5 | Schimmen in de mist

Door de stille straatjes van Saugues zocht Stef angstig zijn weg terug naar de camping. De alcoholroes was spontaan verdampt en zijn zintuigen vertoonden een overrompelende heldere gevoeligheid. Zijn autonome zenuwstelsel had al haar aandacht verplaatst van parasympathische spijsverteringsactiviteiten naar orthosympathische hyper-alertheid met haar symptomen van een opgevoerde hartslag, verhoogde bloeddruk en versnelde ademhaling. Achteromkijkend om te zien of hij niet gevolgd werd zag hij een knipperend lichtschijnsel weerkaatsen tegen de torens van de stad en opbollende zwarte rookwolken die boven het stadcentrum bleven hangen. Het leek erop dat de woedende menigte een paar oude autobanden of misschien wel een geparkeerde auto had aangestoken om wie weet welke sluimerende ongenoegens te uiten in een eigentijdse variant van een middeleeuwse Jacquerie. Het onrustige licht werd geproduceerd door een combinatie van fakkels, zwaailichten en vlammen die zonder enige regie samenspeelden in de creatie van een diabolische lichtshow. Van verschillende kanten hoorde hij meer sirenes naderen en her en der zag hij de schimmen van haastige gestalten weghollen.

Op de donkere en verlaten camping vond hij zijn eenpersoons trekkerstentje ongeschonden terug onder een boom aan de waterkant. Hij had gevreesd dat zijn kleine tent de aandacht had getrokken als herkenbaar onderkomen van een passerende pelgrim, maar gelukkig was de kampeerplaats niet zichtbaar gevandaliseerd door de hysterische inwoners van Saugues. In het donker zocht hij zijn losliggende spullen bij elkaar en propte ze in de rugzak. Het bundeltje met het pistool legde hij voor de zekerheid bovenop. Je wist maar nooit hoe ver de situatie uit de hand zou lopen… Met een paar geroutineerde bewegingen liet hij zijn tent inzakken en rolde hij alle loszittende lijnen, tentstokken en pennen samen tot één pakket dat hij onder de arm nam terwijl hij zijn rugzak over de andere schouder hing en zo ook nog een hand vrij had voor zijn pelgrimsstaf. Onderweg naar de camping had Stef bedacht dat het veiliger zou zijn om zijn tentje op een andere plek neer te zetten. Als de meute het inderdaad had gemunt op wandelaars, dan liep hij ook het risico om te worden aangevallen. Door te verhuizen hoopte hij vandalen die eventueel ’s middags zijn tent hadden zien staan op een dwaalspoor te brengen en het dreigende gevaar om gemolesteerd te worden te ontlopen. Dus liep hij om de grote speelvijver heen totdat hij in het struikgewas aan de overkant van het water een beschut hoekje vond dat hem veilig genoeg leek om de nacht onopvallend door te brengen. In het donker kon hij de grond waar hij zijn tentje weer oprichtte niet goed zien en toen hij in zijn slaapzak kroop bleek hij ongemakkelijk op een paar harde boomwortels te liggen. Maar met wat draaien slaagde hij erin om zijn heup in een natuurlijk kuiltje te nestelen en het ongemak enigszins binnen de perken te houden. Liggend in de tentopening had hij een goed zicht op het centrum van Saugues, dat aan de overkant van de recreatieplas boven de bomen in het oosten oprees. De lichten van de stad reflecteerden in de kalme rimpelingen van het water van de vijver als verdronken vuurvliegjes. Terwijl hij uit voorzorg het pistool laadde met de kogels die hij overdag steeds los in zijn bagage bij zich droeg, merkte hij op dat de vuren inmiddels gedoofd waren. De vette rookwolken hadden plaatsgemaakt voor een mistige nevel van bluswater die boven de onheilsplek bleef hangen en het onrustige geflakker van vlammen was verdrongen door de mechanische regelmaat van zwaailichten van de uitgerukte hulpdiensten.

Stef sliep licht en onrustig, maar werd gelukkig niet lastiggevallen door hysterische of wraakzuchtige Franse provincialen. Draaiend in zijn slaapzak worstelde hij ongemakkelijk met de boomwortels die in zijn rug en zij prikten. Ook zijn hoofd was rusteloos en in gedachten probeerde hij de dramatische gebeurtenissen van die avond te reconstrueren en te duiden. Was er daadwerkelijk geschoten vanuit de kamer op de bovenverdieping van het passantenverblijf? Hoe vaak Stef de film van de gebeurtenissen ook terugspoelde en opnieuw afspeelde, zijn waarneming bleef hetzelfde. Na het ingooien van het venster had iemand gericht op de menigte geschoten. De knallen en vuurflitsen waren onmiskenbaar geregistreerd door zijn zintuigen en vast- gelegd in zijn geheugen. Maar hoe viel te verklaren dat een gewone pelgrim rondliep met een vuurwapen? De ironie van die vraag ontging Stef natuurlijk niet. Tenslotte was hij het zelf die al wekenlang een pistool meesjouwde op het pelgrimspad. Dat er meerdere bewapende randonneurs op weg waren gaf wel te denken en was een onheilspellende voorbode.

Welke verklaringen hij er ook voor bedacht, steeds keerde hij terug naar de conclusie dat het incident iets te maken moest hebben met zijn achtervolgers. Die waren tot dan toe niet meer geweest dan een ongrijpbare schaduw, ontsproten aan een gerucht dat begonnen was in Vézelay. Slechts een fantoom dat in zijn voorstelling gaandeweg was uitgegroeid tot het gevoel van een reële dreiging. De gebeurtenissen van die avond vormden de eerste concrete aanwijzing dat er daadwerkelijk gewelddadige types op pad waren. En ze waren gevaarlijk dichtbij. Betekende hun aanwezigheid in Saugues dat ze zijn spoor gevonden hadden en hem vlak op de hielen zaten? Of was het gewoon toeval dat hun wegen zich hier gekruist hadden en besefte men niet dat Stef er ook was? Sloot het net zich om hem, of werd hij slechts geplaagd door paranoïde gedachten?

