8 | Bekentenissen en onthullingen

Het eerste dat hij zich bewust werd na de duisternis was de geur van verse koffie. Dat bracht Stef terug naar zijn kindertijd en de geruststellend saaie zondagsbezoeken aan zijn grootouders. Ooms en tantes rond de eettafel, gemoedelijk keuvelend over de dingen van de dag terwijl hij zich vermaakte met een oude meccanodoos uit de kindertijd van een van de broers van zijn vader. Een verre herinnering die hem terugvoerde in de vergetelheid. Daarna riep iemand hem bij zijn naam: “Stef! Stef! Hoor je me?”

Moeizaam probeerde hij zijn ogen te openen. Knipperend tegen het felle daglicht zag hij de vage omtrekken van een man die over hem gebogen zat. Stef zag zichzelf in tweevoud gereflecteerd in de spiegelglazen van een zonnebril.

“Goed zo. Alles is in orde”, zei de stem geruststellend in het Engels. “Hier, drink dit. Daar kikker je van op.”

Stef voelde dat een beker met een hete, kruidige vloeistof aan zijn lippen werd gezet. Bouillon. Hij probeerde te slikken, maar de drank ging de verkeerde kant op en proestend stuipte hij overeind.

“Okee, okee. Rustig aan maar”, zei de stem, die hem nu vagelijk bekend voor kwam. De onbekende gaf hem klopjes op zijn rug om de luchtwegen vrij te maken. Rochelend gaf hij slijm op.

Plotseling kwam het allemaal weer terug: het besef wie hij was en de dodelijke dreiging die hem achtervolgde, Vézelay, Cluny, Le Puy, Saugues, Aumont-Aubrac. Verschrikt sloeg hij zijn ogen op en probeerde te focussen om de vage gestalte van de man die zich over hem ontfermde scherp in beeld te krijgen. Toen herkende hij hem: “Xavier? Hoe? Wat?…”

“Ja, Stef. Ik ben het”, sprak de Frans-Canadees van Vietnamese afkomst met wie hij een stuk door de Beaujolais getrokken was. “Ik weet niet wat je overkomen is, maar je bent veilig nu.”

Stef probeerde te begrijpen hoe het kon dat de ander hem had gevonden, een heel eind van zijn voorgenomen route af – sowieso een heel eind weg van welke route dan ook. Een achterdochtige bubbel steeg op in zijn lichaam, maar die werd meteen weggespoeld door een golf van vermoeidheid en uitgeput zonk Stef weer weg in een diepe slaap.

De volgende keer dat hij weer opdook uit de mistige regionen van zijn verwarrende dromen en gedachten voelde hij zich merkwaardig vredig. Er knetterde iets van een houtvuurtje en de geur van geroosterd vlees prikkelde zijn speekselklieren. Xavier zat niet ver van hem af naast zijn bagagekarretje en in de luwte van een paar grote stenen hing het karkas van een haas of konijn aan een tak boven een rookloos vuurtje. Een enkele vetdruppel viel sissend in het vuur, maar Xavier draaide het spit langzaam rond zodat het meeste vet op het vlees zijn werk kon doen. De ander had opgemerkt dat Stef weer bij bewustzijn was gekomen en reikte hem kuchend een beker koffie, alsof hij zich verslikt had.

“Hier drink dit alvast. Het vlees is bijna gaar. Je zult wel trek hebben”, zei Xavier, terwijl hij iets probeerde weg te slikken.

Er knorde iets in zijn maag en Stef antwoordde moeizaam: “Dank je. Inderdaad lust ik wel wat… Maar hoe kom jij hier? Hoe heb je me gevonden?” Hij nam een slok van de warme koffie en ditmaal voelde hij de aangename sensatie van warmte die zich nestelde in zijn maag en zich van daaruit verspreidde naar zijn gevoelige stijve ledematen.

“Puur toeval, mijn vriend. Puur toeval. Ik volgde het spoor van een oude Romeinse weg die hier vlakbij loopt en vond vanochtend jouw bril een stuk terug naast het pad liggen. Kijk, hier heb je hem.” Hij reikte een leesbril aan en Stef realiseerde zich dat hij die verloren moest hebben tijdens zijn nachtelijke dwaling.

“Mijn bril? Hoe kon je nu weten dat het mijn bril was?”

