14 | Sirenes en zwaailichten in de nacht

Die nacht sliepen Xavier en Stef op de rug van een uitloper van het plateau aan de noordkant van de Lot. Ze hadden hun tentjes neergezet op een open plek in een bosrijke helling boven het gehucht Saint-Parthem. In de diepte slingerde de rivier in een grote lus om hun hooggelegen kampeerplek heen. Beneden hen lag een plak vruchtbaar rivierslib in de binnenbocht van de meanderende Lot met daarop kleine akkertjes en weides aan weerszijden van de doorgaande weg naar Livinhac. Op de landbouwgrond waren hier en daar met doorzichtig plasticfolie bedekte kassen opgetrokken waarin verschillende soorten fruit gekweekt werden. Een slingerende rij verwilderde bomen vormde de zoom van de rivier. Aan de overkant van de kloof keken ze aan tegen de groene glooiingen van de rand van het hoogland tussen Conques en Decazeville.

Ze hadden in de rotswanden geen sporen van grotten of spelonken gezien. Hoewel er onder het groen van alles schuil kon gaan, vonden ze geen concrete aanwijzingen die een verband suggereerden met de middeleeuwse gebeurtenissen die ze onderzochten. Xavier ontdekte op zijn digitale kaarten wel een kasteeltje en een oude kapel die op een rotspunt een stukje stroomafwaarts stonden. Hij las dat de kapel gesticht was door een adellijke familie die volgens een cartulaire van Conques al in de late elfde eeuw op die plek woonde. De kapel was blijkbaar ook een bestemming voor passerende pelgrims geweest, wat de veronderstelling bevestigde dat er een oude route langs de rivier had gelopen.

Onttrokken aan het zicht van nieuwsgierige ogen op de weg in de diepte beneden hen beleefden ze desalniettemin een onrustige nacht. Het geluid van ambulances klonk vanuit de verte door de duisternis en een paar maal hoorden ze een of meerdere helikopters voorbij vliegen. In het zuidwesten verraadde een diffuus lichtschijnsel aan de hemel de ligging van Decazeville, maar de onrustige geluiden kwamen uit meer westelijke richting. Ze spraken niet veel. Ieder was verzonken in zijn eigen gedachten over de afgelopen dag. Stef was doodmoe en viel na een sobere maaltijd van tabouleh, brood en kaas in slaap terwijl zijn metgezel zijn aantekeningen bijwerkte op zijn computer en zijn kaarten bestudeerde.

Om een stuk van de hoofdweg te kunnen vermijden had Xavier een route over de uitlopers van de vlakte erboven uitgepuzzeld. Zodoende liepen de mannen de volgende ochtend door een doolhof van kleine landweggetjes en bospaadjes die hen in de schaduw van het weldadige groen door enkele kleine kloven omlaag, omhoog en weer omlaag voerde. Uiteindelijk stonden ze een paar kilometer stroomafwaarts weer op de D42 aan de oever van de Lot die op dat punt tussen twee hoge rotswanden door stroomde. Vanaf de weg waren nog net de omtrekken van het Château de Gironde en de bijbehorende kapel zichtbaar boven op hun grijze sokkel van natuurlijke rots.

Volgens hun berekeningen lag Livinhac-le-Haut ongeveer vijf kilometer verderop aan de rivier, maar een klein stukje daarvoor zouden ze bij het gehucht Port d’Agrès een verbindingsweg van Decazeville naar het noorden kruisen. Op aandringen van Stef liepen ze sinds Conques op Hollandse wijze aan de linkerkant van de weg, zodat ze het tegemoetkomende verkeer konden zien aankomen, terwijl de auto’s die hen achterop reden op min-of-meer veilige afstand aan de overkant van de smalle tweebaansweg konden passeren. Dat leverde weliswaar luid geclaxonneerd commentaar op van sommige voorbijrijdende Franse au- tomobilisten, maar het gaf tenminste een soort illusie van veiligheid. Die strategie leek die ochtend extra nuttig want er was opmerkelijk veel verkeer op de weg. Ze werden een paar maal ingehaald door busjes van de Gendarmerie, die zo te zien gevuld waren met leden van een goed uitgeruste mobiele brigade. Met loeiende sirenes stoven ze voorbij in de richting van Livinhac. Xavier en Stef hielden even halt in de berm van de weg om de lawaaiige colonne te laten passeren. Kort daarop kwam uit dezelfde richting een militair konvooi aangereden. Uit de rode kruizen op een aantal van de wagens maakte Xavier op dat het ging om een veldhospitaal van het leger. De mannen speculeerden over de reden voor al die drukte op de weg. Ze kwamen al snel tot de conclusie dat er een verband moest bestaan met het geluid van helikopters en sirenes dat ze de vorige avond hadden gehoord. Was er sprake van een natuurramp? Of een groot ongeluk? Was er misschien een stuwdam doorgebroken? Of bevond zich in de omgeving een kerncentrale die op hol geslagen was? Xavier opperde dat er misschien een terroristische aanslag was gepleegd. Wat het ook was, het moest wel ernstig zijn gezien de vele hulpdiensten die in actie gekomen waren. De onzekerheid over al die ophef wierp een schaduw van onheil en doem over de aangename zonnige dag.

Terwijl ze zo prakkiseerden over de gebeurtenissen had Xavier zijn mobieltje tevoorschijn gehaald om te zien of de nieuwssites op het internet een antwoord konden geven op hun vragen. Maar plotseling werden ze opgeschrikt door het optrekkende geluid van een automotor. Stef, die op dat moment achter Xavier liep, zag een donkerblauwe personenauto recht op zijn metgezel afkomen. Gealarmeerd gaf hij een schreeuw, maar tegelijkertijd keek Xavier al geschrokken op van zijn beeldschermpje. Gelukkig was er niets mis met zijn reflexen en hij dook net op tijd opzij, de wegkant in. Stef bracht zichzelf met een sprong in veiligheid tussen het struikgewas in de berm. Voor ze weer konden opkijken was de wagen al verdwenen achter een bocht in de kloof. Verschrikt rende Stef naar zijn metgezel die in het gras lag te worstelen met het tuig van zijn bagagekarretje.

“Xaav’, ben je gewond?” vroeg hij bezorgd, terwijl hij naar adem hapte.