Voor zover hij wist hadden de Oost-Europeanen die hij in Vézelay had ontmoet ondanks hun ongure uiterlijk geen blijk gegeven van gewelddadig gedrag of het gebruik van vuurwapens. Livia had daarvan geen melding gemaakt in haar berichtjes. Er was ook geen aanwijsbare reden om aan te nemen dat die mannen gewapend waren. Maar daar stond tegenover dat de onfortuinlijke dode die klaarblijkelijk voor hen op de vlucht was geweest het wel nodig had gevonden om zich te bewapenen. Daaruit mocht je toch wel afleiden dat hij zich daadwerkelijk ernstig bedreigd had gevoeld, terecht of onterecht. Stef wist uit eigen ervaring dat die onheilspellende types met hun zwarte zonnebrillen, witte sportschoenen en groene legerjacks nogal intimiderend konden overkomen. Het leek hem ook dat ze er niet voor zouden terugdeinzen om geweld te gebruiken om hun zin te krijgen. En het gebruik van wapens om hun argumenten kracht bij te zetten was wel in overeenstemming met het beeld dat hij zich van deze mannen gevormd had.

Maar wie waren ze? En wat wilden ze eigenlijk? Stef ging er nog altijd van uit dat ze ergens uit Oost- Europa afkomstig waren, uit die anarchistische hutspot van politieke extremisten, semi-autonome republieken, obscure veiligheidsdiensten en terroristische milities. Misschien waren de onbekenden afkomstig uit Rusland of een van de voormalige republieken van de Sovjet-Unie. Hij deelde de gangbare mening dat in sommige landen van Oost-Europa de scheidslijn tussen maffia en geheime diensten niet altijd even helder was. Die twee leken elkaar wederzijds goed aan te vullen in hun cynische praktijken en zulke bondgenoten zouden er niet voor terugdeinzen om elkaar te manipuleren en te gebruiken voor hun eigen politieke en criminele doeleinden. Die ondoorzichtigheid hing ongetwijfeld samen met het ontbreken van een krachtige democratische traditie. Rusland en sommige van haar voormalige satellieten kenden een geschiedenis van absolutistische en totalitaire regeringen die hun bevolking met geweld en manipulatie onder de duim hadden gehouden. De inwoners hadden geen enkele reden om vertrouwen te hebben in de officiële instanties van hun overheid, die van hun kant geen prijs stelden op bemoeienis van burgers, geen nut zagen in transparant bestuur en garen sponnen bij geheimzinnige complottheorieën.

Vooral bij politieke aanslagen en afrekeningen was het voor de zittende machthebbers nuttig om gebruik te kunnen maken van de diensten van zogenaamde criminele elementen. Die konden ze dan achteraf de schuld geven van hun eigen illegale praktijken, terwijl de officiële staatsorganen hun handen schoonhielden. ‘Elementen’ en ‘organen’ waren van die typische anonieme aanduidingen die totalitaire regeringen graag gebruikten om allerlei ongrijpbare duistere krachten aan te duiden. Kritische journalisten en populaire leden van de oppositie liepen in Rusland altijd het risico om slachtoffer te worden van wat men politieke extremisten noemde, terwijl het toch vooral de zittende elite was die profijt had van het opruimen van dergelijke critici en tegenstanders. Ontwrichtende aanslagen werden steevast toegeschreven aan separatistische Tsjetsjenen, fascistische Oekraïense opstandelingen of fundamentalistische moslimrebellen, maar het gevolg van hun acties was altijd dat de machthebbers de angst van de bevolking konden benutten om hun eigen repressieve beleid te legitimeren. En als afvallige buurlanden te veel naar het Westen lonkten, dan werden hun regeringen afgeschilderd als fascistische regimes, met als gevolg dat losgeslagen patriotten en conservatieve extremisten zich geroepen voelden om naar de wapens te grijpen – wapens die maar al te vaak afkomstig bleken uit de arsenalen van de staat. ‘Allemaal leugens en propaganda!’ toeterden de officiële staatsmedia dan onherroepelijk. Maar het waren altijd criminelen en misdadigers – veelal onder leiding van zogenaamd voormalige officieren van het leger of de nationale veiligheidsdiensten – die het vuile werk opknapten dat nodig was om de machthebbers in het zadel te houden. In deze smerige oorlog om de staatsmacht was zoals altijd de waarheid het eerste slachtoffer. Het was moeilijk om per geval te bewijzen dat de staat achter zulke gewelddadigheden zat, maar het algehele patroon was wel duidelijk: verwarring zaaien en schimmige organisaties aanwijzen als daders van de overduidelijke staatsterreur. Overigens was deze techniek niet exclusief voorbehouden aan autocratische regimes in het Oosten. De eerlijkheid gebood te erkennen dat de Amerikanen precies hetzelfde deden als het ze zo uitkwam. De Koude Oorlog werd in de Amerikaanse achtertuin met inzet van dezelfde obscure methoden gevoerd. Het onderzoek naar de moord op President Kennedy in 1963 was ook verzand in een onopgehelderde brij van extreme Amerikaanse patriotten, nostalgische Cubaanse nationalisten en criminele maffiosi. Om nog maar te zwijgen over de moord op de Chileense president Salvador Allende, de invasie van Panama of de dubieuze rol van de FBI onder leiding van J. Edgar Hoover ten tijde van de communistische heksenjacht van de vijftiger jaren.

Het maakte daarom waarschijnlijk niet eens zoveel uit wat de identiteit van zijn achtervolgers precies was: zowel criminelen als veiligheidsdiensten uit Oost-Europa waren gewelddadig en levensgevaarlijk en geen van beide het soort van clubjes waarmee je in aanraking wenste te komen. De grootste onbeantwoorde vraag bleef die naar het waarom van de achtervolging. Wat was het dat men van hem wilde? Afgezien van het pistool had Stef niets van de man in zijn bezit. Althans, geen materiële zaken. Werd hij er dan van verdacht op de een of andere manier over belangrijke of gevoelige informatie te beschikken? Dat zou betekenen dat men niet wist dat de stervende bij Vézelay niet meer had kunnen spreken toen Stef hem vond.

