9 | Een middeleeuws mysterie

Toen Stef weer wakker werd stond de zon merkbaar lager in het westen. Korrelige witte veren hingen verwaaid hoog in de blauwe lucht. Een kleine zonnecollector stond op het rotsige muurtje te glimmen in het tegenlicht. Het compacte apparaat was verbonden met de laptop van Xavier, die met zijn rug tegen de stenen in de schaduw zat. Het grote stenen kruis stond als een onheilspellend symbool op de achtergrond, scherp afgetekend tegen de onrustige hemel.

Xavier zag dat Stef zijn ogen had geopend en begroette hem bedaard: “Hallo Stef. Hoe voel je je nu?”

Moeizaam kwam Stef overeind, steun zoekend bij de verweerde rots waar hij tegenaan gelegen had. “Beter, dank je. Maar eerst moet ik mijn blaas legen…” Wankelend zocht hij zijn weg over de oneven grond tussen de verspreide stenen. Een stekende pijn in zijn enkel herinnerde hem eraan dat hij zich de voorafgaande nacht flink verstuikt had. Terwijl hij met zijn rug naar zijn metgezel toegekeerd urineerde over een paar verdroogde graspollen kwamen flarden van zijn koortsdromen terug. Maar ze werden verdreven door de geruststellende aanwezigheid van zijn redder. Even later nestelde hij zich weer in zijn comfortabele hoekje tegen de rots, de plek waar Xavier hem blijkbaar had aangetroffen. “Zo, dat lucht op. Vertel, wat heb jij gedaan terwijl ik sliep? Heb je nog iets bijzonders ontdekt?”, sprak Stef monter.

“Nou, ik heb de berichtgeving van de afgelopen tijd over die pelgrimsziekte een beetje gelezen en ik moet toegeven dat de situatie een stuk serieuzer is dan ik had aangenomen. Er overlijden momenteel veel mensen aan die ziekte die blijkbaar veroorzaakt wordt door een onbekend virus…”

“Een influenzavirus?”

“Nou, nee. Er is zo te zien een hoop verwarring, maar ik krijg de indruk dat het om een volledig onbekend virus gaat – hoewel sommigen ook spreken van een nieuwe variant van de gewone griep of een gevaarlijke nieuwe vogelgriep. Maar iedereen is behoorlijk in paniek want het schijnt dat de dodelijke effecten van de ziekte zich pas twee tot drie weken na de eerste griepverschijnselen manifesteren. Vòòr die tijd zijn de symptomen niet anders dan die van een gewone griep, soms zelfs niet meer dan een kleine verkoudheid. Ziekenhuizen en klinieken worden dus overspoeld met ernstig verontruste mensen die gewoon verkouden zijn. Het probleem is dat er geen goede tests beschikbaar zijn om het virus snel te identificeren bij al die mensen. Er heerst dus chaos en paniek, vooral in het noorden en westen van Frankrijk, waar blijkbaar de meeste slachtoffers zijn gevallen. Maar inmiddels zijn er ook veel besmettingen en doden in de Haute-Loire, rond Le Puy-en-Velay. Omdat de laatste – dodelijke – fase van de ziekte gepaard gaat met veel bloedingen, spreken sommige berichten van de Rode Dood, Le Mort Rouge. Ik moet je zeggen, het ziet er niet goed uit. Erg verontrustend allemaal.”

“Dus als ik je goed begrijp is er toch sprake van één virusziekte, maar die manifesteert zich in twee stadia volstrekt verschillend? Eerst als ogenschijnlijk onschuldige griep of verkoudheid en dan na een paar weken als een dodelijke aandoening? Is dat het beeld dat je ervan hebt?”

“Ja, dat lijkt de situatie te zijn.”

“Hm.” Stef schraapte zijn keel. Hij had nog steeds moeite om zich te concentreren, maar hij moest aan iets denken dat Stephan had gezegd over HIV. Manifesteerde dat virus zich ook niet met verschillende symptomen in de opeenvolgende stadia?

“Laten we eens kijken hoe deze nieuwe feiten passen bij wat we al weten, zullen we?”, stelde hij voor. Hij ging verzitten en stak van wal: “Er is dus blijkbaar één virus dat we kunnen terugvoeren op een onbekende man uit het oosten van Europa. Die was in het bezit van een, laten we zeggen op zijn minst geheimzinnige, RNA-formule. De genetische codering in de vorm van een enkele streng RNA komt voor zover ik weet overeen met gewone influenza, maar ook met sommige uiterst gevaarlijke virussen zoals Ebola. Gezien de omstandigheden – het wapen dat hij bij zich droeg en de onbekenden die hem achtervolgden – kunnen we concluderen dat die formule belangrijk was. En geheim.”

“Ja, we mogen wel aannemen dat ze achter die formule aanzaten”, vulde Xavier aan. “En het gewelddadige karakter van de achtervolgers lijkt te wijzen in de richting van goed georganiseerde criminelen of het een of andere geheimzinnige overheidsorgaan. Hoewel dat onderscheid niet altijd helder hoeft te zijn, zeker niet in de voormalige Sovjetrepublieken. Die worstelen stuk voor stuk met een regering van halfcriminele oligarchen of autocraten met duistere connecties.”

“De sporen wijzen inderdaad in oostelijke richting”, merkte Stef op. “Die eerste dode was afkomstig uit Duitsland en zijn achtervolgers spraken met een Oost-Europees accent.”

“Ah, en in die oude Sovjetstaten liggen her en der verspreid ook de militaire onderzoeksfaciliteiten uit het communistische tijdperk. Niet alleen raketbases en vliegvelden, maar ook laboratoria en fabrieken. Het is niet moeilijk om je voor te stellen dat iemand aan de haal is gegaan met het een of andere onderzoeksprogramma naar biologische wapens”, stelde Xavier vast.

“Maar wacht eens”, zei Stef. “Moeten we nu concluderen dat er ergens in het Oosten een geheim onderzoek gaande was voor de ontwikkeling van biologische wapens – wat me op zichzelf niet ongeloofwaardig voorkomt – en dat die sukkels een levensgevaarlijk virus hebben laten ontsnappen?”

Xavier overwoog dit even. “Mmmm, misschien. Maar ik denk dat de feiten iets meer suggereren dan alleen maar een ontsnapt virus. Ik denk dat jouw eerste slachtoffer geen loyale deelnemer was aan dat onderzoeksprogramma. Dat antieke pistool van hem lijkt erop te wijzen dat hij niet tot de gevestigde orde behoorde. Nee, misschien was hij zijdelings betrokken geraakt bij dat onderzoek en is hij bij toeval op dat gevaarlijke virus gestuit. Ik denk dat zodra hij ontdekte wat er gaande was geprobeerd heeft om de gegevens naar buiten te smokkelen, naar het Westen. Dat microfilmpje is natuurlijk een vreselijk ouderwets middel om informatie op vast te leggen, maar tegelijkertijd een slimme manier om digitale sporen te vermijden. En misschien zag hij het als een mogelijkheid om aan de aandacht te ontsnappen, een middel waarop men niet bedacht was. Het is ook goed mogelijk dat deze man gewoon toevallig de beschikking had over een camera om zo’n filmpje te maken, net zoals dat ouderwetse pistool van hem. Een souvenir of erfstuk misschien.”