“Ach, dat wist ik natuurlijk niet zeker”, antwoordde Xavier terwijl hij een stukje vlees plukte van het gebraad. Hij stak het in zijn mond en kauwde het goedkeurend weg. “Maar het was hetzelfde model als waarmee ik je gezien had”, vervolgde hij. “Zo’n lelijk goedkoop geval dat je in de supermarkt kunt kopen. En bovendien hield ik in mijn achterhoofd al rekening met de mogelijkheid dat ik jou onderweg weer ergens tegen zou komen. Ik had alleen niet verwacht je in deze conditie zo’n eind van de GR65 af te vinden”, voegde hij er met een lach aan toe. “Dat was me nogal een verrassing, moet ik zeggen.” Hij had inmiddels een gebraden poot van het beest op een bordje gelegd met een hoopje oranjekleurige gelei en reikte dat aan. “Hier, zelfgevangen haas met marmelade. Een beetje onorthodox, maar een door mij persoonlijk beproefd recept. Eet dat eerst maar eens rustig op en vertel me dan je verhaal. Ik ben werkelijk benieuwd naar wat je is overkomen dat ik je hier midden in de wildernis op sterven na dood aantref.”

Gretig nam Stef het bordje met eten aan. Het vlees was wat taai, maar in combinatie met de zoete marmelade een streling voor de tong. Hij likte genoeglijk het vet van zijn vingers terwijl hij zijn gedachten probeerde te ordenen. Zijn achterdocht was nog niet helemaal verdwenen. Het was naar zijn mening een beetje al te toevallig dat de ander hier zo plotseling was komen opdagen, als een deus ex machina in een situatie zonder uitzicht. Misschien maakte hij wel deel uit van het grote complot dat hem scheen te omringen, zo ging het door hem heen. Maar hij verdrong die gedachte met de vaststelling dat Xavier hem vooralsnog gered had in een penibele situatie en uit zijn gedrag kon Stef alleen maar opmaken dat de ander hem gunstig gezind leek. Toch leek voorzichtigheid geboden en hij besloot dat het voorlopig verstandig was om terughoudend te zijn met de waarheid. Tot hij meer zekerheid had over de intenties van de ander.

“Hmpf”, knorde hij tevreden. “Dankjewel, daar was ik wel aan toe.” Hij nam nog een slok koffie en vervolgde: “Ik moet verdwaald zijn op de vlakte. Voelde me niet zo lekker gisteren. Ik vermoed dat ik mijn waterfles heb bijgevuld uit een onzuivere bron en zo een vergiftiging heb opgelopen. In mijn verwarring heb ik waarschijnlijk een aanwijzing van een afslag gemist. Ik had ook niets te eten meer en ben gaan dwalen in het donker. Ik denk dat ik toen gevallen ben of zo. Mijn enkel voelt alsof ik die flink verstuikt heb. Verder kan ik me niet zoveel herinneren…”

Xavier keek hem aan met een blik die niets verraadde van zijn gedachten. “Hm”, zei hij, terwijl hij instemmend leek te knikken. “Juist, ja…” Hij werd overvallen door een hoestbui en wendde zich even af met zijn hand voor de mond. Daarna vervolgde hij: “Je moet me maar niet kwalijk nemen dat ik dit opmerk, maar je lag te ijlen toen ik je hier zo aantrof. Ik had de indruk dat je bezorgd was, angstig zelfs. Je had het over achtervolgers die het op je gemunt hebben. En dat leek me meer dan een paranoïde angstdroom. Wil je me niet vertellen wat er is gebeurd?” Zijn gezicht had een zachte, vriendelijk uitdrukking aangenomen, alsof hij hem daarmee wilde aanmoedigen om de waarheid te vertellen.

“Wat zeg je? Achtervolgers? Ik begrijp niet waar je ’t over hebt”, ontkende Stef met gespeelde verwarring. “Misschien had ik een nachtmerrie. Ik kan me daar niets van herinneren. Achtervolgers?” Stef schudde zijn hoofd in ongeloof, hopend de ander ervan te overtuigen dat er niets bijzonders aan de hand was.