En wat wilden ze dan van hem? De informatie zelf? Hij wist van niets en had geen idee waar het allemaal om draaide. Te oordelen naar de moeite die men zich getroostte om hem te vinden stond er blijkbaar nogal wat op het spel. Maar als men leefde in de veronderstelling dat hij mondeling belangrijke informatie had gekregen, dan waren er voor zover hij kon zien een paar mogelijkheden. In de eerste plaats kon het zo zijn dat de onbekende partij niet over de informatie beschikte, maar deze wel graag zou willen hebben. In dat geval zou een confrontatie uitlopen op een grote teleurstelling, omdat Stef niets te bieden had. Misschien zouden ze hem niet geloven. Dan kon het voor hem zeer onaangenaam, om maar niet te zeggen gevaarlijk, worden als ze voldoende gemotiveerd waren om geweld te gebruiken. Een tweede scenario was de mogelijkheid dat men wel bekend was met de informatie, maar dat deze niet in handen van anderen mocht vallen. In dat geval zou men van Stef willen weten aan wie hij de informatie eventueel had doorgespeeld. Ook bij deze variant van het draaiboek liep hij gevaar. Ze zouden het waarschijnlijk niet accepteren als hij volhield van niets te weten en mogelijk met geweld een verklaring van hem willen loskrijgen.

Terwijl Stef dit allemaal nuchter en rationeel lag te beredeneren, begon de ernst van de situatie langzaam tot hem door te dringen. De hele opeenvolging van gebeurtenissen kwam hem zo onwerkelijk voor dat het meer leek op het scenario voor de een of andere Hollywoodfilm. Tot dan toe waren de achtervolgers niet meer dan een abstracte dreiging aan de horizon gebleven, maar het werd hem nu langzaam duidelijk dat ze misschien een heel concreet gevaar voor hem vormden. Hij moest er rekening mee houden dat ze fysiek geweld zouden gebruiken om hun doel te bereiken. Was er dan geen scenario denkbaar waarin hij geen gevaar liep om gemolesteerd te worden? Het mooiste zou natuurlijk zijn dat ze hem gewoon geloofden wanneer hij vertelde dat hij van niets wist. Dat de voortvluchtige in Vézelay niet meer had kunnen spreken voor hij stierf en dat hij ook niets had kunnen overhandigen. Maar zoals Stef de situatie op dat moment inschatte, leek het hem waarschijnlijker dat zijn achtervolgers er na al die moeite om hem te vinden moeilijk van te overtuigen zouden zijn dat hij onwetend en onschuldig was.

En wat was verdorie toch die informatie waarnaar men op zoek was? Als hij nu eens wist waar het allemaal om draaide, dan zou hij zich ook een meer realistische voorstelling kunnen maken van de gevaren en risico’s die hem bedreigden. Zijn laatste gedachten voordat hij eindelijk in slaap viel gingen over staatsgeheimen en industriële spionage en de vraag in welke vorm die hier mogelijk een rol speelden…

Toen Stef bij het eerste vale daglicht opstond hing over het water van de recreatieplas een dichte mist die elk geluid smoorde. Saugues was verdwenen in de laaghangende nattigheid en de wereld was teruggebracht tot een waarneembaar bereik van slechts enkele tientallen meters in het rond. Ideale omstandigheden dus om ongezien te vertrekken uit het panische stadje. Hij voelde zich geradbraakt en zijn hele lichaam deed hem pijn. Nu de drank en de endorfinen waren uitgewerkt maakten alle verwondingen en blessures die hij de vorige dag had opgelopen zich genadeloos voelbaar. De blauwe plekken op zijn dij en achterwerk waren gevoeliger dan ooit, maar vooral zijn rug voelde stijf en pijnlijk. Alsof iemand hem met stokslagen had bewerkt. Tot overmaat van ramp protesteerde zijn linkerknie met felle steken tegen de inspanningen van de nieuwe dag. Moeizaam lopend en met de steun van zijn bourdon begaf hij zich op weg.

In alle stilte verliet Stef het kampeerterrein bij de publieke vijver door een achteringang bij een klein bosje. In de dikke wolkensoep passeerde hij een modern bedrijfsgebouw en een stukje verder kwam hij bij een doorgaande weg. Volgens zijn gidsje was het gebouw een overdekte markthal en moest hij rechtsaf, de weg een klein stukje volgen en dan even verderop een pad aan de overkant nemen, linksafslaand. Zo bereikte hij na een half uurtje Le Pinet, een slapend gehucht dat aan het oog onttrokken werd door de grijze mist en waar hij alleen werd opgemerkt door een waakhond. Vanuit het niets klonk een gesmoord geblaf en Stef hield zijn staf stevig vast voor het geval het dier plotseling uit het niets zou opduiken. Gealarmeerd begon ergens een haan te kraaien. Even verscheen het Beest van de Gévaudan in zijn gedachten en de angst voor wolven en andere wilde dieren door wie pelgrims door de eeuwen heen waren opgejaagd. Maar het blaffen kwam niet dichterbij en Stef concludeerde dat de hond ergens aan de ketting lag of achter een hek zat. Even later naderde hij de spitse donkere contouren van een bosje naaldbomen, wat verklaarde hoe Le Pinet aan haar naam kwam. De volgende kilometers liep hij in stilte door een open dennenbos dat een uitgestorven indruk maakte. Door de inspanning van het lopen en de afleiding van de omgeving leek het wel alsof de pijn minder op hem drukte. Het lichaam maakte door het lopen natuurlijke pijnstillers aan en de geest werd in beslag genomen door andere zaken dan de signalen van pijntjes en ongemakken die het lijf uitzond.

