hoger. Maar het mooiste was wel de grote spelonk die je op een luchtfoto kon herkennen, een gapend gat in het gesteente achter de vervallen gevel van het bouwwerk. Het leek haast te mooi om waar te zijn. Hij zag nu ook dat er geen onderaards gangenstelsel nodig was om het verhaal kloppend te krijgen, want de aanbouw moest in het verleden uit meerdere overdekte ruimtes bestaan hebben. In combinatie met de natuurlijke holte kon dat er voor een middeleeuwer in het donker heel goed uitgezien hebben als het voorgeborchte van de hel.

“Laat me even kijken wat ik kan vinden over de geschiedenis van dat fort”, zei Xavier, terwijl hij een linkje opende. Zijn blik ging zoekend over een webpagina en in stilte las hij een paar alinea’s. “Ah, hier staat dat volgens sommige historici het kasteel in de achtste eeuw al bestond en toebehoorde aan de Hertog van Aquitanië. De achtste eeuw, Stef, dat is vier eeuwen voordat Eleanor leefde, vierhonderd jaar vòòr onze monniken uit Cluny verdwenen.”

Stef knikte instemmend. Hij dacht aan de ironie van de geschiedenis die de vermiste schat van de erfdochter van Aquitanië nu in verband leek te brengen met een kasteel van een van haar voorgangers.

Xavier vervolgde enthousiast: “Het kasteel werd tijdens de Honderdjarige Oorlog in het jaar 1387 door de Engelsen veroverd en bleef volgens deze schrijver bewoond tot het midden van de vijftiende eeuw. Man, dit is de eerste solide aanwijzing voor een middeleeuwse aanwezigheid in deze omgeving gedurende de periode die ons interesseert.”

Stef was onder de indruk. Gedurende de afgelopen dagen was hij stilaan tot de conclusie gekomen dat het hele verhaal van Xavier zo vergezocht was, dat, àls het al op waarheid berustte, het onbegonnen werk was om de juiste locatie vast te stellen op basis van de vage informatie waarover ze beschikten. Zonder hoge verwachtingen was hij meegegaan in diens onderneming omdat hij die onderhoudend vond. Zich te hullen in de illusie een schatzoeker te zijn bezorgde hem de aangename opwinding van een mysterieuze uitdaging en de speurtocht bood een interessante afleiding van de dreiging die hem achtervolgde. En natuurlijk was hij opgetrokken met Xavier omdat het gezelschap van de ander hem een gevoel van veiligheid gaf. Maar hij kon niet ontkennen dat deze laatste aanwijzingen er opmerkelijk hoopvol uitzagen. Het leek plotseling niet meer zo zinvol om hun voorgenomen wandeling van die dag af te maken. De klim tegen de hoge Saut de la Mounine op was niet bepaald een inspanning om naar uit te zien op het heetste tijdstip van de dag en hij was nu vooral erg nieuwsgierig naar de situatie in de vallei van de Célé. Hij kon eigenlijk niet wachten om die kant op te gaan om daar hun zoektocht voort te zetten.

Alsof Xavier zijn gedachten geraden had, vervolgde hij: “Wat vind jij, Stef? Zullen we nog verder gaan vandaag en de Lot oversteken om aan de overkant terug te lopen? Persoonlijk voel ik er veel voor om onze krachten te sparen en de kortste weg terug te nemen naar Cajarc en ons daar voor te bereiden op een kleine verhuizing. Dan kunnen we morgen bijtijds het plateau oversteken.”

Dat leek Stef een goed plan. Ze hadden al veel gezien van de omgeving rond Cajarc en hij verwachtte niet dat ze er nog betere aanwijzingen zouden vinden. Larroque-Toirac was een opwindende ontdekking geweest. Zonder twijfel het hoogtepunt van hun speurtocht tot nu toe. Maar de Célé lonkte nu krachtig en hoewel hij behoefte had aan een rustdag, gaf de opwindende nieuwe informatie die ze nu hadden een flinke aanmoediging om snel verder te gaan met hun onderzoek.

