3 | Pieken en dalen

De volgende ochtend begaf Stef zich weer bijtijds op pad. Hij ging rechtsaf bij de drie oude stenen kruizen die boven het toegangsweggetje van de camping stonden en volgde de vertrouwde routeaanduidingen voor de GR65 westwaarts. Even later liep hij over een wandelpad dat de rand van de kloof van de Allier volgde. Het onverharde spoor voerde langs enkele moestuintjes en Stef keek neer op de laatste huizen van Saint-Privat die langs de doorgaande weg beneden hem stonden. Aan de overzijde van de diepte lag op gelijke hoogte met zijn pad de steile rots waar het oudste deel van het plaatsje als een woekerend gewas tegenaan gegroeid was. Hij wierp een laatste blik op het plateau, waar aan de linkerzijde de platte, kale wanden van het kasteel een naadloze voortzetting vormden van de steile rotswand. Slechts de aanwezigheid van enkele vensters onthulden dat het om een door mensenhanden gebouwde structuur ging. Het kasteel had geen torens of andere architectonische toevoegingen en vanaf deze kant zag de burcht er uit als een grote stenen doos met een plat rood deksel. Midden op de tafelrots stak de plompe torenspits van het twaalfde-eeuwse kerkje uit boven het kasteel en de paar verspreide bomen die het plantsoentje ervoor wat schaduw gaven. De vorige avond was Stef omhooggeklommen door de nauwe straatjes aan de achterzijde van de tafelberg en had hij het uitzicht bewonderd vanaf het terras dat zich uitstrekte voor de ingang van het kerkje. Hij kon nu nog net het oorlogsmonument zien dat op de uiterste punt van het plateau was geplaatst.

Op de camping had hij vanuit zijn tentje zo ongeveer hetzelfde uitzicht gehad op de burcht. De kleine kampeerplaats was tot zijn verbazing nagenoeg verlaten toen hij daar de vorige middag was aangekomen. Er stonden een paar caravans en een enkele bungalowtent die waarschijnlijk toebehoorden aan Franse gasten die een permanente standplaats hadden. Maar van de bewoners ervan zag Stef geen spoor: geen geparkeerde auto’s of rondslingerende spullen zoals tuinstoelen, kinderspeelgoed of een barbecue. Later waren er enkele rondtrekkende toeristen aangekomen: een koppel Engelstalige fietsers dat naar hun accent te oordelen uit Ierland of Schotland afkomstig was en een klein groepje Spaanse studenten die zo te zien net als hij het pelgrimspad volgden. De camping lag in een kleine kom in de hellingen boven Saint-Privat en Stef had zijn tentje neergezet op het hoogste punt, op gelijke hoogte met het kasteel dat hij vanuit die positie nog juist kon zien tussen de omringende bomen door. Op het hogere deel van de helling achter zijn tentje scharrelde een kleine kudde grazende roodbonte koeien rond onder een paar hoogspanningsleidingen die als uitgezakte waslijnen in de lucht hingen. De kleine gemeentecamping had slechts één simpel gebouwtje met daarin toiletten, douches en wasgelegenheden. Het hok dat dienstdeed als kantoortje was verlaten, maar boven de deur hing een verwelkomend houten bordje met het opschrift ‘Chez Kiki’. Zoals wel vaker was het beheer van deze gemeentecamping een parttime aangelegenheid en het was gebruikelijk om na aankomst zelf een plaatsje te zoeken. De beheerder, niet zelden een vrouw die ook verantwoordelijk was voor de dagelijkse schoonmaakwerkzaamheden, kwam meestal aan het einde van de middag om de nieuwe gasten in te schrijven. In dit geval was dat dus Kiki. Die speelse meisjesnaam behoorde toe aan een stevige, maar joviale en voortvarende moederlijke vrouw. Even na vijven kwam ze in een glimmend gepoetst oud Renaultje het terrein oprijden. Ze opende de deur van haar kantoortje en begon wat met schoonmaakmiddelen heen en weer te lopen. Stef daalde af van zijn strategische uitkijkpunt om zich aan te melden en werd hartelijk ontvangen. Kiki had zichzelf ook de rol van voorlichtster toegeëigend en hield haar administratie bij tussen stapels folders met suggesties voor toeristische uitstapjes en wandelingen in de fraaie omgeving.