Eén keer dacht hij in de grijze mist enkele schimmen haastig het bospad vòòr hem te zien oversteken. Een paar reeën vermoedde hij. Na enige tijd hield de dichte begroeiing van het bos op en bevond hij zich in een meer open landschap. Hij zag de ronde silhouetten van opgerolde hooibalen op regelmatige afstand van elkaar verspreid liggen op een grauw veld. Een klein riviertje dat hij passeerde over een stenen bruggetje moest de Seuge zijn en het gehucht La Clauze kon daarom niet veel verderop liggen. Inderdaad passeerde hij kort daarop enkele huizen en zijn pad sloot aan op een geasfalteerde weg. In een bocht verscheen links van hem de schim van de toren van La Clauze waarvan in zijn gidsje een afbeelding stond. De slanke twaalfde-eeuwse toren was het belangrijkste overblijfsel van een oud kasteel waarvan de afmetingen nog duidelijk zichtbaar waren in de resterende fundamenten. De muren waren weggeroofd door de tijd. Stef was nu bijna twee uur onderweg en vond het tijd voor een korte rust. Hij plaatste zijn rugzak en wandelstok tegen een verweerd stenen kruis en strekte zijn overbelaste rug. Gezeten op een stuk rots viste hij een pak biscuitjes op uit zijn bagage en in gedachten verzonken begon hij op een vruchtenkoekje te knabbelen. Terwijl hij om zich heen keek masseerde hij gedachteloos zijn gevoelige dijbeen. Het was zoals altijd aangenaam ontspannend om op weg te zijn en in volstrekte anonimiteit door het veranderende landschap te trekken en zich te laten verrassen door de bezienswaardigheden van natuur en cultuur, ook al viel er op deze troosteloze ochtend niet veel te genieten van de omgeving. Ergens in de vochtige mist kwam het gehucht tot leven want hij hoorde de typische geluiden van een boerenbedrijf dat op gang komt: een kraaiende haan, slaande deuren, een rammelende ketting, het geloei van een koe en de motor van een tractor die kuchend aansloeg. Maar binnen zijn gezichtsveld viel nog niets te bespeuren van de activiteiten van een nieuwe dag.

Stef plaatste volgens het aloude pelgrimsgebruik een steentje op het kruis toen hij weer op pad ging. Het was een stukje folklore waarmee hij zich deelgenoot verklaarde aan de grote pelgrimage die al bijna duizend jaar over deze weg voorbijtrok. Het ging al de hele ochtend sinds zijn stille vertrek uit Saugues steevast langzaam omhoog. Stef wist dat hij opliep tegen de Margeride, een bergachtig gebied dat met haar 1450 meter hoogte de waterscheiding vormde tussen de valleien van de Allier en de Truyère. De Allier had hij nu achter zich gelaten en het laatstgenoemde riviertje stroomde op nog een dag gaans afstand bij Les Estrets naar het zuiden. De helling die hij beklom werd in zijn pelgrimsgids het hart van de Gévaudan genoemd. Het land van de reusachtige wolf lag dus nog niet achter hem. Tegen de tijd dat hij een paar kilometer verderop in Le Falzet aankwam bevond hij zich al boven de 1150 meter, een stijging van bijna tweehonderd meter sinds Saugues. Hij schatte dat het van daar nog zo’n acht kilometer lopen was naar het hoogste punt van de dagmars, de Col de l’Hospitalet op ruim dertienhonderd meter hoogte.

In de mist klonk vanuit wisselende richtingen zo af en toe het geluid van een koebel en een enkele keer kon Stef de vormen van grazende runderen onderscheiden. Eén keer hoorde hij het gesmoorde geblaat van een paar schapen in de verte. Door de vochtigheid was het pad zompig en hier en daar zelfs modderig geworden. Deze omstandigheden waren totaal anders dan het barre, droge landschap dat hij verwacht had. Aan de sporen in de blubber kon Stef zien dat er recentelijk koeien over het pad gelopen hadden. Plasjes water hadden zich verzameld in de pootafdrukken. Om een beetje stevige grond onder de voeten te houden moest hij een paar keer uitwijken en door de berm lopen over droge graspollen en opgeschoten onkruid.

Stef had gehoopt in Le Villeret-d’Apchier wat boodschappen te kunnen doen, maar hij vond geen winkel in het gehucht, dat nog in een diepe slaap verkeerde. Het leek alsof met de mist ook een slaapmiddel was neergedaald over de huizen. Alleen toen hij de doorgaande weg wilde oversteken kwam er met een flink vaartje en veel geraas een grote landbouwtractor voorbij stuiven. Geschrokken deinsde Stef terug. De bestuurder had een volle zwarte baard en Stef meende in het voorbijgaan de spottende grimas van diens blinkend witte tanden te zien. Even dacht hij dat de man opzettelijk had geprobeerd om hem aan te rijden, maar meteen schoof hij die gedachte terzijde. De tractor was uit het niets opgedoemd en als hij hem zelf niet had kunnen zien aankomen, dan gold dat ongetwijfeld omgekeerd ook. Het was niet zo dat boeren in Frankrijk hun landbouwmachines bestuurden met een infraroodkijker op het hoofd. Toch?

Maar de schrik had hem wel te pakken en zijn hart bonsde in zijn keel. Zijn zintuigen stonden weer helemaal op scherp en met gespitste oren tastte hij gespannen in de ondoordringbare mist. Af en toe keek hij snel over zijn schouder om te zien of hij gevolgd werd, maar hij zag in de grijze sluier die hem omringde niets dan schaduwen en ondefinieerbare vormen. Stef volgde nu een vallei waar een klein beekje doorheen stroomde. De mist leek hier wat minder dicht en aan zijn linkerzijde zag hij op de hellingen de zoom van een bos. Ook de onwaarschijnlijke hoekige vormen van enkele hoogspanningsmasten staken de kop op, onnatuurlijker en dreigender dan ooit.

Een bordje wees hem de weg naar Chanaleilles, zo op het oog een slaperig boerengehucht waar te oordelen naar enkele keurige nieuwbouwhuizen ook een aantal forenzen woonde. De doorgaande weg was recentelijk van een nieuwe asfaltlaag voorzien en de huizen stonden er fris en proper bij. Het plaatsje lag tegen een rots waarlangs een klein stroompje, de Chèvre, naar de lager gelegen vallei vloeide. Stef kon boven de daken nog net de mistige omtrekken van de klokkengevel herkennen die toebehoorde aan een kerkje dat in de inmiddels vertrouwde landelijke stijl was gebouwd. In een scherpe bocht van de D587 vond hij de Bar du Pont, de enige openbare gelegenheid die hij tegenkwam. Behalve ontmoetingsplaats en dorpswinkel was de uitspanning ook een plek waar passerende trekkers terecht konden voor onderdak en ontbijt. Stef had dringend behoefte aan eten en drinken voor die dag en besloot het er maar op te wagen om zich te vertonen.