Stef knikte instemmend bij deze analyse van zijn metgezel, die voor zover hij op dat moment kon beoordelen een passende verklaring bood voor de gebeurtenissen.

“Hoe dat ook zij,” vervolgde Xavier, “ik denk dat onze onderzoeker bij zijn poging om de informatie over het virus te bemachtigen besmet geraakt is. Dat heeft hem uiteindelijk het leven gekost.”

“Misschien is hij tijdens zijn werk besmet geraakt, wist hij dat hij ten dode was opgeschreven en besloot toen om de code te stelen om het gevaar wereldkundig te maken”, merkte Stef op.

Xavier knikte nadenkend. “Tsja, maar blijkbaar heeft hij er in dat geval geen rekening mee gehouden dat hij zelf een bron van besmetting en verspreiding zou kunnen zijn. En zodoende een groot risico vormde voor een gevaarlijke epidemische uitbraak. Misschien was het een experimenteel virus dat onverwacht virulent blijkt te zijn.”

“Als dat zo is, dan moeten we dat filmpje met die code zo snel mogelijk doorspelen aan de autoriteiten. Die kunnen de gegevens die erop staan vast goed gebruiken voor een geneesmiddel of een preventieve vaccinatie”, opperde Stef spontaan, om zichzelf daarop meteen te corrigeren: “Ach nee, hoor mij nou. Die RNA-sequentie hebben ze inmiddels natuurlijk al gevonden door analyse van bloedmonsters van de zieken en overledenen.”

“Misschien wel, maar het lijkt mij ook belangrijk dat ze bewijs in handen krijgen dat iets vertelt over de oorsprong van dat virus. Ik denk dat die Russische identificatiecode daarvoor erg nuttig zal zijn. En mogelijk zitten er ook andere aanwijzingen op die microfilm, vingerafdrukken of DNA-sporen…”

“Ja, ònze vingerafdrukken in ieder geval”, onderbrak Stef hem somber.

Xavier kreeg weer een aanval van zijn kriebelhoest en kon even niet reageren. “Ja, dat wel, maar dat zal toch niet tègen ons gebruikt worden? Wij zijn juist de goede burgers die het materiaal doorgeven aan de overheid. Wij zijn de good guys, nietwaar? Maar het is waarschijnlijk een goed idee om er iets van een verklaring bij te doen waarin je beschrijft hoe de film in je bezit is gekomen.”

“Ik weet niet of ik gelukkig ben met de gedachte dat ik de Franse autoriteiten ga vertellen dat ik het pistool van een stervende man heb achterovergedrukt.”

“Dat lijkt me op dit moment van ondergeschikt belang. Ze zullen nu wel iets anders aan hun hoofd hebben. Het hoeft ook niet zo letterlijk. Je meldt gewoon dat het een of andere object toevallig in je bezit is gekomen en dat je er pas later achter kwam dat er een filmpje in verborgen zat.”

“Hmm. Je vergeet dat de politie al weet dat ìk degene was die de man gevonden heeft en dat hij buiten westen was. Dat hebben ze zwart op wit. Ze zullen heus wel concluderen dat ik iets heb gestolen dat hij bij zich droeg.”

Xavier begreep wel dat Stef bang was om vastgehouden te worden, al was het alleen maar ter ondervraging. “Laten we er een nachtje over slapen. Morgen kunnen we kijken hoe we zo’n boodschap het beste onder woorden kunnen brengen.”

“En dan?”

“Dan doen we de boel in een enveloppe op de post of we gooien ’m in de brievenbus bij de Gendarmerie”, opperde Xavier.

Zwijgend zat Stef na te denken over de suggestie van Xavier om het filmmateriaal samen met een schriftelijke verklaring in te leveren. Hij zag wel in dat het de juiste wijze van handelen was, maar hij had er moeite mee dat hij niet kon inschatten welk persoonlijk risico hij daarmee liep. En het zat hem ook dwars dat ze nog geen goede verklaring hadden voor het feit dat hijzelf niet besmet was geraakt. En dat hoestje van Xavier beviel hem ook niet. Even ging het door hem heen dat hij in de nabijheid van Xavier misschien gevaar liep om alsnog besmet te worden, als die geïnfecteerd was door het virus.

“Ik blijf het maar vreemd vinden dat ik niet ziek ben geworden. Tenslotte heb ik uitgebreid lopen sjouwen met die doodzieke Duitser. Jouw suggestie van een beperkte houdbaarheid van het virus mag aannemelijk klinken, maar hoe verklaren we dan alle besmettingen op de pelgrimsweg die later hebben plaatsgevonden? Al die zieken en sterfgevallen? Zou dat virus soms selectief te werk gaan? En jij? Misschien ben je onderweg ook wel ergens in aanraking gekomen met iemand die het virus bij zich draagt. Ben je niet bang dat je besmet raakt en ziek wordt?”

“Ik weet niet wat ik er van moet denken, Stef. Maar misschien ben ik wel extra beschermd door allerlei vaccinaties die ik gedurende mijn tijd in het leger heb gekregen.”

“Het leger? Ben je militair geweest dan?”

“Oh ja. Ik ben zelfs uitgezonden geweest naar Afghanistan als onderdeel van de NAVO-vredesmacht die daar vanaf 2001 actief was. Voordat ze ons uitzonden hebben ze me volgespoten met allerlei preventieve middelen, daarbij waren ook enkele experimentele medicijnen tegen biologische wapens. Het is dus heel goed mogelijk dat ik beschermd ben tegen agressieve virussen.”

“Het leger, heh?” Stef schudde zijn hoofd, alsof hij zichzelf betrapte op een stommiteit. “Vandaar al jouw handige survival-skills en het gemak waarmee je die kogel open kreeg om zijn geheim te onthullen. Ik neem aan dat je geen gewone kok of chauffeur was?”

“Oh nee, ik was lid van Joint Task Force 2, een speciale commandogroep die samen met de Amerikaanse Navy Seals en vergelijkbare eenheden uit andere NAVO-landen geheime missies uitvoerde tegen Al Qaida en de Taliban in het zuiden van Afghanistan. Er slingerde daar toen nog allerlei Sovjet wapentuig rond uit de oorlog van ’79 tot ’89 en we hielden ernstig rekening met de mogelijkheid dat er ook chemische en biologische wapens bij waren. Maar daar hebben we gelukkig geen spoor van gevonden.”