Dus pakten ze hun spullen op en verlieten de twee mannen het romantische kasteel dat er kort tevoren nog zo veelbelovend uit had gezien. Ze daalden af door de nederzetting en liepen in de richting van de doorgaande weg aan de oever van de rivier. Daar werden ze opgeschrikt door het lawaai van een gierende automotor. Het geluid zwol aan als een naderende onheilstijding en verscheurde de doodse stilte die over het uitgestorven dorpje hing. Vanuit de richting van Figeac kwam met hoge snelheid een kleine 4×4 aanrijden. Uit voorzichtigheid stapten de mannen snel terug in de schaduw van de zijweg. Ze waren de dreiging van hun achtervolgers nog niet vergeten en wilden liever niet gezien worden. De terreinwagen scheurde voorbij en nu werd duidelijk waarom de chauffeur zo’n haast had, want hij werd achtervolgd door een witte bestelauto. Toen die voorbij vloog zag Stef dat er twee mannen in zaten, waarvan er eentje een jachtgeweer vasthield. De zwarte loop van het wapen stak als een angel uit het raampje aan hun kant van de weg. Voordat hij zich realiseerde wat er gebeurde, waren de wagens alweer bijna uit het zicht verdwenen.

“Het lijkt erop dat het gezag begint af te brokkelen en dat de burgers het heft in eigen hand nemen”, stelde Xavier nuchter vast.

“Hoe dat zo?” wilde Stef weten.

“Nou, als gewapende burgers elkaar met grote snelheid achterna gaan zitten in de huidige verwarde omstandigheden, dan weet ik niet zo gauw welke andere verklaring ik daarvoor moet bedenken. Het dunne laagje beschaving dat onze gewelddadige driften normaal gesproken in het gareel houdt slijt snel weg onder de druk van angst en zonder de beschermende laag van orde en gezag. Doodsbange mensen die zich in de steek gelaten voelen door hun overheid houden zich nu eenmaal niet lang aan de wetten en regels van de gereguleerde samenleving. Deze achtervolging illustreert dat waarschijnlijk. We kunnen in de toekomst wel meer van dergelijke anarchistische taferelen verwachten, denk ik zo.”

Dat was een onheilspellende observatie, maar gezien de taferelen die ze in Figeac waren tegengekomen, zag Stef wel in dat zijn reisgenoot gelijk had.

“Laten we de weg hier oversteken en over de spoorbaan teruglopen naar Cajarc”, stelde Xavier nuchter voor.

Die avond bespraken ze hun plannen voor de volgende dag. Cabrerets lag ruim twee kilometer noordelijk van de plek waar de Célé en de Lot samenvloeiden. En de twee riviertjes kwamen een klein stukje voorbij Saint-Cirq-Lapopie bij elkaar, hemelsbreed vijftien kilometer ten westen van Cajarc. In totaal was de afstand tot hun reisdoel dus die van een kleine dagmars. Maar op de rechte lijn tussen Cajarc en Cabrerets lag een woest hoogland met ondoordringbaar bos, diepe kloven en droge heuveltoppen. Van noord naar zuid liepen over de causse een paar kronkelige landweggetjes van de Lot naar de Célé, maar voor de weg in westelijke richting waren ze aangewezen op de kloven waar beide rivieren doorheen stroomden. Omdat ze al een keer westwaarts naar Saint-Cirq gelopen waren door de vallei van de Lot, lag het voor de hand om nu vanaf Cajarc direct naar het noorden te gaan om het hoogland naar de vallei van de Célé over te steken. Die konden ze dan stroomafwaarts volgen tot ze bij het Château du Diable kwamen. Dat had het voordeel dat ze een aantal van de historische plaatsen in de noordelijke vallei konden onderzoeken en tegelijkertijd een indruk konden krijgen van de omstandigheden op de route langs het kleinere riviertje.