“Nee, ik geloof het niet”, antwoordde de Canadees terwijl hij probeerde de riem van zijn charette los te maken. Dat ging moeilijk omdat hij bij zijn snoekduik een draai had gemaakt waardoor het ding min of meer achterstevoren bovenop hem lag. Stef hielp hem zo goed en zo kwaad als dat ging en moeizaam kwam Xavier overeind. Hij vertrok zijn gezicht en zijn hand ging naar zijn zij.

“Heb je pijn? Kan ik iets doen?” vroeg Stef verontrust, maar Xavier maakte een afwerend gebaar. “Nee, het gaat wel. Een beetje gekneusd, denk ik. Laat me even bijkomen.”

Stef pakte de rugzak van Xavier, die naast de gekantelde bagagedrager lag, en zette hem rechtop tegen een steen. Een snelle inspectie leerde hem dat het karretje onbeschadigd was en hij plaatste het ding op zijn wielen naast de rugzak terwijl Xavier voorovergebogen, met zijn handen steunend op zijn knieën op adem kwam.

“Bloody bastard”, vloekte de gewoonlijk zo rustige en evenwichtige ex-militair geëmotioneerd. “Zag je dat, Stef? Het leek wel of hij me opzettelijk wilde raken.” Zijn moeizame ademhaling ging over in een rochelende hoestbui, alsof hij zich van woede verslikt had.

“Ja, dat was mijn indruk ook”, bevestigde Stef terwijl hij een poging deed om de ander op de rug te kloppen. “Het moet niet veel gekker worden met die agressie tegen nietsvermoedende wandelaars. Wat bezielt die mensen?”

“Hm, ik vraag me af of dit een willekeurige aanslag was”, opperde Xavier somber met een rood aangelopen gezicht. Hij bukte zich stijfjes en raapte zijn mobieltje op.

“Hoe bedoel je? Het was toch zeker gewoon een passant die een afkeer heeft van zogenaamde ziektebrengende vreemdelingen? Net zoals die gek die op ons begon te schieten bij Campuac?”

“Nou, dat is nog maar de vraag. Volgens mij was diezelfde auto ons even eerder gepasseerd vanuit de richting van Conques.”

“Nou en…?” Plotseling ging Stef een licht op. “Je bedoelt… dat het misschien mijn achtervolgers waren? Oh jee…” Hij liet de implicaties van die mogelijkheid even op zich inwerken. “Maar ze hadden het nu toch op jou gemunt?”

“Tsja, wie weet?”, zei Xavier twijfelachtig. “Misschien wilden ze twee vliegen in één klap slaan, of misschien beschouwen ze mij als een obstakel dat uit de weg geruimd moet worden voordat ze jou te grazen kunnen nemen. Anyway, laten we maken dat we zo spoedig mogelijk van deze weg afkomen voordat ze terugkeren om hun werk af te maken. We kunnen straks verder praten.” Met die woorden pakte hij de gordel van zijn karretje en begon die om te gespen.

Stef, die zijn eigen rugzak had afgedaan, pakte die weer op uit het gras. “Maar waar moeten we heen als het niet veilig is op deze weg?” vroeg hij, bezorgd om zich heen kijkend. Links van hen stroomde de rivier onder een korte steile helling en aan de rechterkant verhief zich een begroeide verticale rotswand boven de rijbaan.

Hij zag geen mogelijkheid om de weg te verlaten, maar Xavier zei vastberaden: “Na die bocht daar vòòr ons komen we bij een kruising. Dat is in ons voordeel. Onze achtervolgers zullen daar moeten nadenken over welke kant we zijn opgegaan. Als ik het me de kaart goed herinner zijn daar ook enkele onverharde landweggetjes. Dat is gunstig voor ons. Kom, voordat ze terugkomen en ons in het oog krijgen.”

Terwijl ze zich met een stevig marstempo voortspoedden vroeg Stef verward: “Hoezo is het gunstig voor ons om over een landweggetje te lopen?”

“Daar kunnen ze in ieder geval niet erg hard rijden en waarschijnlijk hebben we hen dan eerder in de gaten vanwege het geluid van hun banden op het steenslag of de stofwolken die ze maken. Maak je geen zorgen, zo lang ze niet met geweren op ons schieten en we buiten hun zicht blijven zijn we in het voordeel. In ieder geval hebben ze het verrassingselement verspeeld met deze slordige actie.” Xavier sprak op zelfverzekerde toon, maar Stef voelde de oude angsten weer opkomen. Een verlammende tinteling trok op vanuit zijn kuiten. Schichtig wierp hij blikken over zijn schouder, maar de blauwe wagen bleef buiten zicht.

Een paar honderd meter verderop kwamen ze bij een T-kruising waar de D42 aansloot op de D963 van Decazeville naar Maurs. Er was een grote lege parkeerplaats en vijftig meter naar links stond een Hotel- Restaurant waar een klein zijweggetje voor langs liep. Zo te zien leidde dat naar de oever van de rivier. Stef merkte op dat er aan de weg tegenover het hotel een kleine epicerie stond, maar Xavier maande hem om voort te maken.

“Laten we eerst een beschut plekje zoeken van waaruit we de boel in de gaten kunnen houden. Als die moordenaars zich niet meer laten zien kunnen we daar straks wel de nodige boodschappen halen.”

Even later zaten ze in een bosje aan de waterkant, schuin onder een oude betonnen boogbrug die slechts één rijbaan breed was. Vanuit hun verscholen positie hadden ze een goed zicht op het doorgaande verkeer dat boven hun hoofden over de brug passeerde en tegelijkertijd konden ze ook het landweggetje langs de rivier in de gaten houden. Nadat hij zijn bagagedrager grondig had gecontroleerd op mankementen had Xavier zijn kooktoestelletje tevoorschijn gehaald en koffie gemaakt voor hen beiden. Het deed Stef terugdenken aan die keer dat ze elkaar hadden ontmoet bij de uitkijktoren op Mont Rigaud in Bourgondië.

“Had je een kans om hun gezichten te zien?” vroeg Xavier toen ze weer wat op adem gekomen waren.

“Nee, niet op een manier dat ik ze zou herkennen,” bekende Stef, die zich dankzij de warme drank weer wat kalmer begon te voelen. “Het waren er twee, dat weet ik wel. Ze droegen allebei een witte mondkap, maar meer kon ik niet onderscheiden – het gebeurde allemaal zo snel.”

“Mag ik vragen hoe goed je die Janusz eigenlijk kent? Is hij te vertrouwen, denk je?”

“Tjee, Xavier, denk je dat hij hier iets mee te maken heeft? Die mogelijkheid was nog niet in me opgekomen”, zei Stef onthutst.

