13 | De schatkamer

De schatkamer van Conques bevond zich in een vleugel van de oude kloostergang naast de kerk. Door een galerij met bogen kwamen ze bij een kleine receptieruimte waar ze ontvangen werden door een gemaskerde dame van onbestemde leeftijd. Stef observeerde dat ze vanwege het besmettingsgevaar ook handschoenen had aangetrokken. Dat leek hem nog niet eens zo’n slecht idee in de gegeven situatie. Veel ziektes werden tenslotte overgedragen door handcontact met alledaagse objecten die mensen aanpakten zonder erbij na te denken: deurklinken, lichtknoppen, telefoons, geld enzovoort. In haar functie zou de receptioniste een verhoogd risico lopen op besmetting vanwege de vele contacten met pelgrims en toeristen die ze beroepshalve had. Eigenlijk kon hij alleen maar bewondering opbrengen voor de moed van de vrouw om haar post niet te verlaten. Dat zou hij zelf in haar plaats waarschijnlijk wel gedaan hebben. Hij veronderstelde dat die standvastigheid wel iets met het geloof te maken zou hebben. De vrouw had er geen enkel probleem mee dat de twee bezoekers hun bagage tijdens hun bezoek even stalden tegenover haar kleine balie. Wel waarschuwde ze vooraf dat Sainte Foy zelf op dat moment niet in de schatkamer was. De heiligste reliek van Conques bevond zich in de basiliek voor de speciale mis die daar aan haar werd opgedragen. De mannen keken elkaar aan. Dat verklaarde in ieder geval waarom het zo druk was in de kerk.

Na de aanschaf van hun entreebewijzen stapten Xavier en Stef een donkere ruimte binnen. Het vertrek was ongeveer vijf meter breed en misschien vijftien meter diep. Het enige licht in het schemerduister kwam uit de vitrines die aan weerszijden tegen de muur waren gebouwd. De serene stilte en het gedempte licht gaven je meteen het gevoel dat je in de aanwezigheid verkeerde van geheiligde objecten. De schatten stonden uitgestald aan de lange zijden van de tentoonstellingsruimte.De glimmende voorwerpen waren sfeervol uitgelicht met kleine lichtbundels, zoals dat in moderne musea de mode was. Stef vond dat wel aardig voor een eerste indruk, maar het bevorderde over het algemeen niet de mogelijkheid om de voorwerpen aan een grondige inspectie te onderwerpen. Xavier was dat blijkbaar met hem eens, want hij verontschuldigde zich en liep het zaaltje uit om even later weer te verschijnen met een zaklampje in zijn hand. “Ze had er geen bezwaar tegen als ik de voorwerpen in de vitrines wilde bijlichten om ze beter te bekijken”, zei hij ter verklaring.

De oudste voorwerpen hadden hun oorsprong in de Merovingische tijd, dus vòòr het midden van de achtste eeuw, en waren verzameld in de vitrine aan hun linkerzijde. Het viel Stef op dat het vooral reliekhouders waren, allemaal niet veel hoger dan dertig tot veertig centimeter. De meesten hadden de vorm van een kistje, andere zagen er meer uit als een soort lantarentje of miniatuurtorentje. Er stond één merkwaardig gevormd object in het rijtje, een platte, open driehoek met een ronde schijf verwerkt in de bovenste punt. Stuk voor stuk waren de voorwerpen vervaardigd van blinkend goud, soms met stukken zilver, en allemaal rijkelijk versierd met gekleurde edelstenen en delen van oude sieraden van onduidelijke herkomst. Door de uiteenlopende vormen en kleuren van deze kostbare ornamenten hadden de voorwerpen wel iets weg van een zorgvuldig gemaakt maar nog altijd rommelig plakwerkje van een kleuterschoolkind. Het goud en zilver was kunstig bewerkt met religieuze voorstellingen, vooral kruisigingen, die omlijst waren met abstracte en florale patronen. De oudste voorwerpen bestonden zo te zien uit collages van bijeengeraapte vroegmiddeleeuwse bling-bling. Stef meende stukken van Romeinse en Germaanse sieraden te onderscheiden en ook de gouden panelen leken hem in sommige gevallen ooit onderdeel te zijn geweest van kostbare gebruiksvoorwerpen. Misschien afkomstig van schalen uit de Romeinse tijd die als veroveringsbuit in stukken waren gehakt? Hij kon zich voorstellen dat ook de grote variatie aan witte, zwarte, rode, groene en blauwe stenen tijdens de geschiedenis meerdere malen deel hadden uitgemaakt van een oorlogsbuit. Je zou een interessant verhaal krijgen wanneer je de bewogen levensloop van zo’n steen zou kunnen opschrijven. Een beetje zoals het verhaal De steen van Sybren Polet, herinnerde Stef zich. Of Harry Mulisch natuurlijk, die in zijn roman De diamant de omzwervingen van een edelsteen over de grillige paden van de geschiedenis beschreef.