De vrouw achter de toog stond glazen af te wassen en leek verrast om hem te zien op dat vroege uur. Maar ze verwelkomde hem vriendelijk en vroeg waarmee ze hem van dienst kon zijn. Stef schatte haar leeftijd ergens achter in de dertig, oud genoeg voor een paar opgroeiende kinderen. Ze had praktisch, kortge- knipt haar en een paar heldere onderzoekende ogen die contrasteerden met de goedlachse uitdrukking op haar lippen. Stef wilde voor zijn veiligheid zo min mogelijk tijd doorbrengen in het gezelschap van onbekenden en had zich voorgenomen om de noodzakelijke inkopen te doen en dan weer snel zijn weg te vervolgen. Maar hij voelde zich verkleumd en de aangename droogte in de bar was verleidelijk als een zacht warm bed.

Hij maakte zichzelf wijs dat het in de gegeven omstandigheden juist achterdocht zou wekken als hij er weer snel vandoor zou gaan. Dus vertelde Stef dat hij alleen kwam om wat eten voor onderweg te kopen, maar dat een warme kop koffie er wel in zou gaan. De vrouw knikte instemmend en maakte een opmerking over het onaangename weer. Monsieur had geluk, zei ze, want de bakker was al langs geweest om vers brood voor die dag te bezorgen. Dat was inderdaad goed nieuws, antwoordde Stef en met een boodschappenmandje liep hij in de richting van de paar schappen met verpakte en ingeblikte kruidenierswaren.

Terwijl Stef even later aan de bar genoot van een dampende kop café-au-lait sloeg zijn gastvrouw de prijzen van zijn boodschappen aan op de oude kassa. Een paar blikjes met voedzame kant-en-klaar maaltijden, enkele bananen, een fles wijn en een groot vers stokbrood. Om zichzelf te verwennen had hij voor onderweg ook nog aan paar chocoladecroissants in zijn mandje gedaan.

“Bent u vanochtend uit La Clauze komen lopen?”, informeerde de vrouw terloops.

“Nee nee, ik ben in alle vroegte uit Saugues vertrokken”, antwoordde Stef naar waarheid.

“Oh, maar dan bent u wel erg vroeg opgestaan. Ik dacht dat u misschien ergens onderweg in het wild gekampeerd had… Of u heeft erg snel gelopen?”, voegde ze er ontspannen lachend aan toe.

“Nee hoor, ik heb de nacht doorgebracht op de camping in Saugues. Maar ik was inderdaad vroeg wakker en ben toen maar op pad gegaan”, verklaarde Stef terwijl hij zijn handen warmde aan het hete aardewerk van zijn koffiekop. De dampende hete vloeistof veroorzaakte een aangename golf van warmte die vanuit zijn maag opsteeg naar zijn hoofd.

“Oh ja? Ik hoorde dat het gisterenavond nogal rumoerig was in de stad. Heeft u daar nog iets van gemerkt?” vroeg ze belangstellend.

Dat was een beetje een gewetensvraag, bedacht Stef. Als ze hier in Chanaleilles al zo vroeg in de ochtend op de hoogte waren van de chaotische taferelen die zich de vorige avond in Saugues hadden afgespeeld, dan zouden ze toch ook wel weten wat de achtergrond ervan was. En nieuws over een schietpartij was spectaculair genoeg om zich razendsnel te verspreiden. Stef concludeerde dat de vrouw probeerde uit te vinden wat hij wist van het anti-pelgrim sentiment dat alle opwinding had veroorzaakt. Of misschien wilde ze hem niet afschrikken door er zelf over te beginnen. Haar bedoelingen waren hem niet helemaal duidelijk en hij besloot zich niet uit de tent te laten lokken. Met een onnozele uitdrukking op zijn gezicht antwoordde hij: “Van die brand? Nou, ik heb wel een heleboel sirenes gehoord. Daar werd ik wakker van en toen ik uit mijn tentje keek zag ik boven de stad rookwolken en een lichtschijnsel. Was het een ernstig ongeval? Zijn er slachtoffers gevallen?” Die vragen waren niet helemaal zo hypocriet als ze leken, want omdat Stef zich snel uit de voeten had gemaakt wist hij werkelijk niet hoe het opstootje was afgelopen.

“Ik geloof niet dat er iemand gewond is geraakt. Maar het was geen gewone brand, hoor. De bakker vertelde me zojuist dat een groepje opgeschoten jongeren, fauteurs de troubles, de een of andere optocht van de kerk heeft aangegrepen om onrust te stoken. De politie moest er aan te pas komen om de orde te herstellen.”

De vrouw presenteerde hier een behoorlijk gekuiste versie van de werkelijkheid zoals Stef die had beleefd. Hij vroeg zich af waarom ze dat deed. Om zijn gevoelens te sparen? Of probeerde ze hem aan de praat te krijgen door zelf een onvolledig en bewust vaag verslag van de gebeurtenissen te geven? Dat ze hem op die manier uitnodigde om haar verhaal te corrigeren en de leemtes aan te vullen? Zo zou hij het zelf wellicht aanpakken als hij in haar schoenen zou staan.

Stef antwoordde nietszeggend: “Tsjonge, dat klink nogal ernstig.” Ironisch voegde hij daaraan toe: “Het platteland is dus niet zo vredig als het lijkt. Gelukkig lag ik vroeg in mijn tentje en heb ik verder niet zoveel last van gehad van de opwinding.” Hij overwoog of hij zou doorvragen naar de gebeurtenissen, maar zijn gesprekspartner sloeg op dat moment de kassa af en met een ratelend geluid kwam er een bonnetje tevoorschijn uit de oude machine. Als ze zo spaarzaam met de feiten wilde zijn, dan kon hij daar ook niet veel aan veranderen.

“Bent u al lang onderweg?” informeerde de vrouw nadat ze hadden afgerekend.

Het leek Stef beter om ook hier niet bekend te maken dat hij helemaal uit het noorden was komen lopen. Voor zover hij er iets van begreep lag daar ergens de oorsprong van de pelgrimsgriep en in het licht van de hysterische reacties van de plaatselijke bevolking leek het hem onverstandig om daarmee geassocieerd te worden. Niet in algemene zin als pelgrim die door de streek waar de besmettelijke ziekte heerste was gereisd, maar evenmin als de specifieke Hollander die door onbekenden gezocht werd in verband met een uiterst verdacht sterfgeval. Maar wacht eens… even flitste er een gevoel van inzicht door zijn hoofd, alsof het antwoord op de raadsels die zijn tocht omgaven op het punt stonden onthuld te worden. Maar de sensatie was te vluchtig om binnen het bereik van zijn bewuste denken te komen. Voordat hij dat onbestemde gevoel kon vangen in woorden en een gedachte kon vormen, realiseerde hij zich dat de vrouw hem in afwachting van een antwoord op haar vraag stond aan te kijken. “Eh… nee hoor”, antwoordde hij hakkelend. “Neemt u me niet kwalijk, ik was even afgeleid… Maar nee, ik ben pas een paar dagen en route. Eergisteren ben ik vertrokken uit Le Puy.”

