10 | Speculaties

De volgende ochtend lieten Xavier en Stef het kale landschap van de Aubrac achter zich. Ze hadden afgesproken om het rustig aan te doen en met het oog op de conditie van Stef wel te zien hoe ver ze die dag zouden komen. De rustdag had hem goed gedaan, maar Stef was blij dat er geen druk was om een grote afstand af te leggen. Zijn verstuikte enkel voelde nog kwetsbaar en hij probeerde goed op te passen waar hij zijn voeten neerzette op de losse stenen en oneven bedding van het pad. Zijn pelgrimsstaf was hij verloren tijdens zijn nachtelijke dwaling over de vlakte en hij steunde nu weer op zijn Noordse wandelstokken.

Een paar kilometer voorbij hun bivak leidde het spoor van de oude Romeinse weg die ze nu volgden hen omhoog, een bos in. Daar vonden ze de rode en witte streepjes van de Grande Randonnée weer terug. Xavier kon op zijn kaart zien dat het de GR6 was, die op dat stuk samenviel met de oude Via Agrippa. Even verderop, bij de Roc de Campiels, kwamen ze langs een parkeerplaatsje met een groot informatiebord. Daarop lazen de mannen dat in de Middeleeuwen het plateau van Aubrac bedekt was met een groot woud dat onveilig gemaakt werd door bandieten die reizigers beroofden. Er stond zelfs een citaat bij van Adalard, de graaf uit Vlaanderen die in de elfde eeuw de levenloze lichamen van een groep pelgrims had aangetroffen op de vlakte: Lieu d’horreur et de vastes solitudes, terrifiant, boisé, plein de ténèbres et inhabitable, sans aucune nourriture ni fruit à moins de trois lieues à la ronde… Wat natuurlijk de Franse vertaling was van het Latijnse in loco horriris enzovoort, dat in alle reisgidsjes vermeld werd bij de beschrijving van de geschiedenis van de Aubrac. De rots van Campiels vormde volgens de tekst op het bord de uitkijkpost van waaruit de struikrovers hun slachtoffers konden zien aankomen. Dat klonk als precies het soort van plaats waar ze naar op zoek waren. Het bevestigde hun vermoeden dat tijdens de Middeleeuwen inderdaad de oude Romeinse weg nog altijd gebruikt werd. En het betekende ook dat het klooster van de Dômerie van Aubrac, dat nog steeds dienstdeed als onderkomen voor pelgrims, een eindje van de oude route verwijderd lag. In tegenstelling tot de moderne wandelroute, die er dwars doorheen liep, een paar kilometer ten noorden van de rots. Xavier kreeg een opgewonden blik in zijn ogen. Volgens het kaartje op het paneel konden ze over een sentier des brigands bij twee uitkijkpunten op de rots komen. Vol verwachting liepen ze het bos in.

Over een smal paadje dat bedekt was met goudkleurige bladeren die de vorige herfst gevallen waren klommen ze in de schaduw van grote berken tegen de heuvel op. Vanaf die kant viel er weinig te zien van rotsen of grotten. Eenmaal boven keken ze door een opening in het bos uit over een uitgestrekt bomentapijt dat iedere weg aan het gezicht onttrok.

“Ik vraag me af hoe ze hun prooi konden zien aankomen onder al dat groen”, vroeg Stef zich hardop af.

Ook Xavier had blijkbaar zijn twijfels. “Ja, bovendien kijken we hier uit op het zuiden, terwijl de Romeinse weg aan de noordkant van de rots loopt. Ik zie ook geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van grotten, geen rotswand of iets dergelijks.”

“Nee,” zei Stef instemmend, “deze helling lijkt me niet steil genoeg voor een diepe grot.”

Ze scharrelden nog wat rond onder de bomen en besloten het tweede uitkijkpunt te gaan inspecteren. Dat lag een klein stukje verderop, aan de westkant van de heuvel, maar die flank was zo goed als helemaal dichtgegroeid.

Xavier was teleurgesteld. “Kijk, van hieruit heb je wel zicht op de richting van de Romeinse weg, ook al blijft die verborgen onder de bomen. Het kan natuurlijk zo zijn dat de begroeiing er achthonderd jaar geleden heel anders bij stond dan tegenwoordig, maar het blijft toch moeilijk voor te stellen dat je goed kon zien wie er aan kwam.”

“Ja. En ik vind het opmerkelijk dat ze alleen maar in westelijke richting konden kijken. Ik bedoel, dan zagen ze toch slechts de pelgrims die terugkeerden uit Compostella aankomen?”, merkte Stef op.

Xavier raadpleegde zijn kaart. “Nou Stef, kijk eens hier. Deze heuvel ligt precies bij een bocht van de Romeinse weg. Als we de begroeiing daar even wegdenken, dan heb je aan de andere kant, in noordoostelijke richting, een vrij uitzicht in de vallei waar de oude weg doorheen loopt. Zie je? Je kunt bijna helemaal tot aan Rieutort kijken. Nee, dit is wel degelijk een heel strategisch uitkijkpunt van waaruit je de pelgrimsroute naar alle kanten in de gaten kunt houden. In beide kijkrichtingen is het landschap overal lager dan de 1354 meter van de top hier. Alleen die heuvel daar, die onze kampeerplek van afgelopen nacht net aan het zicht onttrekt, is hoger. Maar het zicht op de Romeinse route is onbelemmerd. Het slechte nieuws is dat er ook op de kaart in de hele omtrek geen enkele grot staat aangegeven.”