Sommige objecten stonden op plateautjes die je kon laten ronddraaien door op een knop onder de vitrine te drukken. Een gouden kistje dat werd omschreven als de Schrijn van Pepijn – een verwijzing naar de vader van Karel de Grote – toonde een kunstig gedreven kruisigingstafereel omgeven door uitbundig filigraanwerk. Volgens de toelichting stamden de oudste onderdelen uit de negende eeuw en waren dus lang na de dood van Pepijn in 768 vervaardigd. Op verschillende tijdstippen waren daar tot in de zestiende eeuw versieringen aan toegevoegd: veelal gekleurd email en edelstenen. Onder het kistje hing een gouden plaat die oorspronkelijk onderdeel was geweest van een Visigotisch kunstwerk uit de achtste eeuw.

“Kijk Stef, ik denk dat het geheimzinnige cadeau van Eleanor er ongeveer zò uit zou kunnen zien”, zei Xavier met een schittering in zijn ogen. “Stel je toch eens voor dat we een dergelijk object onder het stof der eeuwen vandaan zouden halen…”

“Maar Xavier, deze dingen zien eruit als half-willekeurige samenraapsels van roofbuit. Ik bedoel, je kunt er bij wijze van spreken de hele chaotische geschiedenis van de ondergang van het Romeinse rijk in het westen, de gewelddadige Germaanse invasies en de machtsstrijd van de vroeg-Frankische periode aan aflezen”, wierp Stef tegen.

“Ja, nou. En wat dan nog?” De grote gestalte van de Canadees had zich inmiddels verplaatst naar een merkwaardig driehoekig object dat volgens de informatie de letter A moest voorstellen. Ze lazen op het bijschrift dat die A een geschenk was van Karel de Grote, die een gouden letter uit het alfabet zou hebben gegeven aan ieder van de vierentwintig grote kloosters die hij had opgericht. Conques kwam in die overlevering natuurlijk op de eerste plaats, vandaar de eerste letter van het alfabet. Die aanname werd overigens weersproken door de mededeling dat een abt van Conques de reliekhouder rond het jaar 1200 had laten maken, bijna 400 jaar na de dood van Karel, de Heilige Roomse Keizer.

“Dat reflecteert dan toch de geschiedenis van het Westen? Van Frankrijk zelf?” vervolgde Stef. “Dat wijst niet op een voorwerp dat afkomstig is uit het Heilige Land. En ik zou verwachten dat een voorwerp dat Eleanor meebracht uit het Oosten minder van zulk rommelig knip- en plakwerk zou vertonen. Dat het meer eenheid van vorm en stijl zou hebben, Grieks-Byzantijns of misschien zelfs Arabisch,”

Met zijn vinger op de knop liet Xavier de driehoek draaien. De ingelegde stenen flonkerden in het schijnsel van de flauwe lichtbundel die erop gericht stond. Gebiologeerd bestudeerde hij het wonderlijke voorwerp. Aan de achterzijde verscheen op de basis van de driehoek een reeks grote letters die gedreven waren in het goud. Het was duidelijk zichtbaar dat het een fragment was van wat ooit een groter geheel moest zijn geweest.