“Tsjonge”, Stef moest lachen om zichzelf een houding te geven bij deze onverwachte ontboezeming van Xavier die tegenstrijdige gevoelens bij hem opriep. “Jij zit wel vol verrassingen, moet ik zeggen. Als een reddende engel duik je ineens op in de Aubrac, de meest desolate streek van Frankrijk, wanneer ik op sterven na dood ben en dan blijk je ineens ook een ridder-te-paard die bescherming biedt aan de zwakken… Ik bedoel, ik voel me nu een stuk veiliger.”

“Nou, je was niet echt op sterven na dood hoor,” zei Xavier bescheiden, “maar ik denk wel dat we met zijn tweeën beter in staat zullen zijn om je achtervolgers op te merken en zo nodig van het lijf te houden.”

“Misschien zullen ze de moed wel opgeven”, sprak Stef hoopvol.

“Hoezo, de moed opgeven?”

“Nu die ziekte zich verspreid heeft is het zinloos om nog langer te proberen die formule geheim te houden. Denk je niet?”

“Nee, eerlijk gezegd niet”, zei Xavier resoluut. “Als ze denken dat jij over informatie beschikt die de oorsprong van deze epidemie kan onthullen en met hen – wie dat dan ook zijn – in verband brengt, dan zullen ze er alles aan doen om de verspreiding van die kennis te voorkomen. Ook als dat betekent dat ze jou moeten uitschakelen. Vergeet niet dat er inmiddels al tientallen, of misschien wel honderden doden zijn gevallen. Een reden te meer om het filmpje zo snel mogelijk aan te geven. Want als die kat eenmaal uit de zak is, dan zullen ze wel andere zorgen aan hun hoofd hebben dan jou te vinden.”

Stef realiseerde zich dat hij niet erg helder nadacht. Blijkbaar was hij nog niet helemaal hersteld van zijn crisis. “Xavier, denk je trouwens dat ze zelf beschermd zijn tegen het virus? We weten dat een van hen besmet is geraakt en vervolgens overleden. Misschien moeten ze de jacht wel opgeven omdat alle speurhonden zijn bezweken aan de ziekte.”

“Het is maar te hopen dat ze zelf een antimiddel of medicijn hebben tegen dat virus en dat daarover snel duidelijkheid ontstaat, want anders konden er wel eens een hele hoop slachtoffers vallen voordat deze uitbraak onder controle is”, antwoordde Xavier en vervolgde: “Nee, hopelijk is die ene dode aan hun kant het gevolg van een ongelukje en kunnen ze ertoe gedwongen worden om de kennis over beschermingsmiddelen, indien ze daarover beschikken, openbaar te maken. Dat lijkt me een reden te meer om die microfilm snel aan de autoriteiten door te spelen.”

Er was een hoop om over na te denken en lange tijd was het stil. Het stilzwijgen werd onderbroken door Xavier die informeerde of Stef zich goed genoeg voelde om een stukje te verhuizen. Ze hadden al afgesproken om een nacht op die plek te blijven zodat Stef genoeg kon aansterken om de volgende dag verder te trekken. Xavier suggereerde dat een bosje honderd meter verderop meer beschutting zou geven en tevens een beter uitzicht bood op de omgeving. Stef herkende in dat voorstel de strategisch denkende geest van een militair en nam het advies van zijn metgezel graag aan. De plek voor hun nieuwe bivak lag wat hoger tegen de helling op, vlak bij de top van een flinke heuvel. Vanaf daar hadden ze ruim zicht naar het noorden en oosten, de richting van waaruit Stef was komen lopen.

Terwijl Xavier zich bezighield met het inrichten van hun kleine kamp, werd Stef geplaagd door sombere gedachten, ook al voelde hij zich een stuk veiliger in de aanwezigheid van de ex-militair en diens krijgskundige vaardigheden. Om de stemming wat lucht te geven vertelde hij over zijn ontmoeting met Matthieu en Stephan en de dagen dat ze samen waren opgelopen in de Forez. Xavier luisterde belangstellend naar Stef’s verslag over hun nacht in het spookhuis van Montverdun, maar vooral het tragische verhaal over de dood van de vrouw van Stephan maakte indruk op hem.

“Jammer dat hij nu niet hier is”, merkte hij op. “Hij zou ons vast een hoop nuttige dingen kunnen vertellen over dat virus.” Daaruit maakte Stef op dat de ander zich, ondanks zijn schijnbare onverschilligheid, toch wel zorgen maakte over zijn eigen gezondheid.

Later zaten ze bij een rookloos vuurtje voor hun verdekt opgestelde tentjes te eten. Xavier had een blik met een linzenschotel geopend en de inhoud vermengd met de vleesresten van de haas die hij die ochtend gevangen had nadat hij Stef bewusteloos had aangetroffen. De wind was gaan liggen en de hitte van de dag loste op in de langer wordende schaduwen van het bosje. Stef informeerde of Xavier nog noemenswaardige vorderingen gemaakt had met zijn onderzoek naar de middeleeuwse pelgrimswegen. De ander keek hem daarop aan met dezelfde schattende uitdrukking die Stef zich herinnerde van hun eerste ontmoeting. Het was een blik die tegelijkertijd onderzoekend, afwerend en beschuldigend was. Stef kon het niet precies plaatsen, maar het leek een achterdocht te tonen die hem onzeker maakte. Hij kon voor zichzelf nog altijd niet bepalen of die uitdrukking gewoon bij het gezicht van Xavier hoorde, of dat er een bepaalde betekenis achter verscholen ging.

Plotseling maakte die ondoordringbare uitdrukking plaats voor iets dat je een uitdagende glimlach zou kunnen noemen, een blik van verstandhouding misschien. Alsof Xavier zijn gedachten had gelezen zei hij: “Ach Stef, waarom kijk je toch altijd zo twijfelachtig wanneer dit onderwerp ter sprake komt? In de Beaujolais merkte ik ook al dat je er moeite mee had om geloof te hechten aan de uitleg over mijn speurtocht. Waarom twijfel je aan mijn woorden?”

Stef schrok van deze confronterende vraag, die hij niet had zien aankomen. Blijkbaar koos de militair in Xavier voor een aanvallende strategie. Een beetje overrompeld kwam hij niet eens op de gedachte om diens observatie te weerspreken. Stamelend zocht Stef naar een gepast antwoord, maar hij kwam niet verder dan wat betekenisloos gebrabbel. “Nou, eh…. Ik vond het eerlijk gezegd maar een vaag verhaal… Neem me niet kwalijk asjeblieft, dat ik het zo zeg, maar… ik weet niet precies waarom, maar wat je me op Mont Rigaud vertelde over die zoektocht van jou naar oude middeleeuwse routes vond ik nogal… eh, hoe zal ik het zeggen… ongrijpbaar? En dat verhaal over, wat was het ook alweer, die processie uit Cluny die verdwenen was, toch? Ik begreep niet goed hoe die in jouw onderneming paste.”

