18 | Exploraties

De volgende dag liepen Xavier en Stef stroomafwaarts door de vallei van de Lot, in de richting van Cahors. Met grote lussen slingerde de rivier naar het westen, als het ware in bedwang gehouden door de hoge rotswanden waar de stroom in de buitenbochten tegenaan schuurde, terwijl in elke binnenbocht vlakke stukken vruchtbaar land lagen. Zodoende stonden de rotswanden afwisselend links en rechts van hun route met hun voeten in het water, om beurten aan de overkant van de rivier of aan de kant waar de mannen liepen over de D662. Ze kwamen die dag tot aan Saint-Cirq-Lapopie, officiëel un des plus beaux villages de France, waarmee het stadje zich voegde in het rijtje van bekroonde schilderachtige plaatsjes als Saint-Côme-d’Olt en Estaing. Het toeristische plaatsje lag hemelsbreed veertien kilometer van Cajarc verwijderd, maar de afstand langs de slingerende rivier over de weg was ruim twintig kilometer.

Ze begonnen hun wandeling met een kort bezoek aan de Capelette van Madeleine, dat ze de vorige dag voorbijgelopen waren. De kleine kapel hoorde in de twaalfde eeuw bij een leprozenhuis waar ook pelgrims een onderdak konden vinden voordat ze de woeste causse over trokken. Het was een aanwijzing dat er in de tijd van Eleanor al reizigers via Cajarc naar het zuiden en westen gingen.

Het tweetal had de dag ervoor de toeristische Jacobsweg verkend, de route over het plateau waarvan verondersteld werd dat die in de Middeleeuwen het beste begaanbaar was. Nu zouden ze onderzoeken of naar hun mening de weg langs de Lot in die tijd een bruikbaar alternatief had geboden. Ze gingen dus bij de kapel niet linksaf, het schiereiland op dat gevormd werd door een ruime uithaal van de rivier, maar staken de landengte over waardoor ze na ongeveer een halve kilometer weer op de Lot neerkeken. De weg was daar hoog in de rotswand uitgehakt en het leek Stef onwaarschijnlijk dat die passage er in de Middeleeuwen al was. Dat zou een technologisch hoogstandje geweest zijn waarvan de kosten de baten in die tijd waarschijnlijk ver overtroffen.

Na een stuk laagland met akkers op een plek waar de rivier de andere kant op slingerde, volgde weer een steile rotswand waar de weg uit het steen was gehakt, een stuk boven het stromende water. Xavier wees hoopvol op enkele nauwe horizontale spleten in het gesteente die op het niveau van het wegdek zaten. Ze waren te laag om in te kruipen, maar duidden wel weer op de aanwezigheid van grotten en gangenstelsels in het kalksteen.

“Maar Xavier, het lijkt mij dat deze weg pas ver nà de Middeleeuwen is aangelegd”, sprak Stef zijn gedachten uit. “Afgezien van het feit dat er hier dus in de twaalfde eeuw waarschijnlijk helemaal geen weg was, lijkt het me ook dat door het constructiewerk dat er voor nodig was, het weghakken van de rots en zo, alle sporen van ingestorte grotten wel verdwenen zullen zijn. En als ze bij de aanleg van die weg een belangrijke schat hadden ontdekt, dan zouden we daar toch wel van gehoord hebben?”

“Ja ja”, reageerde Xavier met een geconcentreerde blik in zijn ogen terwijl hij de spleten fotografeerde en de opnames plaatste bij hun positie op zijn elektronische kaart. “Je hebt waarschijnlijk gelijk, maar ik probeer voorlopig zoveel mogelijk gegevens te verzamelen, zodat we die later in zijn totaliteit en in hun onderlinge samenhang kunnen beoordelen.”

Even later liepen ze onder ver overhangende rotsen door. Om zijn argument nog eens te benadrukken wees Stef zijn metgezel op de steile wand die bijna loodrecht in het water stond en de weg die leek te balanceren op een smalle uitgehakte richel een tiental meters boven het water. Toen de rots weer terugweek kregen ze Calvignac in het oog. Het plaatsje lag hoog op een klif op de zuidelijke oever in de volgende bocht. Het viel Stef nu op dat de hellingen aan de overkant groener waren dan die aan hun kant van de rivier. Dat was natuurlijk logisch, bedacht hij zich, want de glooiingen boven de weg lagen tenslotte op het zuiden en stonden de hele dag bloot aan de stralen van de zon. Aan de overkant was de invloed van de zon beperkter. Omdat er meer schaduw viel, was de bodem er ook minder uitgedroogd, wat de plantengroei natuurlijk ten goede kwam. Het was een beetje zoals met de boomstammen in Scandinavische en Canadese bossen die aan de schaduwrijke en vochtige noordkant meer begroeid waren met mossen.

Het was stil op de weg, maar toch passeerde er zo nu en dan een auto. Stef zag de verbaasde en nieuwsgierige blikken van de inzittenden die hen beschuldigend leken na te kijken. Luid claxonnerend kwam er een vrachtauto van de Hypermarché voorbij scheuren. Geschrokken sprongen de mannen opzij, ditmaal gelukkig niet gehinderd door al hun bagage. Wellicht was de chauffeur onderweg met een haastige leverantie voor de supermarkt in Cajarc? Het incident versterkte het onveilige gevoel dat Stef nu steeds had wanneer hij op een doorgaande verkeersweg liep. De herinnering aan het incident met de moordlustige blauwe auto lag nog vers in zijn geheugen. Zodra de omstandigheden dat toelieten kozen de mannen er dan ook voor om over een secundaire weg te lopen. Onder de rotswanden was dat weliswaar een probleem, maar wanneer de loop van de rivier terugweek en ze een stuk vlak landbouwgrond passeerden, dan was er meestal ook wel een onverhard landweggetje dat meeslingerde met de asfaltweg.