De belettering zou volgens Stef wel Byzantijns kunnen zijn, of toch in ieder geval van Griekse oorsprong. “Ja, dat ziet er wel Grieks uit,” moest hij bekennen, “maar hier lees ik dat het onderste deel er later aan toegevoegd is. Dus God mag weten waar dat stuk vandaan komt.”

“Maar mijn beste Stef, je kunt het ook opvatten als een aanwijzing van wat er gebeurd kan zijn met dat geschenk van Eleanor. Misschien is het toch gevonden en door de een of andere onverlaat in stukken gehakt. Delen ervan kunnen dan heel goed terecht gekomen zijn in kunstwerken die in de twaalfde eeuw werden vervaardigd. Ik zeg niet dat dit specifieke fragment in verband gebracht kan worden met de koningin, maar het schetst een historische mogelijkheid waarmee we rekening moeten houden.”

“Ja, maar in dat geval zal onze speurtocht nergens toe leiden. Dan is de schat allang gevonden, verdeeld en hergebruikt.”

“Dat is zo, maar het is een mogelijkheid waarmee we maar beter rekening kunnen houden. En je hebt helemaal gelijk met je observatie dat het geschenk van Eleanor, wanneer het een voorwerp betreft dat ze meebracht uit Palestina, bepaalde Oosterse kenmerken kan hebben.”

Dat was in ieder geval een nuchtere vaststelling, vond Stef, die het gevoel had gekregen dat zijn metgezel zich een beetje liet meeslepen door de schatzoekerij en vreesde dat hij de werkelijkheid daarbij uit het oog begon te verliezen.

Aan het smalle uiteinde van de schatkamer stond een lege sokkel in een donkere nis die deed denken aan een apsis in een kerk of kapel. Dat moest de plek zijn waar de reliekschrijn van Sainte Foy normaal gesproken tentoongesteld werd. De folder noemde het gouden beeld van een zittende figuur plechtstatig La Majesté de Sainte Foy. Uit de informatie in de brochure kon Stef opmaken dat in het tronende figuurtje de resten van de schedel van de heilige bewaard werden. Andere botten waren verspreid over verschillende kistjes die in de andere grote vitrine lagen, samen met voorwerpen die geassocieerd werden met de jonge heilige. Dat waren veelal stukken die uit de latere Middeleeuwen of zelfs uit de Renaissance afkomstig waren.

Aan weerszijden van de nis waren in de muur nog twee kleine vitrines aangebracht. Daarin stonden twee kunstig en rijkelijk bewerkte reisaltaartjes die wat Stef betreft het hoogtepunt van de tentoonstelling vormden. Het waren intieme voorwerpen, niet groter dan een A4-tje, waarop de sporen van slijtage door het dagelijks gebruik duidelijk zichtbaar waren. Hij was vooral gecharmeerd door het altaartje aan de rechterkant. Dat was versierd met een tiental geëmailleerde medaillons met afbeeldingen van heiligen en dieren die voor zover Stef kon bedenken verwezen naar de evangelisten en het Lam Gods. Volgens de bijgevoegde tekst was het altaartje vervaardigd uit een oude boekomslag van het evangelie en waren de voorstellingen in de Aquitaanse stijl van de elfde eeuw, wat het voorwerp voor zijn gevoel in de nabijheid van Eleanor plaatste. Hij stelde zich voor dat de legendarische koningin op haar reis naar het Heilige Land een Bijbel met een vergelijkbare band had meegenomen.

De rest van de uitstalling bevatte objecten van latere datum en kon hem minder opwinden. De uitzondering werd gevormd door een kistje uit de vroege twaalfde eeuw dat pas in 1875 werd ontdekt bij een verbouwing van de kerk en waarin verschillende grote botten zaten die werden toegeschreven aan Sainte Foy. De vondst van een eeuwenoud schatkistje dat was weggemetseld in een kerkmuur was een verhaal met een hoog jongensboekgehalte dat de romantische schatzoeker in hem bijzonder aansprak. Het bevestigde de mogelijkheid dat dergelijke ontdekkingen in de werkelijkheid wel degelijk plaats vonden en niet alleen voorkwamen in de fantasie van schrijvers en filmmakers.