“Oh, juist”, vervolgde ze. “U spreekt goed Frans. Bent u soms Nederlander?”

De vrouw toonde zich nu wel erg nieuwsgierig naar zijn achtergrond, vond Stef. Wat kon het haar schelen uit welk land hij afkomstig was? Misschien was dat gewoon goedbedoelde belangstelling voor een gewaardeerde vroege klant. Of wellicht was ze van nature nieuwsgierig aangelegd. Maar Stef zijn achterdocht was gewekt en voorzichtigheid leek hier geboden. “Ik? Nee hoor, ik kom uit Denemarken”, antwoordde hij, zijn voornemen om z’n identiteit te verhullen volgend.

“Ach zo. Ik dacht… het zijn meestal Britten of Nederlanders die onze taal zo goed spreken.”

“Nou, ik zou denken dat de Franse taal vooral voor Italianen en Spanjaarden gemakkelijk te leren is”, opperde Stef pedant, “maar bedankt voor het compliment. Ik ben van jongs af aan veel in uw mooie land op vakantie geweest en heb gaandeweg het nodige van uw taal opgestoken.”

“Oh? Nou ja, ik informeerde maar omdat er een paar dagen geleden iemand passeerde die op zoek was naar een Nederlander.” Ze keek hem veelbetekenend aan. “Zo’n beetje van uw leeftijd en postuur, naar ik begreep. Dat was geloof ik een Duitser. Hij zei dat hij die Nederlander ergens in het noorden had ontmoet. Dus ik dacht…”

Stef verslikte zich haast in zijn laatste slok koffie bij deze onthutsende mededeling. Met een rood hoofd van de hete drank en de opwinding schudde hij ontkennend. “Nee, dat zegt me niets. Zoals ik zei, ik ben eergisteren in Le Puy begonnen met mijn tocht.”

“Mmmmm”, knikte de vrouw twijfelachtig terwijl Stef probeerde de schijn op te houden dat haar verhaal hem niet raakte. “Het was ook een vreemde verschijning”, vervolgde ze vastberaden. “Ik bedoel, hij leek niet echt op de gebruikelijke wandelaar die hier passeert. Hij had wel iets van een Mexicaanse schurk uit een western, je weetwel, met zo’n ongeschoren, donker gezicht en een grote snor. En het was vreemd dat hij geen rugzak droeg. Volgens mij was hij ook niet alleen. Toen hij vertrok zag ik dat hij daar op de hoek werd opgewacht door een andere man. Nu ja, misschien komt u ze verderop nog tegen.”

Dat was een omineuze mededeling waar Stef maar liever niet op in ging, omdat de woorden hem op dat moment ontbraken en hij zich niet bloot wilde geven door te veel belangstelling te tonen voor haar verhaal. In plaats daarvan informeerde hij of hij dezelfde weg terug moest lopen naar het naburige Chazeaux om het pad naar Le Sauvage te nemen.

“Oui monsier, tweehonderd meter terug op de doorgaande weg en bij de laatste boerderij rechtsaf naar Chazeaux. Daar vindt u in het centrum de aanwijzingen voor het Chemin de Saint Jacques wel terug.”

Stef bedankte haar voor de koffie en nam afscheid. “Bon chemin”, wenste de vrouw hem opgewekt. Weer buitengekomen zag hij dat de mist intussen niet minder dicht was geworden. Door het stilzitten in de warmte waren de pijn en stijfheid in zijn lijf teruggekeerd en het kostte Stef moeite om weer op gang te komen. Terwijl hij met een croissant in de hand afdaalde in de onzichtbare vallei dacht hij na over het verontrustende gesprek dat hij zojuist gevoerd had. Er was nu voor het eerst een duidelijke aanwijzing dat men hem op de hielen zat. De avontuurlijke fantasie van een vage, verre dreiging was nu een acuut en reëel gevaar geworden. Het was niet ondenkbaar dat ergens in de mist op de route die voor hem lag onbekenden in een hinderlaag op hem wachtten. Of was dat overdreven? Zolang hij niet zeker wist wat er op het spel stond bleef het moeilijk om een goede inschatting van de gevaren te maken. Wat had hij nu eigenlijk geleerd van het verhaal van de vrouw? Allereerst was daar het signalement dat de onbekenden gebruikten om hem te beschrijven. Maar kon hij daaruit concluderen dat ze niet meer wisten dan zijn nationaliteit, leeftijd en postuur? Niet met zekerheid. Het lag voor de hand eerst naar zulke algemene kenmerken te informeren. Details – voor zover die bekend waren – kwamen in een later stadium van pas om de gezochte persoon daadwerkelijk te identificeren. In dat opzicht bleek de inval om zich uit te geven voor een Deen nu achteraf bijzonder nuttig. Stef voldeed zo tenminste niet aan één van de drie eerste zoekcriteria die gehanteerd werden om hem op te sporen. Het was natuurlijk maar de vraag hoe lang men erover zou doen om er achter te komen dat hij onder een andere nationaliteit reisde. Op de campings in Saint-Privat en Saugues had hij tenslotte zijn officiële Nederlandse paspoort moeten gebruiken om zich in te schrijven. Zijn achtervolgers moesten wel hele grote amateurs zijn wanneer ze niet in staat waren om zijn zogenaamde Deense identiteit te koppelen aan de Nederlander met het gezochte uiterlijk die op de campings had overnacht. Dat was geen geruststellende gedachte. Nee, veeleer angstaanjagend. De eerste vaststelling moest dus zijn dat de kans groot was dat men snel zou uitvinden dat hij zich voordeed als Deen. Als dat al niet gebeurd was. In dat geval was hij op dit moment erg kwetsbaar. Het voelde alsof zijn vermomming plotseling was afgerukt.