In de nauwe bocht tegenover Calvignac lag Larnagol, een gehucht dat ingeklemd lag in een nauwe zijkloof die uitkwam op de Lot. Tegen de weg aan stond in de schaduw van de loodrechte grijs-met-witte rotswanden met roestkleurige vlekken een kerkje met een sierlijk torentje fier overeind als een oeverbaken in een moeilijk bevaarbare rivier. Voorbij Larnagol konden de mannen ontspannen een eind over een landweg lopen. Aan de overkant kregen ze nu een fraai kasteel in het oog. Het lag op een uitstekende rotspunt boven het traag stromende water. Stef bedacht zich dat dit het bouwwerk was dat hij twee dagen eerder in het avondlicht aan het einde van de vruchtbare vallei had zien liggen. De massieve vierkante torens met hun spitse daken herinnerden hem aan een koninklijke kroon. Hij vond dat de burcht er bepaald idyllisch bij lag. Het gebouw leek hem uitstekend geschikt voor de rol van sprookjeskasteel in de een of andere fantasy-film.

Volgens Xavier moest dat het kasteel van Cénevières zijn. Dat was een naam die Stef deed denken aan de echtgenote van de legendarische koning Arthur, Guinevere – in zijn hoofd stonden de associatieve laatjes met ‘Middeleeuwen’ erop klaarblijkelijk wagenwijd open. Onder het lopen had Xavier met zijn tablet uitgevonden dat de burcht al in de achtste eeuw door de vader van Karel de Grote veroverd was op de toenmalige hertog van Aquitanië. Daarna werd het tot in de veertiende eeuw bewoond door de familie Lapopie. Die was in die tijd de heer en meester over de streek en dat verklaarde de naam van het stadje dat hun ambitieuze reisdoel was van die dag.

Ze passeerden Atoulzanie, een claustrofobisch gehucht waar de huizen aan de ene kant samengeperst stonden op een benauwde strook tussen de versmalde weg en de rivier, terwijl ze zich aan de andere kant vastklampten aan de voet van de steile overhangende rotswand. Het leek wel of de woningen zich wilden terugtrekken in de veilige omarming van het kalksteen, als angstige kinderen die zich wilden verschuilen in de plooien van moeders rokken. In sommige gevallen waren het niet meer dan gevels die de grotwoning erachter een beschaafd gezicht gaven. De schrijfwijze op het plaatsnaambordje kwam Stef merkwaardig Arabisch voor, maar op zijn kaart was de naam op goed-Franse wijze geschreven als La Toulzanie. Het verschil zou wel iets te maken hebben met de streektaal, ongetwijfeld een variant van het Occitaans. Door de grotwoningen en de grote gaten in de klif leek Xavier geestelijk oververhit te raken, alsof zijn zintuigen werden blootgesteld aan een overdosis prikkelingen. In zichzelf mompelend fotografeerde hij alles wat hem van belang leek en met behulp van de GPS-functie registreerde hij nauwkeurig de positie van de opnames op zijn digitale kaart.

In de bocht van de rivier even verderop lagen twee bruggen naar Cénevières. De eerste was een spoorbrug van de Quercy-rail, de toeristische spoorlijn over het oude baanvak door de vallei van de Lot die ook het station van Cajarc aandeed. Daarnaast lag een oude eenbaansbrug van steen voor het normale wegverkeer. Ze overlegden even of ze zouden oversteken, maar de mannen besloten zich aan het plan te houden om de noordelijke oever te volgen tot aan Saint-Cirq-Lapopie en vandaar langs de zuidkant van de rivier weer terug te lopen. Cénevières zou dus moeten wachten tot de middag.

Bij Saint-Martin-Labouval week de rivier weer terug en keken ze uit op de rotswand aan de overkant. De weg liep vanaf daar zo’n beetje naast de spoorlijn en ze besloten die te verlaten en de rails te volgen. De rots was aan hun kant van de weg helemaal overgroeid met ondoordringbaar struikgewas en Stef vroeg zich af welke belangrijke aanwijzingen verborgen bleven onder het groen. Het leek hem onbegonnen werk om daar een goed beeld van te krijgen door er simpelweg langs te wandelen. Alleen met een fijngevoelig radar vanuit een satelliet of vliegtuig zou je daarvan een betrouwbaar beeld kunnen creëren, maar over zulke geavanceerde middelen beschikten ze helaas niet. Met een koortsachtige blik in de ogen speurde Xavier de hellingen af, maar hij zag blijkbaar niets dat het waard was om te fotograferen of te noteren.

Lopend over de overwoekerde spoorlijn arriveerden ze rond het middaguur bij de brug van Saint-Cirq-Lapopie. De huisjes van het schilderachtige plaatsje stonden op de rand van een bijna honderd meter hoge klif boven een steile afgrond. Het leek wel of de inwoners die plek hadden uitgezocht om dichter bij de Hemel te komen, zozeer reikte de hele opzet van het plaatsje naar het oneindige. Met enige fantasie kon je zeggen dat het leek alsof het stadje in de lucht was gebouwd. Stef had in een toeristenfolder sprookjesachtige foto’s gezien waarop een lage, dikke mist in de kloof onder het plaatsje hing waardoor het inderdaad leek alsof Saint-Cirq boven de wolken zweefde. Een kerkje met een dubbele kerktoren – zoals hij al een paar keer eerder had gezien op zijn reis, een robuuste vierkante klokkentoren waar een slank rond torentje met een uurwerk tegenaan geplakt was – stak op een aparte verhoging ver boven de omringende rode daken uit, alsof het daarmee zijn rechtmatige plaats als spirituele wegwijzer naar de Eeuwige Zaligheid opeiste.

Op de landtong die zich onder het stadje uitstrekte werden de commerciële mogelijkheden van deze toeristische trekpleister volop uitgebuit: aan het water was rond een strandje een welvarend conglomeraat ontstaan van restaurants, parkeerplaatsen, een camping, kanoverhuur en rondvaartboten. Maar op deze warme, zonnige dag was de afwezigheid van drommen bezoekers die verkoeling zochten aan de waterkant opvallend. Bij het strandje stond een enkele visser met zijn hengel in de rivier en op de grote parkeerplaats stonden slechts twee campers, op grote afstand van elkaar alsof de bewoners elkaar meden om het besmettingsgevaar te ontlopen.