De vraag drong zich nu op bij welke plaats aan de Célé ze zouden beginnen. De kortste weg vanaf Cajarc was die naar Marcilhac, maar dan zouden ze Espagnac, Brengues en vooral het opvallende Château des Anglais dat zich tussen die twee plaatsen bevond, rechts moeten laten liggen. Dat leek hen beiden een gemiste kans en ze probeerden zich een beter beeld te vormen van het kasteel tegen de klif daar. Volgens de informatie die ze vonden bleek die versterking zijn oorsprong te hebben in de twaalfde eeuw. Maar het gebouw kende geen roemrucht vervolg zoals het slot van Larroque-Toirac en miste de veelzeggende benaming van het Duivelskasteel in Cabrerets. De foto’s die ze vonden toonden een stevige muur van meer dan tien meter hoogte, met in het midden een schietgat en een galerij met een drietal vensters met Romaanse bogen op de bovenste verdieping. De eenvoudige constructie zag er opmerkelijk onaangetast uit en Stef dacht daarom dat het wel gerestaureerd moest zijn. Het kasteel lag hoog boven het dal tegen de rotswand aangeplakt, wat erop leek te wijzen dat er een holte in het gesteente achter de façade verborgen zat. Aan de zuidzijde was een kleine ingang langs de rots en er werd melding gemaakt van een tweetal poorten op de paden die toegang gaven tot de versterking, maar daarvan was op de foto’s niets te zien. Door de strategische ligging in de buitenbocht van de rivier kon je vanuit de kleine vesting in twee richtingen over de vallei uitkijken.

De plek zag er veelbelovend uit en als het Château du Diable in Cabrerets er niet was geweest, dan zouden ze er zeker recht op afgekoerst zijn. Nu lag dat anders. Een week eerder zou Xavier zonder aarzeling de extra kilometers gelopen hebben, maar zijn conditie was verzwakt en Stef meende dat zijn partner z’n uithoudingsvermogen wilde ontzien. De mannen stonden dus voor een dilemma. Bij nadere bestudering van de kaart bleek er ook bij Saint-Sulpice een kasteel tegen de rots te staan. Die plaats lag niet ver uit de richting en was zonder al te grote omweg gemakkelijk te bereiken over een aftakking van de weg naar Marcilhac. Na wat heen en weer gepraat kwamen ze tot een compromis. De volgende dag zouden ze naar Saint-Sulpice lopen om de situatie aldaar te verkennen. Ter plekke zouden ze dan wel zien of ze nog een stuk stroomopwaarts wilden lopen, of dat ze meteen naar het westen zouden gaan, in de richting van Cabrerets. Door de omweg lag dat plaatsje toch te ver om die dag nog te bereiken als ze ook de tijd wilden nemen om onderweg het een en ander goed te bekijken, dus ze zouden sowieso langs de Célé nog ergens een plek moeten zoeken om te overnachten.

Dus wandelden ze de volgende ochtend al vroeg met volle bepakking door de uitgestorven straatjes van Cajarc in de richting van het plateau. Alle winkels waren gesloten en Stef begon zich zorgen te maken over hun voedselvoorziening. De voorraad die ze een paar dagen eerder bij de supermarkt hadden ingeslagen begon op te raken en ze droegen nog maar een paar blikken met bonengerechten en wat pakjes gedroogde soep in hun bagage. Vers brood hadden ze al een paar dagen niet meer gegeten en Stef hoopte maar dat ze onderweg ergens een verlaten moestuin zouden treffen waar ze wat verse groenten of vruchten konden oog-sten. Xavier deed nogal luchtig over het aanstaande voedseltekort. Hij vertelde dat hij getraind was om van het land te leven en dat hij altijd wel vissen of kleine zoogdieren zou weten te vangen en bijvoorbeeld wilde bessen, noten of wortels zou kunnen verzamelen. Langs de vruchtbare oevers van de rivier waren bovendien veel boerenbedrijven en hij twijfelde er niet aan dat er wel ergens iets eetbaars te vinden zou zijn. Dat vertrouwen stelde Stef enigszins gerust, maar hij vreesde dat hij binnenkort toch zijn geliefde glaasje wijn bij het avondeten zou moeten missen.