“Hmmm”, bromde Xavier nadenkend terwijl hij met een vorknog een portie vlees van de hazenbout plukte en verzamelde op Stef’s bordje. “Als jij ’t zegt.” Hij kwakte nog wat marmelade over het vlees op het bord en strekte zijn arm om dat tweede maaltje door te geven aan Stef. “Je kunt me vertrouwen, hoor”, vervolgde hij terwijl hij voor zichzelf ook een bordje begon te vullen. “Ik snap wel dat je aarzelt om mij in vertrouwen te nemen. Als het werkelijk waar is dat je achtervolgd wordt door de Russische maffia, zoals je in je zogenaamde nachtmerrie beweerde, dan is het begrijpelijk dat mijn plotselinge verschijnen je achterdocht opwekt – ook al valt het moeilijk te rijmen dat je mij aanziet voor iemand die connecties heeft met zo’n organisatie. Come on!” De Vietnamees spreidde zijn handen in een uitnodigend gebaar, “het is toch tamelijk vergezocht om mij voor een criminele Rus aan te zien?”

Dat was een constatering die Stef moeilijk kon weerspreken, maar hij wist dat er tijdens de Vietnam-oorlog en daarna talloze Noord-Vietnamezen naar het communistische Oostblok waren gegaan om er te gaan studeren. En velen waren daar uiteindelijk blijven hangen. Maar die gedachte hield hij voor zichzelf. Stef besloot zich nog even op de vlakte te houden en te volharden in het spel van onwetendheid. “Russische maffia? Ik begrijp niet waar je het over hebt…”

“Kom nou, Stef. Je gaat me toch niet vertellen dat je dìt bij je draagt om agressieve honden mee op een afstand te houden?” Met een theatraal gebaar haalde hij een bekend pakketje tevoorschijn en met een snelle beweging vouwde hij het textiel open. Het pistool glinsterde dof in het felle zonlicht. Stef moest iets wegslikken – een gevoel van schaamte? Angst? – en Xavier keek hem verwachtingsvol aan. “Dit hing uit je rugzak toen ik je vond. Nogal vreemd om zo’n wapen mee te sjouwen op een vreedzame trektocht door Frankrijk, lijkt me zo. Of heb ik iets gemist en zijn de pelgrimswegen tegenwoordig weer even onveilig als in de Middeleeuwen?” voegde hij er sarcastisch aan toe.

“Tsja….” Stef wist niet wat hij moest zeggen. Hij was nog te suf om de ander van repliek te dienen en hij voelde het schaamrood opstijgen naar zijn gezicht. Met een verontrust gevoel en een schuldige blik keek hij naar het vuurwapen dat in de opgehouden hand van Xavier lag. Er zat blijkbaar niets anders op dan de ander in vertrouwen te nemen. Hoe lang was het tenslotte geleden dat hij de potige Canadees had beschouwd als een potentiële lijfwacht – juist als bescherming tegen zijn achtervolgers?

“Goed dan”, ging hij van start met zijn bekentenis. “Neem me asjeblieft niet kwalijk dat ik zo voorzichtig ben, maar ik heb het gevoel dat het gevaar overal op me loert en ik heb geen flauw idee wat daarvoor de reden is. Ik zou je er niet in willen betrekken, maar tegelijkertijd realiseer ik me dat ik wel wat hulp en steun kan gebruiken. En jij lijkt me wel iemand die zijn mannetje kan staan.”

Xavier maakte een onbestemd geluid en legde het pistool zwijgend tussen hen in op het hoge gras. Stef moest zich bedwingen om het ding niet op te pakken, maar kon er net niet bij. Hij had bovendien het bord eten in zijn handen. Afwachtend bleef zijn redder hem aankijken.

“Het is een lang verhaal dat begon in de buurt van Vézelay en dat omgeven is met vragen waarop ik geen antwoord heb”, begon Stef zijn relaas. Hij vertelde van de zieke Duitser bij wie hij het pistool had gevonden en de schimmige vreemdelingen die naar deze man op zoek waren. Dat de onbekende was overleden en dat Stef van kennissen op de Via Lemovicensis had vernomen dat die buitenlanders daarna op zoek waren naar hem. En dat hij lange tijd geen concrete aanwijzingen was tegengekomen dat ze hem daadwerkelijk op het spoor waren, maar dat hij ook zijn best had gedaan om ze af te schudden door vòòr Le Puy van de route af te wijken en zijn uiterlijk te veranderen door zijn baard te laten groeien, een andere pet op te zetten en een grote zonnebril te dragen. Hij vertelde over het opstootje in Saugues, waarbij geschoten was met een pistool en dat hij er zeker van was dat het zijn achtervolgers waren geweest omdat die daar vlakbij in Chanaleilles heel duidelijk naar hem geïnformeerd hadden. En dat hij nog altijd geen idee had waar het om draaide, waarom ze hem zochten en dat dat verdomde pistool zijn enige aanknopingspunt was. En tenslotte dat hij vermoedde dat men dacht dat hij over gevoelige, geheime informatie beschikte en zijn conclusie dat men hem daarom waarschijnlijk wilde doden.