Terwijl ze over de weg omhoog klommen werden Xavier en Stef getrakteerd op indrukwekkende doorkijkjes over de vallei en de omringende plateaus. Naarmate ze hoger kwamen konden ze beter zien dat de meerderheid van de huisjes in de beschermende luwte van de kerk lag, afgekeerd van de steile afgrond aan de achterzijde van het godshuis. Het was alsof een moederhen haar zachte, beschermende voorzijde geruststellend naar haar kuikens had gericht terwijl haar rug naar het gevaar gekeerd was. Een tekst op een informatiepaneel sprak van een cascade de maisons, een waterval van huizen. Stef las dat de grote surrealist André Breton in de vijftiger jaren een vakantieverblijf had in het plaatsje. Aan de achterzijde van de kerk zagen ze nu de ruïnes van een verloren gegaan kasteel. Daarvan lag de oorsprong in de vroege tiende eeuw, toen ene Oldoric burggraaf was van Saint-Cirq. De plaatsnaam was een verbastering van Saint-Cyr, las Stef. De tekst beweerde dat zelfs Richard Leeuwenhart, de lievelingszoon van Eleanor, in 1199 geprobeerd had om de burcht in te nemen.

Hun bezoek aan het luisterrijke plaatsje was van korte duur. Door de autovrije straatjes van de bourg liepen ze naar de kerk, die ze kortstondig bezichtigden. Ze zagen enkele gemaskerde bezoekers rondslenteren, maar de helft van de winkeltjes was gesloten en ondanks het mooie weer hing er een naargeestige sfeer van doem en verval tussen de schone oude gevels. Ze hadden er die ochtend al een tocht van twintig kilometer opzitten en ondanks de afwezigheid van zware bepakking voelden ze dat toch wel in hun kuiten. Vooral na die laatste steile klim tegen de rots van Saint-Cirq op. En ze waren pas halverwege, want ze moesten het hele stuk naar Cajarc ook nog teruglopen. Dus kochten de mannen in een van de geopende winkeltjes een fles vruchtensap en wat snoepgoed en gingen ze op zoek naar een geschikte picknickplek, met uitzicht. Die vonden ze op een grasveldje langs de weg, halverwege de afdaling.

Later, op het heetst van de dag, marcheerde het tweetal weer in oostelijke richting. Gelukkig hadden ze de zon nu in de rug en liepen ze een deel van de tijd in de schaduw van de steile kliffen op de zuidoever van de Lot. Zoals Stef al had opgemerkt waren deze schaduwrijke rotswanden veel dichter begroeid met bomen en struiken. Het was dus een stuk moeilijker om details te onderscheiden van het onderliggende kalksteen. Door de koelte was het een aangename wandeling, maar veel informatie leverde het niet op. Twee rotswanden en twee laaglandjes later – twee bochten in de rivier stroomopwaarts dus – waren ze weer bij Cénevières. De spoorlijn kwam daar over de brug vanaf de andere oever en verdween over een beekje door een tunnel in de helling waarop het kasteel stond.

De middag was al gevorderd en ze hadden nog een flink stuk te gaan, maar ondanks de vermoeide voeten namen ze toch de tijd en de moeite om het kasteel even van dichtbij te bekijken. Dat bleek in privébezit en nog bewoond. Het château was alleen op vastgestelde uren toegankelijk voor rondleidingen op afspraak. De bescheiden poort werd geflankeerd door twee torentjes met daar tussenin een wachthuisje met schietgaten op de muur boven de ingang. Het geheel maakte een weinig krijgshaftige indruk, daarvoor zag het er allemaal te klein en kwetsbaar uit. Alsof het de ingang van een speelgoedkasteel was. Stef vermoedde dat het een kasteelpoort uit de Middeleeuwen moest voorstellen, gezien door een nostalgische bril uit de negentiende eeuw. Hoewel het complex ongetwijfeld authentieke wortels had, zag het er nu uit als een fraai landgoed waar iemand een romantische façade voor had geplaatst. Een stukje naar rechts stond wel een massieve oude muur met daarachter half verscholen in het bos de robuuste vormen van een originele middeleeuwse donjon zonder vensters of versieringen.

De schatzoekers hielden een korte pauze aan een picknicktafel vlakbij het kasteel. Daarna liepen ze over de toegangsweg van het slot omlaag om aan de voet van de rots bij de oever van de rivier te komen. In de volgende bocht liepen ze weer over de spoorlijn. Die was aangelegd tegen de terugwijkende rotswand, vermoedelijk om geen kostbare landbouwgrond in beslag te nemen en tegelijkertijd buiten het bereik van hoge waterstanden te blijven. Zodoende hadden ze vanaf het spoor de beste gelegenheid om de hellingen van dichtbij te inspecteren. Dat het traject weinig bereden werd door treinen was duidelijk te zien aan het welige onkruid dat tussen bielzen op het ballastdek omhooggekomen was. Vooral bramenstruiken met hun meedogenloze stekels leken goed te gedijen tussen de ijzeren spoorstaven. Na een tijdje droegen de ontblootte onderbenen van Stef de bloederige sporen van een geseling. Xavier met zijn lange broekspijpen bleef dit leed bespaard.

Zo kwamen ze weer bij Calvignac, waar de spoorlijn nogmaals verdween in een tunnel, dwars door de klif waarop het plaatsje gebouwd was. Zonder aarzeling betrad Xavier de duistere opening van de doorgang. Stef maakte zich zorgen dat ze in het donker verrast zouden worden door een onverwachte trein, maar Xavier probeerde hem gerust te stellen door hem zijn krachtige zaklamp te laten zien. Hij beweerde dat hij daarmee de machinist in geval van nood zou kunnen waarschuwen, maar vanwege het hoge onkruid leek het hem dat de spoorlijn toch niet in gebruik was.

De beklemmende duisternis van de spoortunnel gaf hen een indruk van de koele, vochtige omstandigheden onder de grond – een voorproefje van de omstandigheden in een eeuwenoude grot. Het deed bij Stef de vraag rijzen hoe middeleeuwse objecten eraan toe zouden zijn na bijna negen eeuwen onderaards verblijf. Bacteriën, schimmels en ongedierte zouden het meeste wel verteerd hebben, maar goud en edelstenen zouden de tand des tijds toch wel doorstaan? Het enige teken van menselijke aanwezigheid in de tunnel was de graffiti die de plaatselijke jeugd op de wanden had achtergelaten: onbeholpen liefdesverklaringen en stripfiguurtjes die hun voorliefde voor cannabis met schreeuwerige kapitalen kenbaar maakten. Op het ruwe oppervlak van de gehakte stenen tunnelwand bleef van de artistieke uitspattingen weinig meer over dan een verzameling verweerde vale vlekken.

