6 | Inzicht op de Aubrac

De doorgaande weg lag er verlaten bij in de regen die met zacht hypnotiserend gekletter neerdaalde. Gehuld in zijn regencape passeerde Stef een monumentje dat het hoogste punt van de Col de l’Hospitalet markeerde. Zijn blessures van de vorige dag speelden gevoelig op, evenals de gebrekkige nachtrust die de omstandigheden in Saugues hem hadden toegelaten en hij keek uit naar een geschikte plaats om een tijdje uit te rusten. Hij had nu dringend behoefte aan een lange pauze en wilde het liefst een flink middagdutje doen op een droge, beschutte plek. Aangezien zo’n comfortabele gelegenheid niet voor handen was en de hele natuur gehuld was in een waas van nattigheid had hij bedacht dat hij maar het beste zijn trekkerstentje ergens kon optuigen. Maar zo vlak langs de weg in het zicht van voorbijkomend verkeer leek hem dat geen goed idee. Hij voelde er niet veel voor om zich in zijn middagslaap te laten verrassen. Met een vermoeide blik speurde Stef het rommelige open bos links en rechts van de weg af, maar hij vond niet wat hij zocht.

Bijna een kilometer verderop trof hij op een helling in een bocht een kapel aan die gewijd was aan Saint-Roch, precies op de departementale grens. Het minikerkje was jammer genoeg niet toegankelijk op dat moment. De deur stond weliswaar open, maar een hek belette de doorgang. Je kon er alleen een blik naar binnen werpen. Door de tralies zag Stef in het schemerduister een glimmend houten altaarstuk met een koperen crucifix en een paar rijen donkergelakte houten banken. Naast de kapel stond – een stukje lager, pal aan de weg – een refuge, een stenen onderkomen voor pelgrims dat volgens het jaartal boven de ingang gebouwd was in 1875. Het interieur was kaal en zakelijk en zag er niet erg comfortabel uit, een beetje zoals Stef zich een sober verblijf voor middeleeuwse monniken voorstelde. De inrichting bestond uit een picknicktafel en een paar houten banken. Het gebouwtje deed ongetwijfeld goede dienst als schuilplaats tijdens de wintermaanden, wanneer het waarschijnlijk flink kon spoken op deze hoogte en er veelal een dik pak sneeuw lag. De streek was dan een wintersportgebied waar men kon skiën en langlaufen, zo had hij opgemaakt uit verschillende reclameborden langs de weg. Maar Stef was te moe om zich daar een voorstelling van te kunnen maken. Hij was zo langzamerhand aan het einde van zijn Latijn en de krampen in zijn maag herinnerden hem eraan dat zijn laatste maaltijd alweer een hele tijd achter hem lag. Hij had die ochtend alleen nog maar een paar croissantjes gegeten onder het lopen en de hete café-au-lait die hij gedronken had in Chanaleilles was alweer weggezakt tot een vage herinnering.

Stef keek om zich heen in de hoop een geschikte schuilplaats te vinden buiten het zicht van nieuwsgierige ogen. Hij bevond zich op een open plek in een heuvellandschap met verspreide naaldbosjes. Verschillende paden en landweggetjes kwamen samen bij de verkeersweg die hier op de grens van Lozère en Haute-Loire haar administratieve naam veranderde van D587 in D987. Honderd meter verderop verdween het voetpad aan de overkant van de weg in een groepje pijnbomen waarachter een grote vallei lag met veelbelovende vergezichten. Maar een strategische ingeving deed hem besluiten om het hogerop te zoeken, op de helling aan de kant van de kapel. Daar lag naast een landweggetje een stuk bos van waaruit hij een goed uitzicht had op zowel de beide gebouwtjes als de afdalende GR65 en de doorgaande weg. Dat leek hem een uitstekende positie om zijn tentje buiten het zicht van passanten op te zetten.

Hij moest zich over een afzetting van prikkeldraad heen manoeuvreren om bij de bomen te komen, maar vond achter een omgevallen den een betrekkelijk vlak stukje grond. Geroutineerd zette hij snel zijn kleine tentje op en met wat losse takken camoufleerde hij de boel zo goed mogelijk. Daarna liep hij het pad een stukje af om zich ervan te verzekeren dat zijn schuilplaats zo goed als onzichtbaar was vanaf de weg. Toen kon hij eindelijk zijn vermoeide voeten bevrijden van de knellende zware wandelschoenen. Hij drapeerde zijn slaapzak om zich heen en de gevangen lichaamswarmte verspreidde zich weldadig over zijn pijnlijke rug. Daarna stalde Stef zijn voedselvoorraad naast zich uit en belegde een stuk stokbrood met een plak ham die hij nog over had van de dag ervoor. Het knapperige brood smaakte nog heerlijk vers en hongerig belegde hij een volgend stuk met geitenkaas. Stef verlangde eigenlijk naar een warme kop thee of chocolademelk, maar hij kon in deze schuilplaats geen vuur maken en moest zich tevreden stellen met een paar teugen vruchtensap.