De mannen liepen nog een tijdje rond op de Roc de Campiels, maar moesten uiteindelijk toegeven dat er verder geen aanknopingspunten waren die nader onderzoek zouden rechtvaardigen. Teleurgesteld daalden ze weer af naar de gr6 en vervolgden hun weg over de antieke Via Agrippa.

Het viel Stef op dat het bospad met de breedte van een karrenspoor bezaaid was met flinke versleten keien. Hij stelde zich voor dat het restanten waren van het oude Romeinse wegdek. Xavier reageerde enthousiast op deze suggestie. “Ja ja, zie je hoe de weg de hoogtecontouren van het landschap volgt! Niks geen steile hellingen en smalle ezelpaadjes. Hier kun je sporen van het Romeins technisch vernuft herkennen.”

“Ik vraag me af of dit bos er in de Romeinse tijd ook zo bij lag”, observeerde Stef.

“Daar zeg je zo wat. Het is inderdaad goed mogelijk dat in het begin van de Romeinse tijd het bos aan weers-zijden van de weg was weggekapt. Niet alleen voor bouwmaterialen en brandstoffen ten tijde van de aanleg van de weg, maar ook uit strategische overwegingen. Een kale vlakte bood tenslotte een beter uitzicht met het oog op mogelijke overvallers”, stelde Xavier.

“Dat is een slimme observatie,” vond Stef, “maar ik denk dat in vreedzame tijden dat militaire argument minder zwaar woog. Na verloop van tijd zal de boel wel weer dichtgegroeid zijn. Zeker na het verdwijnen van het Romeinse gezag. Zo’n scenario valt goed te rijmen met het grote woud dat zich hier blijkbaar in de Middeleeuwen bevond.”

Het pad voerde hen nu door een beukenbos waarvan de stammen zo erg begroeid waren met korstmossen dat het wel berken leken. Het lange, rechte pad voelde inderdaad als een Romeinse straatweg. Onder het lopen keerden de gedachten van Stef terug naar de schatzoekerij van zijn metgezel. Zijn aandacht richtte zich op de uitdaging om sporen van grotten en rotswanden te vinden in de hellingen onder de bomen. En dat vormde een mooie afleiding van de angstige gedachten over gewelddadige achtervolgers, moordenaars die hem bedreigden en dodelijke ziektes.

Na ruim anderhalf uur kwam er plotseling een einde aan de schaduwrijke beschutting van het bos en stonden ze op de kale flank van een bergtop. Het uitzicht was adembenemend. Vanuit het westen en zuiden strekten diepe dalen hun vertakkingen uit naar het vulkanische plateau waarop ze zich bevonden. Onder de strakblauwe hemel lag aan de horizon in de verte een golvend landschap trillend te blakeren onder de meedogenloze zon. Dichterbij zagen ze de randen van een uitloper van de grote kloof die als een open wond de aardkorst doorsneed van het zuiden naar het noordwesten, voor zover het oog reikte. Het was alsof de Aarde was opengespleten aan de rand van de Aubrac en op die manier de vlakte voor eeuwig gescheiden had van de rest van de wereld. Een mysterieuze plaats waar de tijd had stilgestaan. En zo voelde het ook voor Stef. Zijn passage over de Velay, de Margueride en de Aubrac kwam hem voor als een reis door de tijd, vol met onbekende gevaren en anachronistische uitdagingen. Op een bepaalde manier voelde het als een loutering, een mentale vuurproef die hij had doorstaan. Terwijl hij een teug inademde van de warme lucht die opsteeg uit de dalen beneden hem en de geur van drogend gras en wilde kruiden zijn neus prikkelde, had hij even de illusie dat hij ontwaakte uit een boze droom.

“Daar heb je de vallei van de Lot”, onderbrak Xavier zijn moment van romantische dagdromerij. “Die zal de komende tijd onze grootste leidraad vormen. Als de rivier helemaal bevaarbaar zou zijn, dan konden we de Jacobsweg per boot volgen tot aan Cahors. Maar ik denk dat de stroom hier op vele plaatsen nogal ondiep is en doorgaand vaarverkeer niet mogelijk is. De belangrijke plaatsen onderweg zijn Conques en Figeac en die liggen niet direct aan de Lot, maar op slechts enkele kilometers afstand van het water. Voorlopig blijven we dus lopen.”

Een stukje verderop keken ze bij een scherpe bocht de diepte in en zagen ze verspreid in het afdalende landschap van bosjes, weilanden en kleine akkertjes een paar gehuchten liggen. Xavier raadpleegde zijn kaart weer en toonde Stef waar ze zich bevonden. “Kijk, dit hier is Les Enfrux en dan moet daar, zo’n beetje pal ten westen van ons, Saint Chély-d’Aubrac liggen, onzichtbaar verscholen in die diepe groene kloof .” Hij wees met zijn arm naar het noorden en vervolgde: “Door die kloof loopt de GR65 vanaf Nasbinals en Aubrac. En een stukje voorbij Chély, dààr ongeveer, komt die dan weer samen met de Romeinse weg waarop wij lopen. Ik stel voor dat we bij die plek in de buurt ons kamp opslaan voor deze middag en dat ik, terwijl jij op de spullen past en je enkel wat rust geeft, naar Saint Chély loop om vandaar de kloof te onderzoeken. Ik kan dan meteen boodschappen doen en voorzichtig informeren of er nog verdachte figuren gesignaleerd zijn. Lijkt dat je wat?”