Bij een spoorhuisje naast de rivier kwamen ze weer uit de duistere passage. De volgende vijfhonderd meter keken ze vanaf de spoorlijn door een smalle strook aangeplant bos neer op het water en liepen ze in de schaduw van het plateau dat aan de rechterzijde boven hen uittorende. Totdat een uitloper van de rotswand het traject versperde en het spoor weer een korte tunnel indook. Terwijl de helling langs de rivier daarna rees, kwam de spoorlijn dieper te liggen in het land. In de schaduw van struiken, bomen en rots hing een aangename koelte, maar de vochtige omstandigheden op dat stuk waren eveneens bevorderlijk voor de groei van onkruid en zelfs jonge boompjes. De mannen schoten daardoor niet erg op. Xavier had op de kaart gezien dat vòòr hen een tunnel van zo’n driehonderd meter lengte lag, dwars door de volgende uitloper van het plateau. Het tweetal overlegde of ze daar doorheen wilden gaan, want de voortgang was vanwege de wildgroei zo moeizaam dat het raadzaam leek om het spoor te verlaten en over de landweggetjes bovenover naar de andere kant te lopen. Bovendien was Stef er nog altijd niet zeker van of er helemaal geen verkeer over de rails zou komen. Deze tunnel was zo lang dat het onmogelijk zou zijn om bij nadering van een trein een sprint te maken naar de uitgang. Maar Xavier wees erop dat de ondergrondse route het voordeel had dat ze zich niet meer door het woekerende groen heen hoefden te worstelen. Inderdaad bleek de plantengroei in de duisternis beperkt tot wat mossen en draderige wortels die afhingen van het gehakte stenen plafond. Het enige geluid was het regelmatige gekuch van Xavier dat galmend naar de uitgang zocht. De donkere doorgang kwam Stef voor als een visioen van de onderwereld. De lucht drukte zwaar op hem, alsof ze zich vastklampte aan de vochtige wanden en niet wilde loslaten. De vermoeidheid begon hem parten te spelen. Beelden van opgesloten geesten verstoorden zijn gedachten en zijn verscherpte gehoor ving onheilspellende geluiden op. Hij moest zich bedwingen om niet steeds angstig achterom te kijken en voelde zich als Orpheus in de onderwereld. Maar dan zonder zijn geliefde Eurydice in zijn voetspoor.

Opgelucht zag Stef het daglicht aan het einde van de tunnel naderbij komen. De laatste tweehonderd meter voelde hij zich een hemellichaam dat werd aangetrokken door de zwaartekracht van een heldere ster die steeds groter werd. Toen hij in het licht stapte kwam het hem voor dat hij door een wormgat naar een andere dimensie was gelanceerd. Boven, onder en aan weerszijden zigzagden de verweerde en uitgeslagen ijzeren balken van een spoorbrug en in de diepte kabbelde het water van de Lot zacht ruisend langs de drager van de burg. Achter hen verhief zich een steile klif boven de rivier. De kreet van een opvliegende reiger verbrak de betovering van hun onderaardse passage en met gretige teugen ademde het tweetal de frisse lucht in.

Aan de overkant daalden ze af naar de waterkant om hun vermoeide voeten even te verkoelen in de stroom. Maar niet te lang, want Cajarc was nu niet ver meer en hun tijdelijke thuisbasis lonkte. Tot aan de waterkrachtcentrale van La Combelle bij Cajarc liep het spoor pal naast de weg waarop ze die ochtend in tegenovergestelde richting hadden gelopen, maar een stuk lager, vlak boven het stromende water. Ze waren nu al bijna acht uur op pad en de vermoeidheid van meer dan dertig kilometer stoffige, warme voortgang werd voelbaar. Xavier ploegde in gedachten verzonken zwijgzaam voort en Stef’s benen voelden als wankele stelten.

Maar de laatste etappe van hun tocht van die dag bracht toch nog een verrassing: in het gesteente naast de spoorrails troffen ze een ruime spelonk aan. En die was zonder twijfel nog niet lang geleden door mensen gebruikt. Het achterste gedeelte was afgesloten door een muur die nog helemaal intact was. Met behulp van oude spoorbielzen waren de lijsten geconstrueerd voor een deur en een open venster. Het was alsof Xavier door deze ontdekking ontwaakte uit een lethargische droom en opgewonden inspecteerde hij deze cabane troglodyte. Het interieur vertoonde sporen van heimelijke genoegens: de verkoolde resten van een kampvuurtje, een paar lege flessen, vertrapte sigarettenpeuken en achtergelaten verpakkingen van verschillende versnaperingen. Op het eerste gezicht niets dat wees op oudere sporen, laat staan aanwijzingen voor een middeleeuwse schat, maar genoeg om de fantasie van Xavier een morele oppepper te bezorgen en zijn onderzoeksdrift een nieuwe impuls te geven. Stef nam de gelegenheid te baat om zijn schoenen nog eens uit te trekken om zijn voeten te luchten terwijl zijn metgezel ijverig foto’s nam en aantekeningen maakte. Hij bedacht dat bij de aanleg van de spoorlijn het voorste stuk van de grot wel zou zijn weggehakt om de bodem te egaliseren. Toen hij daarover een opmerking maakte tegen zijn metgezel kwam die met een geheel nieuwe theorie op de proppen die de holte vlakbij een doorwaadbare plaats in een oude route plaatste. Xavier opperde de mogelijkheid dat er in de Middeleeuwen een begaanbare route dwars door de slingers van de rivier was geweest. Hij wees erop dat het water ter plekke niet erg diep was en dat dit waarschijnlijk gold voor alle stukken van de rivier die lagen tussen de uitersten van de opeenvolgende lussen – precies waar het lage vruchtbare land aan de ene oever overlapte met dat aan de andere oever. Als je een min of meer rechte lijn trok van oost naar west passeerde je een opeenvolging van laagland, ondiepte, laagland, ondiepte, enzovoort. Toen Stef de kaart erbij pakte zag hij dat dit niet eens zo’n vergezocht idee was. Althans, voor het stuk dat ze die dag bekeken hadden, van Cajarc tot Saint-Cirq-Lapopie, leek dat een interessante hypothese. Vooral wanneer je in gedachten nam dat het waterpeil van de rivier in de Middeleeuwen waarschijnlijk nog niet gereguleerd werd door dammen en barrages. Het was heel wel denkbaar dat er in iedere lus een doorwaadbare plaats was geweest waar de rivier kon worden overgestoken.