Ze beklommen de hellingen van het plateau over het deel van de GR65 waarlangs ze een paar dagen eerder bij Cajarc waren aangekomen. Stef keek nog een laatste keer achterom naar de vallei in de diepte voordat ze verdwenen in het droge bos van kreupele eikenboompjes. Het was weer een warme dag en zwetend waren de mannen omhooggelopen. Nu, in de schaduw van het bos, kwamen ze weer een beetje op adem, hoewel Xavier nog af en toe rochelend wat slijm uit zijn longen weghoestte. Het pad was goed begaanbaar en de schatzoekers waren in een optimistische stemming. Het nieuwe inzicht van de vorige dag had hun enthousiasme aangewakkerd en zowel Xavier als Stef het gevoel gegeven dat ze daadwerkelijk dichterbij de oplossing van het raadsel van Eleanor’s schat kwamen. De catastrofe die over de wereld lag was die ochtend naar de achtergrond verdrongen en voor het moment koesterde het tweetal zich in de kleine zeepbel van hun avontuur. De vogels zongen onbekommerd en hoog boven hun hoofden klonk het schor raspend en ritmisch staccato van een leeuwerik. Op een droog stuk hoogland zagen ze een paar vosjes spelen in het warme ochtendlicht.

Stef fantaseerde over zijn middeleeuwse avonturenroman en probeerde een reden te bedenken waarom het reisgezelschap zou hebben gekozen voor een route langs de Célé. Hij speculeerde dat na het overlijden van de prior in Conques een oude rivaliteit tussen de twee begeleidende ridders opvlamde. De overgebleven monniken vielen zonder hun leider ten prooi aan de machtsstrijd tussen die twee. Zou het mogelijk zijn dat een van die ridders betrokken was bij een boosaardig complot om het gezelschap in de val te lokken om hen het kostbare relikwie te ontfutselen? Of was zo’n scenario te vergezocht? Het was in ieder geval een wending die een spannend element zou toevoegen aan zijn verhaal. Misschien hadden de pelgrims zich in Figeac afgekeerd van hun ruziënde begeleiders en waren ze onder invloed gekomen van een lokale samenzweerder die hen de weg door de vallei van de Célé had voorgesteld als alternatieve route naar Cahors? Het lag voor de hand dat ze de abdij van Figeac hadden bezocht en daar hadden overnacht. Misschien dat ze daar in kwaadwillend gezelschap waren geraakt? Of misschien was hen de noordelijke route langs de Célé gewoon aangeraden omdat er een aantal kleine abdijen aan de rivier stond waar ze op steun en onderdak konden rekenen? In het kleine universum van zijn verzonnen verhaal dienden zich talloze mogelijkheden aan, een onstopbare kettingreactie van causaliteiten. Terwijl hij erover nadacht vervaagde het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid. Was het leven gedetermineerd? Was iedere omstandigheid in het universum vooraf vastgelegd in de onwrikbare natuurwetten die haar regeerden? Of was de werkelijkheid sinds het startschot van de Big Bang een tombola van toevalligheden, slechts beperkt door de gebeurtenissen die al hadden plaatsgevonden en die vanwege het onomkeerbare voortschrijden van de tijd buiten het bereik lag van alternatieve ketens van oorzaken en gevolgen? Stef moest denken aan een eindeloze gang van een groot hotel waar zich achter iedere deur een andere kamer met een eigen inrichting bevond, iedere kamer een eigen bewoner met zijn eigen wonderbaarlijke levensverhaal vol drama, verdriet, opwinding en hoogtepunten. Even dwaalden Stef’s gedachten af naar alle levensverhalen die de afgelopen weken abrupt waren afgebroken, alle levens die tot een voortijdig einde waren gekomen door de Rode Dood. Wat was zijn rol in dat drama van ongekende omvang dat de wereld in zijn greep hield? En waar zou het allemaal eindigen?

Het pad was inmiddels overgegaan in een geasfalteerd landweggetje en kort daarop kwamen de mannen bij de doorgaande weg naar Marcilhac. Volgens een bordje waren ze nu vlak bij Le Mas Haut – ‘het hoge huis’, interpreteerde Stef. En inderdaad lag er op een heuvel aan de overzijde van de weg een oude boerenhoeve. Hier lieten ze de vertrouwde aanduidingen van het Jacobspad rechts liggen en volgden ze op aanwijzing van Xavier de verlaten D17. Een eindje verderop kwamen ze bij een kruispunt van oude wegen dat vrij uitzicht bood op de hoogvlakte die rondom hen tot aan de horizon golfde als een groene oceaan. Daar werd hun aandacht getrokken door een zwerm kraaien die een stukje verderop onrustig en met veel kabaal rondfladderde boven het struikgewas naast een wat lager gelegen parallelweggetje. Het rumoer was zo opvallend dat de mannen het niet konden negeren en voordat ze de plek des onheils bereikten kregen ze al een vermoeden van wat er gaande was. In de met gras begroeide helling tussen de twee evenwijdig lopende wegen waren de remsporen van een auto gekerfd en op het wegdek eronder lagen een paar glimmende stukken metaal in een uitzaaiing van korrels versplinterd autoglas dat lag te schitteren in het zonlicht.