Na de verkoelende schemer van de schatkamer veroorzaakten de hitte en het felle zonlicht buiten een schok op de zintuigen. In de schaduw van de bogengalerij van de kloostergang bespraken Xavier en Stef hun mogelijkheden voor het vervolg van de dag. Zouden ze de camping van Conques opzoeken en daar hun tentjes opslaan voor de nacht? Dan konden ze in de middag en avond de bedevaartplaats verder bezichtigen. Xavier gaf er de voorkeur aan om het stadje te verlaten en meteen verder te trekken. Er was niets dat hij nog wilde zien. Stef voelde dat zijn reisgenoot gedreven werd door een verlangen om zijn speurtocht naar de schat van Eleanor voort te zetten. Hij veronderstelde dat het zien van de schatkamer van Conques hem een lichte aanval van goudkoorts had gegeven. Zelf voelde hij er ook niet veel voor om te blijven hangen in het drukke toeristenoord. Niet alleen omdat hij een afkeer had van de commerciële bombarie die in de oude straatjes werd geëtaleerd, maar vooral ook vanwege het gevaar dat hij zijn achtervolgers tegen het lijf zou lopen. Bovendien was de kans op besmetting door het virus natuurlijk evenredig aan het aantal contacten met mogelijke geïnfecteerden – en dat waren zo’n beetje alle aanwezige pelgrims en trekkers. Hij was weliswaar tot dan toe immuun gebleken voor de ziekte, maar hij kon niet uitsluiten dat hij gewoon geluk had gehad. Niets garandeerde hem dat hij onkwetsbaar was voor de Mort Rouge. Het leek hem daarom beter om – ondanks de mondkapjes – geen onnodig risico te nemen. Zo kwamen de mannen gezamenlijk tot de conclusie dat ze er de voorkeur aan gaven om hun tocht te vervolgen en wel te zien hoe ver ze die middag nog zouden komen in de richting van Decazeville, een grote stad die ongeveer twintig kilometer verderop lag.

Juist toen ze hun bagage hadden opgepakt en aanstalten maakten om op weg te gaan begonnen de kerkklokken weer te luiden. Het klonk alsof de verstilde strakblauwe lucht werd opengebroken door een bovennatuurlijk hemels gehamer en de verstikkende hitte moest plaatsmaken voor een verlossende spirituele bries die werd losgelaten uit de basiliek. Toen Xavier en Stef het naastliggende kerkplein bereikten werden ze getrakteerd op een schouwspel dat tegelijkertijd geruststellend normaal en verontrustend ongerijmd was. Door de poorten van de kerk kwam een religieuze processie naar buiten. Een groepje zingende koorknapen gekleed in smetteloze witte gewaden liep achter een priester die een rijk versierd gouden kruis op een lange staf droeg. Daarachter stapten juist op dat moment een viertal priesters het zonlicht in. Op hun schouders droegen ze een baar met daarop een glazen vitrine waarin de ontbrekende hoofdattractie van de schatkamer die ze zojuist bezocht hadden zetelde. Schitterend in de zon als een hemelse verschijning werd de Verheven Heilige Foy naar buiten gedragen. Haar zittende gestalte had onnatuurlijke proporties: het lichaam van een kind, met buitensporig grote gouden puntschoenen die uitstaken vanonder een gouden gewaad dat bezaaid was met gekleurde edelstenen die flonkerden in het daglicht. De beeltenis van de jeugdige heilige had een groot gouden mannenhoofd met een uitbundig versierde kap op. Het hoofd was een beetje achterover getrokken en de grote stenen ogen waren naar boven gericht – op zoek naar God, veronderstelde Stef. De ellebogen van de figuur maakten een rechte hoek naast het lichaam en de handen waren symmetrisch vooruitgestoken, als de chauffeur van een auto die zijn stuurwiel vasthield. Tussen duim en wijsvinger hield de heilige kleine buisvormige houdertjes waarin iemand rode rozen had gestoken. Stef had gelezen dat er een theorie was die veronderstelde dat het hoofd afkomstig was van een beeltenis van Karel de Grote, maar hij dacht eerder aan een oud Romeins ruitermasker. In het Valkhofmuseum in Nijmegen had hij weleens een vergelijkbare gezichtsbedekking van zilver gezien.