“Maar Xavier, denk je niet dat deze mogelijkheid ons zoekgebied enorm veel groter maakt?” opperde hij voorzichtig. “En voor zover ik kan beoordelen zal het al niet meevallen om alle aanwijzingen in deze omgeving grondig te inspecteren. Ik bedoel, vind je niet dat onze speurtocht zo langzamerhand erg onoverzichtelijk wordt?”

Maar zijn partner liet zich niet uit het veld slaan. Integendeel. Die leek juist op te bloeien door de overvloedige hoeveelheid aanwijzingen. “Nee nee, Stef,” zei hij resoluut, “we hebben een hoop holen en spelonken gevonden, maar ik heb nog weinig sporen gezien van oude instortingen, en zeker niet op plaatsen die zich in de buurt bevonden van routes die ons gezelschap in 1150 gevolgd kan hebben. Met deze nieuwe ontdekking, deze nieuwe mogelijke route dwars door de vallei, kunnen we met een nieuwe blik naar de toestand in het verleden kijken. Dat lijkt mij alleen maar een winstpunt.”

Stef was te moe om daar verder over te discussiëren. Hij moest toegeven dat dit nieuwste inzicht een interessante invalshoek opleverde, maar zag niet goed in hoe hen dat dichter bij de schat bracht. Àls er al sprake was van een schat, want hij moest niet uit het oog verliezen dat de hele speurtocht, voor zover hij kon beoordelen, was gebaseerd op enkele cryptische verwijzingen in een tweetal moeilijk te duiden oude tekstfragmenten. Voor hetzelfde geld waren ze op zoek naar de obsessieve illusie van een overspannen geest. Tot zijn eigen verbazing bleek het maar al te gemakkelijk om je te laten meeslepen door de een of andere heroïsche fantasie.

In de schaduw van de bomen aan de waterkant liepen ze over de rails naar de elektriciteitscentrale. Die lag in een scherpe bocht van de rivier op het smalste stuk van de laatste uitloper vòòr Cajarc. Het gebouw had de massieve contouren van een middeleeuwse burcht en leek daardoor een onneembare vesting uit het tijdperk van de Industriële Revolutie. Het spoor verdween weer in een donkere tunnel vlak naast het gebouw, die volgens het opschrift boven de ingang in 1881 gebouwd was. Stef was te moe om het alternatief – omhoogklimmen om de landengte over te steken – serieus te overwegen. Na die laatste tweehonderd meter door de duisternis keken ze met knipperende ogen van het felle zonlicht weer uit op Cajarc, de hangbrug en, schuin aan de overkant op een lage, bomenrijke weide tegenover de witte kliffen, hun camping.

De ochtend daarop liepen Xavier en Stef al vroeg in de tegenovergestelde richting, met de zon in hun gezicht, stroomopwaarts langs de Lot. Na de lange, vermoeiende tocht van de vorige dag had Stef liever een rustdag ingelast, maar Xavier was niet te stoppen en Stef zelf wilde niets missen van het avontuur waarin hij zich begeven had. Ondanks zijn grote twijfels koesterde hij ook nog een sprankje hoop dat ze wel degelijk iets op het spoor zouden komen. De jacht op de schat had blijkbaar een oeroud instinct in hem gewekt, een mengeling van nieuwsgierigheid en hebzucht. En dus had hij zijn behoefte aan rust terzijde geschoven en zich andermaal op het speurderspad begeven met zijn metgezel.

Ze liepen nu als het ware terug in de richting van Figeac volgens een route die ze nog niet verkend hadden. Niet over de vlakte, maar door de vallei, langs de rivier. Bij Cajarc hing er nog een lichte nevel over het water toen ze vertrokken van de camping, maar al snel loste de koele waterdamp op in de warme stralen van het zonlicht. Tegenover het station lag een strook volkstuintjes langs een lommerrijk pad aan de waterkant. Toen ze die achter zich gelaten hadden keerde het inmiddels bekende patroon terug: weg en spoor waren uitgehakt in de rotsachtige hellingen boven de rivier waar deze een buitenbocht naar hun kant maakte, afgewisseld door akkers en boerderijen op de plaatsen waar de stroom afboog naar de overkant van de vallei om daar tegen de rotswand aan te schuren. Het was een geologische herhaling van hun lange mars van de vorige dag. En hoe kon dat ook anders? Ook hier had de rivier zich in de loop van duizenden jaren kronkelend een weg gefreesd door het kalkplateau en was de mens gevolgd met de aanleg van weg en spoorlijn.

Het was stil op de weg en de mannen droegen hun mondkapjes losjes om de hals. Xavier was de vorige avond druk bezig geweest met het bestuderen van zijn notities en foto’s. Dat had een hoop vage veronderstellingen en geen enkele concrete aanwijzing opgeleverd. Nu liep hij zwijgend voor Stef uit, zijn hoofd heen en weer bewegend als een scheepsradar om de rotsen aan weerszijden van de rivier te scannen. Na een paar kilometer passeerden ze een zijkloof waarin enkele huizen tegen de steile rotswand aangebouwd waren. Stef twijfelde er niet aan dat deze woningen verbonden waren met holtes in het gesteente. Aan de buitenkant kon je alleen niet zien tot hoe ver in de rots de ruimtes zich uitstrekten en Stef kreeg fantasieën over uitgebreide onderaardse gangenstelsels waarin allerlei geheimzinnige zaken verborgen waren en die zodoende de lust tot exploratie opwekten. Ook Xavier was gefascineerd door de verborgen mogelijkheden die zich hier aandienden en hij maakte ijverig aantekeningen en foto’s van de nauwe kloof. Ze moesten zich echter tevredenstellen met hun observaties op afstand, want een paar vervaarlijk blaffende waakhonden bewaakten de toegang tot het terrein.

