4 | Een processie in Saugues

Op het eerste gezicht was Saugues een doodnormaal Frans plattelandsstadje. Zo’n plaatsje dat ontstaan was rond een middeleeuwse bourg met een kerk in het midden en dat in de loop der tijd was uitgegroeid tot bestuurlijk en commercieel centrum van de streek. Waar mensen uit de omgeving hun boodschappen kwamen doen bij de kleine winkeltjes rond de oude binnenstad of de grote supermarkt in de zone commerciale aan de rand van de bebouwde kom. Of hun administratieve en financiële zaken regelden bij de Mairie, Crédit Agricole of Caisse d’Épargne. En waar de katholieke tradities in ere werden gehouden. De magische beeldhouwwerken die stonden opgesteld langs de toegangsweg leken daarmee niet in tegenspraak. Geloof, bijgeloof, magie, afgodsbeelden. Voor Stef vormden ze allemaal de uitdrukking van hetzelfde menselijk verlangen om de werkelijkheid te bevatten en de chaos en willekeur te beteugelen.

Saugues was vanouds een knooppunt van verschillende pelgrimsroutes. Groepen gelovigen verzamelden zich hier al sinds eeuwen voordat ze de wildernis van de Aubrac overstaken op hun weg naar de heiligdommen van Conques, Rocamadour, Moissac of bestemmingen verder weg, in Spanje. In het oude Hôpital de Saint-Jacques verbleven bedevaartgangers uit Puy, de vallei van de Allier en uit de richting van het Cantalgebergte en Puy-de-Dôme in het westen en noorden totdat ze gezamenlijk de gevaarlijke hoogvlakte over konden trekken. Het plateau werd in vroegere tijden onveilig gemaakt, niet alleen door wolven, maar ook door bandieten en roofridders. Stef herinnerde zich het gruwelijke verhaal dat Xavier hem had verteld over de graaf uit Vlaanderen die in de elfde eeuw op weg naar Compostella de lichamen van zo’n groep bedevaartgangers had aangetroffen op de Aubrac.

Tegenwoordig was Saugues nog steeds een verzamelplaats voor pelgrims, maar meestal waren het nu moderne, semi-seculiere wandelaars die op zoek waren naar geschiedenis en cultuur of een sportieve uitdaging en voor wie de spirituele beleving een extra bonus vormde. Trekkers, toeristen en pelgrims werden van harte welkom geheten en het plaatsje bood een heel scala aan toeristische voorzieningen, van châmbres d’hôtes en gîtes tot restaurantjes en souvenirwinkeltjes waar kitscherig houtsnijwerk werd verkocht. Stef leerde dat klompenmakerij in Saugues ooit een belangrijke bedrijfstak was geweest en dat verklaarde de creatieve houtbewerking die in en om de stad zo nadrukkelijk tentoon gespreid werd. Voor de sportieve vakantiegangers was er een gespecialiseerde winkel die artikelen voor buitensporten verkocht. In de etalage stonden stevige wandelschoenen en elegante wandelstokken uitgevoerd in uiteenlopende maten, kleuren en materialen. Door deze uitgelaten en gecommercialiseerde gastvrijheid kreeg Stef het gevoel in een soort Zandvoort voor Jacquets te zijn beland, een seizoensgebonden toeristische trekpleister die in de zomermaanden incasseerde om de stille winter door te komen in zwijgzaam isolement.

Stef liep naar het centrum door een straat met terrasjes, een Office du Tourisme en een souvenirwinkeltje. Aan de gevels hingen verwelkomende uithangborden van enkele hotels en restaurants. Halverwege trof hij een richtingwijzer die de passant erop wees dat hij rechtsaf kon voor de Tour des Anglais, het Musée de la Bête en het Collegiale – de plaatselijke bezienswaardigheden dus. Een kruis van een rode en witte streep op de muur van een hoekhuis gaf aan dat hij de route van de GR65 verliet toen hij de nauwe Rue Saint-Louis inliep, gevolg gevend aan zijn nieuwsgierigheid naar de lokale historie. Hij kwam op een klein pleintje waar een stenen beeld van een soldaat in het Franse uniform van de Eerste Wereldoorlog het plaatselijke oorlogsmonument bewaakte. Stef nam even de tijd om de namen van de gevallenen te lezen – een soort eerbetoon dat hem een bepaalde connectie gaf met de recente geschiedenis van de plaatsjes die hij bezocht. Tot in de kleinste gehuchten in de verste uithoeken van het land waren de gevolgen van de Grote Oorlog blijvend tastbaar gemaakt met zulke monumentjes, waarop steevast niet alleen de gesneuvelde militairen van 1914-1918, maar ook hun lotgenoten uit de Tweede Wereldoorlog en de Algerijnse Oorlog vermeld werden. Het was altijd hartverscheurend om te zien hoe zwaar sommige families getroffen waren door de industriële slachtpartij van La Grande Guerre. Of hoe familienamen die terugkeerden op de lijstjes van opeenvolgende conflicten ervan getuigden dat verwanten van verschillende generaties hun leven hadden gegeven pour la patrie. Maar het leven ging door en rondom het pleintje zag hij een kleine elektronicazaak, een coiffure en een epicerie. De Engelse Toren rees vanachter de kruidenierswinkel op boven de daken, als een dreigende bewaker van de stad. Het was alleen de vraag of hij de bewoners beschermde tegen indringers van buiten, of dat het de bedoeling was om de inwoners van Saugues zelf in het gareel te houden. Waarschijnlijk allebei. Stef zag nu goed dat het grondplan van de intimiderende toren rechthoekig was en dat het gebouw daardoor een lang aanzicht had dat tweemaal zo breed was als het korte aanzicht. De puntige uitsteeksels die hij vanuit de verte al gezien had bleken geen waterspuwers, zoals hij had gedacht, maar een soort steunen om de een of andere constructie te dragen. Stef kon echter niet uitmaken of ze bedoeld waren voor krijgsmachines, een platform om de vijand vanaf te bestoken of een dak om van bovenaf beschutting te bieden tegen projectielen van belegeraars. Hij had nog nooit zoiets gezien en dat bracht hem aan het twijfelen over de authenticiteit van de toren. Misschien was het een romantische negentiende-eeuwse reconstructie? Iets uit de hoge hoed van Viollet-le-Duc of zo? Tussen twee verticale randen in de muur aan de smalle zijde van de toren zat iets dat leek op een houten vogelhuisje ingeklemd, maar dat bouwsel was wel meer dan een meter breed en had dus eigenlijk het formaat van een flink hondenhok. Een wijzerplaat met Romeinse cijfers aan de voorkant ervan suggereerde de aanwezigheid van een uurwerk, waardoor de aanbouw Stef deed denken aan een uit zijn krachten gegroeide koekoeksklok. Maar dan wel eentje waar geen koekoek uit tevoorschijn sprong. Het leek nu meer op een duiventil of een plek waar kraaien nestelden.