Tot zijn verbazing moest Xavier enorm lachen om zijn gehaspel en hij maakte aanstalten om iets te zeggen, maar Stef onderbrak hem verontschuldigend: “Inmiddels denk ik er wel anders over, hoor. Er valt volgens mij veel te zeggen voor jouw stelling dat het moderne pelgrimspad in zijn huidige vorm vooral bepaald is door sportieve en toeristische overwegingen. Ik bedoel, ik heb de afgelopen weken veel stukken van de GR65 gelopen die zeker niet de kortste, snelste of meest begaanbare verbinding vormden tussen de halteplaatsen op de route.” Zonder nadenken blaatte Stef voort: “Hoe heb jij die steile afdaling van Rochegude naar Monistrol d’Allier ervaren met je charette? Zelfs zonder zo’n last aan mijn lijf ben ik daar onderuitgegaan. Ik kan je de beurse plekken nog tonen. Het is moeilijk voor te stellen dat er een belangrijke, nee, misschien wel de belangrijkste pelgrimsroute in de Middeleeuwen over een dergelijk onbegaanbaar parcours zou gaan…”

Xavier viel hem met uitbundig gelach in de rede. “Hahaha! Stef, ik ben blij te kunnen constateren dat mijn woorden zò’n indruk op je gemaakt hebben dat je daardoor zelfs met andere ogen over het Jacobspad bent gaan lopen. Die oplettendheid bevestigt mijn oordeel dat je een scherpe waarnemer bent met een goed gevoel voor historische omstandigheden. Ik zag zelfs enige tijd een concurrent in je, maar de geschiedenis van jouw achtervolging pleit toch wel voor je onschuld in dat opzicht.”

Stef keek hem verward aan en Xavier vervolgde: “Ik heb trouwens ook veel aan jou gedacht en het gesprek dat we in Propières hadden over relaties. Niet dat ik onderweg veel gelegenheid heb gehad om jouw ideeën aan de praktijk te toetsen, maar ik heb daardoor wel met een andere bril naar mijn eigen vroegere relaties kunnen kijken. Of dat concreet iets zal opleveren is nog maar de vraag, maar je zou het wel, eh…, verfrissend kunnen noemen. Dus daarvoor wil ik je danken.” Op serieuze toon vervolgde hij: “Eigenlijk had ik stilletjes al gehoopt dat ik je nog zou tegenkomen, ergens langs de route. Nee, niet speciaal om verder van gedachten te wisselen over de psychologie van ons liefdesleven, maar vanwege je belangstelling voor Eleanor van Aquitanië en je kennis van de middeleeuwse geschiedenis. Dat je intussen proefondervindelijk tot de conclusie bent gekomen dat de middeleeuwse pelgrims vaak een ander pad volgden dan jouw reisgids naar Compostella voorschrijft beschouw ik als een bevestiging van mijn voornemen om je in vertrouwen te nemen.”

Stef was op zijn zachtst gezegd verbaasd over de onverwachte wending die het gesprek nam. Xavier was werkelijk een wandelend pakket vol verrassingen. Hij was nog maar net bijgekomen van de onthulling over diens militaire verleden en nu diende zich alweer een andere openbaring aan. Waar zou dat toe leiden?

“Kom, maak het je gemakkelijk terwijl ik je mijn verhaal vertel. Heb je zin in een glaasje whisky?”

Hij haalde een metalen flacon tevoorschijn uit zijn wonderbaarlijke bagagedrager en goot een plens van de goudgele drank in de mok die Stef in zijn hand hield. Die kon zijn verbazing niet onderdrukken. Alle som- berheid leek te wijken en aarzelend vroeg hij: “Dus mijn twijfels over jouw speurtocht waren toch terecht?”

“Nou, tot op zekere hoogte.” Xavier schraapte zijn keel en slikte iets weg. “Maar het klopt wel dat ik probeer te achterhalen welke route een gezelschap in het midden van de twaalfde eeuw, in de tijd van Eleanor, genomen zou hebben van Cluny naar Santiago de Compostella, of eigenlijk zo’n beetje tot aan Cahors. Maar laat ik bij het begin beginnen.” Hij nam een slok van de drank die hij ook voor zichzelf had ingeschonken en smakte goedkeurend. “Ik had je namelijk als eens gezien voordat we met elkaar kennismaakten in de gîte van Ouroux.”

“Oh? Daar kan ik me niets van herinneren,” antwoordde Stef verbaasd.

“Nee, je hebt dat niet gemerkt, daarom viel je me juist zo op. Dat was in dat donkere zaaltje in het museumpje in Cluny. Kun je je dat herinneren?”

“Was dat in het paleis van de abt? Jazeker. Maakte die ruimte geen deel uit van de oude bibliotheek? Daar lag een stel oude boeken over de abdij tentoongesteld in vitrines, nietwaar?”

“Juist. Ik merkte je op omdat je zo geabsorbeerd leek door de oude illustraties in die boeken. De belangstelling die je toonde was duidelijk groter dan die van de gemiddelde toeristische bezoeker daar. En omdat je zo geconcentreerd opging in die afbeeldingen heb jij mij helemaal niet opgemerkt.”

“Was jij daar dan ook?” Stef schudde zijn hoofd in ongeloof. “Nee, daar heb ik inderdaad helemaal niets van gemerkt.”

“Precies. En toen kwam ik je weer tegen in Ouroux, waar je met die vertelling over Eleanor op de proppen kwam. Bij die gelegenheid wist ik niet waar ik met jou aan toe was. Je had duidelijk een buitengewone belangstelling voor hetzelfde onderwerp als waarin ik geïnteresseerd ben.”

“Oh? Ja, nu je het zegt, inderdaad. Eleanor leefde in de tweede helft van de twaalfde eeuw. Dat is inderdaad dezelfde periode als die vermiste monniken van jou. Maar…”

“Ja, dat wekte mijn achterdocht. Ik begon je ervan te verdenken dat je probeerde uit te vinden waar ik mee bezig was. Dat je er op de een of andere manier achter gekomen was waar ik naar op zoek was. Vandaar dat ik mijn verhaal over de middeleeuwse routes zo vaag hield. Ik wilde de ware reden van mijn onderzoek geheim houden.”

“Nu maak je me echt nieuwsgierig. Waar ben je dan in werkelijkheid naar op zoek?” reageerde Stef gretig.