Stef had eerder al laten weten dat zijn verstuikte enkel nog gevoelig was en een rustpauze leek hem dan ook geen slecht idee. Hij was nog niet echt moe, maar voelde er weinig voor om af te dalen in een diepe vallei om daarna weer met volle bepakking tegen de steile helling omhoog te moeten klimmen. En hij zag ook wel in dat Xavier zich in zijn eentje en zonder bagage veel sneller zou kunnen voortbewegen. Dus hij knikte instemmend, maar vroeg met enige twijfel in zijn stem: “Bedoel je dat je daar dan wilt overnachten?”

“Nee, dat eigenlijk niet. Als jij je fit genoeg voelt, dan zou ik het liefst vanmiddag nog een eindje verder willen komen. Het hangt een beetje af van hoe snel ik weer terug ben, maar ik schat zo dat ik me vroeg in de middag weer bij je zal voegen. Dan eten we wat terwijl ik even uitrust en kunnen we daarna weer verder lopen. Okee?”

“Ah, zo. Ja,dat lijkt me een prima voorstel. Het is wel verstandig om mijn enkel wat rust te geven. Hopelijk vinden we een geschikte plek waar ik op je kan wachten.”

Die avond kampeerden ze op een pas gemaaid weitje bij het gehucht Lestrade. Ook al een plaatsnaam die wees op een verband met het oude Romeinse wegennet. De mannen hadden hun tentjes opgeslagen uit het zicht van het pad, in de schaduw van een bosje bloeiende tamme kastanjebomen. De zon ging onder in een vlekkeloze bloedrode lucht en Stef verwelkomde de avondkoelte die volgde op de hitte van de dag. Ze waren na hun middagpauze nog zo’n vijf kilometer doorgelopen over een uitloper van de hoogvlakte en hadden besloten te overnachten op de rand van het plateau, vlak bij de plek waar het pad een scherpe bocht maakte en de steile afdaling naar de Lot begon.

Xavier was die middag veel langer weggebleven dan hij zich had voorgenomen en Stef had zijn komst hongerig en bezorgd afgewacht in de schaduw van een rijtje bomen op een groene helling. De Vietnamees was vergeten zijn telefoon mee te nemen. Die zat in de bagage die hij onder de hoede van Stef had achtergelaten. Zodoende had hij Stef niet kunnen waarschuwen voor zijn vertraging. De macht der gewoonte, verontschuldigde hij zich achteraf, want hij droeg normaal gesproken zijn hele bepakking bij zich en hoefde niet na te denken over wat hij bij zich stak.

Zijn uitstapje had geen verrassende aanwijzingen opgeleverd, geen grotten en geen verdacht uitziende wandelaars. Xavier vertelde dat hij verlaat was omdat hij voor de zekerheid de diepe kloof bijna helemaal tot aan de abdij van Aubrac was doorgelopen. En vandaar was hij weer teruggekomen over de weg aan de andere zijde van de smalle vallei. In Chély waren toen inmiddels de winkels gesloten voor de lunch, dus had hij daar moeten wachten tot de epicerie weer open was om boodschappen te kunnen doen voor het avondeten. Nu lagen er vier worstjes te sissen op een geïmproviseerd roostertje boven een klein kampvuur terwijl ze alvast begonnen waren aan een zelfgemaakte bonensalade met vers stokbrood.

Stef had de middag doorgebracht met het bijwerken van zijn aantekeningen en het bestuderen van de beschrijvingen van de bezienswaardigheden op route door het stroomgebied van de Lot. Volgens zijn reisgidsje zouden ze met een dag of drie in Conques kunnen zijn, een van de belangrijkste Franse bedevaartplaatsen in de Middeleeuwen vanwege de resten van Sainte Foy die daar bewaard werden. Die heilige, waarvan de naam geschreven werd als Foy, Foi, of ook wel Foix, werd in het jaar 303 in Agen op twaalfjarige leeftijd op brute wijze vermoord om haar geloof. Haar botten werden daar in 866 door een monnik afkomstig uit Conques gestolen en sindsdien had de jonge heilige volgens de kerk in haar nieuwe rustplaats vele wonderen verricht. Stef vond het maar vermakelijk dat er in de vroege Middeleeuwen zoveel met de resten van dode martelaren heen en weer gesleept werd. Hij meende dat het een onvermijdelijk bijverschijnsel was van de grote bloeitijd van het kloosterleven. In een sfeer van concurrentie en afgunst probeerden de kloosters blijkbaar hun aanzien te verhogen door heilige relikwieën – van soms dubieuze oorsprong – binnen hun muren te krijgen. De monniken waren tenslotte ook maar mensen met alle zwakheden van ijdelheid en ambitie van dien. En het droeg natuurlijk enorm bij aan de luister van hun huis wanneer er berichten waren van wonderen die bewerkstelligd werden door de relieken die zich onder hun dak bevonden. Dat trok bezoekers aan en giften en kon zodoende een bron van enorme welvaart en roem vormen.