Met het ontspannen gevoel van een gevulde maag en de warmte van zijn slaapzak werd hij overvallen door een roes van vermoeidheid. Net toen hij zich opmaakte om zich in zijn slaapzak te rollen voor de langverwachte siësta stopte er een knalrode auto bij de kapel. Stef haalde zijn versleten verrekijkertje tevoorschijn en zag dat het een oude Volvo stationcar was. Tot zijn verbazing leek de auto een Nederlands kenteken te hebben. Een lange man met een beetje piekig wit haar en opvallende bakkenbaarden stapte uit en keek nieuwsgierig om zich heen. De onbekende begon wat rond de kapel te slenteren, wierp door de tralies een blik op het interieur en begaf zich vervolgens in de richting van de schuilhut. Daar verdween hij uit het gezichtsveld van Stef die vermoedde dat de man de schuilplaats aan een inspectie onderwierp. Na enige tijd verscheen de onbekende weer en liep terug naar zijn auto. Hij stapte in en door de voorruit zag Stef dat de man een kaart uitvouwde en die begon te bestuderen. Even later startte de motor en de wagen reed weg in de richting van Saint-Alban. Het hele tafereel vervulde Stef met een benauwende achterdocht. Was de man op zoek naar hem? Het was duidelijk geen wandelende pelgrim en Stef vond ook niet dat hij eruit zag als een gewone toerist. In zijn voorstelling gingen vakantiegangers meestal niet alleen op pad, dat was meer iets voor ondernemende avonturiers als hijzelf. Dat Nederlandse kenteken leek hem ook wel heel erg toevallig. Wat als dat een poging was om contact te maken met andere Nederlanders? Misschien probeerde men hem op die manier uit zijn tent te lokken – letterlijk, in dit geval. Of werd hij nu paranoïde? Stef vond het verwarrend. Door de vermoeidheid kon hij zich niet goed concentreren en was het moeilijk om te bepalen of hij nu gerechtvaardigd voorzichtig was of overdreven achterdochtig. In ieder geval lag de weg er nu weer verlaten bij en een drukkende stilte daalde neer over de wereld. Grijze wolken hingen als gordijnen voor de horizon en de natuur hield haar adem in. De hele werkelijkheid leek in afwachting van een beslissende wending. Uit voorzorg haalde Stef zijn pistool tevoorschijn en controleerde de veiligheidspal. Sinds de vorige nacht had hij de patronen niet meer verwijderd zoals gebruikelijk. Hij legde het wapen onder handbereik en maakte het zich gemakkelijk. Ondanks de onrustige gedachten in zijn hoofd werd hij overmand door zijn vermoeidheid en viel in een diepe slaap.

Met een schok werd hij uren later weer wakker. Hij had zijn tentje niet afgesloten en zag dat de lucht nog altijd bewolkt en vochtig was, maar het regende niet meer. Een salvo waterdruppels, door een windvlaag losgeschud van de overhangende takken, viel kletterend op het tentzeil. Door het schemerlicht leek het veel later dan het in werkelijkheid was. Stef voelde zich lichamelijk wel uitgerust, maar emotioneel wankel. Het overkwam hem wel vaker wanneer hij overdag in een diepe slaap was gevallen, dat hij zich daarna verdrietig en huilerig voelde. Het had iets te maken met een ontregelde hormoonspiegel of neurotransmitters in zijn limbisch systeem die van slag waren. Toen hij probeerde overeind te komen merkte hij dat bij iedere beweging zijn lijf hem pijn deed, alsof zijn spieren een ongebruikelijke inspanning hadden geleverd. Als een stijve bejaarde kroop hij uit de kunststoffen cocon van zijn tentje en met moeite kwam hij overeind en rechtte hij zijn rug. De weg was nog altijd verlaten en stil. Gezeten op de omgevallen boomstam at hij een paar koekjes om weer op gang te komen en hij laafde zijn dorst met een paar flinke slokken water. Daarna haalde hij zijn tentje neer en pakte hij de spullen van zijn tijdelijk bivak in. Op pad maar weer, bewegen om de lichaamsprocessen op gang te brengen en daarmee de neuro-endocriene balans te herstellen. Stef stak de weg over en zag al snel de rood-witte markering van de GR65 op een boomstam.

Het pad daalde af in de richting van La Roche-sur-Lajo, maar liet dat plaatsje links liggen en op een kleine open vlakte kruiste Stef de D987 weer naar de noordkant, waarna de wegwijzers hem een stukje omhoog voerden door een stil bos. Bij Le Rouget ging het weer omlaag en nogmaals naar de andere kant van de verkeersweg. Stef wist dat het landschap langzaam daalde omdat hij nu kilometers ver kon uitkijken over een grijze golvende vlakte. Even verderop zag hij een clustering van hoogspanningsmasten die bij elkaar stonden als mechanische monsters die een samenzwering beraamden. In de verte verscheen een helling met de witte huizen van Saint-Alban-sur-Limagnole. Toen hij opliep tegen de heuvel waarop het stadje gebouwd was ontmoette hij ook weer de eerste tekenen van menselijk leven. Vanwege het late uur zaten de meeste Fransen waarschijnlijk al aan tafel, maar Stef zag verschillende auto’s rijden en voor een ziekenhuis bij het hoogste punt liepen mensen in en uit. Bij een burcht die was opgesierd met gepolijst roze zandsteen dat eruitzag als goedkoop marmer ging het aan de andere kant van de heuvel steil omlaag door een paar zig-zaggende smalle oude straatjes. Het was weer zachtjes gaan regenen en het oude stadsdeel lag er verlaten bij. Saint-Alban was zo te zien ontstaan tegen de helling van een rotspunt in de schaduw van het oude kasteel. De middeleeuwse kerk lag aan een intiem pleintje dat het centrum van het plaatsje vormde en dat als een klassiek Grieks theater genesteld lag in de flank van de rots. De open ruimte werd ingesloten door verlaten terrasjes aan de hoger gelegen Grand Rue – een smalle toeristische straat met een paar bars, restaurantjes en een hotel – en aan de lage zijde door enkele winkeltjes waarvan de luiken gesloten waren. Op het trottoir van de Grand Rue stonden de plastic tafels en stoelen onder druipende parasols. Achter de beslagen vensters van Hotel-Restaurant Du Centre zag hij vage schimmen bewegen in het warme licht van een bar. Het besef afgesneden te zijn van vertrouwd gezelschap en de huiselijke gezelligheid daarbinnen riep bij Stef een weemoedig kerstgevoel op dat weer even snel verdween als het gekomen was.