“Maar in Conques was je wel enigszins wantrouwend over hem. Misschien was dat wel terecht.”

“Ik was opzettelijk vaag over onze plannen omdat ik vreesde dat hij er per ongeluk iets over zou vertellen tegen onbekenden die kwaad in de zin hebben. Niet omdat ik hem ervan verdacht zelf in het complot te zitten.” Hij kreeg een nadenkende uitdrukking op zijn gezicht, terwijl hij de Pool in gedachten evalueerde in het licht van deze nieuwe mogelijkheid.

“Misschien is het toeval dat we de dag na onze ontmoeting met Janusz aangevallen worden door onbekenden, maar de gebeurtenissen lenen zich wel voor een bepaald scenario,” stelde Xavier vast, “als het daadwerkelijk om een op ons gerichte aanval gaat.” En hij vervolgde: “We merkten allebei op dat het gedrag van jouw Poolse kennis nogal gespannen was. Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, maar één daarvan is de mogelijkheid dat hij in contact stond met jouw belagers. In dat geval heeft hij ze mogelijk ingelicht over onze plannen om op de camping van Conques te overnachten. Wie weet was zijn verzoek om jou die avond te spreken wel een poging om je in de val te lokken en stonden jouw achtervolgers je ergens op te wachten.”

Bezorgd luisterde Stef naar deze voorstelling van zaken, die hem ineens goed mogelijk leek, om maar niet te zeggen als zeer waarschijnlijk voor kwam. Xavier ging verder met zijn constructie van het mogelijke verloop van de gebeurtenissen: “Nadat jij niet kwam opdagen zijn ze je gaan zoeken op de camping, waar je natuurlijk niet was. Misschien hebben ze ooggetuigen gevonden die ons deze kant hebben zien oplopen en zijn ze de weg langs de Lot in de gaten gaan houden. Dan was het een kwestie van tijd voordat ze ons zouden vinden. Het is mogelijk dat ze ook de wandelroute naar Decazeville moesten afzoeken, maar dat doet er nu niet toe. Ze hebben ons tenslotte gevonden.”

“Maar waarom zouden ze jou dan willen uitschakelen? Ik bedoel, het leek er toch op dat ze jòu van de weg af wilden rijden”, vroeg Stef.

“Ik denk dat er verschillende antwoorden mogelijk zijn op die vraag”, stelde Xavier met een somber gezicht. “Misschien willen ze mij ook liquideren omdat ze denken dat ik dankzij jou teveel weet van hun rol bij de recente gebeurtenissen. Dat jij hebt geraden wat hun geheim is en mij daarvan deelgenoot hebt gemaakt. Het geheim is dan het feit dat ze verantwoordelijk zijn voor het virus dat nu ongecontroleerd zoveel slachtoffers eist. De tweede mogelijkheid hangt daar mee samen, namelijk dat ze jou levend in handen willen krijgen omdat ze erachter willen komen hoeveel je weet en wat je met die kennis hebt gedaan. In dat geval zien ze mij waarschijnlijk als een obstakel. Zoals ik al opperde, ben ik in dat geval een sta-in-de-weg bij hun inspanningen om jou te pakken.”

“Als ze mij om die reden levend in handen willen krijgen, dan zullen ze me na verhoor toch wel uit de weg willen ruimen?” Stef maakte die constatering in de vragende vorm omdat hij tegen beter weten in hoopte dat Xavier hem zou tegenspreken – dat er een reden zou zijn om hem in leven te laten. De verlammende angst die zich van hem meester had gemaakt op de Aubrac roerde zich onder het dunne laagje van zijn zelfbeheersing.

Maar Xavier bood hem geen verlossing van zijn doodsangst en vervolgde: “Het kan ook zo zijn dat ze niet kijken op een slachtoffer meer of minder. Misschien zijn ze wanhopig, maar het lijkt me dat ze in ieder geval niet afkerig zijn van grof geweld. En een dode meer zal ze in de huidige omstandigheden waarschijnlijk onverschillig laten.”

Hij nam een slok van zijn koffie en tuurde bedachtzaam in het voorbijstromende water van de Lot. Een opspringende forel brak door gladde wateroppervlak en de cirkelvormige rimpeling dijde uit in alle richtingen. Stef hield zijn blik gericht op het weggetje dat even verderop langs de rivier liep. De stilte werd slechts doorbroken door een paar auto”s die passeerden over de brug. Na een tijdje nam Xavier weer het woord.

“Er is nog een andere kwestie die een rol kan spelen bij deze aanslag. Iets dat los staat van de duistere krachten die het op jou gemunt hebben.”

Dat trok Stef ’s aandacht. Uit de toon waarop Xavier sprak maakte hij op dat de ander aan iets anders dacht dan de anonieme afkeer van pelgrims bij de plaatselijke bevolking. Vragend keek hij zijn metgezel aan.

“We kunnen niet uitsluiten dat het misschien iets te maken heeft met mijn zoektocht naar de verdwenen schat van Eleanor.”

Dat was een onverwachte invalshoek. Stef kon niet meer uitbrengen dan een verbaasd “oh?”, maar voordat hij iets zinnigs kon zeggen ging Xavier verder: “Het is mogelijk dat een andere partij op de hoogte is van mijn onderzoek. Mensen die contacten hebben met het Vaticaan.”

“Eh… Het Vaticaan, zeg je?” Stef vond het soms maar moeilijk om de gedachtesprongen van de ander te volgen. “Hoezo dat?”

“Ik heb je, geloof ik, verteld dat ik tijdens mijn vooronderzoek naar Rome ben geweest en dat ik daar heb gesproken met een oude Jezuïtische kennis van mijn oom?”

“Ja, ik herinner me zoiets”, bevestigde Stef.

“Inderdaad. Die man heeft me nog geholpen met mijn naspeuringen in de middeleeuwse pauselijke archieven uit Avignon en de correspondentie van Eugenius III. Je herinnert je misschien dat mijn oom tussen het materiaal uit die plaats een oude kroniek had gevonden waarin die overval op een groep monniken door een witte duivel werd beschreven. Eugenius was paus in de periode van de verdwijning van de monniken uit Cluny in 1150. Een opmerkelijk verband met Eleanor is het feit dat de beroemde middeleeuwse geleerde John of Salisbury voor deze paus werkte voordat hij later in zijn carrière secretaris werd van Thomas Beckett. En die was natuurlijk lange tijd de geestelijk raadsman van koning Henry, de tweede echtgenoot van Eleanor. Dus die twee moeten elkaar persoonlijk gekend hebben. De geschriften van John vormen een belangrijke bron over het leven van de koningin. Maar dat doet er even niet toe. Wat ik wilde zeggen is dat de mogelijkheid bestaat dat de ontdekking van mijn oom niet onopgemerkt is gebleven in het Vaticaan.”