Omdat Conques ook een belangrijk knooppunt was op de weg naar Santiago, vreesde Stef dat de mensen die hem zochten juist daar naar hem zouden uitkijken. Dat verontrustte hem wel, maar hij suste zijn gemoed met de gedachte dat hij met een lijfwacht als Xavier weinig risico liep. En misschien zou het zijn vijanden ertoe verleiden om zich bloot te geven, wat de gelegenheid bood om meer zicht te krijgen op hun bedoelingen en de aard van de dreiging. Misschien was die houding wat roekeloos, maar Stef meende dat hij op dat moment niet veel meer kon doen dan zich mee te laten drijven op de getijdestroom van de gebeurtenissen.

Het grootste deel van de tijd had hij zich overgegeven aan fantasieën over de verdwenen middeleeuwse geestelijken en dat geheimzinnige geschenk van de koningin. Het kwam hem voor dat de hele onderneming veel weg had van het zoeken naar de spreekwoordelijke naald in een hooiberg, zo summier waren de aanwijzingen. Maar Xavier leek vol vertrouwen en misschien wist hij wel meer dan hij had willen delen met zijn nieuwe compagnon. Toch had Stef de indruk dat de ander opmerkelijk onbezonnen te werk ging in deze kwestie. Voor hem zelf stond er niet veel op het spel, dus hij vond het geen probleem om betrokken te raken bij dit, weliswaar vage, maar tegelijkertijd ook opwindende onderzoek. Wat ook de uitkomst van het avontuur zou zijn, het verzekerde hem voorlopig van het gezelschap van de imposante ex-militair, die hij bovendien een aangename en interessante reisgenoot vond. Zijn aanwezigheid bood hem een geruststellend gevoel van veiligheid en tegelijkertijd een avontuurlijke afleiding van al te obsessieve gedachten over achtervolgers die hem naar het leven stonden. En alleen al het zoeken naar verschillen tussen de moderne toeristische wandelroute en de mogelijke middeleeuwse bedevaartswegen vormde een historische uitdaging die hem veel genoegen verschafte. Door die overwegingen verzoende hij zich met de gedachte dat zijn voetreis nu – voorlopig althans – een onverwachte wending kreeg. Met karakteristieke overgave had hij zich vervolgens gestort op de uitdaging om zich een voorstelling te maken van de gebeurtenissen die bijna negenhonderd jaar eerder hadden plaatsgevonden. Daarover mijmerend begon hij zich af te vragen wat precies de aard van dat geschenk van de koningin zou kunnen zijn geweest. Xavier had daar met geen woord over gerept. Misschien was dat toevallig, maar het zou Stef niet verbazen als zijn metgezel in dat opzicht wat spaarzaam was geweest met zijn informatie. De ontspannen sfeer bij het avondmaal in de warme gloed van hun kampvuurtje leek hem een goed moment om deze kwestie ter sprake te brengen.

“Zeg Xavier, heb jij eigenlijk enig idee van wat dat geschenk van Eleanor was?”

De ander leek niet verrast door deze vraag. Met een instemmend gebrom keek hij Stef aan en kauwde een mondje voedsel weg om te kunnen antwoorden. “Nou, alles wijst erop dat het de een of andere relikwie was. In de kroniek werd gesproken over het schenden of ontwijden van een relikwie door de overvallers. Als ik het me goed herinner stonden in de aantekeningen van mijn oom de latijnse woorden violabunt en profanum. Dat het voorwerp vanuit Cluny – een belangrijk spiritueel centrum – werd meegevoerd door monniken suggereert ook een voorwerp met een religieuze betekenis. Een andere aanwijzing in die richting is het gegeven dat het geschenk bestemd was voor de belangrijkste bedevaartbestemming in Europa, Santiago de Compostella. Ik denk niet dat Eleanor de Eerbiedwaardige Petrus had ingeschakeld voor het transport van zomaar een mooi ornament voor het graf van haar vader of iets leuks om de kathedraal van Santiago mee op te sieren. Nee, het geschenk moet een substantiële religieuze waarde gehad hebben.”

“Maar waarom dan die geheimzinnigheid? Het lijkt me toch dat de kerk iedere gelegenheid zou aangrijpen om de wonderen van hun heiligen met veel vertoon van pracht en praal te etaleren?”

“Dat weet ik ook niet, Stef. Misschien was men bang voor kapers op de kust en vreesde men dat anderen er beslag op zouden leggen. Een deel van de route ging over het grondgebied van het Graafschap Toulouse en dat was zo’n beetje de aartsvijand van Aquitanië. Dus misschien zag men een dreiging van die kant. Je weet vast wel dat stoffelijke resten van heiligen soms werden, hm, ontvoerd zal ik maar zeggen, om een armlastige abdij te promoveren tot welvarende bedevaartplaats. Zo is Conques volgens mij ook aan de botten van Sainte Foy gekomen.”

“Ja, daar heb ik net wat over gelezen. Een vergelijkbaar verhaal ken ik van Vézelay, waar de zogenaamde resten van Maria Magdalena terecht kwamen nadat die waren ontvreemd uit de Provence.”