Xavier had het verslag in stilte aangehoord, zonder Stef te onderbreken, en hem al die tijd onder het eten met een nadenkende frons schattend aangekeken. Nu hij zijn verhaal voor het eerst openlijk onder woorden bracht, voelde Stef de twijfel opkruipen als een slinkse verrader. “Het spijt me”, verontschuldigde hij zich. “Dit klinkt misschien allemaal nogal vergezocht, maar ik zweer je dat ik het niet verzonnen heb. De feiten althans. Verder zijn er zoveel vragen en onduidelijkheden dat ik voor een verklaring onvermijdelijk in het rijk der speculaties ben beland. Misschien ben ik gewoon hysterisch en overdreven paranoïde…” Hij slaakte een diepe zucht en liet moedeloos zijn armen vallen.

Xavier had zijn bord leeg en legde het terzijde. Uit zijn thermosfles schonk hij zichzelf en Stef nog wat koffie bij.

“Dank je”, zei Stef met een bedeesde blik en nam een slok uit zijn beker.

De ander knikte met zijn hoofd, kuchte een paar maal en nam het woord. “Het is goed van je om me in vertrouwen te nemen. En ik weet dat je dit niet allemaal uit je duim hebt gezogen omdat ik zelf in de buurt van Montarcher in de Forez benaderd ben door dubieuze types die op zoek waren naar een Nederlander. Uit de beschrijving die ze gaven maakte ik op dat het over jou ging, of toch om iemand die verdacht veel op jou lijkt. Ze waren met zijn tweeën en deden zich voor als vrienden die je waren misgelopen. Een van hen sprak gebrekkig Frans met wat ik interpreteerde als een Duits accent. Ik vond in ieder geval niet dat ze eruitzagen als Nederlanders, hoewel dat natuurlijk niks zegt. Maar ik vertrouwde het niet en vertelde dat ik uit Lyon kwam lopen en niemand was tegengekomen die aan dat signalement voldeed. Het was nogal raadselachtig allemaal, maar nu begin ik er iets van te begrijpen.” Hij rommelde met zijn hand wat in een zijvak van zijn rugzak om iets te pakken. “Misschien kan ik een deel van het raadsel voor je oplossen. Weet je wat dit zijn?” Hij hield zijn arm uit en in zijn hand lag een hoopje patronen.

“Ja, natuurlijk. Dat zijn kogels. Zo te zien die uit dat pistool”, antwoordde Stef verbaasd.

“Kogels? Ja. Maar hoe weet je dat ze uit jouw pistool afkomstig zijn?”

“Heh?”, reageerde Stef verbaasd. “Nou, omdat, eh… Eigenlijk nam ik dat gewoon aan, maar ik herken

ze nu omdat er eentje bij zit die anders is dan de rest. Kijk die daar is koperkleurig, terwijl de rest een zilveren metaalglans heeft.” Hij wees met zijn vinger naar het afwijkende exemplaar.

“Juist. Als je deze kogels al eens gezien hebt dan weet je blijkbaar hoe je het wapen moet ontladen en hoe je de kogels weer in het magazijn krijgt. Heb je ervaring met vuurwapens?”

“Nee, niet echt. Ik heb heel lang geleden tijdens een excursie weleens een politiepistool afgevuurd op een schietbaan en een keer met het jachtgeweer van een vriend op een kleiduif geschoten. Ik had een vaag idee hoe een pistool werkt en heb gewoon wat zitten prutsen totdat ik erachter was. Het leek me nogal gevaarlijk om met een geladen pistool in mijn rugzak te lopen. Ik wilde vermijden dat het onverwacht zou afgaan terwijl ik over rotsen of bomen moest klimmen, want het pad is niet altijd even goed begaanbaar. Dat zul jij ook wel gemerkt hebben. Dus het grootste deel van mijn tocht heb ik de kogels afzonderlijk bewaard. Pas de afgelopen week, toen de dreiging concreter werd, heb ik het wapen weer geladen”, legde Stef uit.