Hij ging de kerk binnen en deed zijn rugzak af. Met een plof zeeg hij neer op een van de houten banken. Hij vond het interieur weinig spectaculair, maar in een foldertje las hij dat Sint Albanus een Engelse martelaar was die in 303 onthoofd werd – nog volop in de Romeinse tijd dus. Dat gebeurde in de buurt van Londen op de plaats die nog altijd zijn naam draagt: Saint Albans. Zijn volgelingen waren volgens de overlevering naar Frankrijk uitgeweken, hadden de Gévaudan geëvangeliseerd en op deze plek een klooster gesticht.

Stef overlegde met zichzelf wat hij nu zou doen. De winkels aan het pleintje waren al gesloten, maar dat was niet erg want hij had nog een blikje cassoulet en een stuk stokbrood. Ook stak er nog een onaangebroken fles wijn in zijn rugzak. Volgens zijn gidsje was er een stukje voorbij Saint-Alban langs de GR65 een camping, maar hij voelde er meer voor om ergens in het wild te overnachten. Dan hoefde hij zich niet te identificeren en kon zijn aanwezigheid onopgemerkt blijven. Dus schraapte Stef zijn laatste krachten bij el- kaar en schouderde hij met een zucht nogmaals zijn zware bepakking. Met een piepend geluid en een doffe klap sloot de houten deur van de kerk zich achter hem en moeizaam stak hij het pleintje over. Juist toen hij de korte klim naar de Grand Rue had gemaakt begonnen de klokken van de kerk te luiden. Verschrikt keek hij achterom naar het alarmerende geluid, dat in zijn oren galmde als een beschuldiging. Het voelde alsof iemand de inwoners van Saint-Alban wilde waarschuwen voor zijn aanwezigheid. Pas nu vielen hem de rode stenen op, die als bloedspetters op verspreide plekken waren gemetseld in de bleke muren van de kerk. Hij versnelde zijn pas en maakte zich uit de voeten in de richting van de ondergaande zon, onzichtbaar achter het grijze, natte wolkengordijn.

Gehaast liep hij het stadje uit over de inmiddels vertrouwde D987. Met kwaadaardig sissende banden en beschuldigend verblindende koplampen kwamen een paar auto’s hem tegemoet over het natte glimmende wegdek. Water spetterde op tegen Stef zijn benen en vermanend wuivende ruitenwissers leken eensgezind het hoofd te schudden: nee, nee, nee… Na een kilometer vond Stef een aanwijzing dat hij een pad met witte steenslag moest volgen, omhoog door een pijnbosje. Even verderop zag hij beneden zich in het dal de camping liggen, uitgestrekt langs de linkeroever van de snelstromende Limagnole. Het begon nu echt te schemeren en bij een groot stenen kruis dat op het hoogste punt van de heuvelrug stond stopte hij om een banaantje naar binnen te werken. Maar hij was te onrustig in zijn hoofd om lang stil te zitten en daalde over een steil pad af door het gehucht Grazières-Mages, achtervolgd door het lawaai van een paar hysterisch blaffende waakhonden. Voorbij de bebouwing passeerde hij het riviertje en stak vervolgens de weg nogmaals over – water en asfalt kronkelden innig verstrengeld door het dal naar het westen. Nu ging het weer omhoog, een donker naaldbos in en over een pad dat door het wegstromende regenwater op verschillende plaatsen diep uitgesleten was, waardoor een bodem van slecht begaanbare steen en rots was blootgelegd. Losgespoelde keien en zachte mod der maakten de voortgang bij tijd en wijle een hachelijke zaak. Stef moest oppassen dat hij niet viel of uitgleed.

Over een kleine open vlakte kwam hij in Chabanes-Planes, een compact gehucht dat bestond uit massieve huizen met kleine raampjes. Het was nu bijna donker en Stef begon serieus uit te kijken naar een plek om de nacht door te brengen. In een bosje boven Chabanes trof hij tot zijn verbazing naast het pad onder de dennen een paar hutjes aan. Het waren lage, primitieve bouwsels van bijeengebonden boomstammetjes, met wanden van gedroogde dennentakken en een dak van plaggen mos. Door de houtje-touwtje methode zagen de constructies eruit als iets dat gemaakt was door daklozen, maar Stef vermoedde dat het schuilplekken waren voor loslopende schapen of geiten. Hij kwam in de verleiding om gebruikt te maken van deze uitnodigende droge behuizing, maar bedacht zich dat die keuze te veel voor de hand lag. Zo’n opvallende plek kon gemakkelijk in de gaten gehouden worden. Stef besloot dat het geen goed idee was om zo vlak langs dit doorgaande landweggetje te gaan slapen, gemakkelijk binnen het zicht van toevallige – of niet zo toevallige – passanten. Maar hij kon die situatie misschien omzetten in zijn eigen voordeel en zijn tentje vlakbij plaatsen, met uitzicht op het pad en de hutjes. Op die manier kon hij in de gaten houden of hij gevolgd werd. Hij wist dat Les Estrets niet veel meer dan een kilometer verderop moest liggen en hij kon dus de volgende dag in alle vroegte de Truyère oversteken en zijn tocht over de legendarische hoogvlakte van Aubrac beginnen.