Xavier nam nog een slok koffie en vervolgde: “Ik vrees dat er vanuit Rome ook belangstelling is ontstaan voor het verhaal over de verdwijning van een onbekend relikwie uit het Midden-Oosten. Sinds Cluny heb ik het gevoel dat ik in de gaten gehouden wordt. Ik heb de stomme fout gemaakt om daar een kerkelijk pelgrimspaspoort aan te schaffen. Achteraf gezien had ik net zo goed een visitekaartje kunnen afgeven. Wat me achterdochtig maakte was het feit dat men me daar leek te verwachten. Ik kreeg de indruk dat de broeder die de credencials verkocht mijn naam kende en een beschrijving van mijn uiterlijk had – niet dat dat zo ingewikkeld was”, voegde hij er met een wrange glimlach verwijzend naar zijn Aziatische uiterlijk aan toe.

Stef probeerde deze nieuwe informatie te verwerken, maar kreeg daar amper de tijd voor want Xavier ging verder: “Uit voorzorg heb ik dat paspoort onderweg niet gebruikt en de gîtes die beheerd worden door de kerk vermeden. Door zoveel mogelijk in het wild te kamperen dacht ik onder de radar van Rome te blijven. Maar omdat ik in Le Puy bij de grote pelgrimsverblijven probeerde uit te vinden of jij daar al was geweest zijn ze me mogelijk weer op het spoor gekomen. Ik werd daar in de kathedraal aangesproken door een priester die bijzonder nieuwsgierig was naar mijn reisplannen. Hoewel hij zich voordeed als een betrokken geestelijke, ging naar mijn gevoel zijn belangstelling niet in de eerste plaats uit naar mijn zielenheil maar leek hij vooral geïnteresseerd in de details van mijn voorgenomen route.”

Er ging Stef nu plots een licht op: “Aha!” onderbrak hij de ander ruw. “Mont Rigaud! Ik kreeg toen de indruk dat je met je verrekijker op die uitkijkpost opmerkelijk veel achteromkeek. Dat was dus tòch om te zien of je gevolgd werd?”

Er brak een glimlach door op het normaal zo stoïcijnse gelaat van Xavier. Hij knikte bevestigend. “Ja, dat was heel scherp opgemerkt van je. Je maakte toen geloof ik een grap over cowboys en indianen, is het niet?”

“Ja, ja. Inderdaad”, knikte Stef, die blij was dat zijn intuïtie hem die keer niet in de steek had gelaten. “Maar ik kan me niet herinneren dat we toen daadwerkelijk iets hebben gemerkt van achtervolgers. Daar was ik toen zelf toch ook wel alert op.”

“Ja, jouw opmerkingsvermogen en waakzaamheid waren voor mij nòg een paar redenen om je uit te nodigen mee te doen aan mijn onderzoek toen ik je terugvond op de Aubrac. Ik beschouwde het als een nuttige aanvulling op je kennis van de Middeleeuwen en je nieuwsgierige geest.”

“Maar luister eens Xavier, ik begrijp iets niet. Ik kan me goed voorstellen dat de kerk belangstelling heeft voor een heilig relikwie dat is verdwenen in de Middeleeuwen. Dat is allemaal goed en wel, maar wat is dan het verband met die aanslag van zojuist? Waarom zouden ze je dan naar het leven staan? Jij doet toch al het zoekwerk waar ze uiteindelijk zelf profijt van kunnen hebben? Ik bedoel, in het geval dat je daadwerkelijk een relikwie zou vinden. Het zou toch veel meer voor de hand liggen om met je samen te werken of je toch op zijn minst steun te verlenen? Of mis ik hier iets?” Met deze laatste onthulling van Xavier vroeg Stef zich zo langzamerhand af welke informatie zijn raadselachtige reisgenoot nog meer achterhield. Hun samenwerking begon overeenkomsten te vertonen met het schillen van een ui of het uitpakken van een reeks Matroesjka-poppetjes: onder iedere laag bevond zich weer een nieuwe verrassing.

“Ik heb daar geen duidelijk antwoord op, Stef. Het is goed mogelijk dat ze in het Vaticaan meer afweten van deze geschiedenis. Het valt niet uit te sluiten dat ze naar aanleiding van mijn verzoek wel degelijk meer informatie hebben gevonden in de archieven, maar besloten hebben die nieuwe feiten niet met mij te delen. Misschien wil men mijn onderneming saboteren omdat er een verband is met het een of andere schandaal dat de kerk in verlegenheid kan brengen. Dat het een vervalsing betreft, of een relikwie dat de gangbare kerkelijke geloofsleer ter discussie stelt bijvoorbeeld. Jij weet ook wel hoeveel stof de vondsten van de zogenaamde evangeliën van Maria-Magdalena en Judas hebben doen opwaaien, of die fantastische samenzweringstheorieën die hardnekkig de kop op blijven steken in de populaire boeken van Dan Brown en dergelijke. In ieder geval is de reputatie van de Katholieke Kerk sinds al die onthullingen over kindermisbruik en dergelijke niet al te best en kan ze zich op dit moment geen schandalen veroorloven. Misschien dat er daarom overdreven panisch gereageerd wordt op zaken die het imago van de kerk kunnen schaden.” Hij maakte een hulpeloos gebaar met zijn handen. “Maar misschien is het veel banaler en heeft de Italiaanse maffia lucht gekregen van het verhaal over een fabelachtige schat.”

“Oh, dat is mooi! Dan hebben we nu dus zowel Russische als Italiaanse gangsters die ons op de hielen zitten?” vroeg Stef cynisch.

“Nou, ik zeg niet dat het zo is, maar het zou mij niet verbazen als bepaalde corrupte groeperingen binnen de kerk hun connecties met de onderwereld zouden gebruiken om hun duistere zaakjes op te knappen”, reageerde Xavier afwerend.

“Hm, over complottheorieën gesproken…” schamperde Stef.

Xavier schudde zijn hoofd. “Maar het zou toch kunnen verklaren waarom jouw Poolse vriend mij zo achterdochtig bekeek? Alsof hij mij ergens van herkende.”