Xavier knikte begrijpend. “Heb je jezelf niet afgevraagd waarom er één afwijkende kogel bij zit? Vond je dat niet vreemd?” Hij legde de patronen naast het pistool op het opengevouwen shirt.

Stef fronste zijn wenkbrauwen. Waar wilde Xavier nu eigenlijk heen met zijn gevraag? “Nou, ik veronderstelde gewoon dat de oorspronkelijke eigenaar een kogel te kort kwam en het magazijn heeft aangevuld uit een andere voorraad of zo.”

“Ah, ja. Dat klinkt voor de hand liggend. Maar ik vond het toch vreemd. Kijk eens wat ik gevonden heb…” Xavier vouwde een multitool van zakformaat open tot een klein tangetje en trok met wat gemorrel de roodkoperen kogel uit zijn huls. “Kijk, normaal gesproken zit hier het kruit in, maar zie eens…” Hij hield de huls omgekeerd boven zijn linker handpalm en er viel een glimmend zwart rollejte uit. “Ik denk dat dit kan verklaren waarom men zo naarstig op zoek is naar je.”

Ontsteld keek Stef naar het vreemde object. Het was een klein filmrolletje dat ongeveer een centimeter breed was. Zijn blik ging naar Xavier’s gezicht en weer terug naar diens handpalm.

“Ma… maar… wat is dat? Ik bedoel, ik heb weleens gehoord van microfilms en zo, dat spul dat spionnen tijdens de Koude Oorlog gebruikten. Denk jij dat dit…? Nee, dat kan niet waar zijn…,” stamelde Stef onsamenhangend. Hij strekte zijn arm uit om het stukje film te pakken.

Xavier reikte het hem aan, maar zei erbij: “Voorzichtig aan. Maak geen vingerafdrukken. Als dit de verklaring is voor jouw raadselachtige achtervolging, dan is het misschien verstandig om het niet te beschadigen.”

Stef pakte het delicate rolletje voorzichtig op bij de randen. Hij rolde het filmpje uit en hield het tegen het licht. Uitgerold was het zwarte celluloid zo’n tien centimeter lang. “Misschien is het verstandiger om het te vernietigen?” vroeg hij zich hardop af terwijl hij turend probeerde te zien of hij iets kon onderscheiden op het transparante materiaal.

“Hm. Het lijkt me op dit moment beter om niet overhaast te handelen en iets onomkeerbaars te doen. Je weet tenslotte nog steeds niet wat jouw achtervolgers precies willen. Ongetwijfeld zitten ze achter je aan om de informatie die hierop staat in handen te krijgen. Of misschien willen ze voorkomen dat de opnames in de verkeerde handen vallen? In dat laatste geval zullen ze zeker willen weten dat het vernietigd is, maar hoe ga jij dat dan bewijzen? En ben je zelf niet bloednieuwsgierig naar wat er eigenlijk op staat?”

“Het bevredigen van mijn nieuwsgierigheid heeft op dit moment niet mijn hoogste prioriteit, verzeker ik je”, antwoordde Stef. “Ik maak me vooral bezorgd over mijn eigen veiligheid.”

Daar kon Xavier wel inkomen. De grote vraag was natuurlijk vooral wat ze aanmoesten met de hele situatie. Ze praatten wat heen en weer over de mogelijkheden die ze hadden, maar zolang het niet duidelijk was wat de achtervolgers precies wilden konden ze moeilijk een besluit nemen. Uiteindelijk hing alles toch ook af van de aard van de informatie die op de microfilm stond. Xavier haalde een loepje tevoorschijn uit zijn bagage en tuurde er een lange tijd door naar het filmpje. Daarna gaf hij film en vergrootglas aan Stef. “Het ziet eruit als de een of andere lettercode. Daar schieten we niet veel mee op. Ik denk niet dat het ons zal lukken om die te ontcijferen…” Hij klonk teleurgesteld.