Het was al met al een merkwaardig misvormd gedrocht dat de kerk werd uitgedragen en Stef vond dat het leek alsof al die overdaad aan goud en edelstenen bedoeld waren om de anatomische onvolkomenheden van de afbeelding te verhullen. Het was een spiritueel equivalent van de spreekwoordelijke kleren van de keizer dat hier getoond werd.

De vervreemdende aanblik van het spektakel werd versterkt door het feit dat alle processiegangers een mondkapje droegen, als gemuilkorfde boetelingen op een schilderij van Jeroen Bosch. Verbluft keken Xavier en Stef toe hoe de optocht groeide als een gigantische slang die uit zijn hol kroop en zich kronkelend voortbewoog door de nauwe straatjes van Conques de kant op van de Dourdou, het riviertje beneden in het dal. Stef moest denken aan het genezingbrengende serpent van de medische esculaap, slingerend over de pelgrimsweg van Jacobus. Maar waarheen?

De priesters en de koorknapen en prelaten werden gevolgd door een bonte stoet van gemaskerde kerkgangers die zich losmaakten uit het portaal van het Laatste Oordeel: priesters die zwaaiden met rokende wierookbranders, mensen in lokale klederdracht, pelgrims met rugzakken in sportieve kledij, kleurig geklede dagjesmensen, maar Stef zag ook rouwenden in het zwart, gendarmes in uniform en dames in het net. Ze droegen een verscheidenheid aan mondbeschermingen: stofmaskers uit de bouw, chirurgische maskertjes, kunstig gedrapeerde sjaals en er waren ook enkele vrouwen gehuld in de gezichtsbedekkende kleding van islamitische oorsprong die tot voor kort zoveel commotie veroorzaakte: de nikaab en boerka. Het meest verontrustend waren echter de duikbrillen en gasmaskers die sommigen hadden opgedaan in een poging om zich te beschermen tegen besmetting. De hele santekraam bewoog zich als een carnavaleske mars der dwaasheid in de richting van het lagergelegen deel van Conques.

Terwijl ze stonden toe te kijken werd de aandacht van Stef getrokken door een man die hem nadrukkelijk leek op te nemen. Zijn postuur en manier van bewegen kwamen Stef vagelijk bekend voor. Hij voelde zijn lichaam verstijven bij de gedachte dat een van zijn achtervolgers hem herkend had. Hij keek snel de andere kant uit om geen achterdocht te wekken, maar vanuit zijn ooghoeken hield hij de man in de gaten. Door de mondmaskers was het moeilijk om de gelaatsuitdrukking van de onbekende te peilen, maar er leek geen dreiging van hem uit te gaan. Misschien was het gewoon een medepelgrim die hij onderweg ergens ontmoet had? Hij merkte op dat de vreemdeling zich losmaakte uit de parade en op hem toe kwam. Xavier merkte de gespannen reactie van Stef op en vroeg met gedempte stem wat er aan de hand was. Nog voordat Stef kon antwoorden sprak de man hem van enige afstand met stemverheffing aan in het Duits:

“Stef? Bent u dat?” Nu herkende Stef de stem en het accent. Het was Janusz, de Poolse seminariestudent met wie hij samen het laatste stuk tot aan Cluny had gelopen. Dat was inmiddels hoe lang geleden? Er waren pas zo’n drie weken verlopen sinds zijn passage door Bourgondië.