Xavier maakte een afwerend gebaar met zijn hand. “Geduld, Stef. Het is een lange geschiedenis. Geef me even de gelegenheid om het op mijn manier, vanaf het begin, te vertellen.” Hij schonk nog een beetje whisky bij en stak van wal: “Het komt misschien over als een wild verhaal, maar als het blijkt te kloppen, dan is het een spectaculaire ontdekking. Kijk, een oom van mij was zo rond 1970 betrokken bij het ontwikkelen van de moderne pelgrimsroute die we vandaag kennen als de GR65. Zoals ik je al eens vertelde was men in Frankrijk in die tijd bezig om het wandeltoerisme te stimuleren en door het hele land werden lange-afstandsroutes ontwikkeld. De oude pelgrimswegen waren zo goed als vergeten, maar het leek een uitstekend idee om die ten behoeve van de recreatie nieuw leven in te blazen. Veel middeleeuwse kerken, kloosters en kastelen die tot het nationale erfgoed behoorden lagen vroeger op of in de buurt van de pelgrimspaden. Dat waren vaak halteplaatsen voor de bedevaartgangers in de Middeleeuwen. Nu zouden ze als bezienswaardigheid de ruggengraat kunnen gaan vormen van de toeristische Grandes Randonnées, de langeafstandspaden. In kerkelijke kringen was men ook enthousiast over die plannen. Daar zag men een mogelijkheid om extra inkomsten te verwerven voor het onderhoud van de kerken terwijl tegelijkertijd ook de spirituele vorming van mensen aangemoedigd werd. Enfin, dat zag er op papier allemaal schitterend uit, maar de vraag was in hoeverre de middeleeuwse paden nog bekend waren en weer gebruikt konden worden voor deze nobele zaak. Tenslotte was het landschap sinds de Middeleeuwen enorm veranderd door landontginning, houtkap, weg- en waterbouw en de natuurlijk de groei van dorpen en steden. Om nog maar te zwijgen over de gevolgen van herverkaveling en onteigening van kerkelijk en monastiek grondbezit, vernielingen tijdens de Reformatie en de Revolutie van 1789 en de gevolgen van de Industriële Revolutie. Er moest dus om te beginnen onderzocht worden hoe de oude routes precies gelopen hadden. Dat was nog niet zo simpel als het lijkt, want hoewel belangrijke halteplaatsen als Cluny, Le Puy, Conques, Cahors en Moissac wel bekend waren, was het vaak niet duidelijk hoe de verbindingen tussen die steden precies hadden gelopen in de Middeleeuwen. Er waren vaak verschillende routes en de voorkeur kon in de loop der tijd veranderen onder invloed van weersgesteldheid en begaanbaarheid, de politieke situatie of de dreiging van rovers en wilde dieren. Toen we hier de vorige keer over spraken, op Rigaud, constateerden we al dat er eigenlijk eerder sprake was van één groot netwerk van lokale routes die allemaal dezelfde kant opgingen, dan dat er een enkele gemarkeerde weg was. In ieder geval waren in het midden van de vorige eeuw veel paden òf verdwenen, òf vergeten.”

“Mmmm, dat verbaast me”, wierp Stef tegen. “Je zou verwachten dat zulke belangrijke oude wegen door de eeuwen heen toch wel in gebruik zouden zijn gebleven. Maar ja, anderzijds kan er in een paar generaties tijd veel veranderen…”

“Inderdaad. Wat dacht je dat het gevolg was van de Zwarte Dood in de veertiende eeuw? Het platteland raakte uitgestorven en de wegen werden onveilig gemaakt door ontheemden en uitgestotenen. Wilde dieren kregen alle ruimte in het lege landschap. Niemand durfde nog op weg te gaan uit angst voor besmetting en beroving. Ook boerenopstanden, de zogenaamde Jacquerieën, maakten de wegen onveilig, of plunderend rondtrekkende legers ten tijde van de Honderdjarige Oorlog. In latere eeuwen waren er bendes van zogenaamde revolutionairen, struikrovers en ontwortelden. Ik denk dat er lange periodes waren dat men het als zelfmoord beschouwde om een lange pelgrimage te ondernemen. Het gevolg was dat allerlei voorzieningen, zoals de vele gasthuizen langs de routes, maar misschien ook bruggen, in verval raakten.”

“Dus toen men in de twintigste eeuw de wandelroutes wilde institutionaliseren, moest men eerst uitzoeken hoe de oorspronkelijke wegen hadden gelopen?”

“Ja, inderdaad. Mijn oom Xavier, naar wie ik vernoemd ben, was als historicus opgeleid bij de Jezuïeten en hij raakte namens de kerk betrokken bij het archiefonderzoek ter voorbereiding van de plannen.

“En hij deed daarbij een interessante ontdekking?”

“Goed geraden! Nadat hij zich verdiept had in alle bekende middeleeuwse bronnen die betrekking hadden op de pelgrimage naar Santiago de Compostella, ging hij in de grote archieven op zoek naar ongepubliceerd materiaal. In de Archives Nationales in Parijs kwam hij tussen papieren die afkomstig waren van het klooster van Cahors een document uit de veertiende eeuw tegen dat betrekking had op de nalatenschap van een landgoed. Zoals je waarschijnlijk wel weet was het niet ongebruikelijk dat een adellijke persoon bij zijn dood een schenking deed aan een religieuze instelling om daarvoor in ruil tot in de eeuwigheid herdacht te worden in gebeden en missen en dergelijke. Cluny is daar groot mee geworden. In dit geval ging het om een landgoed van een weduwe in Le Puy-en-Velay waarvan de opbrengst bestemd was voor de financiering van een gasthuis voor pelgrims in het graafschap Quercy, waar Cahors ligt. Maar daar ging het niet om. Op de achterkant van het perkament trof mijn oom een nauwelijks leesbare tekst aan. Je weet wel dat stukken vellum of perkament vroeger vaak opnieuw gebruikt werden door de inkt van de oude tekst weg te schrapen. In dit geval was dat niet erg zorgvuldig gedaan en met wat moeite was mijn oom in staat om een deel van het handschrift te ontcijferen.”

“Aha! Dat klinkt als een Indiana-Jones-achtige puzzel. Zeg me nu niet dat hij een schatkaart vond!” Stef kon zijn neiging om grappig bedoelde opmerkingen te maken wanneer hij opgewonden raakte niet onderdrukken, maar verontschuldigde zich meteen. “Sorry. Een slechte gewoonte van me, om iemand te onderbreken met flauwe grappen. Ga door asjeblieft.”

Xavier keek hem doordringend aan en vervolgde: “Het is ook een onwaarschijnlijk verhaal dat zò uit een filmscenario afkomstig lijkt. Maar het is waar gebeurd. Als ik de aantekeningen van mijn oom tenminste goed begrepen heb.”

“Aantekeningen?” Stef was verbaasd. “Heeft hij je het verhaal niet zelf verteld dan?”

“Nee. Jammer genoeg niet. Ik heb zijn aantekeningen pas na zijn dood gevonden, bij het opruimen van zijn spullen.”

“Ah, op die manier. Jammer. Maar ga verder. Ik ben heel benieuwd, wat had je oom ontdekt?”

“Het bleek dat het perkament op maat gesneden was voor het hergebruik, zodat slechts een gedeelte van de tekst op de achterzijde bewaard was, maar hij kon wel ontcijferen dat het een bericht betrof dat verzonden was door abt Pierre van Cluny…”

“Wat? Petrus de Eerbiedwaardige?”