Stef keek nu met één dichtgeknepen oog door het lensje naar de film en kreeg toen een glimlach op zijn gezicht. Hij keek Xavier aan. “Dat is niet zomaar een lettercode, mijn beste Xavier. Dit is volgens mij de code van het leven”, sprak hij cryptisch.

“Wat? Wat zeg je?” Xavier keek hem niet-begrijpend aan.

“Die letters”, antwoordde Stef. “Het zijn steeds dezelfde vier letters die herhaald worden in een steeds wisselende volgorde: A, C, G en U. Zegt dat je niets?”

Xavier keek hem volstrekt verdwaasd aan, maar toen viel het muntje. Hij sloeg zijn hand tegen zijn voor- hoofd en riep: “DNA! Natuurlijk! Hoe kon ik dat over het hoofd zien! Goed gedaan, Stef.” Blijkbaar verslikte hij zich van de opwinding, want hij brak uit in een benauwende hoestbui.

“Ja,” viel Stef hem bij, “het ziet eruit als een stuk genetische code. Maar die ‘U’ wijst erop dat het gaat om RNA en niet om gewoon DNA.” Hij legde Xavier uit wat het verschil was tussen die twee nucleïnezuren. Dat RNA normaal gesproken uit een enkele streng bestond die was opgebouwd uit de basen Adenine, Cytosine, Guanine en Uracil. De beginletters van deze moleculen vormden de genetische code. DNA was stabieler, bijna altijd dubbelstrengs en bevatte Thymine in plaats van Uracil.

“Oh ja”, reageerde zijn metgezel. “Dat heb ik op de middelbare school geleerd. RNA vormde een soort tussenstap tussen DNA en… eh. Wat ook al weer?”

“Proteïnen”, vulde Stef aan. “De eiwitten die nodig zijn voor de bouw en groei van ons lichaam worden gemaakt met behulp van een RNA-kopie van de DNA-code van het gen voor dat eiwit.”

Xavier knikte met een blik van herkenning.

“Maar van welk organisme is dit RNA? Is het plantaardig, of dierlijk, of misschien zelfs menselijk? Daar komen we alleen achter als we het in een database kunnen stoppen om te vergelijken…” Stef keek nog eens door het loepje naar de film, maar nu speurde hij gericht naar een afwijkend stukje code dat een verdere aanwijzing zou kunnen bieden. Hij vond het aan het einde van de lange reeks letters. “Aha, kijk eens aan. Hier staan cijfers, en ja, een paar andere letters. Hé, dat lijkt wel Grieks”, merkte hij verbaasd op. Er stond: BF- HC1-3/D3287/5-H43P. Hij las hardop: “Bèta, Phi, streepje, die H staat dan voor de Èta geloof ik, en eh… Cee? Die letter komt volgens mij in het Grieks niet op die manier voor. Misschien bedoeld als een K? Dan een Een, streepje, Drie, slash, Delta, Drie, Twee, Acht, Zeven, slash, Vijf, streepje, weer een Èta, Drieënveertig, Pi.” Stef keek Xavier verbaasd aan. “Dat moet een soort referentiecode zijn, maar die Griekse letters begrijp ik niet. Die worden vooral in de wiskunde gebruikt, maar voor zover ik weet nauwelijks in de genetica. Oh!” Er ging hem plotseling een licht op, “het zou cyrillisch kunnen zijn, Russisch schrift. Dan staat er dus eigenlijk VF-NS1-3/D3287/5-N43P.” Triomfantelijk keek hij Xavier aan, maar meteen vertrok zijn gelaat tot een twijfelend grimas. “Niet dat we daar veel mee opschieten. Bovendien geloof ik niet dat de cyrillische letter D net zo geschreven wordt als de Griekse. Vreemd… Maar ik denk wel dat dit stukje code de sleutel vormt tot de oplossing van ons raadsel.”

“Tsja, RNA”, herhaalde Xavier hoofdschuddend. “Waarom zoveel gedoe om een stukje genetische code, vraag ik me af.”