Het pleintje grensde aan een groter binnenplein dat zo te zien bij de kerk hoorde en in gebruik was als parkeerplaats. Een kunstig gesmeed kruis markeerde niet alleen het midden van het pleintje, maar naar Stef vermoedde ook het centrum van het middeleeuwse stadje. Misschien was hier vroeger een klooster geweest? Veel van de Franse plaatsjes op het platteland waren ontstaan rond geïsoleerde abdijen of kloosters. Er stonden een paar bankjes voor de vermoeide pelgrim of kerkganger en dankbaar nam Stef plaats nadat hij zijn bagage had laten zakken. Zijn knieën waren gevoelig van de zware dagtocht en zijn nek voelde verbrand. Bovendien had hij last van zijn achterwerk dat beurs was van die nare valpartij bij Rochegude. Stef vermoedde dat zijn zitvlees wel bont en blauw zou zijn.

Met zijn waterfles in de hand bekeek hij de kerk. Die week af van de bouwstijl die hij de voorafgaande dagen gezien had. De ingang vanaf het pleintje bevond zich op de plek waar je het zuidelijke dwarsschip zou verwachten, de traditionele uitgang van een pelgrimskerk. Van de gebruikelijk uitbouw was maar een stompje te zien dat nu als portaal fungeerde. Bij gebrek aan architectonische of sculpturale versieringen was het moeilijk om te schatten in welke periode het godshuis gebouwd was. De toren was achtkantig en had twee niveaus met geboogde openingen rondom voor de klokken en een toepasselijke achtzijdige spits met grijze pannen op de top. De muren waren van massieve stenen en wekten de indruk in Romaanse stijl te zijn, maar de bogen van de vensters hielden het midden tussen rond en gespitst, alsof ze twijfelden over hun identiteit. Volgens zijn reisgidsje was de kerk in de zestiende eeuw gebouwd, toen de Reformatie de christelijke gelovigen van West-Europa tot op het bot verdeelde. De verwarring en onzekerheid over de te volgen bouwstijl leek die woelige tijd van bloedige godsdiensttwisten te weerspiegelen.

Het interieur van de kerk was gehuld in sobere ernst. Dit was geen toeristische trekpleister, maar een le- vend gebedshuis dat nog dagelijks gebruikt werd door de inwonenden van Saugues. Stoelen waren met witte bloemen versierd en enkele achtergelaten foldertjes wezen erop dat er eerder die dag een huwelijksplechtigheid had plaatsgevonden. De enige kleur was afkomstig van de grote glas-in-lood vensters die boven ooghoogte rondom in de muren zaten. Stef las in een foldertje dat op een mededelingenbord was geprikt dat het een kapittelkerk betrof, wat inhield dat de kerk bestuurd werd door een kapittel en niet door het bisdom. Een kapittel was een college van zogenaamde kanunniken, de priesters die aan de kerk verbonden waren.

Tegenover de zuidelijke ingang bevond zich in de muur aan de noordzijde een glazen vitrine die de aandacht trok vanwege de vele brandende kaarsjes die ervoor stonden. Aangetrokken door de kerstsfeer die dit opriep, nam Stef een kijkje. Achter het glas lag het gebalsemde lichaam van een klein, oud mannetje, gekleed in een zwart, zijden priesterpakje, met een ouderwetse culotte tot op de knie, een smetteloos wit kraagje en een zwart kalotje op het hoofd. Het bleek Saint-Bénilde te zijn, een negentiende-eeuwse priester die zich bijzonder had ingespannen voor het onderwijs en gedurende zijn laatste twintig levensjaren vanuit Saugues een gestage stroom van jonge geestelijken en missionarissen de wereld had ingezonden. Als tegenprestatie werd zijn ziel zaligverklaard en zijn lichaam geconserveerd voor het nageslacht – ongetwijfeld bedoeld als reflectie van het eeuwige leven in het hiernamaals dat de heilige deelachtig geworden was. Het was weer een voorbeeld van de bizarre manier waarop de Rooms-Katholieke Kerk de overwinning op de dood aanschouwelijk wilde maken voor haar volgelingen.