“Juist. En een andere mogelijkheid is natuurlijk dat die geheimzinnigheid maar schijn is. Ik bedoel, misschien zijn alle verdere aanwijzingen gewoonweg verdwenen en vergeten door het verstrijken van de tijd en de turbulentie van de geschiedenis. Bedenk maar wat er in de eeuwen kort na 1150 allemaal gebeurd is: de Zwarte Dood, de Honderdjarige Oorlog, het Schisma met verschillende tegenpausen in Avignon en noem maar op. Het is niet moeilijk om je voor te stellen dat grote delen van de kerkelijke archieven zijn verdwenen. Kijk, zelfs de eerste aanwijzing die mijn oom vond was slechts een half weggeschraapte tekst op de achterkant van een veel later document.”

“Dus jij gaat ervan uit dat het inderdaad een relikwie betreft?”

“Jazeker. Maar het interessante is natuurlijk dat relikwieën bewaard werden in een reliekhouder en dat zijn over het algemeen zeer kostbare objecten. Vaak van goud of zilver en bedekt met edelstenen. Hoe belangrijker het relikwie, des te uitbundiger vaak de houder waarin die bewaard werd. En dat soort objecten vormden natuurlijk een zeer verleidelijke buit voor allerlei goddeloos geboefte.”

“En jij hebt bij je onderzoek geen aanwijzingen gevonden over de aard van dat relikwie?”

Xavier schudde zijn hoofd in ontkenning. “Nou, niet rechtstreeks tenminste. Maar er zijn wel historische omstandigheden die aanknopingspunten bieden voor enkele verleidelijke speculaties.” Hij nam even de tijd om de worstjes van het vuur te halen en op hun borden te leggen. Stef schepte nog wat van de salade op, zijn aandrang om Xavier aan te moedigen om zijn cliffhanger los te laten onderdrukkend. Die pakte de draad van zijn verhaal pas weer op nadat hij een hap van de sappige boerenbraadworst had weggewerkt.

“Kijk, wat zegt het jaartal 1150 jou in relatie tot het leven van Eleanor?”

Stef slikte een hap weg. “Hm. Even nadenken. Was ze toen al gescheiden van Louis? Ik heb de exacte jaartallen eerlijk gezegd niet in mij hoofd. Zeg jij het maar.”

“Nee, die scheiding kwam pas in 1152.”

“Oh? Dan zal het niet zo heel lang na hun kruistocht naar Jeruzalem geweest zijn.”

“Exact! De kruistocht was van 1147 tot 1148 en dat vind ik veelbetekenend. Wat is nu een betere plek om een onbekend relikwie te vinden dan het Heilige Land? Het is dus niet moeilijk om je voor te stellen dat Eleanor iets bijzonders heeft meegenomen uit Jeruzalem of een van de andere kruisvaarderstaatjes die ze heeft bezocht…”

“Ah, je bedoelt zoiets als Helena, de moeder van Constantijn de Grote, waarvan beweerd wordt dat ze het Ware Kruis meebracht uit Palestina?” onderbrak Stef hem.

“Uuh, ja. Ik heb gelezen dat ook de oorspronkelijke Zwarte Madonna van Le Puy afkomstig was uit Egypte of Libanon. Er zijn historici die beweren dat dàt koninklijke geschenk werd meegebracht door Louis VII, de eerste echtgenoot van Eleanor, en dat hij het schonk aan Puy uit dank voor de financiële steun die hij van de stad had ontvangen voor zijn kruistocht. In ieder geval moest ik vooral denken aan Antiochië, het staatje waar Eleanor’s oom Raymond de scepter zwaaide en waarmee Eleanor volgens de kwaadwillende overlevering een affaire had tijdens haar verblijf daar. En Raymond was natuurlijk de jongere broer van Eleanor’s vader. Dus ik vind het niet zo ver gezocht om te veronderstellen dat hij betrokken was bij een plan om diens graf in Santiago de Compostella van extra luister te voorzien in de vorm van een belangrijk relikwie.”

Stef hoorde deze opsomming van historische speculaties gefascineerd aan en enthousiast knikkend met zijn hoofd moedigde hij Xavier aan om zijn verhaal te vervolgen.

“En voor zover ik weet lag Cluny op de route toen Eleanor en Louis terugkeerden uit het Heilige Land naar het koninklijk hof in Parijs. Ik weet niet zeker of ze het klooster ook daadwerkelijk bezocht hebben tijdens hun thuisreis, maar het is bepaald niet ondenkbaar. Zeker voor de uiterst devote Louis, die altijd al het gezelschap van geestelijken prefereerde boven dat van krijgers. En dan is het ook goed mogelijk dat Eleanor overleg gepleegd heeft met Petrus over de bestemming van een relikwie dat zij had meegebracht. In die tijd waren een aantal grote kloosters op de weg naar Compostella verbonden met Cluny. Dus als Eleanor het plan had om een gezelschap met dat heilige object naar Compostella te sturen, dan lag het voor de hand dat ze Petrus daarbij zou betrekken.”

Terwijl Xavier nog een hap eten nam, dacht Stef na over het scenario dat zijn metgezel schetste. Diens verhaal riep wel een aantal vragen op, maar voordat hij die kon stellen ging Xavier alweer verder met zijn betoog.