“Nou, vergis je niet. Daar kunnen grote belangen mee gemoeid zijn”, reageerde Stef opgewonden. “De farmaceutische industrie hangt aan elkaar van uiterst dure onderzoeken die nodig zijn voor de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Gentherapie is het toverwoord voor de geneeskunde van de toekomst, zo is de algemene opvatting. Maar afgezien daarvan is genetisch onderzoek in de landbouw ook big business. Denk maar aan Monsanto met haar genetisch gemodificeerde gewassen die resistent zijn tegen hun eigen onkruidbestrijdingsmiddel Roundup. Dat gaat over honderden miljoenen, zo niet miljarden dollars.”

“Mmmmh”, bromde Xavier nadenkend. “Mij komen veel minder nobele toepassingen van de biotechnologie in gedachten. Je kunt natuurlijk gelijk hebben, Stef, dat er een verband bestaat met de geneeskunde of de landbouw, maar er is nog een andere mogelijkheid voor het gebruik van genetische technieken. Een mogelijkheid die ik veel eerder zou associëren met gewelddadige achtervolgingen, geheimzinnige microfilms en Oost-Europese geheime diensten…” Hij keek Stef verwachtingsvol aan.

“Wat? Wat bedoel je?”, reageerde Stef verbaasd. “Waar heb je het over?” Maar eigenlijk wist hij het antwoord al.

“Het leger, Stef. Ik heb het over biologische oorlogsvoering. We moeten de mogelijkheid onder ogen zien dat we hier te maken hebben met de formule voor een gevaarlijk biologisch wapen.”

Daar was Stef even stil van. Toen de ernst van dat scenario tot hem doordrong kon hij niets anders uitbrengen dan een weifelend uitgerekt “Waauw…”. Hij tuitte zijn lippen en er verscheen een sombere uitdrukking op zijn gezicht. Toen schoot hem iets te binnen dat Stephan had verteld bij zijn uiteenzetting over virussen. “Xavier, je zit waarschijnlijk op het goede spoor. Volgens mij bestaat het genetisch materiaal van sommige gevaarlijke virussen ook uit enkelstrengs RNA. Ik kan me alleen niet herinneren welke dat precies waren. Ebola, geloof ik. Maar ook enkele andere…” Allerlei puzzelstukjes die hij achter in zijn hoofd als losse feitjes had meegedragen vonden nu ineens aansluiting bij elkaar: de hardnekkige achtervolgers, het vuurwapen, de zieke eigenaar van dat pistool… “Wacht eens”, onderbrak hij zijn eigen gedachtestroom. “Die zieke vreemdeling bij Vézelay, denk je dat die besmet was met dat biologische wapen waar we het nu over hebben? Een door mensen gemaakt dodelijk virus?”

“Ja, dat lijkt me niet zo ver gezocht, eerlijk gezegd.”

“Maar een van zijn achtervolgers had dezelfde symptomen. En die is later ook overleden.”

“Ja? En?”

“Dat zou betekenen dat het hier gaat om een besmettelijke en dodelijke ziekte, nietwaar?”

“Dat is heel goed mogelijk. Als we het hebben over een biologisch massavernietigingswapen, dan zal de effectiviteit ervan samenhangen met de mate van besmettelijkheid. Dat lijkt me evident.”

“Maar wat ik me dan afvraag, beste Xavier, is waarom ìk dan niet besmet ben geraakt.”

“Tsja, dat is een goede vraag. Misschien dat de ziekteverwekkende factor maar een beperkte tijd houdbaar is, of slechts een korte tijd actief blijft. Een moordwapen dat niet gestopt kan worden keert zich uiteindelijke tegen de gebruiker ervan.”

“Mmmm”, nadenkend wreef Stef over zijn kin. “Er is nog een ander zorgelijk punt waar ik nu aan moet denken. Daar hebben we het nog helemaal niet over gehad: de pelgrimsziekte.”

“Wat? Welke ziekte?”

“Nou, die vreemde griep die schijnt te heersen op de weg naar Santiago de Compostella. Je gaat me toch niet vertellen dat je daar nog niets van gehoord hebt?”

“Oh, dat. Ja, dat had ik je nog willen vragen toen je het had over die gebeurtenissen in Saugues. Ik heb daar niets van gemerkt toen ik daar een paar dagen geleden was. Dat had met de uitbraak van influenza te maken volgens jou?”

Stef knikte bevestigend.

“Ik moet je zeggen dat ik tot nu toe niet veel aandacht heb besteed aan die berichten. Het leek me een soort komkommertijdverhaal dat werd uitgemolken door de media. Maar ik heb meestal in het wild gekampeerd en veelal buiten de gebruikelijke routes, dus ik heb ook niet veel mensen gesproken gedurende de afgelopen weken.”