De vrouw had gezegd dat de onbekenden een paar dagen eerder langs geweest waren om naar de Néerlandais te informeren. Als die twee hun weg in een normaal tempo vervolgd hadden, dan liepen ze inmiddels een flink stuk voor hem uit. Maar, zo bedacht Stef, als ze de tijd namen om links en rechts naar hem te zoeken, dan was de kans groot dat ze minder snel opschoten langs de route. Dat was dus wel een punt van zorg, want dat betekende dat hij ze onverwacht kon tegenkomen.

En dan was er nog dat onfortuinlijke tweetal in het belaagde pelgrimsverblijf in Saugues. Waren dat misschien dezelfde mannen? Dat ze op de samengedrongen menigte hadden geschoten moest een paniekreactie zijn geweest en maakte geen professionele indruk. Stef vroeg zich af of ze hadden kunnen ontsnappen in de chaos van het relletje, maar die kans achtte hij niet groot. De Franse politie zou met man en macht proberen de daders te pakken te krijgen. Het feit dat hij die ochtend nog niets gemerkt had van speuracties, patrouilles en blokkades van de politie leek erop te wijzen dat er niet gezocht werd en dat de mannen dus al opgepakt waren. In dat geval was hij misschien verlost van zijn achtervolgers. Maar kon hij er zeker van zijn dat het slechts dit tweetal was dat hem op de hielen zat? Misschien waren er meer mensen op zoek naar hem. Hoe dat ook zij, hij had in ieder geval geleerd dat zijn achtervolgers gewapend waren en niet schroomden om hun wapens te gebruiken en dat was een onthutsende vaststelling.

Inmiddels was Stef door het doodstille Chazeaux gelopen en klom het pad weer omhoog tegen de heuvelrug aan de overkant van de vallei. Daarbij passeerde hij een hoogspanningsleiding die als een paar zwarte pennenstreken van niets naar nergens in de grijze lucht hing. Het zwarte bos waar hij nu doorheen liep maakte oeroude angsten wakker. Angsten die diep in het menselijke onbewuste sluimerden en gevangen waren in de sprookjes en sagen over trollen, heksen en geesten. Fantasie en overlevering kwamen tot leven in de grimmige vormen van takken en omgevallen boomstammen die als knokige klauwen de dreiging van zijn spookachtige achtervolgers voelbaar maakte. Hij had het gevoel dat donkere schaduwen uit het bos hem van achteren beslopen, maar iedere keer als hij een vluchtige blik over zijn schouder wierp zag hij niets dan grillige grijze vormen die een veilige afstand bewaarden. Plotseling stond Stef op een golvende open vlakte waar de mist was opgetrokken tot een laaghangende natte deken waaruit de vochtigheid in fijne druppeltjes omlaag miezerde. Het was alsof hij ontwaakte uit een benauwende droom. Voor zo ver hij kon zien werd de open ruimte aan alle zijden omsloten door dicht naaldwoud. Het wolkendek leek bijna binnen handbereik, zodat Stef even de sensatie had dat hij zich onder de beslagen stolp van een besloten, afgezonderde wereld bevond – een aparte werkelijkheid buiten zijn eigen vertrouwde tijd en ruimte. Er hing een onnatuurlijke stilte, alsof de tijd tot stilstand was gekomen en elk geluid werd gesmoord in een bevroren moment tussen de twee tikken van een secondewijzer. De koppen van kleine bosjes gluurden her en der boven de golfruggen in het heideachtige grasland uit en een enkele kale dode boomstam prikte boosaardig naar het klamme wolkendek. Niets bewoog. Maar achter iedere rimpeling in het landschap kon het gevaar zich verborgen houden, zo kwam het hem voor. Een koude rilling kroop omhoog over zijn rug en kippenvel verspreidde zich als een besmetting over de armen en benen van Stef. Hij moest een bewuste inspanning doen om zich te verzetten tegen de irrationele angst die hem trachtte te overmeesteren. Onwillekeurig had hij zijn staf verplaatst naar zijn linkerhand en was zijn andere hand op zoek naar het geladen pistool dat nu in het zijvak van zijn rugzak zat. Maar nee, zijn verstand en zelfbeheersing hadden hem nog niet helemaal verlaten. Stef knipperde met zijn ogen en wreef met zijn vrije hand over zijn gezicht, als om te voelen of hij niet droomde. Hij keek achterom en vroeg zich af wat onveiliger was: het donkere bos, waar het gevaar je van dichtbij kon bespringen, of de open ruimte waar hij van alle kanten goed zichtbaar was voor spiedende ogen. Maar er was geen keuze, hij moest wel verder en dus maakte hij zich los van de zoom van het bos en stapte hij met zware rubberen benen en een licht gevoel in het hoofd de vlakte op.

Rechts van het pad zag hij in het veld de vormen van een klein bouwsel opdoemen. Het lage gebouwtje leek zich te verschuilen achter een grote eenzame boom. Het was een buron, een schaapherdershut, die de vermoeide passant leek te willen verleiden tot een rustpauze in de beschutting van haar vervallen stenen muren. Hoeveel afgepeigerde reizigers zouden hier in de loop der eeuwen hun last hebben afgelegd voor een vluchtige picknick of hun tentje hebben opgeslagen voor de nacht? Naarmate Stef dichterbij kwam leek de aantrekkingskracht van de hut sterker te worden en hij voelde zich als een meteoriet die gegrepen wordt door de zwaartekracht van een planeet. Hij was nu al zo’n uur of vijf onderweg en niet alleen zijn voeten deden pijn. Zwarte vlekken van vermoeidheid sprongen op in zijn ogen en verdwenen weer als rimpelingen in een vijver en ondanks de vochtige atmosfeer was het speeksel in zijn mond dik als slijm. De ongemakkelijke en slapeloze nacht in Saugues begon hem op te breken en het verlangen naar een weldadige rust verspreidde zich als verlammend gif door zijn lijf. Maar door een bocht in het pad verschoof zijn zicht op de horizon en werd zijn aandacht plotseling getrokken door een strakke, langgerekte vorm aan de overkant van de vlakte. Dat overduidelijke voortbrengsel van menselijk handelen had tot dan toe verscholen gelegen achter een uitloper van het bos. Het was een uitgebreid gebouwencomplex dat licht en helder afstak tegen de donkere bomen op de hellingen in de achtergrond. Hij moest nu op het Domaine du Sauvage zijn, een landgoed rond een middeleeuwse abdij van de Tempeliers die tegenwoordig dienstdeed als gîte d’étape en restaurant. In aanmerking genomen dat de Orde van de Tempeliers was opgericht om pelgrims op weg naar het Heilige Land bescherming en onderdak te bieden, was het volstrekt toepasselijk dat de grote boerderij hier een vergelijkbare functie vervulde in dit desolate landschap. De historische dômerie versterkte de sensatie die Stef eerder had gevoeld, dat hij ongemerkt ergens door een geheimzinnige tijdpoort was gestapt en in een andere dimensie was beland. Gedreven door nieuwsgierigheid maar tegelijkertijd voorzichtig vanwege de mogelijke gevaren die hem wachtten, verdween de vermoeidheid tijdelijk uit zijn gedachten. Op zijn hoede tuurde Stef ingespannen in de verte, bedacht op iedere ongewone, verdachte beweging.