Het was inmiddels tien uur in de avond geweest en Stef vond even verderop een stukje van het pad af een mooie egale plek achter een stenen muurtje op een nat bloemrijk weideveldje. Nadat hij zijn tentje had opgezet waande hij zich veilig genoeg om zijn fles wijn te openen en met zijn aanmaakblokjes een klein rookloos vuurtje te maken om het blik cassoulet op te warmen.

De volgende ochtend werd Stef uit een diepe slaap gewekt door een zonnestraal op zijn gezicht – hij had zoals hij gewend was de ingang van zijn tentje gedurende de nacht opengelaten. Ver in het oosten hing een rafelige wolkenrand boven de horizon, de achterzijde van het koudefront dat de vorige dag zo bepalend was geweest voor het sombere weer. Verspreide wattige cumuluswolken hingen in de blauwe hemel. Hij had diep geslapen op het zachte bed van lang gras en de nacht had niet alleen het grijze deken in de lucht weggetrokken, maar ook het opgejaagde gevoel in zijn lijf. De angstige gedachten in zijn hoofd waren verbleekt in het licht van de nieuwe dag. De beurse plekken die hij had opgelopen tijdens zijn glijpartij bij Rochegude en de oncomfortabele nacht in Saugues voelden aan als een lome spierpijn na een ongebruikelijke inspanning – gevoelig, maar niet onprettig. Zijn stemming was weer een stuk beter. Zich koesterend in het ochtendzon- netje ontbeet Stef met zijn laatste banaan, wat vruchtensap en een paar chocoladekoekjes. Daarna was het inpakken en wegwezen, met opgewekt gemoed op pad.

Les Estrets lag, net als Chabanes, tegen een helling in een dal waar een riviertje doorheen stroomde. In dit geval was dat de Truyère, dat de grens vormde tussen de Margeride en de Aubrac. Het plaatsje sliep nog en ongezien door mensenogen passeerde Stef het stroompje over de eeuwenoude Pont des Estrets. De naam Estrets werd in verband gebracht met een Occitaans woord voor vernauwing, zo had hij de vorige avond gelezen in zijn boekje. Maar het kon evengoed afgeleid zijn van het Latijnse woord strata – verwant aan het Nederlandse woord ‘straat’. Les Estrets was tijdens de Middeleeuwen een landgoed van de Johannieter ridderorde van Jeruzalem – kruisridders dus – maar in de Romeinse tijd liep hier al de Via Agrippa, de grote weg van Lyon naar Toulouse. Die naam verwees naar Marcus Agrippa, de rechterhand van keizer Augustus die zoveel van diens infrastructurele en bouwkundige ambities wist te verwerkelijken – en diens enige dochter huwde, wat hem de twijfelachtige eer verschafte om zowel de paranoïde keizer Caligula als de megalomane Nero tot zijn afstammelingen te mogen rekenen. Zijn naam prijkte ook op de gevel van het beroemde Pantheon in Rome dat nog altijd in volle glorie overeind stond en met haar machtige koepel getuigde van het bouwkundig vernuft van de Romeinen. Stef grinnikte toen hij terug moest denken aan zijn gesprek met Xavier over de authentieke pelgrimsroutes die in de Middeleeuwen gevolgd werden. Het leek hem dat er geen twijfel kon bestaan over de route die bedevaartgangers in dit deel van het oude Aquitanië hadden genomen. Waarschijnlijk hadden edelen, geestelijken, handelaren en pelgrims op weg van Le Puy naar Conques hier gelopen en op de brug hun tol betaald om te mogen passeren. Of waren pelgrims vrijgesteld van zulke heffingen? Hij meende ooit zoiets te hebben gelezen. Damp steeg kringelend op van de vochtige hellingen en ving de eerste zonnestralen op. In de dalen hing nog een mistige waas, maar de kracht van het zonlicht deed zich al gelden. Alles wees erop dat het een warme zomerdag zou worden.

Al snel liep hij weer over een slingerend pad op het golvende hoogland met bossen en weides waarop ronde balen hooi lagen als het verlaten speelgoed van reuzenkinderen. De bermen geurden naar kruidige witte en paarse bloemen en de hellingen ware geel van de bloeiende brem. Her en der stond een eenzaam boerderijtje in het wilde landschap, maar Stef zag geen spoor van menselijke activiteit. Volgens zijn reisgids waren de bossen hier zwaar beschadigd door de grote Kerststorm van 1999, die toen over West-Europa raasde en vooral in Frankrijk veel bomen omwoei. De kale plekken en ontwortelde boomstammen gaven het landschap een woeste, desolate aanblik. Maar overal zag je het bewijs van het herstellingsvermogen van de natuur en jonge boompjes grepen vol verwachting en ambitie omhoog, hun toppen en takken uitstrekkend naar de levensgevende zonnestralen.

Voorbij het gehucht Bigose trof Stef een modern stenen kruis met een bloedend hart erin gegraveerd. Onder de afbeelding stond de tekst: A chacun son croix – mon Dieu je vous l’offre en het jaartal 2004. Hij vroeg zich af welk verhaal van persoonlijk leed verscholen ging achter deze versteende wanhoopskreet. Het monument illustreerde de traditie om zorgen, pijn en verdriet op symbolische wijze achter te laten langs de pelgrimsweg. De passage van vele generaties pelgrims was overal langs de route zichtbaar door de stapels steentjes die op strategische plekken waren neergelegd, meestal op of bij een kruisbeeld of een andere opmerkelijke markering van het pelgrimspad, zoals een grote rots.