Even verderop kwamen ze bij Cadrieu, een agrarisch gehucht omringd door velden met maïs en tabaksplanten. Naast een bescheiden dorpskerkje stond een kasteel dat zich verschool achter oude muren en ongedisciplineerd woekerend groen. Het had er veel van dat het oude, vervallen metselwerk zich trachtte te camoufleren met uitgelopen klimop en ongesnoeide jonge boompjes die in het wilde weg wortel hadden geschoten. Het kasteel zag er van buiten verwaarloosd en vervallen uit en door de gaten in het dak en de vensteropeningen van het gehavende gebouw groeiden hele bomen naar het zonlicht. Zoveel heimelijkheid wekte natuurlijk de nieuwsgierigheid. Wie weet welke sporen van vergane glorie zich verborgen hielden achter die brokkelige muren? Een groengelakte gietijzeren brievenbus wees erop dat het domein niet helemaal verlaten was. Als een kleine, dappere wachter stond die in zijn glimmende pantser een merkwaardige poort te bewaken voor een korte stenen brug die zich kromde over een miniatuurslotgracht. Die poort leek meer voor de sier dan dat die een nuttige bijdrage zou kunnen leveren aan de verdediging van het landgoed tegen een vastberaden en goed gewapende groep strijders. De omheining was hooguit geschikt om brutale zwervers en opstandige boeren buiten te houden. Stef maakte daarover een opmerking tegen Xavier en concludeerde dat het volgens hem geen constructie uit de Middeleeuwen betrof, maar dat het – net als bij dat iele kasteelpoortje dat ze de vorige dag bij Cénevières hadden gezien – vermoedelijk ging om een romantische toevoeging uit de negentiende eeuw toen men graag droomde van een glorieus en heldhaftig verleden.

Boven de poort prijkte in de muur een rond zegel dat ook een roemruchte middeleeuwse oorsprong sugereerde. Onder het koninklijke symbool van de fleur-de-lis was een exotisch aandoend bouwwerk afgebeeld en daaromheen in een cirkel een geheimzinnige tekst: STI:V:C:TEMPLI:XDI. Stef trok de voor de hand liggende conclusie dat het iets met de Tempeliers te maken kon hebben. Het bouwwerk met de merkwaardige uivormige toren boven een bogengalerij zou dan wel verwijzen naar de tempel waar de ridderorde haar naam aan ontleende. Voor Xavier was de aanwezigheid van het zegel boven die poort natuurlijk voedsel voor zijn neiging om overal aanwijzingen en verbanden te zien. Driftig begon hij te zoeken op het internet en al meteen vond hij afbeeldingen die duidelijk verwant waren aan de voorstelling boven de poort. Het afgebeelde bouwwerk stelde de omstreden islamitische schrijn voor die bekend staat als de Rotskoepel. Volgens de informatie die Xavier oplas wisten de kruisridders dat op die plek de Tempel van Salomon had gestaan en de Tempeliersorde vestigde zich na de verovering van Jeruzalem in de beroemde Al Aqsa moskee die ernaast stond. De ridderorde nam het ronde grondplan van het heiligdom over als basis voor de tempelierskapellen die ze overal in Europa bouwden. Dat herinnerde Stef aan de kapel van de ridders die hij in Le Puy bezocht had, waar hij het magisch vierkant had gezien. Ook al had dat charmante gebouwtje een achthoekige plattegrond in plaats van een cirkel. Xavier las dat er verschillende voorstellingen op de zegels konden staan, niet alleen de zogenaamde tempel, maar ook kruizen en gewapende ridders te paard werden gebruikt – vaak twee berijders op één paard als symbool voor de zelfverkozen armoede van deze riddermonniken. Iedere regionale grootmeester van de orde had blijkbaar zijn eigen zegel, vandaar dat de afbeeldingen en teksten nogal konden verschillen. De suggestie hier was dat dit kasteeltje had toebehoord aan een vooraanstaand lid van de roemruchte orde van tempelridders.

De mannen speculeerden over de betekenis van de letters, maar kwamen daar niet ver mee. De S stond waarschijnlijk voor Sancto, heilig, maar kon evengoed verwijzen naar het woord Sigillum dat zegel betekende. Stef betoogde dat de interpunctie suggereerde dat de letters STI bij elkaar hoorden en dus naar één woord of begrip verwees: toch iets als Sancti? V.C. kon misschien wel verwijzen naar iets als het ‘Ware Kruis’, Vera Crucis. Zowel de C als de X konden afkortingen zijn voor ‘Christus’, hoewel Xavier opperde dat sommige van de letters ook konden staan voor Romeinse getallen. Maar de combinatie XDI had in die volgorde geen betekenis. Het was verwarrend, ook omdat ze een plaatje vonden dat veel overeenkomsten vertoonde, maar waar de letter P stond op de plek van de D in XDI. Misschien een kopieerfoutje? Stef vroeg zich af wat dat koninklijke lelieblad deed boven het zegel. Voor zover hij wist was het juist een koninklijk bevel geweest dat de Tempeliers had uitgeroeid na gefabriceerde aantijgingen van ketterij in 1307 om beslag te kunnen leggen op het vermogen van de orde. Een samengaan van de symbolen van koning en Tempeliers was in dat licht bezien dus een gotspe, zou je kunnen zeggen. Maar goed, tot aan die vervolgingen waren de ridders belangrijke geldschieters geweest voor de Franse kroon en hadden ze haar bescherming genoten. Die royale financiële verplichtingen leken Stef een uitermate goede reden voor de koning om van die machtige en rijke ridders af te willen.

Tenslotte kwam het Stef ook merkwaardig voor dat zo’n zegel boven de ingang van een kasteeltje was bevestigd. Het ontwerp hoorde volgens hem thuis op munten of op een zegelring, maar niet boven een poort. In ieder geval kon Stef zich niet herinneren dat hij ooit eerder een dergelijk uithangbord gezien had. Niet bij een middeleeuws gebouw tenminste. Het was meer iets voor de achttiende of negentiende eeuw, toen rijk geworden burgers – de spreekwoordelijke noveaux riches – de behoefte hadden om door middel van dergelijk vertoon een roemruchte aristocratische afkomst te claimen. De koninklijke lelie was weliswaar tijdens de Franse Revolutie als symbool ten onder gegaan, maar royalistische sentimenten waren daarmee niet voor altijd verdwenen. Hij concludeerde dat het zegel waarschijnlijk een moderne mystificatie was, iets waarmee de burgerlijke eigenaars van het landgoed hun bezit wilden plaatsen in het schijnsel van een verzonnen verleden vol roem en glorie.