“Ja. Begrijp je nu dat mijn nieuwsgierigheid gewekt was toen je zijn naam herkende, die avond in Ouroux? Ik dacht…. Maar laat ik verder gaan. Het was dus een deel van een slecht weggeschraapt handschrift waaruit mijn oom kon opmaken dat de abt van Cluny in vertrouwen informeerde naar een afvaardiging van zijn gemeenschap die met iets dat omschreven werd als ‘een geschenk van de koningin’ vertrokken was naar Santiago de Compostella. Wat dat geschenk precies was viel jammer genoeg niet op te maken uit de overgebleven tekst, maar er werd volgens de aantekeningen van mijn oom melding gemaakt van het graf van Graaf Guillaume van Aquitanië….”

“Ah! De vader van Eleanor! Die is overleden in Compostella en begraven in de kathedraal daar!”, onderbrak Stef hem opgewonden.

Xavier knikte goedkeurend. “Dat wist je dus al. Inderdaad trok mijn oom de conclusie dat het om een geschenk van Eleanor moest gaan. De verwijzing naar het graf in combinatie met de datering die kon worden afgeleid uit de bemoeienis van Petrus… Er werd dus een gezelschap uit Cluny dat onderweg was naar Santiago de Compostella vermist en blijkbaar was die vermissing ernstig genoeg voor de beroemde abt om persoonlijk te informeren naar sporen van deze verdwenen groep reizigers. En de reden voor de speciale belangstelling was waarschijnlijk dat geschenk van Eleanor dat bestemd was voor haar vader’s graf in de beroemde bedevaartplaats. Het was natuurlijk een hele vage verwijzing, maar blijkbaar prikkelde het de nieuwsgierigheid van mijn oom voldoende om bij zijn verdere onderzoek naar de pelgrimswegen rekening te houden met sporen van een delegatie uit Cluny in de tijd van Petrus, of een geschenk van koningin Eleanor.”

Stef was nu een en al oor. Hij kon zich weinig voorstellen dat interessanter en opwindender was dan een onopgelost historisch raadsel. Instemmend knikkend met zijn hoofd moedigde hij Xavier aan om verder te gaan met zijn verhaal.

“De kans dat hij nog een aanwijzing zou vinden was natuurlijk verwaarloosbaar, maar blijkbaar had mijn oom enorm veel geluk of hij was een onvermoeibaar en grondig onderzoeker, want hij vond nog een spoor dat met de kwestie in verband leek te staan. Dankzij zijn Jezuïtische connecties kreeg hij toegang tot bepaalde archieven in het Vaticaan. Ik weet niet zeker of dat direct onderdeel uitmaakte van zijn research naar de pelgrimsroutes. Het is even goed mogelijk dat hij gefascineerd was geraakt door zijn vondst en in Rome op zoek ging naar verdere correspondentie van Petrus. Het is je misschien wel bekend dat bij de stichting van de orde van Cluny was vastgelegd dat het klooster niet onder de kerkelijke jurisdictie van de lokale bisdommen zou vallen, maar rechtstreeks onder het pauselijk gezag in Rome. Er moest dus in het Vaticaan wel een archief zijn van correspondentie met Cluny, zo redeneerde hij blijkbaar.”

“En? Vond hij wat hij zocht?”

“Nou, geen verwijzingen in de correspondentie van Petrus. Maar omdat Cluny in de elfde en twaalfde eeuw zoveel verwante kloostergemeenschappen kende, trof hij veel documenten aan die afkomstig waren van andere abdijen. Ook die langs de pelgrimsweg, zoals Conques, Figeac en Moissac.”

“Ah, dat leverde vast ook veel gegevens op over de oude pelgrimsroutes.”

“Ja, waarschijnlijk wel. Maar volgens zijn aantekeningen vond hij tussen het materiaal van Moissac ook een oude Occitaanse kroniek met daarin een verslag van een merkwaardig voorval. In dat geschrift stond het verhaal van een monnik die in verwarde en haveloze toestand werd aangetroffen in de wildernis. Hij werd gevonden door een groepje pelgrims dat hem meenam naar een niet nader genoemd klein klooster. Daar beweerde de man op zijn sterfbed dat hij onderweg naar het graf van Saint-Jacques ontvoerd was door een witte duivel. Die was met een groep demonen neergedaald van een hoge rots die, zoals hij zei, boven snelstromend water uitrees. Het groepje reizigers waar deze pelgrim deel van uitmaakte werd meegevoerd naar de Poort van de Hel, een onderaardse spelonk waar grote vuren brandden. Daar werden de duivel en zijn trawanten getroffen door de Hand van God die het hol deed instorten op het moment dat ze een heilig relikwie wilden schenden dat het gezelschap bij zich had. Dat relikwie werd in het oud-Occitaans een dona reial genoemd, dat in de interpretatie van mijn oom zowel ‘kostbaar geschenk’ als ‘koninklijk geschenk’ kon betekenen. De demonen werden bedolven onder het gesteente, evenals blijkbaar het reisgezelschap, maar de ooggetuige wist op wonderbaarlijke wijze te ontsnappen. Het verhaal van die miraculeuze ingreep van God maakte blijkbaar voldoende indruk om te worden vermeld in de kroniek.”

Stef hoorde dit relaas gefascineerd aan. Het deed hem denken aan andere fantasievolle overleveringen uit de Middeleeuwen die de pelgrimsweg omgaven, of de talloze lokale legenden die levend gehouden werden om het plaatselijke toerisme te stimuleren.

Xavier vervolgde: “De herkomst van dat verslag was niet duidelijk. Uit de aantekeningen van mijn oom maak ik op dat het in ieder geval niet Moissac was. Hij vermoedde dat de kroniek afkomstig was van een andere abdij of priorij op de route naar Santiago de Compostella en dat die op de een of andere manier in Moissac beland was. Tijdens de zogenaamde Babylonische Ballingschap der Pausen in de veertiende eeuw zou het daarna met andere documenten aan het pauselijk hof in Avignon terecht gekomen zijn. Vandaar is het materiaal uiteindelijk met de archieven naar Rome verhuisd.”

“Maar waarom dacht hij dat dit verhaal juist over die vermiste monniken uit Cluny ging?”, vroeg Stef zich af.

“Nou, in de eerste plaats omdat de datering in de kroniek overeen lijkt te komen met het verdwijnen van die monniken. Er is namelijk een verwijzing naar paus Eugenius III en die bekleedde tot 1153 het pontificaat. En ten tweede omdat het verhaal ging over een groepje religieuze pelgrims op weg naar het graf van Jacobus in Compostella die mogelijk een koninklijk geschenk in de vorm van een reliekhouder bij zich hadden.”

“Ah, en jouw oom concludeerde dat het ging om dat geschenk waarvan sprake was in die brief van abt Petrus?”