Ondanks het warme kaarslicht rond de baar voelde Stef een kilte optrekken vanuit de stenen vloer en hij verliet de kerk door de westelijke ingang, onder het orgel door, om op zoek te gaan naar een kampeerplaats. Met zijn ogen knipperend tegen het felle licht van de laagstaande zon keek hij uit over een ruime straat en een paar moderne woonblokken. Hier was het historische stadsgezicht onmiskenbaar ten prooi gevallen aan vernieuwing. Aan de gevel van het gebouw aan de overkant hing boven de ingang de aanduiding Maison Retraite de Saint Jacques. Het was dus een bejaardenhuis. Op een bankje in de schaduw van een boom zaten een paar bewoners aan wie Stef de weg naar de camping vroeg. Ze wezen hem naar een smal straatje naast het tehuis, langs een middeleeuwse hal of kapel. Te oordelen naar het houten schild met het Chi-Rho-symbool aan de gevel had het iets met de kerk van doen. Stef liep er voorbij en stelde vast dat hij weer buiten de omtrek van de oude kloosterburcht was gekomen. Hij stond op een parkeerplaatsje tegenover een vervallen ogend Hôtel de France dat associaties opriep met sleetse handelsreizigers en ranzige kamers. Daar ging hij volgens de aanwijzingen van de bejaarden linksaf de straat in en na honderd meter stond hij op een kruispunt waar alle doorgaande wegen in Saugues elkaar ontmoetten. Een informatiebord liet hem weten dat de camping rechtsaf was.

Hij moest het hele stadje door lopen om aan de andere kant bij de gemeentelijke kampeerplaats te komen. Die lag zoals gebruikelijk bij de plaatselijke sportvoorzieningen. In dit geval bestonden die faciliteiten uit een complex met tennisvelden, een voetbalveld en een moderne sporthal. Erachter lag een flinke recreatieplas met een eilandje in het midden. De vijfsterrencamping lag tussen de sportvelden en het meertje aan een snelstromend riviertje waar hij naar vernoemd was: La Seuge. Het was het laagste punt van Saugues, en vanaf de camping keek je omhoog naar het stadje waar de kerktoren en de Tour Anglais boven de daken van de huizen uitstaken. Bij de receptie werd Stef verwezen naar een plekje onder de bomen langs het water. Zogauw hij zich had geïnstalleerd begaf hij zich naar de wasruimtes voor de gebruikelijke rituelen. Later, terwijl zijn wasgoed te drogen hing, bekeek hij wat zijn reisgidsje nog meer te melden had over Saugues. Hij was vooral geinteresseerd in de geschiedenis van die Engelse Toren – het was tenslotte niet de eerste toren met die bijnaam die hij tegenkwam. Ook in Monistrol-d’Allier had hij zo’n oude kasteeltoren gezien en hij vermoedde dat ze met de Honderdjarige Oorlog te maken hadden.

Van het midden van de veertiende tot het midden van de vijftiende eeuw was heel Frankrijk zo’n beetje één groot slagveld nadat de Franse koninklijke dynastie van de Capets kinderloos ten einde kwam. De Engelse afstammelingen van Eleanor van Aquitanië meenden aanspraak te kunnen maken op de Franse troon en daardoor ontstond er een gewelddadig en slepend conflict met de Franse troonpretendenten van het huis Valois en hun aanhang. Omdat de Plantagenets nog altijd grote bezittingen in Frankrijk hadden, waaronder Anjou en het rijke Aquitanië, ontaardde de strijd in een bloedig partijtje landjepik waarbij de adel haar oude obsessies met glorie, eer en heldhaftigheid kon uitleven en waarvan de burgerbevolking zoals altijd het grootste slachtoffer werd. De veldslagen van Crécy in 1346, Poitiers in 1356 en Agincourt in 1415 waren slechts de dramatische hoogte- of dieptepunten – afhankelijk vanuit wiens standpunt je de ontwikkelingen beschouwde – van de Honderdjarige Oorlog, die verder voornamelijk uit een uitputtende competitie was van systematisch brandschatten, chanteren en plunderen van de landerijen en steden van elkaars tegenstander en diens bondgenoten. De langdurige oorlog bood volop gelegenheid voor de introductie van nieuwe wapens en strategieën, waaronder het buskruit en de inzet van zogenaamde compagnieën. Dat waren groepen huurlingen die niet streden vanwege de eer, hun geloof of feodale verplichtingen aan hun heer, maar vanwege de geldelijke beloning en niet in de laatste plaats vanwege de mogelijkheid tot veroveringsbuit. Deze huurlingen waren afkomstig uit alle hoeken van Europa, van Spanje tot Pruisen. De traditionele adellijke ridder had de feodale plicht om het land dat hij in leen had enkele maanden per jaar te verlaten om zijn heer bij te staan in diens strijdlustige ondernemingen, maar huurlingen waren het hele jaar door beschikbaar. De oorlogsvoering was daardoor niet langer seizoensgebonden. In periodes dat er een wapenstilstand gold waren deze compagnieën echter zonder werk en dus zonder inkomen. En omdat ze geen landgoederen bezaten of andere verplichtingen hadden die hun aandacht en energie opeisten, gingen ze op zoek naar manieren om in hun levensonderhoud te voorzien met de middelen waarmee ze vertrouwd waren – vuur en zwaard. De Honderdjarige Oorlog werd voor een groot deel gekenmerkt door campagnes van plunderend rondtrekkende legers die zich in tijden van relatieve vrede ontpopten tot meedogenloze en gewelddadige roversbenden en onderdrukkers. De vele ‘Engelse’ kastelen en torens in dit deel van Frankrijk waren grotendeels terug te voeren op onderkomens en uitvalsbases van zulke losgeslagen groepen huurlingen.