Maar Xavier was daar nog niet zo zeker van. In lijn met alle fantastische theorieën die hij geopperd had in verband met de verdwenen schat van Eleanor en haar oorsprong, was hij niet in staat om sporen die verwezen naar de Tempeliers te negeren. Hij herinnerde Stef eraan dat ze nog niet zo lang geleden bona fide sporen van de ridderorde waren tegengekomen bij Espalion. De ridder-monniken waren dus in de Middeleeuwen in de buurt geweest, een stukje terug, stroomopwaarts langs de Lot zelfs. “Het valt daarom niet uit te sluiten dat er wel degelijk een verband bestaat tussen de Tempeliers en dat kasteeltje hier. Wie weet? Misschien dat een verre nazaat door middel van dat zegel boven de poort een eerbetoon aan een roemruchte voorouder wilde brengen?”

Die mogelijkheid kon Stef natuurlijk niet ontkennen. “Maar wat kan dan het verband zijn met Eleanor’s verdwenen relikwie?” vroeg hij zich hardop denkend af. “Ik bedoel, ook als jij gelijk hebt en er hier in de Middeleeuwen een Tempelridder een domein had – op zichzelf al vreemd omdat de Tempeliers voor zover ik weet bij toetreding tot de orde afstand deden van hun persoonlijke bezittingen – maar dan nog…” Hij onderbrak zichzelf om zijn gedachten te ordenen. “Misschien was het landgoed in bezit van de ridderorde, maar dan zou het juist bescherming moeten bieden aan pelgrims. Ik zie niet goed hoe ze een rol zouden hebben gespeeld bij de verdwijning van een heilig voorwerp.”

“Ik ook niet Stef, maar ik speel nog altijd met de mogelijkheid dat de schat op een latere datum wel degelijk gevonden is en de middelen heeft opgeleverd voor de uitbreiding van een kasteel of voor de financiering van andere ridderlijke ambities. Bijvoorbeeld een kostbare wapenuitrusting, een kruistocht of misschien de stichting van een klooster of de bouw van een kerk. In ieder geval ligt dit kasteel tegen de rots en de kans is daarom groot dat er ergens kelders en grotten verborgen zijn. Zie je? Het is een interessante verwijzing die ik wel moet meenemen in mijn beoordeling van dit deel van het landschap.” Hij maakte wat foto’s en tikte enkele notities in zijn tablet terwijl Stef zijn waterfles aan de mond zette.

Het duizelde hem. Stef probeerde zich voor te stellen hoe een tempeliersburcht een rol zou kunnen spelen in het verhaal waarover hij de afgelopen dagen had lopen fantaseren, de roman die hij zou kunnen schrijven over de schat van Eleanor. Maar zijn gedachten bleven in rondjes draaien. Hoe moesten ze in hemelsnaam uit al die interessante en min of meer veelbelovende locaties die ze in kaart hadden gebracht uiteindelijk een plek kiezen om daadwerkelijk grondig te onderzoeken? Het leek erop dat zijn metgezel verwachtte dat een bepaalde locatie er gewoon bijzonder veelbelovend uit zou zien en dat hij dan als bij inspiratie zou weten dat hij daar verder moest zoeken. Stef vond dat maar ongestructureerd, om maar niet te zeggen onverantwoord tijdverlies. Er moest toch een manier zijn om al die plekken die Xavier registreerde in zijn computer op de een of andere manier te classificeren aan de hand van objectieve, meetbare criteria?

Terwijl ze over de weg tussen de rivier en de verlaten spoorlijn verder liepen in de richting van Montbrun sprak hij deze gedachten uit. Xavier reageerde opgetogen: “Dat is een verdraaid goed idee van je.” Hij krabde nadenkend aan zijn kin en vervolgde: “Maar hoe zie je dat praktisch voor je? Wat voor soort maatstaven kunnen we gebruiken om een rangorde aan te brengen in de mogelijke zoekplaatsen?”

“Mmmm”, Stef dacht even na. “Het gaat ons om een lang geleden ingestorte grot, nietwaar? En we weten dat die gebruikt werd als uitvalsbasis voor bandieten. Dat betekent dat de plek die we zoeken op de een of andere manier redelijk bereikbaar moet zijn geweest, dus niet te hoog in de rotswand, lijkt me. En waarschijnlijk niet te ver van de pelgrimsroute af – welke route dat dan ook was. Misschien moeten we een klassering van de verschillende middeleeuwse routes maken om de mogelijke locaties in hun relatie tot de meest nabije route een cijfer te geven.”

Xavier knikte nadenkend en Stef vervolgde: “We moeten oppassen dat we daarbij niet in een cirkelredenering vervallen, doordat we bij zo’n classificatie van routes de aanwezigheid van grotten en dergelijke laten meewegen. Dat zou de omgekeerde wereld zijn. Maar laat eens zien wat we verder kunnen vastleggen. Oh ja. We weten dat de grot is ingestort, dus we zoeken eigenlijk een onkarakteristieke helling of glooiing in of onder een rotswand. Aan zulke kenmerken kunnen we vast wel een cijfer geven dat gebaseerd is op, ik weet het niet, de hoogte? De breedte? De toegankelijkheid? Misschien de nabijheid van drinkwater in de vorm van een bron of de rivier zelf. Zoals bij die grot van Caougne boven Cajarc. En het lijkt mij zinvol om iets te weten over de nabijheid van middeleeuwse gebouwen. Ik verwacht dat de plek ten tijde van de overval een eind van de bewoonde wereld zal hebben gelegen. Dus we kunnen de afstand tot de dichtstbijzijnde oude nederzetting of priorij ook vast wel in een cijfer uitdrukken.”

Zo pratend kreeg Stef het geruststellende gevoel dat ze op de een of andere manier grip op een onoverzichtelijke situatie begonnen te krijgen. Dat er in de overvloed van vage aanwijzingen tenminste een soort van structuur kon worden aangebracht. In zijn notitieboekje maakte hij een paar aantekeningen. Hij bedacht dat ze een week eerder bij Estaing dankzij een overzichtelijke analyse van het landschap, hun kaarten en de achtergrondinformatie waarover ze beschikten een historische reconstructie hadden gemaakt van het wegennet tussen Espalion en Conques. “Laat me hier vanavond nog eens rustig over nadenken, dan probeer ik de mogelijkheden op een rijtje te zetten. Zo kunnen we zien of deze benadering ons concreet iets oplevert”, sprak hij hoopvol.