Stef kon geen wijs worden uit de wilde theorieën die zijn reisgenoot te berde bracht. Het leek hem allemaal nogal vergezocht. Maar hij moest toegeven dat Janusz zich bij hun weerzien merkwaardig had gedragen en een bijzondere aandacht leek te hebben voor Xavier. Dat was raadselachtig, maar wat hem betreft bleef het gissen naar de werkelijke reden voor diens reactie tijdens de onverwachte ontmoeting.

De blauwe auto was niet teruggekomen en voor zover ze konden zien was de kust veilig. Xavier stelde voor dat hij boodschappen zou halen terwijl Stef op hun spullen paste en de omgeving in de gaten hield vanuit hun verdekte positie aan de waterkant. Toen de imposante gestalte van zijn metgezel uit het zicht verdwenen was haalde Stef voor de zekerheid zijn pistool tevoorschijn. Met al dat gepraat over gangsters en achtervolgers voelde hij zich veiliger bij de gedachte dat hij eventuele belagers van zich af kon houden. In geval van nood zouden de pistoolschoten Xavier hopelijk ook waarschuwen voor het gevaar.

Maar er gebeurde niets bijzonders en na een halfuurtje keerde Xavier terug met een paar plastic tassen gevuld met levensmiddelen. “Zo, daar kunnen we wel een paar dagen mee voort, zou ik zo zeggen”, verklaarde hij opgewekt waarna hij het merendeel van zijn inkopen overplaatste naar zijn karretje. De rest verdeelde hij over hun beider rugzakken. “Het grote nieuws is dat er gisteren in Figeac rellen zijn uitgebroken bij een opvangcentrum voor zieken”, vervolgde hij ondertussen. “De media zijn nu volledig in de greep van de Rode Dood. Het schijnt dat slachtoffers van het virus zich overal in het land massaal aanmelden bij ziekenhuizen, eerstehulpposten en medische centra. Dat leidt alom tot chaotische taferelen, want de toeloop is veel groter dan de capaciteit van de medische voorzieningen. Ook vele niet-geïnfecteerden melden zich om een preventieve griepprik te halen, ook al is het helemaal niet duidelijk of dat wel zin heeft. Zelfs apotheken worden bestormd en voor zover ik kon opmaken uit het verhaal van de kassière in de winkel is de paniek nu wijdverspreid.”

Ze bespraken het verontrustende nieuws, alsof het een natuurramp in een ander werelddeel betrof, en kwamen tot de conclusie dat er op dat moment niks anders opzat dan hun tocht te vervolgen. Alle ophef viel nu tenminste te verklaren, maar het nieuws leerde hen ook dat de virusuitbraak rampzalige proporties begon aan te nemen. Wederom drong de vraag zich op waarom zij beiden niet besmet waren geraakt. Stef had een maand eerder fysiek contact gehad met een dodelijk zieke geïnfecteerde, maar zelf alleen een lichte verkoudheid opgelopen. Wat raadselachtig was, maar in zekere zin ook geruststellend. Hij begon te denken dat hij om de een of andere reden misschien immuun was voor het virus. Xavier vertrouwde erop dat de experimentele vaccinaties die hij in het leger had gekregen nog effectief waren en de milde verkoudheidsverschijnselen die hij tot dusverre had ondervonden in bedwang zouden houden, ook al werd hij geplaagd door een vervelende hoest.

De vraag was nu hoe ze verder zouden gaan. Figeac was de volgende grote plaats op de pelgrimsroute, een flinke dagmars verderop. Ze konden bij Montredon weer aansluiten op de moderne Jacobsweg die liep van Conques via Livinhac naar Figeac, maar Stef vroeg zich af of dat nuttig was met het oog op hun onderneming. Terwijl Xavier boodschappen deed had hij zijn gidsje geraadpleegd en een landkaart van de streek bekeken. Cahors was de plaats waar de groep monniken uit Cluny in ieder geval nooit was aangekomen, dus het geografische eindpunt voor hun speurtocht. Van Figeac tot Cahors was de afstand hemelsbreed nog veertig kilometer, maar de wandelroute van de GR65 slingerde negentig kilometer door de Quercy, het oude graafschap waarvan Cahors de hoofdstad was. Het grootste deel van die route liep door het Parc Naturel Régional des Causses du Quercy, een ruig natuurpark dat ook een gebied dat bekend stond als de Zwarte Driehoek omvatte. De benaming Triangle Noir du Quercy had de streek gekregen omdat die de minste lichtvervuiling kende van heel Frankrijk en daarom bij uitstek geschikt was voor astronomische waarnemingen van de nachtelijke sterrenhemel. Stef interpreteerde dat als een graadmeter voor de bevolkingsdichtheid van het gebied: die moest dus zo’n beetje het laagste zijn van heel Frankrijk. Toen hij dit vertelde aan Xavier stemde die enthousiast in met zijn conclusie dat het heel goed mogelijk was dat de groep uit Cluny ergens in de wildernis van de Quercy was overvallen. Maar waar? Welke route zouden ze vanaf Figeac genomen hebben?