De ouderwetse ridder-te-paard werd bij Crécy en Agincourt vernederend verslagen door gewoon voetvolk bewapend met pijl-en-boog. In beide gevallen waren het Franse ridders die gedood werden door Engelse boogschutters, wat aan beide kanten een grote stimulans vormde voor het gevoel van nationale saamhorigheid: Engelse burgerlijke trots tegenover Frans gedeeld verdriet over de grote aantallen adellijke slachtoffers. Pas vijftien jaar na de Slag bij Agincourt keerde het tij van de oorlog in het voordeel van de Fransen dankzij de inspirerende aanmoediging van Jeanne d’Arc. Geen wonder dus, dat de Maagd van Orléans in Frankrijk nog altijd gold als een nationale heldin: zij gaf een impuls aan het geschonden zelfvertrouwen van de Fransen en haar succes bewees dat God aan de zijde van Frankrijk en het Franse volk stond.

Het langdurige dynastieke conflict tussen Valois en Plantagenets – die laatsten werden ook wel Angevijnen genoemd, naar het graafschap Anjou waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen – luidde uiteindelijk het einde van de Middeleeuwen in. Na de oorlog was het oude feodale Europa met zijn diffuse grenzen, in het westen althans, verdwenen en was in Engeland en Frankrijk het begin ontstaan van zoiets als een nationale identiteit die samenviel met een bepaald territorium, kortom de idee van een nationale staat. Voordien voelde men zich geen Engelsman of Fransman, maar werd de identiteit allereerst bepaald door de feodale band met een heer, in laatste instantie de koning – niet door taal of landsgrenzen – en gold de solidariteit voornamelijk leden van dezelfde stand: de kerkelijke en adellijke elite.

Maar het waren niet alleen oorlogshandelingen en losgeslagen roversbenden die het land in de veertiende eeuw ontwrichtten. Kort na de aanvang van het conflict werd Europa getroffen door de Zwarte Dood. De pestpandemie van rond 1348 kostte volgens conservatieve schattingen aan zo’n twintig miljoen mensen het leven. In sommige streken van Frankrijk en Engeland verdween in een paar jaar tijd een derde tot de helft van de bevolking. In sommige gevallen zelfs meer dan dat. Hele gemeenschappen verdwenen, grote delen van het platteland raakten ontvolkt, dorpen werden verlaten en de ontreddering moet groot geweest zijn. Stef kon zich moeilijk voorstellen wat daarvan de psychologische gevolgen waren voor de bijgelovige middeleeuwers. Als ooit iets als de straf van God voelbaar was in de geschiedenis van het Christendom, dan moet het wel geweest zijn in de eerste vijf jaar dat de pest rondwaarde. Voor velen zal het geleken hebben alsof de Bijbelse Apocalyps was aangebroken – een inzicht dat gemengde gevoelens moet hebben opgeroepen: was hier sprake van straf of van verlossing? In sociaal en economisch opzicht betekende de rampspoed van die eeuw een totale ineenstorting van de bestaande orde. In zekere zin moet het erger geweest zijn dan de geleidelijke ondergang van het Romeinse Rijk in het westen, omdat de ziekte genadeloos, snel en zonder onderscheid toesloeg.

Door het gebrek aan mensenhanden kon er niet geoogst worden en ontstonden er hongersnoden. Prijzen stegen en de lonen volgden vanwege de grote vraag naar arbeidskrachten, ondanks strenge wetten die loonsverhogingen trachtten tegen te gaan. Veel mensen raakten op drift en gingen op zoek naar nieuwe kansen of sloten zich aan bij roversbenden. Lijfeigenen verlieten de landerijen, waaraan ze tot dan toe gebonden waren, omdat hun meesters stierven door de pest. De ontwrichting werd vergroot door de voortdurende oorlog en de toenemende belastingdruk om de kosten van de strijd te dekken. Vorsten zagen de burgerbevolking in de praktijk niet zozeer als onderdanen voor wiens welzijn ze verantwoordelijkheid droegen, maar veeleer als een geldmachine, een bron waarvan ze onbeperkt konden tappen om hun oorlogszuchtige hobby’s te financieren. Tot het uiterste gedreven kwamen gewone mensen uiteindelijk in verzet tegen de gevestigde orde: de Jacquerie van 1358 in Frankrijk en de Watt Tyler Rebellion van 1381 in Engeland waren voorbeelden van opstanden die opvlamden als gevolg van de ondragelijke belastingdruk, maar waarvoor de brandstof van onvrede zich over een lange periode had opgehoopt. Geweld, anarchie en ontreddering: de kaarten werden in de veertiende eeuw grondig geschud en zoals altijd in tijden van omwenteling, ging de teloorgang van de bestaande orde gepaard met het ontstaan van een nieuwe. De neergang van de ene klasse bood kansen voor de opkomst van een andere. Pas in de relatieve rust en economische bloei van de vijftiende eeuw werd duidelijk dat de stedelijke burgers als overwinnaars uit de bus waren gekomen en dat een groot deel van de kleine landadel het onderspit had gedolven. Je zou kunnen stellen dat het licht van de Renaissance werd ontstoken door het lopende vuur van de Zwarte Dood.