Het pad naar het gasthuis werd gekruist door enkele waterstroompjes die vanaf de hellingen aan de linkerkant slingerend hun weg omlaag zochten door de velden. De stilte was nog altijd beklemmend. Het enige geluid dat Stef hoorde werd veroorzaakt door zijn stappen op het eeuwenoude pad, een rusteloos geknars onder zijn voeten. Naarmate hij dichterbij kwam viel hem de afwezigheid van enige bedrijvigheid op. Het was inmiddels rond tien uur in de ochtend en op een boerenbedrijf van deze omvang mocht je toch wel enige activiteiten verwachten. Bovendien was de gîte een belangrijke halteplaats op het Chemin de Saint-Jacques en er zouden rond dit tijdstip slaapzalen opgeruimd, bedden verschoond en toiletten gereinigd moeten wor- den. Maar geen spoor van dat alles, slechts een vervreemdende verlatenheid. Naarmate hij dichterbij kwam zag hij dat de luiken van het woonhuis dicht zaten, wat wees op afwezigheid van de bewoners. Alleen een klein groepje paarden met blonde manen dat op een veldje dicht bij elkaar beschutting zocht tegen het naargeestige weer spitste even nieuwsgierig de oren toen hij passeerde. De dieren stonden er echter zo troosteloos bij dat ze zelfs niet de moeite namen om de voorbijganger nader te onderzoeken.

Stef liep om het uitgestorven gebouwencomplex heen en vond twee oude visvijvers in een kleine kom in de helling aan de achterzijde. Ze kregen hun water van een stroompje dat ergens in de hoger gelegen bossen ontsprong en kronkelend verdween in de mistige velden in het noorden. Het aanzicht van het oude complex was van die kant af indrukwekkend. Met haar massieve steunberen en kleine vensters leek het grootste gebouw op de hal van een middeleeuwse burcht, een indruk die versterkt werd door de lange stenen boogbrug die langs een muur naar een grote poort op de bovenverdieping leidde. Ondanks de aanwezigheid van zonnepanelen op het dak van een van de aangrenzende gebouwen deed het geheel Stef nog het meeste denken aan het werk van de ongeëvenaarde striptekenaar Harold Foster. Als kind had hij diens heldhaftige avonturen van diens Prins Valiant verslonden en zijn eigen voorstelling van de Middeleeuwen was in die tijd grotendeels gevormd door Foster’s gedetailleerde weergave van het pre-Normandische Brittannië. Pas veel later ontdekte hij dat die weergave vaak niet bijzonder waarheidsgetrouw was en veel anachronismen bevatte. Maar de Dômerie du Sauvage lag er in al haar verlatenheid bij als een perfecte illustratie van de middeleeuwse wereld zoals hij zich die voorstelde: een eilandje van menselijke beschaving en overlevingsdrang in een ongerepte, woeste wereld. Helaas leek het erop dat deze menselijke enclave in de wildernis om raadselachtige redenen in de steek gelaten was door haar bewoners.

Stef overwoog even of hij hier in de nabijheid van de gebouwen zijn tentje zou opslaan zodat hij een droog onderkomen had waar hij een tijdje kon uitrusten, maar de hele plek werkte hem op de zenuwen. Le Sauvage was onder normale omstandigheden misschien een romantisch oord, maar het troosteloze weer en de naargeestige verlatenheid maakten het tot een sinistere locatie waar hij niet langer wilde blijven dan noodzakelijk. Zijn vermoeidheid en blessures negerend daalde hij af in de richting van de visvijvers, waarna het pad weer omhoogging en verdween in een dennenbos. Toen hij een laatste keer omkeek naar de verlaten gebouwen zag hij een groepje zwarte vogels opvliegen. Krijsend vielen de kraaien een laag rondcirkelende buizerd aan, die er met krachtige wiekslagen vandoor ging.

Hij liep nu weer over een half verhard pad door een donker bos. De lucht was nog altijd vochtig als een sauna, maar dan zonder de aangename warmte ervan. Flarden mist hingen tussen de bomen en Stef voelde zich rillerig van de kou. Hij wist dat het hoogste punt van het pad over de Margeride niet meer veraf kon zijn. De Col de l’Hospitalet – genoemd naar het ‘kleine gasthuis’ van de Tempeliers – lag ongeveer anderhalve kilometer verderop en markeerde een hoogte van ongeveer dertienhonderd meter. Hij moest denken aan de Mont Rigaud in de Beaujolais, waar hij Xavier had aangetroffen op de uitkijktoren. Het hoogste punt van de beroemde wijnstreek bevond zich met haar duizend meter weliswaar een stuk lager, maar bood meer dramatische uitzichten omdat het omliggende land ver in de diepte had gelegen. Hier, op het grensgebied van de departementen Haute-Loire en Lozère, waar de Auvergne overging in de Languedoc, bevond hij zich op een hoogvlakte die onderdeel uitmaakte van het Centrale Massief dat zich in zijn totaliteit verhief boven de rest van Frankrijk. Vanaf de col ging het voorlopig weer omlaag, naar het dal waar de Truyère doorheen stroomde. Daarachter lag de gevreesde kale vlakte van Aubrac met het hoogste punt van het Chemin de Saint- Jacques in Frankrijk op 1368 meter boven zeeniveau.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.