“Uh-oh”, zei Xavier met een onheilspellende blik in zijn ogen. “Dat ziet er niet best uit. Er is zo te zien iemand met hoge snelheid van de weg geraakt. Die kraaien voorspellen niet veel goeds.” Hij trok een vies gezicht en vervolgde: “De geur die hier hangt ken ik van het slagveld. Bereid je maar voor op een onaangenaam schouwspel.”

Stef zag nu dat er een personenautootje op zijn kop lag tussen de struiken naast de weg. De kraaien hadden al hun aandacht gericht op het wrak en wat zich daarin bevond. Dichterbij gekomen zagen de twee reizigers wat ze al vreesden: het lichaam van de bestuurder van de auto lag in een onnatuurlijk gedraaide houding half uit het opengerukte portier van de wagen. Zijn hoofd was een bloederige bal vlees waar de zwarte vogels opgewonden aan pikten. Een zoete, weë geur deed de maag van Stef samentrekken en hij sloeg zijn hand voor zijn mond en neus. Met afgewend gezicht probeerde hij het gruwelijke tafereel van zich af te schudden en tegelijkertijd te doorgronden. Hij realiseerde zich meteen dat de confrontatie met dat verminkte

lijk niet meer ongedaan gemaakt kon worden en dat het beeld ervan hem voor altijd zou blijven achtervolgen. Er was een deurtje geopend en de kamer erachter had haar gruwelijke geheim geopenbaard. De deur kon weer dicht, maar de herinnering aan het tafereel kon niet meer verwijderd worden uit zijn hersenen.

In een poging de ziekmakende lucht te bedwingen haalde Stef zijn mondmaskertje tevoorschijn, maar dat leek niet veel te helpen. Xavier was ondertussen begonnen met een inspectie van de inhoud van de wagen. “Xav,” zei Stef ontdaan, “moeten we de hulpdiensten niet waarschuwen. Ik bedoel, we kunnen die ongelukkige hier toch niet zo laten liggen, als voer voor allerlei ongedierte?”

“Hm?” Xavier keek op van zijn bezigheden. “Ja, natuurlijk. Sorry. Ik zag allemaal boodschappen liggen. De bestuurder had klaarblijkelijk ergens voorraden ingeslagen voordat hij over de kop vloog. Daar heeft hij nu niets meer aan en wij kunnen zijn etenswaren goed gebruiken…”

Stef begreep dat zijn partner zich liet leiden door een opportunistische overlevingsdrift. Dat was weliswaar praktisch, maar getuigde van weinig respect voor de dode in het autowrak.

“De hulpdiensten bellen, zei je?” Xavier dacht even na, alsof hij de implicaties daarvan moest overwegen. “Ja, dat is wel de juiste manier van handelen, denk ik. Maar denk jij dat we in de huidige omstandigheden nog een hulppost kunnen bereiken? Gezien de taferelen in Figeac vermoed ik dat het hele systeem wel ontwricht zal zijn. Ik schat dat dit slachtoffer hier al een paar dagen ligt en wij zijn vast niet de eersten die hierlangs komen.”

Stef had inmiddels zijn telefoon tevoorschijn gehaald en wilde het toestel al activeren, toen hij plotseling bedacht dat hij zijn vriend beter het woord kon laten doen. Telefoongesprekken probeerde hij altijd al zoveel mogelijk te vermijden. Hij kon stemmen door telefoons altijd slecht verstaan en in het Frans zou het helemaal een verwarde conversatie worden. Daarbij kwam dat het hem geen goed idee leek om iemand te attenderen op zijn buitenlandse aanwezigheid.