“Een andere mogelijkheid is dat Eleanor iets ter nagedachtenis van haar geliefde oom Raymond wilde organiseren in Santiago de Compostella. Zoals je je misschien nog herinnert ontving ze tijdens haar thuisreis onderweg in Italië het bericht dat Raymond was gesneuveld in Syrië. Dat zal haar niet onberoerd hebben gelaten. Maar hoe dat ook zij, ik acht het goed mogelijk dat Eleanor tijdens haar verblijf in Antiochië iets bijzonders in haar bezit heeft gekregen. Het prinsdom van haar oom Raymond onderhield nauwe banden met het naburige graafschap Edessa. De val van dat graafschap vormde zelfs de aanleiding voor die Tweede Kruistocht waaraan Eleanor en haar man deelnamen. Raymond was getrouwd met een kleindochter van Bohemond de Hauteville, de man die tijdens de Eerste Kruistocht in 1099 de stad had veroverd op de Turken. Diens neefje Tancred heerste een tijdje over het graafschap Edessa, dat zich uitstrekte tot ver voorbij de Eufraat. Het omvatte de tegenwoordige grensgebieden van Syrië, Turkije en Irak en vormde het meest oostelijk gelegen deel van de christelijke wereld.” Hij keek Stef nu verwachtingsvol aan. “Welnu, waar staat Edessa bekend om?”

Stef had geen idee. Hij kende de geschiedenis van de Hautevilles en de Normandische verovering van Zuid-Italië en hun rol bij het ontstaan van het koninkrijk van Napels en Sicilië gedurende de elfde eeuw. En dus wist hij wel dat de naam van Tancred verbonden was aan dat verre graafschap met die mythisch klinkende naam, maar daarmee hield zijn kennis wel zo’n beetje op. Voordat hij kon zeggen dat hij het niet wist, gaf Xavier zelf antwoord op zijn vraag.

“Het zogenaamde Mandylion kwam er vandaan.” Hij keek alsof hij een levend konijn uit een hoge hoed had getoverd, maar Stef wist niet waar hij het over had. Dat verbaasde Xavier blijkbaar niet, want hij ging zonder aarzeling verder met zijn uitleg.

“Het Mandylion is een afbeelding van Christus die bekend was in de Byzantijnse tijd en die volgens een gangbare opvatting model heeft gestaan voor de latere verering van iconen in de Orthodoxe Kerk. Het was een doek met een afbeelding van het gezicht van Christus dat halverwege de tiende eeuw vanuit Edessa naar Constantinopel is overgebracht. Er schijnen aanwijzingen te zijn dat dit doek een opgevouwen lijkwade was. In ieder geval is er een verslag dat het ding al in de zesde eeuw in Edessa plaatst.”

Er ging Stef nu een licht op. “Je wilt toch niet beweren dat dat Mandylion hetzelfde kleed is als de omstreden Lijkwade van Turijn?”

“Ik beweer dat niet. Maar anderen wel, inderdaad.”

“Help me even mijn geheugen op te frissen. Hoe zat het ook alweer met die Lijkwade?”

“Nou, daarop zou een afdruk staan van het gekruisigde lichaam van Christus. Het is dus een ongelooflijk belangrijk relikwie voor de christelijke kerk. Er is een opmerkelijk grote schare gelovigen die tegen alle wetenschappelijke bevindingen in blijft vasthouden aan de bovennatuurlijke aard en buitengewone geschiedenis van dat doek. Het wetenschappelijke onderzoek is in de loop der tijd tot tegenstrijdige conclusies geko men over ouderdom en afkomst van dat doodskleed en dat biedt natuurlijk ruimte voor bovennatuurlijke – lees: goddelijke – verklaringen. Persoonlijk ben ik erg gecharmeerd van een idee dat niet lang geleden geopperd werd door een Britse kunsthistoricus. Die suggereerde dat – àls het al zou gaan om de authentieke lijkwade van een gekruisigde uit het begin van onze jaartelling – die realistische afdruk van de dode op het doek de bron zou kunnen zijn van het wederopstandingsverhaal dat de kern vormt van het christelijk geloof: Jezus stierf voor onze zonden en werd door God-de-Vader weer tot leven gewekt. Deze historicus stelde dat men in die tijd in spiritueel opzicht geen onderscheid maakte tussen iemands levende gedaante en de afbeelding daarvan. Een beetje zoals de iconen die we kennen van de Orthodoxe kerk veel meer zijn dan alleen een plaatje van een heilige. Voor gelovigen zijn ze ook letterlijk bezield door de afgebeelde heilige. Daarom dacht die schrijver dat de afdruk op het doek door Christus’ tijdgenoten gezien werd als een – weliswaar vluchtige – maar spiritueel levende verschijningsvorm van de gekruisigde.”

Stef vond dat maar een twijfelachtige voorstelling van zaken: “Ik weet het niet hoor. Er waren in die tijd toch voldoende realistische portretten van bijvoorbeeld Romeinse keizers en andere eerbiedwaardige Romeinen? En voor zover ik weet hadden vooraanstaande Romeinen thuis ook vaak een galerij met portretten van overleden voorouders. Zo vreemd waren die levensechte afbeeldingen toch niet?”