Stef greep de gelegenheid aan voor een korte pauze in de aangename warmte van de ochtendzon. Het uitzicht onder de heldere lucht reikte ver, de horizon was een golvende blauwe lijn van heuvels en bossen. Hoog in de lucht cirkelden een paar roofvogels – hij kon niet goed zien wat het waren, maar in ieder geval niet de gebruikelijke buizerds of kiekendieven. Daarvoor waren de dieren te groot. Arenden misschien? Of een verdwaalde gier die op de luchtstromen was komen aanwaaien vanuit de Pyreneeën?

Het was nu nog een goed uur lopen naar het stadje Aumont-Aubrac, zo schatte hij in. Op zijn kaartje kon Stef zien dat hij daar een grote snelweg moest oversteken, de A75-E11 naar Montpellier en Perpignan, het echte diepe zuiden van Frankrijk. Dat riep beelden op van een azuurblauwe Middellandse Zee en de witte pieken van de Pyreneeën. In zijn gedachten zag hij even de besneeuwde toppen, bloeiende bergweiden en woeste naaldbossen die hem wenkten op de Spaanse grens. Wat daarna zou komen bleef voorlopig verborgen in het schimmige perspectief van toekomst en toeval. Hij voelde een vaag verlangen naar zon, zee en strand. Hoe banaal klonk dat? Maar meer kon hij er op dat moment niet van maken.

Hij werd overvallen door een vreemde duizeling toen hij opstond en zijn rugzak optilde. Een zwart waas trok voor zijn ogen en geschrokken zette hij de rugzak weer neer. Was hij te snel opgestaan? Of waren het honger en vermoeidheid die hem begonnen op te breken? Wankelend stond Stef even met zijn ogen te knipperen in afwachting van de terugkeer van zijn vertrouwde relatie met de zwaartekracht. Gelukkig herstelde de wereld zich, keerde zijn gezichtsvermogen terug en stond hij weer met beide benen op vaste grond. Maar naarmate hij dichter bij Aumont kwam, maakte zich een vreemd gevoel van hem meester. Een onbestemde spanning had zich genesteld in zijn maagstreek en al zijn zintuigen stonden weer op scherp.

De eerste huizen van Aumont-Aubrac kondigden zich aan als grensposten van een bewoonde enclave in de verlaten wildernis. Er was echter geen mens op straat en het plaatsje maakte en uitgestorven indruk. Schel zonlicht weerkaatste tegen de witgekalkte gevels, de gebleekte grijze leistenen op de daken en de angstvallig gesloten luiken. Er lag een onheilspellende surrealistische gloed over het stadje. Ondanks zijn grote zonnebril voelde het voor Stef alsof hij tegen een stroom van gereflecteerd licht moest oproeien, zijn eigen slagschaduw volgend alsof die een gids was in een overbelichte onderwereld. De rood-witte markering van het Jacobspad leidde hem het centrum in, door een paar nauwe passages, een trappetje af en langs een gîte die ook al een gesloten indruk maakte. Als in een koortsdroom liep hij door een paar verlaten schaduwrijke straatjes in het oude stadsdeel, maar toen hij een hoek omsloeg stond hij plotseling weer in het verblindende licht van de laagstaande ochtendzon. Een lege ruimte strekte zich voor hem uit. Met knipperende ogen probeerde Stef te duiden wat hij zag. Op de Place du Cloître had misschien ooit een levendig klooster gestaan, nu was het een troosteloze geasfalteerde leegte die diende als parkeerplaats voor kerkgangers en als jachtgrond voor een paar hongerige kraaien. Het was een deprimerende echo van het vacuüm dat de eens zo machtige kathedraal in Cluny had achtergelaten – de architectonische lacune waar hij samen met Janusz op had neergekeken. Ook hier bevond zich een zwart gat waarin monniken, priesters en prelaten van eeuwen her waren verdwenen, met hun hele hebben en houwen van manuscripten, relikwieën en heiligenbeelden. Het sfeerloze plein waarop hij nu uitkeek werd omgrensd door enkele moderne woonblokken en een karakterloos gebouwtje dat dienst leek te doen als gemeenschapscentrum. De luiken voor de vensters die uitkeken op de open ruimte waren gesloten, alsof men zich had afgekeerd van het gapende gat in het hart van Aumont. Het plein was verlaten en leeg als de vlakte van Aubrac zelf.

Tot zijn ontsteltenis realiseerde Stef zich dat er toch nog een auto op het asfalt geparkeerd stond. Een auto die hij kende. Aan de overkant, in de schaduw van het kerkje, zag hij de rode Volvo 740 met het Nederlandse kenteken weer staan, glimmend als een pasgewassen brandweerauto. Voordat hij zich uit de voeten kon maken kwam de onbekende met het witte haar het kerkje uitlopen en zag hem staan. Hij wuifde naar Stef alsof ze oude bekenden waren. Stef kon zijn ogen niet geloven. Een angstaanjagende desoriëntatie maakte zich van hem meester. Het leek wel alsof hij niet meer kon denken. Hij begreep niet waarom de man hem begroette, begreep niets meer. Wat wilde die vreemdeling van hem? Wat betekende zijn joviale houding? Stef kende hem niet, was zich enkel bewust van onbekenden die het op hem gemunt hadden en opgejaagd door die angst sloeg hij op de vlucht.