Alsof Xavier zijn gedachten geraden had stak die zijn hand uit naar de telefoon. “Laat mij het woord maar voeren… Oh…”

Hij leek zich te bedenken. “Misschien is het beter als ik mijn eigen telefoon gebruik. Dan kan jouw toestel tenminste niet getraceerd worden… Als de inlichtingendiensten een beetje bij de pinken zijn, dan hebben ze allang jouw nummer achterhaald.”

“Och, hemel. Daar heb ik nooit aan gedacht. Ze kunnen mijn bewegingen natuurlijk volgen met behulp van de SIM-code van mijn toestel.”

“Ja, zodra je mobiel aangaat zoekt hij contact met de dichtstbijzijnde zendmast en ben je in principe traceerbaar. En dat niet alleen, er bestaat ook zoiets als de IMEI-code, het nummer van je International Mobile Equipment Identity. Daarmee kan je toestel op dezelfde wijze gevonden worden, ook als de SIM-kaart verwijderd is.”

Geschrokken vroeg Stef zich af hoe groot de kans was dat politie, inlichtingendiensten of gangsters hem op deze manier probeerden te lokaliseren. Hij had geen idee. Het hing ervan af in welke mate die partijen toegang hadden tot dergelijke technologie en in hoeverre ze daadwerkelijk op zoek waren naar hèm. Zou zijn identiteit en de rol die hij speelde bij de uitbraak van de dodelijke epidemie – welke dat dan ook precies was – bekend zijn? Misschien verklaarde de traceerbaarheid van zijn mobieltje wel hoe de aanslagplegers van de blauwe auto bij Conques hen hadden gevonden?

Xavier haalde zijn eigen mobiel tevoorschijn en zei: “Maak je maar niet al te druk. Als jij heel hoog stond op het lijstje van gezochte personen van de regering, dan hadden we dat al lang gemerkt. En bovendien, ik denk dat men op dit moment wel andere prioriteiten heeft. Als ik het een beetje goed inschat, dan zal iedereen vooral bezorgd zijn om zijn eigen hachje en in de eerste plaats bezig zijn om zelf de huidige crisis te overleven. Maar goed, het kan geen kwaad om voorzichtig zijn. Hopelijk hebben ze mijn identiteit nog niet achterhaald en is het wel veilig om mìjn toestel te gebruiken.”

Stef wist niet zeker of Xavier’s gedachten werden ingegeven door overdreven behoedzaamheid of zelfs achtervolgingswaan, maar hij prijsde zich andermaal gelukkig met de speciale inzichten van zijn metgezel. In het licht van de ervaringen van de voorafgaande weken en de chaos waarvan ze getuige waren geweest in Figeac leek voorzichtigheid inderdaad geen overbodige luxe. De ander had inmiddels zijn eigen mobiel gepakt en het alarmnummer gebeld.

“Mmmmm. Het goede nieuws is dat ik nog wel contact krijg met het netwerk, ook al is het signaal niet erg sterk. De zendmasten lijken dus nog wel te werken, hoewel ik me afvraag hoe lang nog. Jammer dat ik mijn iridium satelliettelefoon heb thuisgelaten, maar wie had kunnen bedenken dat ik die in Frankrijk nodig zou hebben?” De Canadees maakte een verontschuldigend gebaar met zijn handen.

“Maar zoals ik al vreesde geeft het alarmnummer geen gehoor. Dat is natuurlijk helemaal overbelast geraakt. Er zal wel een rampenplan in werking zijn. Ik vermoed dat de hulpdiensten nu onderling communiceren via een noodsysteem, maar voor het publiek zullen ze waarschijnlijk niet meer bereikbaar zijn.”

“Wat doen we nu met dat lichaam?” vroeg Stef zich bezorgd af. “Moeten we het niet begraven? We kunnen hem toch niet zo achterlaten?”

“Begraven in deze rotsachtige bodem zal niet meevallen”, observeerde Xavier met een nadenkende frons. “Hebben we dan niet iets om hem mee af te dekken, zodat die vogels er niet bij kunnen?” stelde Stef voor. “Niet echt, tenzij jij je slaapzak wilt opofferen?”