“Maar let wel, de eerste keizer, Augustus, was zo’n twintig jaar voordat de kruisiging van Christus plaatsvond overleden en na zijn dood goddelijk verklaard. Dat gold geloof ik ook voor zijn vrouw Livia. En vele andere keizers zouden nog volgen in het kader van de keizerscultus. In de belevingswereld van die tijd was het dus niet zo vreemd dat overledenen na hun dood een goddelijke status kregen. En bij die goddelijke status hoorde natuurlijk ook het vermogen om wonderen te verrichten en invloed te kunnen uitoefenen op het bestaan van gewone stervelingen. In die zin waren ze nog wel degelijk in leven. Hetzelfde gold waarschijnlijk voor de voorouderbeeldjes die de Romeinen koesterden en vereerden. De weg naar het Dodenrijk was voor hen niet beperkt tot eenrichtingsverkeer. Als je aanneemt dat die opvatting toen gangbaar was, dan krijgt het verhaal van de verrijzenis van Christus een heel ander aanzien. Diens lijkwade kan daarbij een grote rol gespeeld hebben. Als eenentwintigste-eeuwse scepticus ben je misschien eerder geneigd om te denken dat de nabestaanden van Jezus er een groot belang bij hadden om de wereld te doen geloven dat hun Messias de dood had overwonnen. Het verhaal van de wederopstanding is de kern van hun geloof geworden en heeft ongetwijfeld enorm geholpen om het Christendom als godsdienst te verspreiden.”

In het vuur van zijn betoog verslikte Xavier zich en hij kreeg weer een hoestbui. Na een slok wijn vervolgde hij: “Volgens de overlevering kwam het Mandylion na de verovering en plundering van Constantinopel door de kruisvaarders in 1204 terecht in Venetië. Die brandschatting van de Byzantijnse hoofdstad was een gevolg van de grote schuld die de ridders van de vierde kruistocht hadden bij de Venetianen, omdat die de scheepsvloot hadden gebouwd waarmee de krijgsmacht oorspronkelijk naar het Heilige Land zou reizen. Bij wijze van genoegdoening werden allerlei Byzantijnse kostbaarheden geroofd en meegenomen naar de Adriatische handelsstad: de bronzen paardengroep van het Hippodrome belandde op de basiliek van San Marco, evenals het beroemde beeld van de vier tetrarchen. Dus zou het helemaal niet vreemd zijn als ook het Mandylion in die tijd naar het Westen kwam. Van Venetië naar Turijn is dan natuurlijk geen grote afstand meer. Volgens sommigen is dat een aanwijzing dat het Mandylion en de Lijkwade één en hetzelfde ding zijn.”

“Maar als ik jou goed begrijp is dat doek al in de tiende eeuw verhuisd van Edessa naar Constantinopel, dus toen Eleanor Antiochië bezocht was het al twee eeuwen weg uit die regio.”

“Ja ja, ik beweer dan ook niet dat het Mandylion het geschenk van Eleanor was. Het gaat mij erom dat Edessa een belangrijk kruispunt was van allerlei langeafstandsroutes waar al in de tweede eeuw een grote christelijke gemeenschap leefde. Misschien was het een soort ballingsoord aan de grens van het Romeinse Rijk. De apostel Thomas zou volgens de overlevering van daaruit naar Indië gereisd zijn om het geloof te verkondigen. Hij overleed tijdens die onderneming en zijn overblijfselen zouden in de derde eeuw vanuit Madras naar Edessa zijn gebracht. Vandaar is het grootste deel van zijn stoffelijke resten uiteindelijk in Ortona in Italië beland, maar verschillende fragmenten zijn op andere plaatsen terecht gekomen. Het kan natuurlijk dat Raymond van Antiochië daarvan een relikwie in handen heeft gekregen. Of in ieder geval dat een slimme handelaar hem dat had wijsgemaakt.”

“Dus jij denkt dat het mogelijk is dat het zogenaamde geschenk van de koningin waarnaar je op zoek bent betrekking heeft op een – al dan niet echt – relikwie van Sint Thomas, de Ongelovige?”, vroeg Stef twijfelachtig. “Terwijl daar verder geen concrete aanwijzingen voor zijn? En wat is dan de connectie met die lijkwade, of dat Mandylion?”

“De connectie is dat ons mysterieuze relikwie afkomstig is uit dezelfde plaats als het Mandylion, wat volgens sommigen dus hetzelfde is als de Lijkwade. Dat kan van alles betekenen, of niets. Wie weet? Wij denken bij Thomas meteen aan zijn bijnaam de Ongelovige. Die reputatie heeft hij opmerkelijk genoeg te danken aan het feit dat hij volgens de Bijbel niet wilde geloven dat Jezus was opgestaan uit de dood. Hij twijfelde dus als het ware aan de boodschap van de Lijkwade. Maar wist je dat de Aramese vertaling van zijn naam ‘tweeling’ luidt? En dat deze apostel ook aangeduid wordt met de Griekse naam Didymus, wat hetzelfde betekent? Wiens tweeling hij dan wel was is omstreden, maar volgens één interpretatie van het apocriefe Evangelie van Thomas dat in 1945 gevonden werd in Egypte zou het Jezus zelf kunnen zijn geweest. De oorsprong van die tekst valt trouwens ook terug te voeren op Edessa. Andere bronnen melden dat hij de broer van Jacobus zou zijn. Wat ons weer brengt bij het graf van Jacobus in Compostella.”