“Hee Janusz”, antwoordde hij verbaasd dat de ander hem herkend had en opgelucht dat het geen belager was. “Nee maar, wat een verrassing om jou hier te treffen.” Stef stak zijn hand uit bij wijze van begroeting, maar de ander hief zijn handen op in een afwerend gebaar en verontschuldigde zich: “Pardon mijn vriend, maar de richtlijnen om besmetting tegen te gaan ontraden iedere vorm van lichamelijk contact…”

Stef keek hem even niet-begrijpend aan, maar toen viel het muntje van begrip: “Ach ja, natuurlijk. Heel verstandig”, antwoordde hij enigszins ontdaan.

“Ik had u bijna niet herkend met die zonnebril en dat masker”, vervolgde Janusz. “En u hebt uw baard laten groeien, zie ik.”

Stef richtte zich terzijde tot Xavier en in het Engels introduceerde hij de serieuze jongeman als aankomend priester uit Polen. Hij voegde er half schertsend aan toe dat hij een wandelende encyclopedie was van kennis over Rooms-Katholieke heiligen. Hij schakelde weer terug naar de Duitse taal en stelde Xavier voor als een medepelgrim uit Canada. De Pool nam de Vietnamese gelaatstrekken van de ander achterdochtig op en met een korte knik van het hoofd richtte hij zich weer tot Stef.

“U ziet er gezond uit. Bent u niet ziek geweest?”, vroeg hij.

“Nee, godzijdank niet. En jij? Alles goed? Ik had niet verwacht je hier te aan te treffen”, repliceerde Stef. Het viel hem op dat de ogen van de jonge Pool onrustig heen en weer schoten. Hij leek de omgeving angstig in de gaten te houden.

“Nou, ik heb wel een lichte griep gehad, maar voel me nu een stuk beter”, antwoordde Janusz met een merkwaardige schittering in zijn ogen. “Toen ik hoorde van deze speciale gebedsdienst vanwege die verschrikkelijke pelgrimsziekte die zoveel slachtoffers eist, ben ik snel op weg gegaan om mijn diensten aan te bieden.” Die reactie leek Stef typisch voor de godsdienststudent, die hij ervan begon te verdenken heimelijk de ambitie te koesteren om als heilige of martelaar te eindigen. Hij zweeg maar over het feit dat de dodelijke fase van de griep zich waarschijnlijk pas na een paar weken openbaarde.

“Het bisdom Rodez heeft hier een speciale opvang voor zieke pelgrims ingericht,” vervolgde hij, “maar de ernstig zieken worden overgebracht naar het ziekenhuis in Decazeville. Helaas zijn ook hier de nodige slachtoffers overleden, niet alleen onder de bedevaartgangers, maar eveneens onder de lokale bevolking.”

Ah, dacht Stef, dat verklaart de verlaten woningen die we onderweg hebben gezien en de panische reactie van die schutter die het op ons gemunt had.

“En u? Wanneer bent u in Conques aangekomen?” informeerde Janusz.

“Ongeveer een uur geleden. We hebben zojuist de schatkamer bezichtigd en toen we naar buiten kwamen… Nu ja, toen zagen we deze processie.” Stef maakte een gebaar naar de passerende optocht om zijn woorden te illustreren. “Ik vroeg me al af waarvoor deze bijzondere bijeenkomst werd gehouden.”

Het gesprek werd in het Duits gevoerd, een taal die Xavier niet machtig was en de Canadees hield zich afzijdig. Hij leek verdiept in zijn routekaart.

“En heeft u al een plaats gevonden om te overnachten?” informeerde Janusz. “Ik weet dat veel particuliere gîtes gesloten zijn vanwege de epidemie, maar misschien kan ik helpen om een plaatsje voor u te vinden in een van de gemeenschappelijke verblijven die de broeders onder hun hoede hebben.”