“Nee, dat lijkt me ook niet afdoende. Ligt er niks in die auto, een stuk zeil of zo?”

Ze inspecteerden de kofferruimte van de auto, maar daarin vonden ze niets bruikbaars.

“Getverderrie”, zei Stef gefrustreerd. “Wat moeten we nu?”

Xavier krabde zich nadenkend achter het oor en keek vervolgens op zijn horloge. Met zachte stem vervolgde hij: “Kom, Stef. Laten we maar verder gaan. Voor hem maakt het niets meer uit. De kans is groot dat we op onze weg wel meer doden zullen aantreffen, vrees ik. Die kunnen we toch niet allemaal begraven?”

Hoe hardvochtig het realisme van de ander ook aanvoelde, Stef zag wel in dat zijn metgezel gelijk had. Machteloos haalde hij zijn schouders op en hij maakte aanstalten om verder te lopen.

“Stef,” onderbrak Xavier hem, “denk je niet dat het verstandig is om wat van de etenswaren die hier liggen mee te nemen? Dit is een mooi buitenkansje om onze slinkende voedselvoorraad aan te vullen.”

In zijn opwinding had Stef hun behoefte aan boodschappen helemaal vergeten. Hij wilde deze onheilsplek het liefst zo snel mogelijk achter zich laten, maar Xavier had op zijn eigen cynische manier helemaal gelijk. De een zijn dood was hier letterlijk de ander zijn brood – hoewel de penetrante lijkenlucht hem op dat moment alle eetlust ontnam.

Het verkeersslachtoffer was duidelijk aan het hamsteren geweest om een periode van voedselschaarste te doorstaan. De mannen troffen precies het soort van houdbare producten aan dat ze nodig hadden: blikken met kant-en-klare maaltijden en gedroogde voedingsmiddelen. Tot Stef ’s genoegen kon hij zelfs een paar flessen wijn toevoegen aan hun inventaris. Na enige tijd puilde het bagagewagentje van Xavier aan alle kanten uit van de blikken, pakken, flessen en zakjes.

En zo vervolgden ze hun weg in stilte. Stef was opgelucht dat ze niet met het lijk hadden hoeven slepen, maar de hele ervaring had een misselijk gevoel achtergelaten en met onzekere benen stapte hij voort. Het was alsof de ernst van de vloed van verderf die over de wereld spoelde met het zien van dat dode lichaam pas echt tot hem was doorgedrongen. Die hele schatzoekersonderneming kwam hem nu voor als een escapistisch jongensavontuur. Maar hij zag geen weg terug. Wat was het alternatief tenslotte?

Een paar kilometer verderop bereikten ze een wegsplitsing. Marcilhac-sur-Célé was nog viereneenhalve kilometer verderop over de weg. Een pijl naar rechts wees naar Saint-Sulpice en Brengues, allebei zes kilometer gaans. Xavier raadpleegde zijn digitale kaart en concludeerde dat er ongeveer een kilometer die kant op een splitsing naar een landweggetje was dat een kortere route naar Saint-Sulpice bood.

“Ik zie op de kaart dat er vlakbij ook dolmens, hunebedden, zijn. Dat zijn monumenten uit het stenen tijdperk, dus dat wijst op prehistorische holbewoners. En geen holbewoners zonder grotten, zou ik zeggen.” Met zijn luchtige toon deed hij een poging om de sombere stemming wat op te peppen. “Heb je zin om een stukje om te lopen en die te bekijken, of…” Hij keek Stef onderzoekend aan.

“Nee, dank je. Leuk aanbod Xavier, maar ik geloof dat ik op dit moment liever doorloop. Ik ben net zo benieuwd als jij naar wat ons aan de Célé te wachten staat.”