“Misschien niet zo stellig, maar hij opperde het als een fascinerende mogelijkheid. Dat hij nooit ruchtbaarheid heeft gegeven aan zijn vermoedens komt waarschijnlijk omdat hij zelf ook niet zeker was van zijn zaak. Anders zou hij er wel iets over gepubliceerd hebben, of er op zijn minst in eigen Jezuïtische kringen over gesproken hebben. Maar ik heb een oude studievriend van hem opgezocht in Rome en die wist van niets. Mijn oom had het er nooit met hem over gehad en deze man suggereerde dat oom Xavier waarschijnlijk zelf ook grote twijfels had over zijn conclusie.”

“Maar jij hecht er voldoende waarde aan om er een uitgebreide expeditie aan te wijden?”

“Nou, zoals ik je in Propières vertelde had ik na mijn echtscheiding behoefte aan een sabbatical en dit leek me een interessante afleiding. En stel je eens voor wat een sensatie het zou zijn wanneer ik werkelijk iets zou ontdekken…”

“Hm, ja. Er zijn waarschijnlijk beroerdere bezigheden om je vrije tijd aan te spenderen dan het speuren naar een middeleeuwse schat, als ik het zo mag noemen. Maar het lijkt me nogal een opgave. Ik bedoel, er zijn weinig concrete aanwijzingen voor waar je moet zoeken, nietwaar? Of heb je me nog niet alles verteld?”

“Ja, ja, dit is het wel zo’n beetje. Maar begrijp je nu waarom ik de hele route vanaf Cluny moest onderzoeken? Allereerst wilde ik een indruk krijgen van de route die de monniken vanaf die plaats hebben gevolgd. Het landschap, de stadjes en dorpjes, kloosters en abdijen. En de wegen natuurlijk. Hopelijk helpt me dat om een beetje naar het landschap te kijken door de ogen van een middeleeuwer. Misschien komt dat van pas wanneer ik dichter bij mijn doel kom. Ten tweede dacht ik dat er langs de route misschien sporen te vinden zijn die niemand ooit eerder zijn opgevallen, gewoonweg omdat men niets afwist van deze hele geschiedenis en er dus niet naar op zoek was. Niet zozeer sporen in het landschap, maar inscripties of afbeeldingen in kerken of kapelletjes. Of mogelijk zijn er verhalen en overleveringen in de lokale folklore van de plaatsjes langs de route die aanwijzingen bevatten. Ik kan me voorstellen dat het verdwijnen van een groepje monniken uit Cluny op de pelgrimsweg in die tijd toch niet onopgemerkt voorbij gegaan is. Tot dusver ben ik nog niets van belang tegengekomen. In ieder geval is het me zo wel duidelijk geworden dat de moderne route niet noodzakelijkerwijs altijd overeenkomt met de meest voor de hand liggende middeleeuwse routes. Daar ben ik sinds de Beaujolais alleen maar meer van overtuigd geraakt. Net als jij blijkbaar. Wel vreemd dat ik daarover niets heb teruggevonden in de aantekeningen van mijn oom.” Hij haalde zijn schouders op. “Nou ja, misschien was het voor hem wel gewoon vanzelfsprekend.”

Er viel een stilte terwijl Stef het verhaal van Xavier op zich liet inwerken. Hij probeerde zich een voorstelling te maken van de gebeurtenissen die zich meer dan acht eeuwen geleden – misschien – hadden afgespeeld. “Wat denk jij dat er concreet gebeurd is? Ik bedoel, dat verhaal over duivels en demonen neem jij toch niet serieus?”

“Nee, niet in letterlijke zin natuurlijk”, antwoordde Xavier. “Maar het is ongetwijfeld een verslag van werkelijke gebeurtenissen gezien door een middeleeuwse bril. Wij moeten alleen die bril afzetten en proberen te begrijpen wat er zich werkelijk heeft afgespeeld.”

“En hoe interpreteer jij die hele geschiedenis dan?”

“Ik zou zeggen dat in het jaar 1150 een gezelschap van monniken dat met een kostbaar geschenk onderweg was van Cluny naar Santiago ergens onderweg werd overvallen en gevangen genomen – ergens vòòr Cahors, maar misschien zelfs al voordat ze Le Puy bereikt hadden. Hoewel ik voor die laatste mogelijkheid in elk geval geen goede aanwijzingen in het landschap heb gevonden. Die overval vond plaats in een rotsachtige omgeving met flinke hoogteverschillen, dus bij een berg of diepe kloof of zo, want er is expliciet sprake van een rots en dat de aanvallers van bovenaf kwamen. En waarschijnlijk in de buurt van een rivier, hoewel het niet gezegd is of die grot waar ze gevangen gehouden werden ook op diezelfde plek was. De vermelding van duivels en demonen zou ik inderdaad met een korrel zout nemen, maar het lijkt me goed mogelijk dat de aanvallers zich op de een of andere manier hadden vermomd. Om extra schrik aan te jagen of om niet herkend te worden. Blijkbaar hadden ze hun schuilplaats in een grot of zoiets. Dat moet voor een middeleeuwer die half bij bewustzijn was wel op de Hel geleken hebben, vooral als er een flink kampvuur brandde. Vermoedelijk was die schuilplaats niet al te dicht bij de bewoonde wereld. Daarom vallen toentertijd dichtbevolkte gebieden zoals de Forez waarschijnlijk af en lijkt mij de uitgestrekte leegte van de Aubrac een goede kandidaat. Maar de meest intrigerende mededeling is volgens mij dat de duivels voor eeuwig opgesloten waren dankzij een instorting. Als dát waar is, dan bestaat de mogelijkheid dat hun lichamen nog ergens in een ingestorte grot begraven liggen, te wachten op ontdekking. Met misschien wel de buit van de overval. Stel je eens voor wat een fantastische vondst dat zou zijn. Alsof je een onaangeroerde Egyptische graftombe zou openen.”

“Dat is inderdaad een fascinerende gedachte, zo’n middeleeuwse tijdscapsule. Maar vind je niet dat dit met al zijn vaagheid een hoog Discovery Channel-gehalte heeft? Ik bedoel, het is toch behoorlijk speculatief allemaal, vind je niet?”

“Ja ja, ik begrijp je scepsis. Zelf probeer ik ook geen al te hoge verwachtingen te hebben en me niet te veel te laten meeslepen door mijn opwinding. Maar omdat mijn oom oordeelde dat de bron authentiek was kan ik de kans op een bijzondere ontdekking toch niet laten liggen?”

“Maar waar wil je beginnen? Er moeten eindeloos veel plekken zijn langs de Via Podiensis waar je rotsen en grotten kunt vinden.”

“Dat is inderdaad een probleem. Om de omvang van de uitdaging een beetje te kunnen overzien wilde ik eerst eens een globale inventarisatie maken van het landschap en de plaatsen, kastelen en kloosters langs de route. Dan kan ik daarna misschien een selectie maken van veelbelovende locaties die ik aan een nader onderzoek moet onderwerpen. En, wie weet, het is natuurlijk altijd mogelijk dat ik ergens onderweg een aanwijzing tegenkom die ik niet kan negeren.”