“Oh ja, jouw project. Ben je nog altijd op zoek naar de oorspronkelijke middeleeuwse pelgrimsroutes? Ik ben erg benieuwd naar je vorderingen. Daar moet je me op een ander moment maar eens over bijpraten.”

“Ja, ja!”, reageerde de ander gretig. “Door een merkwaardige samenloop van omstandigheden heb ik jou hier gevonden, juist vanwege mijn onderzoek. Ik volgde namelijk een verwijzing op de kaart naar een ancienne voie Romaine op de antieke route van Javols naar Rodez en die loopt precies door deze vallei, dààr aan de overkant.” Met zijn arm wees hij in de richting van de andere zijde van de ondiepe vallei die afzakte in de richting van de waterval waar Stef vandaan was gekomen. Hij zag niet meer dan een kale groene helling aan de overkant van een strook moerasland.

“Oh, dat klinkt interessant, maar die ziekte?”, bracht Stef de aandacht weer terug naar het heikele onderwerp, “Daar heb je verder niets van gemerkt onderweg?”

“Tsja, nu ik er zo over nadenk misschien wel. Sinds Le Puy heb ik wel een paar keer achterdochtige blikken gezien en enkele malen mensen ontmoet die merkwaardig onvriendelijk op me reageerden… Hmm. Ik dacht dat ze gewoon niet zo dol waren op vreemdelingen. Mijn Aziatische uiterlijk kan soms zulke reacties oproepen, weet je.” Hij onderbrak zichzelf om nogmaals wat slijm op te kuchen. “Misschien is het ook wel stiller op de route dan ik verwacht had, veel huizen staan er verlaten bij…”

“Je hebt in ieder geval een vervelend hoestje opgelopen sinds we elkaar de laatste keer zagen”, merkte Stef op.

“Ja, dat wel. Ik heb een lichte verkoudheid te pakken gekregen in de bergen bij Lyon, nadat wij uit elkaar gingen. Die kriebelhoest gaat maar niet goed over. Het lijkt wel een soort hardnekkige bronchitis of een allergie. Maar ik heb er verder geen last van…. Zeg, je denkt toch niet dat ik iets heb opgelopen van die zogenaamde pelgrimsgriep?”

“Ik weet het niet, Xavier. Er is iets dat ik mis… Maar het is wel toevallig dat die hele geschiedenis met die dode vreemdeling en zijn achtervolgers samenvalt met de uitbraak van een onbekende griep. Ik moet steeds denken aan de mogelijkheid dat er een verband bestaat, maar de samenhang blijft me onduidelijk. De ene aandoening is blijkbaar dodelijk, terwijl de andere dat niet schijnt te zijn. De griep is blijkbaar erg besmettelijk, terwijl die andere ziekte erg dodelijk is, maar minder besmettelijk lijkt. Twee verschillende ziektes? Ik vind het maar vreemd…”

Xavier leek hem niet te horen. Met een sombere blik staarde hij peinzend voor zich uit, met nietsziende ogen in het smeulende vuurtje. Afwezig kluifde hij aan een botje van de haas. Ook Stef viel stil, verzonken in gedachten. Plotseling ontwaakte Xavier uit zijn mijmeringen. Hij maakte een korte beweging met zijn hoofd, alsof hij een lastig insect wilde verjagen, en keek Stef aan. “Ik zal zo eens wat rondneuzen op het internet om te zien of ik wat meer te weten kan komen over die ziekte. Als we wat meer duidelijkheid hebben over de situatie, dan kunnen we eens op een rijtje zetten wat de mogelijkheden zijn. Hoe we nu verder gaan en wat we aanmoeten met die microfilm. Probeer ondertussen weer wat op krachten te komen. Maak je geen zorgen, ik blijf vandaag hier, bij je in de buurt. Ik denk dat je op deze plek wel even veilig bent, maar hou dat pistool maar bij je. Misschien dat ik straks even een stukje van dat Romeinse spoor ga bekijken. Dan kan ik meteen zien of er verdachte figuren in de buurt zijn. Maar als je in nood bent kun je een schot afvuren. Ik kom dan direct terug.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.