Stef dacht terug aan zijn gesprek met Jacques Déchelette in de schaduw van Mont Beuvray – hoe lang geleden was dat nu alweer? Die genoeglijke avond had gestaan in het teken van ondergangsscenario’s, maar de ‘waanzinnige veertiende eeuw’ zoals Barbara Tuchman die periode betitelde, was daarbij niet expliciet ter sprake gekomen. De overgang van een agrarische Middeleeuwse samenleving naar de meer stedelijk georienteerde wereld van de Renaissance was volgens het cyclische model van Spengler een voorbeeld van de opeenvolging van zomer naar de herfstperiode van een beschaving. Ah! Stef moest ineens denken aan het boek Herfsttij der Middeleeuwen, een standaardwerk over de Nederlandse en Franse geschiedenis van de veertiende en vijftiende eeuw dat was geschreven door de beroemde Nederlandse historicus Johan Huizinga. Die gebruikte de seizoensaanduiding in tegenstelling tot Spengler niet als etiket voor een bepaalde historische periode, maar om aan te geven dat het afliep met de Middeleeuwen. Toch zag ook Huizinga de voortekenen voor de nieuwe tijd in het verval van de oude.

Stef las nu dat de toren van Saugues zijn naam inderdaad dankte aan de plunderende Engelse huurlingen die er in de veertiende eeuw waren ingetrokken. Met behulp van zijn smartphone ontdekte hij dat de fameuze houwdegen Bertrand du Guesclin, Constabel – van comes stabula of ‘graaf van de stallen’ – van Frankrijk, door zijn koning Charles V in 1380 naar Saugues was gestuurd om daar een einde te maken aan een belegering door de Engelsen. In werkelijkheid ging het niet alleen om Engelsen, maar waren het allerlei huurlingen en bandieten die erop uit waren om de stad te plunderen. Op de begraafplaats van Saugues was zelfs nog een graf te zien van een Engelse ridder die in dat jaar 1380 om het leven was gekomen. De ironie was dat deze actie van de roemruchte Du Guesclin, die prominent figureerde in Barbara Tuchman’s succesvolle boek over die rampzalige tijd, tevens zijn laatste wapenfeit was. Hij overleed in datzelfde jaar.

Het was een uitputtende dag geweest. Hoewel Stef na het middaguur bijna een uur had geslapen op de hoge weide boven Saugues, werd hij op de camping weer overvallen door vermoeidheid. Een warme douche en het lezen maakten hem slaperig en hij dommelde weg in een droomloze slaap. Toen hij weer bijkwam voelde zijn lichaam stijf en gevoelig van de spierpijn. Een goudgele zon stond laag te schitteren in het water van de grote zwem- en visvijver naast de camping. Donkerblauwe wolkenslierten strekten zich als gretige vingers uit in de rode avondlucht. Met een laatste krachtsinspanning bereikte het afnemende zonlicht de twee torens van de stad, die van kerk en kasteel. Ze stonden als bewakers, ieder over zijn eigen domein – de een werelds en de ander hemels – boven het nederige leven van alledag. Als middeleeuwse tegenhangers van Yin en Yang koesterden ze zich in een warm patina van gouden stralen terwijl de duisternis al viel over de berghellingen op de achtergrond.

Stef bedacht dat als hij die avond nog iets wilde eten, hij moest voortmaken en op zoek gaan naar een restaurant of andere eetgelegenheid. Het begon al te schemeren toen Stef omhoog liep naar het centrum van Saugues. Hij wandelde wat rond in een buurtje nabij het centrum waar hij nog niet geweest was en kwam zo terecht in bistro Le Petit Chez Soi, een huiselijke eetgelegenheid die zich aan de straatkant presenteerde als bar-restaurant. Door het grote venster zag hij dat de inrichting helder en zakelijk was, maar niet op een moderne steriele manier. Vanwege het blank gelakte hout misschien een beetje in Ikea-stijl, maar de kwaliteit van de tafels en stoelen scheen hem wat deugdelijker dan die van de Zweedse zelfbouwmeubelen. Ook hierin openbaarde zich de rol van houtvesterij in de lokale economie en cultuur, meende Stef. Men leek zich hier zonder veel opsmuk te richten op mensen met een kleine beurs en aan de bar voerden enkele stamgasten zo te zien een serieuze discussie. Een paar mannen met grote eeltige handen en de verweerde koppen van boeren of herders die altijd in de buitenlucht werken probeerden zo te zien met heftige gebaren en stemverheffing hun argumenten kracht bij te zetten. Stef had de indruk dat hun opwinding iets verder ging dan de gebruikelijke zuidelijke passie. Toen hij binnenkwam onderbraken ze hun woordenwisseling en keken ze hem even argwanend aan, maar de vrouw achter de bar onthaalde hem vriendelijk en troonde hem mee naar het terras aan de achterzijde. Daar stonden enkele tafeltjes onder parasols. Er waren geen andere gasten, maar dat vond Stef best. Hij voelde zich wat gammel, niet alleen door de fysieke inspanningen van die dag, maar ook mentaal kon hij niet te veel meer verdragen die avond. Dat laatste dutje had zijn emotionele weerstand doen oplossen als een muur van suikerklontjes in een warme regenbui. De kaart van het restaurant was eenvoudig en bood ondermeer sandwiches, omeletten en een schotel met vleeswaren, kaas en salade. Het menu en de dagschotel waren vriendelijk geprijsd en veel van de gebruikte ingrediënten lokaal geproduceerd. Zijn gastvrouw wees hem op de plat du jour die deze dag bestond uit saucisse met aligot, een specialiteit van de streek waarover Stef al iets gelezen had en die volgens de vrouw een favoriet was bij de randonneurs en pelgrims. Het gerecht bestond uit een braadworst met een stevige puree die was samengesteld uit aardappelen, kaas en knoflook. Te oordelen naar de afbeeldingen die hij had gezien hield het resultaat het midden tussen een romige aardappelpuree en een vette kaasfondue. Stef was altijd te vinden voor een gastronomisch experiment en hij was zeker nieuwsgierig naar deze lokale bijzonderheid, maar het uitgebreide dagmenu bood ook lamskoteletten en daar kreeg hij opeens enorm veel zin in. Het was alweer lang geleden dat hij zijn tanden had gezet in het malse roze vlees van een lam. Zijn semi-vegetarische voorkeur voor visgerechten liet hij bij deze gelegenheid maar even voor wat die was. Hij vond dat hij na deze zware dag wel een beloning verdiend had en bestelde de lamskarbonaatjes à point gebakken. En zo zat hij enige tijd later genoeglijk te kluiven aan een lamsribbetje. Het peil in de halve karaf rode wijn die hij erbij besteld had daalde ongeveer net zo snel als dat zijn stemming opleefde.