Vanwege de twijfels over de historische juistheid van de route in de wandelgidsjes had Stef nagekeken of er geen in het oog springende alternatieven waren. Hij vroeg zich af of een middeleeuws gezelschap vanaf Conques niet gewoon de Lot zou kunnen volgen – die kronkelde keurig door de Quercy naar Cahors en verder tot hij samenvloeide met de Garonne die langs Bordeaux naar de Golf van Biskaje stroomde. Indien de rivier in de twaalfde eeuw begaanbaar was, dan zou dit misschien een voor de hand liggende verbindingsroute zijn geweest, over het water of langs de oevers van de rivier. Ze bespraken de voors en tegens van de verschillende mogelijkheden. Stef opperde dat hij zich niet kon voorstellen dat de reizigers in 1150 Figeac niet zouden hebben bezocht, want daar werd toen al twintig jaar gebouwd aan de nieuwe abdijkerk, wat natuurlijk de nodige aantrekkingskracht uitoefende. Reizigers met een religieuze achtergrond zouden zich maar al te graag op de hoogte stellen van de vorderingen bij de bouw. Bovendien vormde de stad een belangrijk knooppunt voor verschillende pelgrimsroutes. De abdij van Figeac was in die tijd verbonden aan Cluny, dus voor het reisgezelschap een vertrouwde halteplaats waar men nauwe banden onderhield met hun eigen huis. Het lag voor de hand dat ze voor de abt van Figeac vanuit Cluny berichten van Petrus de Eerbiedwaardige bij zich droegen, of toch tenminste een formele groet en een verzoek om assistentie bij hun onderneming, betoogde Stef. Figeac lag echter niet aan de Lot, maar er zo’n drie kilometer vanaf. Een geografische omstandigheid die twee verschillende routes opleverde om de vijfentwintig kilometer van Livinhac naar die plaats te overbruggen: eentje over land volgens pakweg de huidige GR65 en eentje stroomafwaarts over of langs de rivier tot aan Capdenac en vandaar de laatste paar kilometers over land. Het oude probleem dat ze niet wisten in hoeverre de rivier in de Middeleeuwen bevaarbaar was stak nu de kop weer op. Stef had wel gelezen dat er sinds de zestiende eeuw over de Lot vanuit Decazeville houtskool naar Bordeaux getransporteerd werd, maar dat bewees niet dat er vier eeuwen eerder al bootreisjes mogelijk waren. Klimaatverandering, kanalisatie van de rivier met behulp van strek- en stuwdammen en sluizen of nieuwe typen boten waren zo een paar factoren die hem te binnen schoten die scheepvaart over de Lot in een ander tijdperk praktisch haalbaar konden maken. Xavier vroeg zich af of de kloof waar het water doorheen stroomde op dat traject de juiste geologische omstandigheden bood voor de vorming van grotten. Dat zou een veelbelovende aanwijzing kunnen zijn voor hun schatzoekerij. Dat de streek stroomafwaarts van waar ze nu stonden een geïsoleerde indruk maakte, leek in ieder geval een gunstige voorwaarde voor activiteiten van middeleeuwse struikrovers.

Anderzijds had Stef gelezen dat bij Montredon de grote middeleeuwse route van Bourges naar Toulouse de oude verbindingsweg van Rodez naar Figeac en Périgueux kruiste. Die laatste vormde dus een oude landroute op het traject dat voor hen lag en de mannen waren het erover eens dat die voor middeleeuwse reizigers uit Conques de meest voor de hand liggende keuze leek. Ze besloten daarom de GR65 naar Figeac te volgen en zodoende de Lot voorlopig achter zich te laten. In Figeac zouden ze dan wel zien of ze vandaar een paar kilometer naar Capdenac zouden lopen om van daar de rivier af te zakken, of dat ze de moderne wandelroute zouden volgen over het plateau en bij Cajarc, twintig kilometer stroomafwaarts van Capdenac, de Lot zouden oversteken.

En dus liepen de mannen niet veel later over een bosrijk pad schuin langs de rand van het kalksteenplateau omhoog, neerkijkend op de D627 richting Livinhac en de vruchtbare oevers van de Lot. Eenmaal boven op de vlakte waaide een warme wind hen tegemoet over het glooiende patroon van velden en bosjes. De koelte van de nacht was alweer vergeten. Ze volgden een zigzaggend pad dat hen naar een slingerend geasfalteerd weggetje in een bos leidde. Toen ze weer uit de schaduw van de bomen stapten zagen ze op een heuveltop het elegante spitse torentje van de kerk van Montredon dat parmantig boven het groen uit stak. Het pad maakte een omtrekkende beweging en de landweg die ze volgden bracht hen over een boerenerf tot bij het middeleeuwse kruispunt waaraan de plaats vermoedelijk haar ontstaan dankte. Naast een leeg parkeerplaatsje stond een sleetse telefooncel aan de kant van de weg. Daarachter verschool zich tussen een paar grote boerenschuren een weinig opzienbarend zakelijk gebouwtje waarin de mairie gevestigd was. Het plaatsje ademde een nuchtere functionaliteit uit die goed paste bij een hardwerkende boerengemeenschap. Op de andere hoek van de kruising verrees de natuurstenen gevel van een trotse kapel met een fiere Gotische boog boven de ingang. Ze gingen naar binnen om te zien of ze er nog nuttige aanwijzingen konden vinden. Vaak lagen er in kerken wel foldertjes voor bezoekers met details over de lokale geschiedenis.

Het interieur van het kerkje werd grotendeels bepaald door rijen moderne banken van blank gevernist hout en schrootjes langs de wanden en aan het verlaagde plafond van een galerij boven de ingang. Op dat interne balkon stond een kerkorgeltje dat geflankeerd werd door een paar rijen banken voor een zangkoor. De ruimte was groter gemaakt door een ongebruikelijke aanbouw die nogal huiselijk aandeed vanwege het lage plafond en haar bescheiden afmetingen. Grote vensters van woonkamerformaat keken uit op een klein gazon naast de kapel. De mannen zagen door de ramen dat in het perkje naast de kerk een Lourdesgrot was opgetrokken met een beeldje van Maria. Het stond achter een groen uitgeslagen betonnen altaar waar een hek van witgeschilderd smeedwerk omheen stond. Blijkbaar werden er op hoogtijdagen diensten gehouden in de open lucht. Door tuindeuren in de knusse aanbouw konden dan stoelen en banken voor de kerkgangers naar buiten worden gebracht.

Ze besloten om te picknicken op het gazon in de schaduw van de kapel, maar toen ze buiten in het gras stonden zagen ze een opmerkelijk schouwspel dat hun voornemen in één klap deed vergeten. Twintig meter verderop stond in een scherpe bocht van de weg een slagboom bij de ingang van een wooncomplex dat zo te zien bestond uit twee woonlagen met appartementen. Stef zag dat het was gebouwd van beton in een stijl die modern was in de vijftiger jaren – architectuur van de na-oorlogse wederopbouw dus. Het was een ongebruikelijk groot bouwwerk in deze landelijke omgeving, waar vrijstaande huizen de norm waren en boerenschuren en kerken de grootste constructies vormden. Stef moest denken aan een rusthuis of sanatorium. Maar wat dit ongebruikelijke aanzicht ronduit verontrustend maakte was de aanwezigheid van figuren in witte isolatiepakken bij de toegang van het terrein. Nu zagen Xavier en Stef ook een afzetting van prikkeldraad en de gestalten van gewapende militairen die gasmaskers droegen. Op het plaatsje voor de ingang van het gebouw stond een aantal ambulances en enkele vrachtauto’s van het Rode Kruis. Witgeklede gemaskerde figuren waren bezig bedden, dozen en kratten uit te laden en naar binnen te sjouwen. Een richtingsbordje naast de weg onthulde de aard van het gebouw: maison de retraite – Étoile du Soir, Huize Avondster. Een bejaardenhuis dus. Het kostte de vrienden vervolgens niet veel moeite om te raden wat er gaande was. Blijkbaar was men bezig om een noodhospitaal in te richten in het oude onderkomen voor gepensioneerden. Gezien de recente ontwikkelingen kon dat niet anders zijn dan voor slachtoffers van de epidemie. De maskers die de figuren droegen leken daarop te wijzen. Juist op dat moment kwam een grote ambulance van het Rode Kruis met loeiende sirenes aanrijden vanuit de richting van Figeac. Bij de slagboom gekomen werden enkele formaliteiten uitgewisseld voordat de wagen werd toegelaten tot het terrein. De twee verbaasde wandelaars zagen hoe een aantal brancards werd uitgeladen en naar binnen gedragen – de patiënten gingen verborgen onder een soort plastic tent die op de draagbaren was bevestigd.