Als in een nachtmerrie spoedde hij zich door de hoofdstraat met zijn anonieme restaurantjes en souvenirwinkeltjes. Bordjes van chambres d’hôtes en gîtes d’étapes wenkten hem als Sirenen die hem wilden strikken. Alsof ze hem met aanlokkelijke beloften wilden verleiden om zijn zwerftocht te onderbreken. Kom, vermoeide reiziger. Vlei je neer in mijn armen en gun je afgematte ledematen een welverdiende rust. Laaf je aan mijn weldadige boezem en verzamel nieuwe krachten voor het vervolg van je reis… Het was de stem van het plaatselijke Societé d’Initiatives die de passerende langeafstandswandelaar voor haar eigen commerciële gewin wilde verstrikken in de netten van haar winkelstraatjes. Ter aanmoediging kwam op dat moment als een beeldrijmende echo met luid loeiende sirene en flitsende zwaailichten een blauw autootje van de Gendarmerie tevoorschijn uit een zijstraatje. Verschrikt dook Stef het portiek van een winkeltje in waar ingeblikte culinaire specialiteiten uit de streek uitnodigend opgestapeld stonden in de etalage. Zonder te zien keek hij naar de ambachtelijk geproduceerde terrines, confits en paté’s in glimmende goudkleurige blikjes en geschenkverpakkingen met de onvermijdelijke Cantal-kaas waar de Aubrac zo beroemd om was. De politiewagen reed bij een splitsing een zijstraat in en verdween uit het zicht terwijl het gehuil van de sirene langzaam wegstierf. Opgelucht wendde de dolende Odysseus die Stef was de steven en hervatte zijn oude koers. Hij vervolgde zijn weg, slechts opgemerkt door een enkel zwartgekleed oud vrouwtje met een volle boodschappentas. De rode Volvo of zijn bestuurder zag hij niet meer terug.

Na een scherpe bocht in de doorgaande weg kwam hij bij een nauw tunneltje dat het einde van een oude stadsgrens leek aan te geven. De roodwitte streepjes van Saint-Jacques wezen hem daarna de kant op van een klein weggetje dat langs een spoordijk liep. Woekerende bramenstruiken strekten hun scherpe tentakels naar hem uit, vleeshaken in het groen. Hij passeerde het verlaten station van Aumont en belandde bij een klein nieuwbouwwijkje met een tiental bungalows in een sterk naar hars geurend droog pijnbosje. Hij liet die gematerialiseerde burgerlijke dromen met hun keffende hondjes achter zich en constateerde even later met schrik dat zijn pad hem naar een lange donkere tunnel voerde. Het geraas van voorbijsnellend verkeer boven zijn hoofd vertelde hem dat de ondergrondse doorgang hem naar de andere kant van de grote snelweg leidde. Zijn voetstappen echoden kil tegen de kale wanden van het tunneltje en slierten spinnenrag plakten aan zijn gezicht. Een geur van verse urine, oude hondenpoep en algehele verrotting rolde als een golf in de branding over hem heen, dreigde als een olievlek aan hem vast te plakken. Daarna was er weer licht en Stef snoof de weldadige geur van pas gemaaid gras op. Een droge warme wind kwam hem tegemoet en hij zag een stel zwaluwen over de kale stoppels van een pasgemaaide akker scheren. Boven het hete asfalt van de weg fladderde een groepje foeragerende jonge vinken, vlak voor de wielen van een tegemoetkomende land- bouwtractor die een paar lege boerenkarren voortrok. De bestuurder keek hem misprijzend aan. Hij riep iets onverstaanbaars en zwaaide met een gebalde vuist. Stef schrok van dat onverwachte agressieve gebaar, maar het voertuig verdween uit het zicht bij een bocht in de weg en er gebeurde verder niets. Verontrust vroeg hij zich af wat de man had dwarsgezeten. Was het iets persoonlijks? Had hij zonder het te weten de boer iets aangedaan? Of gold diens boosheid voetgangers en randonneurs in het algemeen? Hij kon het niet meer vragen, maar gezien zijn ervaringen in Saugues, vreesde Stef het laatste.

Dat was dus Aumont-Aubrac, ging het door hem heen. Bij de Romeinen al bekend als altum montum, de hoge berg, wist hij om de een of andere reden. Toen al een kruispunt van wegen, nu vanwege haar ligging aan de grote snelweg vanaf Parijs naar het zuiden nog altijd de toegangspoort voor het hele gebied van de Aubrac. Hij had geen idee waar deze historische feitjes vandaan kwamen of waar hij ze had opgedaan. Had hij in Aumont de gelegenheid gehad om zijn reisgidsje te raadplegen? Daar kon hij zich niets van herinneren. Waarom vielen er zulke gaten in zijn geheugen? Altum Montum? Zijn gedachten sprongen weer op een ander spoor. Ja, de verwantschap met de naam Altamont was evident. Een naam met een smet. In zijn hoofd verschenen beelden van het chaotische free-concert dat de Rolling Stones in 1969 gaven in de Californische plaats met die naam, waar de Hell’s Angels hun taak als ordedienst niet aankonden en daarom een jonge kleurling vlak voor het podium werd doodgestoken onder de huiveringwekkend toepasselijke klanken van Sympathy For The Devil. Die antithese van het Woodstock-festival onthulde de naïviteit van de hippiedroom van liefde en muziek en All You Need Is Love: het had geen zin om de Duivel te willen temmen met een boodschap van Liefde.

Ach liefde, liefde, waar was je nu? Vele vrouwen hadden zich aan hem gegeven, maar hij had zich aan geen van hen kunnen binden. Zelfs zijn trouwe en toegewijde Vera had hij van zich vervreemd. Was dat de verborgen reden dat hij zo hardnekkig vasthield aan dat stoffige hippie-ideaal? Zijn onvermogen om blijvend lief te hebben, om een relatie te onderhouden? Die leegte…. Was zijn nostalgisch verlangen naar tijden van Love & Peace een manifestatie van zijn eigen behoefte aan liefde, gegoten in de vorm van een onrealistisch ideaal? Een ideaal dat even onbereikbaar was als de vertrouwelijkheid en geborgenheid waar hij zo naar smachtte? Een emotionele constellatie als een doolhof zonder uitgang?