Ook het gesprek aan de bar werd levendiger. Stef kreeg de indruk dat de gemoederen daar binnen hoog opliepen. Zijn gastvrouw kwam informeren of alles naar wens was en hij bestelde een tweede karaf wijn. Toen ze die even later kwam brengen wierp hij met zijn hoofd een vragende blik in de richting van het rumoer aan de bar. De vrouw maakte met haar handen een gebaar dat wanhoop leek uit te drukken. “Het komt allemaal door die zogenaamde maladie mystérieuse, die geheimzinnige ziekte waarover iedereen het tegenwoordig heeft.”

Stef spitste de oren bij deze mededeling. Hij wist uit ervaring dat mensen graag de eerste zijn die met een nieuwtje komen en om de ander aan de praat te houden deed hij alsof hij van niets wist. “Een geheimzinnige ziekte, zegt u? Daar heb ik niets van gehoord. Is er iets mis met het vee hier in Saugues?” opperde hij quasi- onwetend.

“Non, non, monsieur. Ik bedoel de pelgrimsziekte waar de televisie het de afgelopen dagen steeds over heeft. U bent niet op de hoogte?” Ze legde uit dat het televisiejournaal een verband suggereerde tussen een onbekende griep die zich over het Chemin de Saint-Jacques leek te verspreiden en meldingen van een aantal onopgehelderde sterfgevallen langs de route. Volgens zijn gastvrouw waren het allemaal opgeklopte berichten die voedsel gaven aan de zoveelste mediahype en daarmee de toeristenbranche verstierden. Ze wees daarbij veelzeggend op de lege tafels op haar terras. Stef knikte begrijpend en vertelde dat dit allemaal nieuws voor hem was, maar dat het hem wel was opgevallen dat de camping erg stil was. Daarmee leek hij haar verhaal te willen bevestigen. Aangemoedigd door zijn reactie voegde ze hem toe dat ook de Penitents zich lieten meeslepen door de algehele hysterie door die avond een processie te organiseren. De betekenis van dat laatste drong niet helemaal door tot Stef, omdat zijn aandacht werd opgeëist door zijn eigen gedachten over haar mededelingen. Eerst de opgewonden taferelen in de kathedraal van Le Puy, toen de ongerustheid van Kiki in Saint-Privat en nu weer geëmotioneerde gesprekken aan de bar in Saugues. Zijn stilzwijgen opvattend als een verschrikte reactie op haar verhaal, verontschuldigde ze zichzelf. “Neem me niet kwalijk monsieur, ik wilde uw maaltijd niet verstoren met al die onzin. Maar ik dacht….” Verward onderbrak ze zichzelf en hoofdschuddend liep de vrouw terug naar de bar.