Zonder erbij na te denken waren Xavier en Stef door de knieën gezakt om buiten het zicht van de gemaskerde hulpverleners te blijven. Gehurkt achter een hekje maakten ze hun verontrustende observaties. De mannen hadden inmiddels wel geleerd dat pelgrims en wandelaars door velen werden beschouwd als de verspreiders van de plaag en ze voelden er weinig voor om te worden ondervraagd door de autoriteiten, of erger, te worden vastgezet. Voorzichtig trokken de twee zich terug en toen een tweede ambulance bij de slagboom arriveerde en hen aan het zicht onttrok, haastten ze zich om de weg over te steken en de rode-en-witte streepjes te volgen naar het centrum van Montredon. Langs grote stallen liepen ze in de richting van het kerktorentje terwijl ze de ernst van de situatie bespraken.

“Potverdorie, ik hoop niet dat we nu overal van die barricades en controleposten gaan tegenkomen”, zei Xavier geagiteerd. “Dat kan een ernstige belemmering worden bij ons onderzoek.

Dat leek Stef wat overdreven, maar hij had gemerkt dat zijn metgezel de neiging had om de verhoudingen een beetje uit het oog te verliezen wanneer hij sprak over zijn speurtocht naar de schat van Eleanor. Bovendien had hij zelf geen duidelijke voorstelling van hoe ze hun speurwerk in de praktijk vorm zouden gaan geven, dus zag hij ook niet hoe ze daarin belemmerd konden worden.

“Maar Xavier, die slagboom stond toch voor de ingang van dat noodhospitaal? Die was toch helemaal niet bedoeld om passanten zoals wij te controleren?”

“En dus? Was jij niet degene die besloot om terug te trekken en buiten het zicht van de bewakers de weg over te steken?” merkte Xavier scherp op. Zijn gebruikelijke bedachtzaamheid was nu verdwenen. “Ik had niet de indruk dat jij spontaan bij die gasten wilde gaan informeren wat ze daar deden of wat er aan de hand was.”

Daar had hij wel gelijk in. Instinctief had Stef besloten buiten het zicht van de bewakers bij de slagboom te blijven. Het oponthoud bij de politie in Vézelay had hem geleerd dat ieder contact met de autoriteiten maar beter vermeden kon worden omdat het bijna gegarandeerd vertragingen opleverde. Of vrijheidsbeperkingen. Daarnaast was hij nog altijd in het bezit van een illegaal vuurwapen. Als dat bij een routinecontrole van zijn bagage zou worden aangetroffen, dan zou hij een hoop lastige vragen te beantwoorden krijgen. En tenslotte was er nog zijn eigen onduidelijke rol bij de verspreiding van het virus. Wat zijn aandeel precies was bij het ontstaan van de rampzalige stand van zaken langs de pelgrimsroute was Stef zelf ook verre van duidelijk, maar hij kon niet om het feit heen dat zijn lot op de een of andere manier verbonden leek met de uitbraak van een dodelijke epidemie.

“Misschien kunnen we de microfilm met die code inleveren bij zo’n opvangcentrum”, opperde hij zonder erbij na te denken. “De medici die daar rondlopen zullen toch wel weten wat ze met zulke informatie aanmoeten?”

Dat was een wilde gedachte die in hem opkwam onder het lopen, een ondoordachte ingeving waarvan hij zelf ook wel inzag dat er bezwaren aan kleefden. Hoofdschuddend verwoordde Xavier die twijfels kernachtig: “Te riskant en te laat. Er is ongetwijfeld wel een manier te bedenken om de informatie anoniem in handen van medische hulpverleners te spelen, maar het filmpje zal een hoop ophef veroorzaken en een serieuze speurtocht teweegbrengen naar de bron van het materiaal, naar jou dus. Ik geloof niet dat je daar op zit te wachten?”

Met een beteuterd gezicht knikte Stef instemmend als reactie op deze nuchtere analyse.

“Bovendien zullen ze inmiddels heus wel weten met wat voor virus ze te maken hebben. Er zijn ondertussen meer dan genoeg patiënten om monsters van te nemen of waarvan de medische en klinische informatie beschikbaar is.”

Dat kon Stef niet ontkennen en hij deed er verder het zwijgen toe. Hij was te moe om helder te kunnen argumenteren. In gedachten verzonken sloeg hij bij de kerk een hoek om.

In de noordwand van de kerktoren was een beeldje geplaatst van een geharnaste Saint-Michel die de Draak in bedwang hield. Die heldhaftige houding toonden de inwoners van het plaatsje zelf niet want ze lieten zich niet zien. Alle ramen en deuren waren stijf gesloten en het dorpje lag te blakeren in de hete middagzon. Òf ze waren vertrokken, òf ze hadden zich teruggetrokken in hun huizen en de boel gebarricadeerd, zo leek het. Stef probeerde zich voor te stellen hoe de komst van zo’n opvangcentrum voor dragers van de Rode Dood de nodige panische reacties zou veroorzaken. Nageblaft door een enkele boerderijhond lieten ze Montredon achter zich.

De mannen liepen door open weidelanden en passeerden enkele gehuchten. Aan de horizon stegen dreigend rode stofwolken op van het land, alsof de aarde werd omgewoeld door een reuzenhand. Het hooi lag er verwaaid bij op de velden en in een aanhoudende siddering steeg de hete lucht op van het geasfalteerde wegdek. Als een fantoom zagen ze in de verte een politiehelikopter over de heuvels scheren, een grote blauwe vogel met knipperlichten. Die vloog zo te zien in de richting van Figeac.