Ze waren inmiddels weer onder een steile rotswand langs gelopen en een grote akker gepasseerd die vol stond met het pluizige loof van venkel. Bij de ingang van een kleine camping kruiste de weg de spoorlijn en kwamen de mannen bij het schilderachtige gehucht Montbrun: enkele met zorg opgeknapte oude huizen, een groen uitgeslagen overdekte wasplaats, een klassiek Frans stationsgebouwtje en een massieve pigeonnier in de schaduw van een hoge rots waarop een kerkje prijkte naast het ontoegankelijke silhouet van een oude burcht. Tussen de robuuste hoekige contouren van het kasteel priemden smalle cipressen naar de hemel, een aanblik waardoor Stef zich even in Italië of Griekenland kon wanen. De oude kern van Montbrun, op haar verheven plek boven de rivier, had inderdaad wel iets weg van zo’n strategisch geplaatst stadje op een goed verdedigbare rotspunt in het van oudsher politiek verdeelde Italiaanse landschap.

Aangetrokken door de pittoreske vesting en de belofte van dramatische vergezichten van bovenaf verlieten Xavier en Stef de doorgaande weg in de vallei om de klim naar het kasteel te maken. Door een schaduwrijke kloof liepen ze omhoog en ze passeerden de huizen die tegen de steile rots opgestapeld waren terwijl ze in het zuiden, aan de overkant van de rivier, een hoge, langgerekte klif in het oog kregen. Dat was le Saut de la Mounine, de legendarische rotswand waar een kluizenaar het Afrikaanse aapje dat hij had meegebracht uit Compostella offerde voor de liefde. De heer van Montbrun had namelijk gezegd dat hij zijn dochter liever te pletter zag vallen dan dat ze met de zoon van zijn aartsvijand zou huwen, de jongeman op wie ze nu juist verliefd was. De dochter stortte haar hart uit bij de heremiet en die besloot de ware gevoelens van de vader te testen door haar dood te simuleren. Gekleed in de kleren van de jonkvrouw wierp hij zijn gezelschapsdier in de afgrond. Toen de onthutste vader het verpletterde lichaam van zijn dochter meende te zien kwam hij tot inkeer en nadat de waarheid over de intrige onthuld werd gaf hij toch zijn goedkeuring aan het huwelijk. Eind goed, al goed. Het was een prachtig dramatisch verhaal waarvan de moraal belangrijker was dan het waarheidsgehalte.

Als een reusachtige natuurlijk apsis in de rand van het plateau kromde de richel van ‘de sprong van de meerkat’ zich om de bocht van de rivier die tegenover Montbrun begon. De schatzoekers hadden zich voorgenomen om later die dag aan de andere kant van de rivier terug te lopen naar Cajarc, boven òver die klif. Die route zag er imposant uit, maar voor Stef was het nog steeds niet duidelijk hoe die verscheidenheid aan geologische en geografische indrukken zou kunnen leiden tot een duidelijke aanwijzing over waar zich 850 jaar geleden een schuilplaats voor struikrovers had bevonden. In gedachten probeerde hij de verschillende facetten van het landschap om te zetten in meetbare grootheden die als leidraad konden dienen bij hun zoektocht. Oriëntatie, hoogte, steensoort, bereikbaarheid van de rivier, nabijheid van nederzettingen of burchten – het kwam hem voor als een onontwarbare kluwen van variabelen, maar een systematische aanpak leek hem de enige manier om er een overzichtelijke orde in aan te brengen.

Terwijl ze zo al klimmend getrakteerd werden op het schitterende uitzicht over de vallei van de Lot, kwamen ze niet veel dichter bij het kasteel, dat zich verscholen hield achter een lange muur boven de smalle weg die omhoog leidde. Stef kreeg de indruk dat de meeste opgeknapte huisjes met hun mooie uitzichten dienst deden als vakantiehuisjes voor buitenlanders. Hij zag zelfs een geparkeerde auto staan met een Nederlandse kentekenplaat, maar de meeste woningen maakten een verlaten indruk.

Aan de achterkant van de rotspiek troffen ze een klein parkeerplaatsje bij de toegangsweg van het kasteel, maar de gebouwen van het kasteel zelf bleven aan het zicht onttrokken door de massieve muur rond het terrein. Wel vonden ze een klein, intiem begraafplaatsje dat ingeklemd lag tussen de kasteeltuin en de afgrond. Stef was benieuwd wat de namen op de grafstenen konden vertellen over de geschiedenis van Montbrun en hij klom over een vervallen muurtje om het kerkhofje te betreden. Hij was zeer verbaasd toen hij tussen afgetakelde monumentjes met familienamen als Coldefy en Roumegoux een grote zandkleurige grafsteen met een Nederlandse naam aantrof: Aimée de Dieu et de tous, Geertruud Hoeksema, 12 avril 2005. Welke banneling had zich hier zo geliefd gemaakt dat ze op deze schitterende plek begraven kon worden? Stef vermoedde dat er achter de sobere tekst op het graf een intrigerende persoonlijke geschiedenis schuilging. Het was alweer zo’n verhaal dat zich had vastgehecht aan het landschap, net zoals de sprong van het pelgrimsaapje en al die andere mythische vertellingen waarmee zijn weg door Frankrijk geplaveid was.

Maar ze vonden geen aanwijzingen die hen verder konden helpen bij hun zoektocht en de mannen overlegden hoe ze hun weg zouden vervolgen. Na Montbrun maakte de river – en dus ook de weg – een flinke slinger naar het zuiden, langs de Saut de la Mounine, om daarna weer terug te komen bij de rotswand aan de noordzijde van de vallei, de kant waar de mannen zich bevonden. De spoorlijn ging door een tunnel van een paar honderd meter, terwijl de rivier en de weg erlangs een omweg van ruim een kilometer maakte.

Xavier wilde graag de kliffen langs het water inspecteren, ook al zou dat meer tijd en inspanning vergen. Er was ook een pad dat door het bos, òver de uitloper van het plateau liep en op die manier bovenlangs de route verkortte, net zoals de spoortunnel dat onderlangs deed. Stef, die weinig zin had om weer af te dalen om vervolgens een omweg te maken, stelde voor dat hij het bospad zou nemen en dat ze elkaar aan de andere kant van de meander weer zouden treffen. Het was dan nog een kilometer of vier naar Larroque-Toirac, het plaatsje waar ze de rivier zouden oversteken.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.