“Dank je, Janusz, dat is heel vriendelijk van je, maar dat zal niet nodig zijn. Ik denk dat we wel een plaatsje kunnen vinden op de camping.” Stef voelde er niet veel voor om de ander te vertellen dat ze op het punt stonden om verder te trekken en dat Xavier en hij zelf Conques alweer gingen verlaten. Hoewel de verklaring van Janusz over zijn aanwezigheid ter plekke volstrekt acceptabel en plausibel was, leek het hem niet verstandig om zijn reisplannen aan de grote klok te hangen. Hij bedacht dat de student vanwege zijn Poolse afkomst gemakkelijk contact zou maken met andere Oost-Europese wandelaars en misschien onwillekeurig tegen de verkeerde individuen iets zou zeggen over zijn ontmoeting met een zekere Nederlander. En er was iets in zijn zenuwachtige gedrag dat hem verontrustte, alsof hij zich bedreigd voelde. Misschien was de jongeman gewoon opgewonden door de hele situatie: de epidemie en zijn betrokkenheid bij deze kerkelijke hulpactie met al die spirituele noodhulp eromheen. In ieder geval besloot hij instinctief om voorzichtig te zijn met wat hij vertelde over zijn plannen.

De zoekende ogen van Janusz volgden nu de staart van de slang die verdween tussen de middeleeuwse huizen tegenover de kerk. “Eh, ik moet nu voortmaken. De processie, begrijpt u? Maar misschien zien we elkaar later vandaag nog?” vroeg hij verwachtingsvol.

Stef ontweek dat verzoek met een tegenvraag: “Waar gaat iedereen eigenlijk naar toe?”

“We lopen met Sainte Foy naar haar kapel, aan de overkant van de rivier. Dat is een hele klim. De kapel staat dààr,” hij wees naar de dichtbeboste helling die steil oprees in de achtergrond, “maar er is besloten dat deze speciale omstandigheden een extra bijzondere inspanning rechtvaardigen. Jullie lopen toch wel mee naar boven?”

“Nou, we zijn net aangekomen en hebben vanmorgen al een flink stuk van de pelgrimsweg gelopen, dus…..” Hij liet de conclusie in de lucht hangen.

“Oh, juist ja. Maar vanavond is er nog een speciale hoogmis in de kerk. Die zult u vast wel willen bijwonen. Ik zou u graag nog willen spreken voordat u verder reist.” Haast onmerkbaar wierp hij kort een achterdochtige blik op Xavier, alsof hij iets wilde suggereren, maar Stef begreep niet waar hij op doelde.

“Eh, misschien. Ik zal het proberen”, antwoordde hij, hoewel hij dat volstrekt niet van plan was. Toch was hij wel nieuwsgierig naar de betekenis van het geheimzinnige gedrag van de Pool. Waarover zou Janusz hem willen spreken?

“Ja, ja, doe dat asjeblieft”, zei hij afwezig, zijn ogen nu weer gericht op het lege straatje waar de optocht was verdwenen. “Tot vanavond dan.” Hij maakte zich uit de voeten terwijl Stef hem verbaasd nakeek.

“Waar ging dat allemaal over?” vroeg Xavier.

Stef vertelde hem van zijn eerste ontmoeting met Janusz en over diens onderzoek naar lokale heiligen in Frankrijk. “Blijkbaar heeft hij het in zijn hoofd gekregen dat het zijn christelijke plicht is om de zieken op de pelgrimsweg bij te staan.”

“Nou, dat lijkt me een nobele onderneming, nietwaar?” constateerde Xavier. “Maar waarom was hij zo zenuwachtig? Is dat zijn normale manier van doen? Ik kreeg de indruk dat hij mij nogal wantrouwend opnam. Waar spraken jullie over?”

“Ja, zijn gedrag was nogal vreemd geagiteerd. Hij drong erop aan me later vandaag nog te spreken. Daarom nodigde hij me uit om een speciale kerkdienst die vanavond gehouden wordt bij te wonen.”

“Oh? Ik dacht dat we besloten hadden om verder te lopen. Ben je nu van mening veranderd?” vroeg Xavier verbaasd.