Bij het gehucht Guirande kwamen ze weer op de doorgaande weg. Naast een ommuurd kerkhofje stond daar een oude pelgrimskapel uit de dertiende eeuw die gewijd was aan Sainte-Madeleine. Binnen troffen de mannen een intieme en sfeervolle gebedsruimte, met een versleten en verbleekte sobere houten biechtstoel en een rommelige verzameling van bankjes en stoelen die tegen de muren aanschurkten om het middenpad vrij te houden. In de aparte ruimte die gevormd werd door het onderste deel van het lage torentje stond een altaar. De grote verrassing werd gevormd door een stel uitbundige oude wandschilderingen in dat deel van het kerkje. Op de achtermuur stonden afbeeldingen van Christus, de evangelist Johannes in zijn gedaante van adelaar, Mattheüs in zijn menselijke voorstelling en daaronder Maria-Magdalena en een onbekende heilige die in het gidsje van Stef werd aangeduid als Saint-Namphaise. Vanaf de zijwanden keken de gevleugelde gouden leeuw die Marcus voorstelde en Lucas als een goedmoedig uit zijn ogen kijkende gevleugelde stier neer op de bezoekers, waarmee het kwartet van evangelisten kompleet was. Het naïeve schilderwerk was overwegend roestbruin van kleur, met hier en daar vervaagde accenten van goudgeel en lichtblauw. De ribben van het gewelf werden ondersteund door de gebeeldhouwde gezichten van een grijnzend monster en een verdwaasde ongelovige. Het fraaie gebedshuisje droeg terecht de status van Monument Historique.

Voor de ingang stond een bord dat wandelaars in het Frans en Engels waarschuwde voor het gevaarlijke verkeer op het volgende weggedeelte. De tekst adviseerde nadrukkelijk om de aanwijzingen voor de Grande Randonnée te volgen en bij de volgende splitsing rechtsaf te slaan. Ze besloten die raadgeving op te volgen, niet alleen vanwege de verkeerssituatie, maar ook om buiten het zicht te blijven van patrouillerende belagers die met hun auto gebonden waren aan de weg.

Zo bereikten ze Saint-Félix over kleine landweggetjes en achterafpaadjes. Boven de ingang van de kerk in dat plaatsje prijkte een aandoenlijke afbeelding van Adam en Eva met merkwaardig dikke achterwerken en korte beentjes. Aangemoedigd door de slang stonden ze op het punt om een appel te plukken van de boom van kennis. Er stond op die plek in de elfde eeuw een abdij die verbonden was aan Figeac en daarom indirect onder het gezag van Cluny viel. De geschiedenis lag hier letterlijk op straat, want langs de kant van de weg lag achteloos een ruw gehouwen stenen sarcofaag, overwoekerd door onkruid. Het leek erop dat hij in gebruik was als drinkbak voor lastdieren en vee.

Xavier en Stef passeerden talloze schuren en stallen van kleine boerenbedrijfjes, maar zagen weinig mensen buiten. Slechts een enkele landbouwtractor was op de velden bezig met het binnenhalen van hooi. Grote sproei-installaties draaiden zwierige rondjes met hun glinsterend gordijn van fijne waterdruppels, sprankelende regenbogen uitstrooiend over de gouden graanvelden. De kleinschaligheid van het leven op het platteland scheen hier, anders dan in Montredon, immuun voor de beroeringen van de grote wereld. Het leek wel of men zich niets aantrok van de epidemie, het wereldnieuws en de paniek die het land in zijn greep hield. Hier vertrouwde men nog op God en de voorzienigheid, concludeerde Stef.

Bij Saint Jean-Mirabel kwamen ze weer op de geasfalteerde D2 naar Figeac, dat nog zo’n zeven kilometer verderop wachtte. Op een heuveltje in de verte stond het kerkje van Saint-Jean. De kern van de oude bourg markeerde de plaats waar in de dertiende eeuw ook alweer een priorij van Conques had gestaan. Het was nu in de namiddag en er was weinig beweging op de weg. De mannen besloten het er maar op te wagen, maar bleven oplettend al het naderende verkeer in de gaten houden en maakten afwachtend pas op de plaats wanneer een auto naderde. Maar veel verkeer was er niet. Her en der zagen ze goed onderhouden moderne bungalows en villa’s in het landschap, vermoedelijk woningen van mensen die werkten in de nabijgelegen stad. De mannen keken nu uit naar een rustplaats voor de nacht. Ze hadden inmiddels ruim dertig kilometer gelopen en zich voorgenomen om de volgende dag, uitgerust, door Figeac te trekken. Dat was weliswaar de volgende grote plaats op hun route, maar met de voorraad die ze nu hadden hoefden ze daar niet lang te blijven. Ze namen zich voor om de situatie te peilen en zo snel mogelijk verder te trekken naar het ruige natuurpark van de Quercy. De relatief afgelegen kloven van de Lot in die streek zagen er op papier veelbelovend uit voor hun onderneming.

Een paar kilometer verderop zagen ze bij het gehucht Lunan een oude windmolen op een heuvelrug, zo’n witgepleisterd rond model dat Stef herinnerde aan de reuzen van Don Quichote. Met zijn uitgestrekte vleermuisvlerken stond de witte gedaante bovenop een heuvel reikhalzend uit te kijken naar een vlaagje verkoelende wind. Vlak bij de molen verscheen een kasteeltje met een nerveus allegaartje van torentjes dat als een kluitje reuzenpaddestoelen uitstak boven een groepje bomen. Het landschap erachter liep omlaag naar de diepte waarin Figeac lag en Stef zag aan de boomtoppen dat de helling dichtbegroeid was met bos. Daarachter zagen ze in de verte de overkant van de brede vallei waar groepjes witte huizen stonden in het groen, de eerste zichtbare tekenen van het oude stadje. Bij een boerderij gingen Xavier en Stef rechtsaf, een landweggetje op, en lieten ze de pijltjes van de GR65 achter zich. Een paar honderd meter verder passeerden ze nog een boerenerf en daarna kwamen ze bij de rand van het bos. De vermoeide trekkers hoopten in de schaduw van het gebladerte hun tentjes ongezien te kunnen opzetten. Na enig zoeken vond het tweetal buiten het zicht van de omliggende boerderijen niet ver van een klaterend beekje een open plek tussen de bomen. Opgelucht deden ze hun bagage af en strekten zich uit in het gras.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.