Ergens hoorde Stef een auto voorbij rijden, maar verder zag hij geen mens en ook de natuur hield zich gedeisd. Heel Frankrijk was weer tot stilstand gekomen voor het middagmaal en hij moest terugdenken aan die omineuze dag dat hij in de buurt van Vézelay tijdens de middagpauze die stervende man had gevonden. Nu liep hij door het uitgestorven plaatsje La Chaze-de-Peyre waar de luiken van de huizen allemaal gesloten waren alsof de bewoners niets wilden weten van de bedreigende werkelijkheid daarbuiten, teruggetrokken in de comfortabele biosfeer van hun eigen kleine bestaan.

Door onoplettendheid nam Stef in La Chaze een verkeerde zijweg. Of werd hij gestuurd door onbewuste krachten die hem wilden afhouden van het gebaande pad en de gevaren die hem daar mogelijk wachtten? Voordat hij er erg in had liep hij weer tegen een heuvel op te klimmen. In de verte zag hij de slingerende verkeersweg waaraan de wandelroute die hij had moeten nemen parallel liep en hij bedacht dat zijn vergissing misschien wel van pas kwam om zijn achtervolgers te verwarren. Zijn richtingsgevoel zou hem wel helpen om enkele kilometers verderop in de buurt van Les Quatre Chemins de GR6 weer op te pakken. Tot daar zou hij zelf zijn weg moeten zoeken door het doolhof van landweggetjes.

Juist toen hij zich verzoend had met deze nieuwe koers werd het hem plotseling zwart voor de ogen, net als die ochtend. Een tinteling steeg op over zijn ruggengraat en zocht een uitweg door zijn kruin. Het zweet brak uit op zijn voorhoofd en zijn hand graaide naar houvast – tevergeefs. Ternauwernood kon hij zich staande houden en de verduistering van zijn bewustzijn trok weer weg als een eclips van de zon. Geschrokken liet hij zijn rugzak vallen en hij zeeg ineen in het hoge gras langs het pad.

Had hij in Vézelay niet ook zo’n duizelingwekkende ervaring gehad? Stef herinnerde zich dat hij die ochtend dat hij bij de kathedraal had zitten wachten op de opening van het politiebureau eveneens overvallen was door duizeligheid. Maar dat was alweer zo lang geleden. Toen had hij een bijzonder enerverende dag achter de rug. Hij had die doodzieke vreemdeling aangetroffen en dat pistool… nu ja, zeg maar ‘gevonden’. En een romantische avond met de twee Vlaamse dames doorgebracht. Hij voelde een kleine schok van verlies en verlangen toen hij aan Livia en Madeleine dacht. Hoe zou het met de Vlaamse meiden zijn? Hij had al zo lang niets meer van ze vernomen… In ieder geval was de vlaag van ongesteldheid die hem die ochtend in Vézelay had getroffen weer snel voorbijgegaan. Misschien was de opwinding van de gebeurtenissen hem toen teveel geworden en was de evenwichtsstoornis een stressreactie geweest. Maar het lag meer voor de hand dat hij de avond tevoren iets verkeerds gegeten had. Nu hij erover nadacht realiseerde hij zich dat hij door de opwinding in Aumont in die plaats helemaal geen pauze genomen had en ook niet de voorgenomen inkopen had gedaan. Misschien kwam die appelflauwte wel gewoon van de honger en vermoeidheid en moest hij eens een keertje goed eten en bijkomen van de inspanningen van de afgelopen dagen. De informatie in zijn gidsje zag er niet erg veelbelovend uit, maar Stef hoopte dat hij in Les Quatre Chemins nog iets te eten kon inslaan, of in een van de andere gehuchten die voor hem lagen op de weg naar Nasbinals. Hij nam nog een teug water en pakte met een geconcentreerde inspanning rustig en beheerst zijn bagage weer op. Ditmaal ging het goed en een beetje ontdaan van de schrik en alert op verdere onverwachte schommelingen in zijn evenwichtsgevoel vervolgde hij zijn weg.

Hij overdacht nog eens de keten van merkwaardige, om maar niet te zeggen verontrustende en uiteindelijk angstaanjagende gebeurtenissen die was begonnen in Vézelay. Vanaf die dag was er sprake van schimmige figuren die het op hem gemunt leken te hebben. Bovendien was voor zover hij wist kort daarop ook die hele geschiedenis met de pelgrimsziekte begonnen. De opeenvolging van de voorvallen in zijn gedachten overdenkend, leek het haast wel of die twee verband hielden met elkaar: achtervolgers en pelgrimsgriep. Maar hoe hingen ze samen? Het onbestemde gevoel dat hij in Saugues had gehad kristalliseerde nu uit tot een paar vooralsnog onsamenhangende gedachten, maar op de achtergrond voelde hij intuïtief de aanwezigheid van een logisch verband tussen die twee ontwikkelingen.

De overleden Duitser was de bindende factor. Hij werd gezocht door die ongure Oost-Europese maffiatypes en nadat hij was gestorven hadden die sinistere figuren aandacht gekregen voor Stef zelf. Niet veel later bereikten hem berichten over een besmettelijke griep die zich verspreidde over de pelgrimsweg. Dat waren de feiten, voor zover Stef die kende.

Het verband tussen de zieke man en de griep leek voor de hand te liggen, hoewel de bloedige symptomen van de onbekende weinig leken op de snotterige en koortsige verschijnselen die hij associeerde met een griepje. Daar stond tegenover dat er volgens de berichten ook pelgrims bezweken waren. Maar ja, ook bij de normale jaarlijkse griepuitbraken gingen mensen dood, dus die sterfgevallen onder de zieke pelgrims toonden niet noodzakelijk een rechtstreeks verband aan.