Het was donker toen Stef Chez Soi verliet en de uitgestorven hoofdstraat van Saugues opliep. Toen hij afrekende in het restaurant waren de opgewonden bezoekers al vertrokken en op een enkel jong stel na dat in een stil hoekje rustig zat te praten was hij de laatste klant. Na de mededelingen van zijn gastvrouw over wat zij de pelgrimsziekte had genoemd was Stef de rest van zijn maaltijd in een diep gepeins verzonken geweest.Vanaf de dag dat hij de stervende Duitser langs de weg had gevonden bij Vézelay, was die ziekte een ongrijpbare, dreigende schaduw geweest die hem achtervolgde, als een onheilspellende wolk die door de wind van het lot zijn kant op werd geblazen. Oh, hij twijfelde er niet aan dat de berichten over een epidemie wel degelijk op waarheid berustten en dat er iets beangstigends in de lucht hing. Hij wist ook wel dat de me- dia garen sponnen bij berichten over onheil en rampspoed en dat de mensheid maar al te zeer geneigd was om verhalen over catastrofes gretig tot zich te nemen, te herkauwen en vervolgens in aangedikte vorm door te geven. Het was dan ook best voor te stellen dat verslagen over een eenvoudige griepepidemie door het proces van mondelinge herhaling uitgroeide tot het spookbeeld van een besmettelijke dodelijke ziekte. Ware het niet dat hij zelf in aanraking was geweest met tenminste twee personen die gestorven waren aan de gevolgen van een onduidelijke kwaal: de onbekende Duitser bij Vézelay en een van diens belagers. Dat hij al meer dan een week niets had vernomen van zijn Belgische vriendinnen op de westelijke pelgrimsroute was in het licht van de laatste ontwikkelingen dan ook buitengewoon zorgelijk. Hij had zich al voorgenomen om Livia en Madeleine die avond nog eens een tekstberichtje te sturen in de hoop een reactie met geruststellend nieuws te ontvangen, want diep in zijn hart vreesde hij het ergste. Ondertussen leek het wel duidelijk dat alleen al de berichten over de ziekte een afschrikwekkend effect had op de mensen. Het feit dat de GR65 die hij liep volgens de uitbaters van verschillende voorzieningen langs de route aanmerkelijk minder wandelaars trok dan normaal wees daar op. En de hysterische bijeenkomst die hij had meegemaakt in de kathedraal van Le Puy illustreerde dat de angst om zich heen greep.

Er hing die avond iets broeierigs in de lucht en een gouden halvemaan stond als een kattenoog boven de dreigende vormen van de Engelse Toren die gedompeld was in de oranje gloed van schijnwerpers. Een mistige sluier steeg op van het Velaygebergte in het oosten, alsof een leger van geesten was opgestaan in de vallei van de Allier en naar Saugues opmarcheerde. De wijn gaf Stef een soepele lichtvoetigheid die zijn eigen gang leek te gaan, alsof hij aan het stuur zat van een auto waarvan de wielen de grip op het wegdek waren verloren. Zijn geest vulde zich met zintuiglijke indrukken die werden aangevoerd door de nacht: de schimmelige stank van rottend afval uit een vuilcontainer in een steegje, benzinewalmen van achter een gesloten garagedeur, het wezenloze geknipper van de helgroene lichtreclame van een Pharmacie verderop in de straat en in de verte de knetterende uitlaat van een voorbijrazende motorfiets over de D589 op de berghelling boven Saugues. Vanachter de gesloten luiken van een appartement op de bovenverdieping van een winkelpand klonken de ingeblikte lachsalvo’s van een televisiekomedie en zijn neus ving een vleugje op van het bedwelmende aroma van iets dat op wierook leek en dat hij associeerde met een lijkengeur.

Gedreven door zijn nieuwsgierigheid en de behoefte aan frisse lucht liep hij een van de straatjes in die naar het oude centrum van de stad leidden. Een flakkerend licht reflecteerde tegen de gevels van de huizen en de bewegende schaduwen van verkeersborden, regenpijpen, straatlantaarns, rolluiken en schotelantennes creëerden een grillig en vervreemdend visueel patroon op de muren. Stef meende er macaber dansende gestalten en angstwekkende grimassen in te zien. Alsof de beelden van een andere werkelijkheid probeerden door te dringen in zijn wereld – twee televisiezenders op dezelfde frequentie. Hij moest denken aan de demonen die hij de afgelopen weken zo vaak op Romaanse kapitelen en friezen had bewonderd en voelde zich tot zijn eigen verbazing net zo ontvankelijk voor hersenschimmen als de eerste de beste middeleeuwse bijgelovige. Een geroezemoes dat uit het niets leek te komen en langzaam toenam in volume overstemde de avondstilte. De klanken kwamen hem vagelijk bekend voor. Er hing nu een duidelijke petroleumwalm in de lucht. Toen hij een hoek om ging zag hij de oorsprong van het onrustige lichtschijnsel: een fakkeloptocht.

Tenminste, dat was zijn eerste indruk. Gestalten en schaduwen drongen samen in wat op het eerste gezicht een feestelijke parade leek. Sommige deelnemers waren verkleed en anderen droegen op stokken allerlei symbolen met zich mee. Stef zag verschillende astrologische symbolen en een zon, een maansikkel en een paar sterren, maar ook kandelabers, bliksemflitsen en kruizen, zelfs het silhouet van een wolf verhief zich boven de menigte. Enkele mensen droegen een soort mijnwerkerslampen. De processie hield het midden tussen een carnavalsoptocht en een halloweenparade. Maar het gezang dat opklonk uit de kluwende menigte was klaaglijk, totaal niet feestelijk. Het klonk als het driftige gebed dat hij een paar dagen eerder had gehoord in de kathedraal van Le Puy, echter in een taal die hij niet verstond. Occitaans? Of iets ouders, een of ander verbaal overblijfsel uit een tijd dat duistere krachten de wereld regeerden, als in een horrorverhaal van H.P. Lovecraft? Nu hij dichterbij kwam zag Stef ook figuren gehuld in wat hij niet anders kon omschrijven dan als Klu-Klux-Klan gewaden, met kappen die het hele gezicht bedekten, zwarte gaten voor de ogen en punten die als Gotische spitsen naar het nachtelijk zwerk wezen. De meesten waren in het wit, maar sommigen hadden rode toga’s aan. De roden droegen een zware last op hun schouders waarin Stef bij het onrustige toortslicht de balken van een kruis herkende en inderdaad sjouwde een van de slachtoffers een groot houten kruis op zijn kromgebogen rug. Stuk voor stuk liepen ze aan een eind touw of ketting die werd vastgehouden door een van hun witgeklede broeders. Het leek op zo’n middeleeuws religieus boeteritueel dat je weleens zag in streng-katholieke landen zoals Spanje of de Philippijnen. De stokken met symbolen werden vooral gedragen door kinderen, zag Stef nu. Met ernstige gezichten marcheerden ze met lampionnen aan een stokje alsof het Sint-Maarten was. Tot zijn opperste verbazing zag Stef dat er ook een herder met een groepje schapen meeliep in deze Mars der Dwaasheid. De amechtig blatende beesten volgden een flagellant die zichzelf met een korte zweep geselde op de rug. Rode bloedvlekken sijpelden door het wit van zijn hemd. Stef stond even te knipperen met zijn ogen. Hij geloofde niet wat hij zag. Het leek wel of hij een verfilming van een veertiende-eeuwse nachtmerrie was binnengestapt, iets van de Italiaanse regisseur Pasolini. Of een tableau-vivant gebaseerd op een visionair schilderij van Jeronimus Bosch. Onwillekeurig keek hij even rond om te zien of hij geen camera’s zag, maar hij wist wel beter.