Het duizelde Stef nu van de verbanden en dwarsverbanden. Zat er in die stofwolk van dubieuze historische feiten een kern van waarheid verborgen? “En dat was volgens jou mede een goede reden om dat relikwie naar Santiago de Compostella over te brengen”, vulde hij aan. Stef vroeg zich af in hoeverre Xavier deze wilde theorie nu werkelijk zelf geloofde. “Dit is toch allemaal wel erg speculatief. Ik bedoel, jouw reconstructie is gebaseerd op allerlei mogelijke, maar niet erg waarschijnlijke aannames. Ik denk dat het goed te verdedigen valt dat Eleanor een voorwerp van religieuze waarde heeft meegebracht uit het Heilige Land. En misschien is het zelfs te accepteren dat ze het graf van haar vader wilde verrijken met zo’n object, of dat ze de kathedraal in Santiago een geschenk wilde geven om de nagedachtenis van haar oom Raymond te eren door missen op te dragen en te bidden voor zijn zielenheil. Maar jouw gedachte dat het zou kunnen gaan om een relikwie van de apostel Thomas…. Ik weet het niet hoor…” Hij liet zijn twijfel in de lucht hangen. “En voor zover ik me herinner is de herkomst van de Lijkwade van Turijn bijzonder omstreden en kan die volgens serieuze chemische en fysische analyses niet afkomstig zijn uit het begin van onze jaartelling.”

“Nee, ik kan het allemaal niet hard maken en ik weet zelfs niet of ik er wel van overtuigd ben dat het om een relikwie van Thomas gaat, maar het is niet helemaal onmogelijk.” Xavier keek hem nu aan met zijn ondoordringbare donkere ogen. “Kijk, zelfs in recente tijden zijn er nog opmerkelijke vondsten gedaan die betrekking hebben op het vroege Christendom. Vooral in Egypte, waar de droge woestijn gunstig is voor het conserveren van mummies en papyri. Ik noemde al dat Evangelie van Thomas, maar dan zijn er ook nog de Evangelies van Petrus en Maria-Magdalena die aan het einde van de negentiende eeuw opdoken en de bekende Dode Zee Rollen. En nog niet zo lang geleden vond men een codex met het Evangelie van Judas. Sommige van die ontdekkingen zijn misschien twijfelachtig, maar ik wil maar zeggen dat je niets kunt uitsluiten.”

Stef stelde vast dat Xavier beschikte over een levendige fantasie die gepaard ging met een driftige ondernemingslust. Hij had zich duidelijk vastgebeten in zijn schatzoekerij en liet daarbij zijn geest vrij om te speculeren over allerlei fantastische mogelijkheden. Misschien was dat als therapie voor de verwerking van een mislukt huwelijk geen slecht uitgangspunt, het was in ieder geval beter dan depressief thuis te blijven zitten. Maar er school wel een gevaar in dat hij zich teveel zou laten meeslepen door zijn eigen hersenspinsels. Enige distantie en wat relativeringsvermogen zouden geen kwaad kunnen. Maar het was op dat moment niet in zijn eigen belang om de ander teveel tegen de haren in te strijken. Lafhartig beperkte hij zijn reactie tot een neutrale afsluiting: “Nou, het is in ieder geval een mooi verhaal om op door te fantaseren, dat wel.”

Later, toen de warme nacht hem uit de slaap hield, bleven de twijfels doormalen in het hoofd van Stef. Hij vroeg zich af of het er wel toe deed of het relikwie echt was of niet. Een stukje bot of een plukje haar hadden op zichzelf niet zoveel te betekenen. Het ging tenslotte om wat de middeleeuwers dachten, wat ze geloofden dat het voorwerp was. Wat het verhaal was dat ze over het ding vertelden. De werkelijke materiële waarde van de schat lag natuurlijk in de verpakking van het heilige object, de reliekhouder. Maar, zo redeneerde hij op de rand van de slaap, zou Louis toestaan dat zijn vrouw zo’n waardevol relikwie naar Spanje liet overbrengen? De koning van Frankrijk zou het ongetwijfeld opgeëist hebben om in de Abdij van Saint-Denis te Parijs tentoon te stellen met de andere tekenen van de macht en waardigheid van zijn dynastie, zoals de legendarische Oriflamme, het met mystiek omgeven koninklijke banier. En de paus? Die had het koninklijk echtpaar op hun terugreis uit het Heilige Land ontvangen in Rome. Zou de kerkvorst zo’n voorwerp zomaar hebben laten gaan? Niet erg waarschijnlijk. Die zou zo’n inspirerend overblijfsel uit Bijbelse tijden vast hebben willen gebruiken om de glorie van zijn kerk op te tuigen met extra pracht en praal. In ieder geval zou het relikwie, wat het dan ook was, niet onbekend gebleven zijn als deze machtige mannen ervan geweten hadden. Nee, als het allemaal waar was, dan leek het erop dat Eleanor haar geschenk geheim had gehouden omdat ze er haar eigen plannen mee had. Maar ook dat scenario riep allerlei vragen op…

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.