Hij moest terugdenken aan de uiteenzettingen van Stephan over virusinfecties. Tijdens de gesprekken met de voormalige onderzoeksassistent had hij zelf de mogelijkheid geopperd dat de vreemdeling langs de weg overleden was als gevolg van een besmetting met een onbekend virus. Hij had zelfs gedacht aan de mogelijkheid dat het een soort influenzavirus zou kunnen zijn. Daar waren ze toen jammer genoeg niet verder op in gegaan. Stephan had hem gerustgesteld door erop te wijzen dat de incubatietijd van griepvirussen die hij kende op dat moment al voorbij was en dat het er niet op leek dat hij, Stef zelf, besmet was geraakt.

Wat Stef wel wist was dat die ene zieke achtervolger, die volgens het bericht van Livia later overleden was, wèl dezelfde verschijnselen had vertoond als de stervende Duitser. Stef herinnerde zich nog levendig diens bloeddoorlopen ogen. En dat hoestje van hem was misschien een voorstadium van dat benauwde gerochel van de gewapende man langs de kant van de weg. Dat leek erop te wijzen dat, wat het dan ook was dat de beide mannen gedood had, het in ieder geval wel besmettelijk was. Maar misschien niet zo heel erg besmettelijk, want Stef was met beiden in aanraking geweest en had niets opgelopen.

Voor zover hij het kon overzien waren er dus twee mogelijkheden. Ofwel er was sprake van twee verschillende ziektes die geen verband hielden met elkaar en dan ging het hier om een toevallige samenloop van omstandigheden. In dat geval waren achtervolger en achtervolgde overleden aan de gevolgen van dezelfde ernstige aandoening die niet bijzonder besmettelijk leek. De pelgrimsgriep was daarentegen wel zeer besmettelijk en – gezien de heftige reacties van het Franse publiek – in sommige gevallen zelfs behoorlijk levensbe- dreigend, maar niet noodzakelijkerwijs dodelijk voor iedereen. Als hij terugdacht aan de uitleg van Stephan dan was er misschien wel sprake van zo’n gevreesde mutatie van het griepvirus, bijvoorbeeld zo’n variant van de vogelgriep die kon worden overgedragen van mens op mens. In het andere geval zou het wel kunnen gaan om dezelfde ziekte, maar dan was niet iedereen er in gelijke mate vatbaar voor en kon besmetting zich op verschillende manieren manifesteren. Dat kwam hem merkwaardig voor, maar hij moest toegeven dat hem de informatie en kennis ontbraken voor een heldere, eenduidige conclusie.

Hoewel hij nog geen stap dichter was bij een verklaring, gaf deze gestructureerde inventarisatie van de feiten wel een geruststellend gevoel van overzichtelijkheid. Maar het grote raadsel was wat hem betrof de reden waarom hij dan toch achtervolgd werd. Wat wilde men van hem? Omdat ze eerst achter het onbekende – en bewapende – slachtoffer hadden aangezeten, moest Stef wel concluderen dat ze dachten dat hij iets van die onbekende Duitser had gekregen – of weggenomen. Het pistool. Dat was het enige dat hij had meegenomen, maar hij kon zich niet voorstellen dat het antieke wapen zoveel waarde had dat het zo’n uitgebreide achtervolging rechtvaardigde, met gewapende criminelen en al. Zou het ding een bijzondere historische betekenis hebben? Kwam het uit een belangrijke collectie of had het misschien ooit toebehoord aan een beroemde persoonlijkheid? Dat leek Stef als hij erover nadacht niet erg waarschijnlijk omdat het in dat geval om een gewone diefstal ging en de politie wel ingeschakeld zou zijn. Nee, de geheimzinnigheid die zijn achtervolgers omhulde en hun intimiderende manier van optreden leken eerder te wijzen op een clandestiene onderneming. En hij hield vast aan de gedachte dat het pistool suggereerde dat de drager ervan zich ernstig bedreigd had gevoeld…

De enige andere verklaring die Stef kon bedenken was dat men meende dat hij belangrijke informatie had gekregen en dat de onbekende partij niet wilde dat die werd doorgegeven of in de verkeerde handen viel. Waar dat dan betrekking op had was een groot mysterie, want de onfortuinlijke vreemdeling had geen zinnig woord meer kunnen uitbrengen toen hij hem vond. Maar dat konden zijn achtervolgers natuurlijk niet weten. Een koude rilling werkte zich omhoog langs zijn ruggengraat. In zijn hoofd werd een neurologisch hersenspoor geopend dat een vloed aan signalen doorliet en allerlei alarmbellen deed afgaan. Met een schok drong het tot hem door dat als die gekken voor niets terugdeinsden – en dat leek hem inmiddels geen onrealistische aanname – en het zekere voor het onzekere wilden nemen, dat dan zijn leven werkelijk in gevaar kon zijn. Dan ging het niet alleen meer om een ondervraging, maar om het uitwissen van sporen en de eliminatie van het risico dat de kennis – die hij dus niet had, maar ze zouden hem vast niet op zijn woord geloven – dat die geheime informatie dus verder verspreid zou raken of openbaar gemaakt zou worden. Zijn haren gingen overeind staan bij de gedachte aan het woord eliminatie en hij voelde het bloed wegtrekken uit zijn hoofd. Het laatste wat hij dacht voordat een zwarte deken over de wereld viel was dat wanneer zijn achtervolgers het zekere voor het onzekere wilden nemen, ze hem het beste uit de weg konden ruimen…

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.