De klaagzang echode in de nauwe straatjes van Saugues en aangetrokken door nieuwsgierigheid kwam Stef dichterbij de menigte. Onder de deelnemers aan deze nachtelijke mars was blijkbaar onenigheid ontstaan over de te volgen route. Een groepje jeugdige fakkeldragers dat rumoeriger was dan de rest maakte zich na wat geduw en getrek los van de optocht en liep een zijstraatje in, de achterblijvers oproepend hen te volgen. Een aantal nieuwsgierigen ging achter hen aan, evenals enkele ouderen die zo te zien de dwaal-gasten met argumenten luidruchtig probeerden tegen te houden. Hun pogingen om de jongeren te overreden om zich weer bij de optocht te voegen waren hopeloos. Steeds meer mensen verlieten de hoofdgroep die geleid werd door de puntmutsen. Stef werd meegesleurd in het gedrang en bevond zich nu ergens achter de kerk. Het doel van de afgesplitste meute bleek een ruwstenen gebouw van twee verdiepingen dat aan een klein pleintje stond. Twee rijen vensters met zware bogen erboven en houten luiken aan weerskanten keken uit op de straat. Een kleurig modern uithangbord identificeerde het gebouw als het Centre d’Hébergement et des Activités. Het was een dorpshuis dat tevens onderdak bood aan pelgrims. Op de eerste verdieping brandde licht in een van de vertrekken en Stef zag de contouren van twee schimmen achter het raam. Uit de omringende straatjes stroomden de nieuwsgierigen nu toe, met hun fakkels en heidense symbolen op een stokje, verkleed of niet, sommige met gebalde vuisten in de lucht en luid scanderend: en bas les pélerins, en bas les pathogènes

Wat was dat nu? Had deze woedende menigte het op pelgrims gemunt? Pathogènes? Ah! Nu begreep Stef wat er aan de hand was. De paniek over een besmettelijke en mogelijk dodelijke ziekte richtte zich nu op de pelgrims. Zoals altijd in de geschiedenis kregen vreemdelingen de schuld van onheil dat zich niet liet verklaren. De schrik sloeg Stef nu om het hart, liep hij zelf gevaar? Hij keek om zich heen, maar niemand leek bijzondere aandacht aan hem te schenken. Alle blikken waren gericht op het venster op de eerste etage. Daar was het licht inmiddels uitgegaan. De ongelukkige bewoners van die kamer hadden zich gerealiseerd dat de optocht onder hun raam tot stilstand was gekomen. In plaats van de feestelijke aangelegenheid die ze misschien vermoed hadden, werden ze geconfronteerd met een woedende menigte die het blijkbaar op hen gemunt had. Zouden ze beseffen door welke angst deze mensen gedreven werden?

Daar vloog de eerste steen door een ruit. Kletterend vielen de scherven op het plaveisel. Stef zag nu ook een paar eieren kapotslaan op de gevel. Een triomfantelijk gejuich steeg op uit de losgeslagen menigte. Plotseling klonken er een paar luide knallen, de echo’s weerkaatsten door de zijstraatjes. Vuurwerk? Even was het stil, maar toen rees een luid gejammer op uit de groep. Stef meende dat hij een paar felle lichtflitsen had gezien in het gebroken venster op de eerste verdieping. Hij kon niet geloven dat dit werkelijk gebeurde: er werd van bovenaf geschoten op de mensen in de straat. Even stond hij als verlamd en in een vertraagde beweging zag hij een rondtollende fakkel in een boog door de lucht vliegen. Het brandende hout vond zijn weg naar het opengebroken venster en tuimelde het pelgrimsverblijf binnen. Er klonk nog een schot, een kreet en toen brak een pandemonium los. Gekrijs klonk op uit de opgewonden menigte en op de bovenverdieping vatte iets vlam. Mensen doken weg achter auto’s, vuilniscontainers en elkaar. Stef wist zich uit de voeten te maken door een zijstraatje in te hollen. Gejoel achtervolgde hem, maar hij keek niet meer om. In de verte hoorde hij nu het geluid van naderende sirenes.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.