“Als ik het me goed herinner werd volgens een verhaal in mijn gidsje een Vlaamse ridder op pelgrimstocht hier op de vlakte van Aubrac in het midden van de twaalfde eeuw overvallen door bandieten. Ik geloof dat die geschiedenis de aanleiding vormde om hier een klooster met een onderkomen voor pelgrims te stichten. Kan dat geen aanwijzing zijn?”

“Dat zal Adalard geweest zijn. Ik ken zijn verhaal in een iets andere vorm. Dat hij in een grot de onthoofde lichamen van meer dan twintig pelgrims had gevonden. Vandaar de uitspraak in loco horriris et vestae solitudinis om de vlakte te beschrijven. Heb ik je dat indertijd niet verteld? Maar die geschiedenis speelde zich af in 1120, een paar decennia eerder dan de gebeurtenissen waarover we nu spreken.”

Stef herinnerde zich nu dat de ander op Mont Rigaud inderdaad gesproken had over een groep vermoorde pelgrims. “Ah. Maar in jouw versie van het verhaal is er dus wel sprake van een grot?”

“Ja. Maar ik moet je zeggen dat ik hier op de vlakte nog geen enkele grot ben tegengekomen, behalve die holte onder de waterval een stukje terug. Maar die leek me helaas niet erg geschikt als rovershol.”

“Oh ja, die was ik helemaal vergeten. Volgens mij heb ik in mijn delirium nog een douche genomen onder die waterval.”

“Werkelijk?” Xavier moest lachen. “Ja, het zag er wel uitnodigend uit. Maar heb jij hier op de Aubrac nog andere rotswanden gezien waar grotten in zitten? Ik niet. Misschien verderop nog…”

“Maar het feit dat je op zoek moet gaan naar de oorspronkelijke middeleeuwse routes maakt je speurtocht niet eenvoudiger, lijkt me. Het voegt een onzekerheidsfactor toe.”

“Ja, maar het is een meevaller dat in dit deel van Frankrijk de oude Romeinse weg op de kaart staat aangegeven. Dat geeft juist weer wat houvast.”

De bijna volle maan stond inmiddels hoog in de zuidelijke hemel en vormde met twee heldere sterren een driehoek die Stef bekend voor kwam. Hij bedacht dat het planeten moesten zijn, Venus met Jupiter of Saturnus. Vreemd, hij herinnerde zich plotseling dat hij die avond met Xavier in Propières ook Venus als een baken tussen de sterren had zien stralen. De whisky en het vuurtje hadden hem loom gemaakt en de onthullingen van zijn redder-in-nood duizelden onoverzichtelijk door zijn hoofd. Hij kon zijn oogleden maar moeilijk openhouden en een lange geeuw ontsnapte hem.

“Misschien moeten we maar gaan slapen”, stelde Xavier voor. “Je kunt nog wel wat rust gebruiken, denk ik. En morgen praten we wel verder.”

“Ja, dat is een goed idee. Maar, nog even voor mijn gemoedsrust: wat zijn je plannen? Ga je alleen verder met je zoektocht, of…?” Hij liet de onuitgesproken vraag die in de loop van de avond bij hem was opgekomen in de lucht hangen.

“Nou, ik wilde je voorstellen om voorlopig samen op te trekken. Als dat je een goed idee lijkt. Ik weet niet of jij de GR65 nog aandurft in verband met jouw achtervolgers, maar ik kan een paar extra ogen goed gebruiken bij mijn onderzoek. En jij hebt blijk gegeven van een goed gevoel voor het landschap en je hebt de nodige kennis van de Middeleeuwen en van Eleanor in het bijzonder.” Hij keek Stef verwachtingsvol aan en vervolgde: “Twee zien meer dan één en het heeft voor jou het voordeel dat je dan niet alleen hoeft te reizen. Ik denk dat je in mijn gezelschap minder te duchten hebt van je belagers.”

Stef slaakte een zucht van verlichting. “Ik hoopte al dat je zoiets zou voorstellen. Ik ga daar graag op in. Hopelijk zaait het ook verwarring bij mijn achtervolgers wanneer ik niet meer alleen reis.”

“Ja, dat ook. Nou, dat is dan afgesproken. Voor mij is het ook een voordeel dat ik zo af en toe een snelle excursie kan maken terwijl jij op mijn spullen past. En op die manier slaan we twee vliegen in één klap: wanneer ik erop uit trek om de omgeving van de pelgrimsweg te verkennen, kan ik tegelijkertijd in de gaten houden of er verdachte figuren in de buurt zijn.”

Hoewel hij de indruk had hals over kop in een ongewis avontuur beland te zijn, zonder de tijd te krijgen om eens rustig na te denken over de mogelijke gevolgen, werd Stef bevangen door een aangename opwinding en iets anders, een sensatie die hij lang niet ondergaan had. Het was het gevoel betrokken te zijn bij iets dat interessant en zinvol was, een uitdaging voor zijn nieuwsgierige aard en zijn intellectuele vermogens. Ze gaven elkaar een stevige handdruk, alsof er een serieus verbond bezegeld moest worden, en keken elkaar daarna schaapachtig aan, niet wetend wat te zeggen.

Toen Stef niet veel later in zijn tentje lag, worstelde hij met de vraag of hij zich met zijn verhaal moest melden bij de politie. Het was geen aanlokkelijk vooruitzicht, want hij zou ongetwijfeld zijn vrijheid tijdelijk verliezen en zich over moeten geven aan de bureaucratische onvoorspelbaarheid van het justitiële apparaat. Zulk gebrek aan bewegingsvrijheid zou hem kwetsbaar maken voor de moordlustige intenties van zijn achtervolgers, ook al zou hij de gegevens met de RNA-code doorgeven aan het gezag. Het viel tenslotte nog maar te bezien of de autoriteiten die informatie openbaar zouden maken. En wanneer men besloot het nieuws over de achtergrond van de ziekte geheim te houden, dan zouden de criminelen die hem achtervolgden ook niet beseffen dat het geen zin meer had om hem als belangrijke getuige te doden. In dat opzicht zou het zelfs beter zijn om de film en zijn verhaal niet rechtstreeks aan de politie te overhandigen, maar door te spelen aan de pers. Dan zou hij er van verzekerd kunnen zijn dat alles publiek bekend gemaakt werd. En tegelijkertijd zou hij – vooralsnog – uit de handen van justitie blijven. Die zouden uiteindelijk wel op zoek gaan naar hem, maar dat was van later zorg. Met Xavier voelde hij zich voorlopig veilig, ook al had hij zo zijn twijfels over de betrouwbaarheid van zijn sensationele verhaal over die verdwenen schat van Eleanor.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.