“Nee, nee. Helemaal niet. Janusz veronderstelde blijkbaar dat we de nacht hier zouden doorbrengen en het leek me beter om hem in die waan te laten. Dus ik suggereerde dat we op de camping zouden overnachten. Ik weet niet… het leek me gewoon veiliger om hem niet te vertellen dat we meteen zouden doorlopen. Er was iets in zijn gedrag dat me niet beviel.”

“Ah, die indruk had jij dus ook. Nou, ik denk dat je er goed aan gedaan hebt om terughoudend te zijn met informatie over onze reisplannen. Dat zou ons alleen maar kwetsbaar hebben gemaakt voor jouw achtervolgers.”

“Mmm, maar ik vraag me af waarom hij me wilde spreken. Wat zou hij op zijn hart hebben? Ik kan me niet goed voorstellen dat hij iets kwaads in de zin heeft. Zou hij misschien iets vernomen hebben over mijn achtervolgers? Als Pool is hij misschien gevoeliger voor de aanwezigheid van verdachte Russen op de pelgrimsweg.”

“Tsja, dat is een mogelijkheid”, gaf Xavier toe met weinig overtuiging in zijn stem. “Ik weet het ook niet.”

“Aan de andere kant, ik heb hem leren kennen als een oprecht gelovige katholiek. Misschien wilde hij me gewoon spreken over mijn zielenheil”, zei Stef met een wrange lach. “In het licht van de Rode Dood zou me dat helemaal niet verbazen.”

Xavier knikte instemmend, maar Stef kon zien dat hij met zijn gedachten elders was.

“Ik heb de kaart nog eens bekeken met een middeleeuwse blik en ik wilde een routewijziging voorstellen.” “Oh? Vertel!” Deze wending overviel Stef even, omdat de onverwachte ontmoeting met Janusz nog in zijn hoofd zat.

“Zoals je ziet staat ons aan de overkant van de vallei weer een steile klim te wachten.” Xavier maakte met zijn hoofd een beweging in de richting van de groene klif die achter de huizen verrees. “Het pad gaat op het eerste stuk meer dan tweehonderdvijftig meter de hoogte in. Het Jacobspad slingert naar boven en kronkelt over heuvelruggen langs Decazeville om daarna bij Livinhac-le-Haut af te dalen naar de Lot. Er zal ongetwijfeld in vroegere tijden een pad op die route geweest zijn, maar ik denk dat de meer voor de hand liggende weg langs het water liep. Hier vanaf Conques is het langs de Dourdou stroomafwaarts ongeveer vijf kilometer tot aan de Lot. Vanaf het punt waar de rivieren samenvloeien is het dan nog zo’n tien tot vijftien kilometer over grotendeels goed begaanbaar terrein naar Livinhac. De Lot stroomt weliswaar door een paar smalle kloven, maar de oevers bestaan vooral uit vlakke landbouwgrond. Ik denk dat er een paar goede argumenten zijn om te kiezen voor dat traject. Ten eerste hoeven we dan niet zoveel te klimmen, we hebben vandaag al genoeg tegen heuvels en bergen op gelopen. Ten tweede stelt die weg benedenlangs ons in staat om de rotsachtige kloven te onderzoeken op sporen van grotten langs een voor de hand liggende middeleeuwse passage. En in de derde plaats is het met het oog op jouw achtervolgers niet onverstandig om af te wijken van de gebruikelijke route.” Verwachtingsvol keek hij Stef aan. “Wat denk je ervan?”

“Wat een uitstekend idee!” Stef moest lachen. “Alleen al jouw eerste argument, dat we niet meer omhoog hoeven te lopen, zou voldoende geweest zijn om mij te overtuigen. Maar het is eveneens handig dat we vanaf hier dan ook de kant van de camping op gaan. Die ligt een stukje verderop langs de Dourdou. Wanneer Janusz navraag doet, dan lijkt die richting ons voornemen te bevestigen om daar te overnachten.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.