De ander knikte begrijpend en ze vervolgden hun weg in de richting van Saint-Sulpice. Ze kwamen nu langs een bos met naaldbomen. De donkergroene takken van de dennen wierpen hun verkoelende schaduwen op het pad. Na enkele boerderijen kwam de vallei van de Célé in zicht en begon het weggetje te dalen langs de rand van de krijtrots. Beneden hen strekte het vruchtbare laagland zich aan hun rechterzijde uit tot de volgende grote bocht in de vallei. De hoekige gele en groene vlekken van de akkers lagen er verlaten bij, evenals de doorgaande weg aan de overkant van de rivier die als een zilveren slang in de schaduw van een bomenrij door de vallei kronkelde. Het was een adembenemend rustiek schouwspel dat de herinnering aan het gruwelijke tafereel bij het kruispunt op de causse naar de achtergrond verdrong. Boven hun hoofden verrezen enkele uitstekende rotspunten die als groengetooide luchtbogen van een Gotische kathedraal de witte rotswand leken te ondersteunen. Even later kwamen ze bij een grote opening in het kale kalksteen.

“Kijk, dit is de eerste spelonk van behoorlijke afmetingen die we tegenkomen”, zei Xavier terwijl hij in de manshoge ruimte rondkeek. De holte was inderdaad ruim, met een wijde opening van meer dan tien meter breed die uitzicht bood over de vallei en de rivier die er zo’n vijftig meter beneden hun voeten doorheen meanderde.

“Tsja, ik kan me gemakkelijk voorstellen dat dit in de oertijd een gewild onderkomen was voor een groepje Neanderthalers of een familie van menselijke jagers-verzamelaars”, antwoordde Stef. “Het is een behoorlijk strategische positie, zo hoog en droog in de rots.” Hoewel de opening ruim twee meter hoog was, liep het plafond ook hier schuin af naar de grond achterin de ruimte. In dat opzicht leek deze holte op de Grotte de Caougne bij Cajarc. Maar wat hier ontbrak was de watervoorziening, iets als het waterstroompje dat door het hol boven Cajarc liep. De hele ruimte was hier om en nabij de vijftien meter diep.

“Maar blijkbaar was deze plek in de Middeleeuwen toch niet zo erg aantrekkelijk”, merkte hij op. “Kijk, geen spoor van een door mensen gemaakte versterking. Ik vraag me af waarom?”

Xavier had zijn inspectie van het interieur voltooid en kwam bij Stef staan in de opening van de grot. “Ik kan daarvoor twee redenen bedenken. Ten eerste is het een flink stuk om bij de rivier te komen. Als er geen bron in de buurt was, dan moesten ze een heel eind lopen om aan fris water te komen. En ten tweede loopt er nu een weg vlak langs. Ik denk dat deze plek ook in vroeger tijden al redelijk goed bereikbaar was en daarom moeilijk verdedigbaar.”

Stef knikte begrijpend.

“En dan is de strategische positie die jij noemt waarschijnlijk ook nogal twijfelachtig vanuit middeleeuws oogpunt”, ging Xavier verder. “Ik denk dat we moeten concluderen dat de belangrijkste doorgaande route aan de overkant van de vallei liep. Volgens de kaart liggen zo’n beetje alle plaatsjes en de meeste kastelen langs de Célé aan de andere kant van het water. Als je het passerende verkeer wilde controleren voor tolheffing of anderszins, dan was je hier aan de verkeerde kant. Dus ik zou zeggen dat dit een geweldige uitkijkpost was, maar geen plek van waaruit je macht kunt uitoefenen.”

“Maar misschien wel een geschikte schuilplaats voor struikrovers die gezocht worden?” opperde Stef.

“Mmm, misschien. Maar je kunt het ook zien als een valstrik waaruit het moeilijk ontsnappen was. Ik bedoel, je hoeft de toegangsweg maar af te sluiten en je kan vanuit hier geen kant meer op.”

Dat moest Stef wel toegeven, met een blik op de steile afgrond aan zijn voeten. De plek was dus om verschillende redenen geen goede kandidaat voor het soort van struikrovershol waar ze naar op zoek waren. Die conclusie was op zichzelf al leerzaam, want dat inzicht kon nuttig zijn bij de vergelijking met andere plekken die ze tegenkwamen tijdens hun verdere onderzoek. Het bood hen in ieder geval houvast bij de beoordeling van locaties die er op het eerste gezicht veelbelovend uitzagen.

“Kom Stef, laten we verder gaan. Als ik me niet vergis kunnen we Saint-Sulpice een klein stukje verderop zien liggen.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.