Omdat hij zich moest identificeren met zijn paspoort kon hij in dit geval niet de schijn ophouden dat hij uit Denemarken kwam. Zijn gastvrouw wilde weten of hij helemaal uit Nederland was komen lopen, maar omdat Stef niet in verband gebracht wilde worden met Vézelay en de ziekte die daar heerste loog hij dat hij een paar dagen eerder per trein naar Le Puy was gekomen. Hij hoopte maar dat zijn versleten uitrusting hem niet zou verraden. Maar Kiki had blijkbaar haar eigen zorgen en informeerde of hij in Nederland niets gehoord had over wat ze la fièvre des pèlerins noemde. Stef hield zich van den domme en vroeg haar wat ze bedoelde. Ze was erg mededeelzaam en Stef greep de mogelijkheid aan om de laatste lokale nieuwtjes te vernemen. Zo leerde hij dat haar vaste Franse gasten waren vertrokken vanwege de berichten over een besmettelijke ziekte die om zich heen greep. Nu hoorde Stef voor het eerst het verontrustende nieuws dat er in Bourgondië ook enkele sterfgevallen waren geweest die in verband gebracht werden met die griep. Hoewel de autoriteiten in de berichtgeving volhielden dat er geen aantoonbare relatie bestond tussen de ziekte en de doden wist Kiki te vertellen dat er onder de bevolking grote bezorgdheid heerste. Stef deed alsof hij voor het eerst hoorde van deze ziekte en toonde zich verbaasd en onaangenaam verrast. Maar tegelijkertijd probeerde hij haar gerust te stellen door erop te wijzen dat zulke berichten in de media vaak opgeklopt werden en dat het misschien allemaal wel meeviel. Kiki beaamde dat mensen zich soms lieten meeslepen door hun angsten. Ze had op het regionale televisiejournaal gezien dat de vorige dag zelfs in de kathedraal van Puy een opstootje was geweest van angstige gelovigen die bescherming tegen de ziekte zochten bij de Heilige Maagd. Omdat de berichten over fatale slachtoffers afkomstig waren uit de omgeving van Vézelay en Nevers, ging de aandacht vooral uit naar de noordelijke pelgrimsroute die door die plaatsen voerde. Ze vertelde dat er werd beweerd dat er in Duitsland al veel meer doden waren, maar het was moeilijk om een duidelijk beeld te krijgen uit de tegenstrijdige berichtgeving en de vele verwarrende geruchten. In ieder geval leken veel pensionhouders uit voorzorg hun gîtes en chambres d’hôtes voorlopig te sluiten, ook op de weg vanaf Le Puy. Kiki voorspelde dat het voor de pelgrims misschien nog wel lastig kon worden om onderdak te vinden, maar verklaarde ter geruststelling dat het voor Stef wel zou meevallen omdat hij een tentje bij zich had.

Terwijl Stef deze slechte berichten op zich liet inwerken en probeerde te vatten wat de nieuwe feiten betekenden en wat de implicaties waren voor hemzelf, stelde Kiki vast dat dit allemaal natuurlijk erg slecht was voor de toeristensector en dat ze twijfelde of ze de camping nu moest sluiten of niet. Die laatste mededeling leek een impliciete uitnodiging aan Stef om zijn mening te geven, maar hij was zo afgeleid door zijn eigen gedachten dat hij dat niet opmerkte.

Later die nacht had hij liggen peinzen over de verwikkelingen van de afgelopen dagen. Hij vond het maar vreemd en verwarrend, die berichten over ziekte en doden op de pelgrimsroute. Zou dat kunnen verklaren waarom hij geen berichten meer had ontvangen van Lieve en Madeleine? En Xavier? Waren zijn kennissen slachtoffer geworden van die geheimzinnige kwaal en hadden ze hun tocht moeten opgeven? Waren ze ziek huiswaarts gekeerd? Of erger? En wat moest hij nu zelf? Liep hij geen gevaar? Moest hij speciale maatregelen nemen? Zich laten onderzoeken door een arts of zich laten inenten of zo? Afgezien van de te verwachten slijtage ten gevolge van het lopen leek hij zelf nergens last van te hebben. Zijn verkoudheid had hij achtergelaten in de Forez en zelfs zijn anders zo gevoelige huid vertoonde geen sporen van irritatie of eczeem. Zonder antwoorden op de vele vragen en zonder duidelijke beslissing om iets speciaals te ondernemen was hij uiteindelijk in slaap gevallen.

De kloof beneden het pad week terug en de route van de GR65 voerde Stef weer naar een landelijk gebied waar gevlekte koeien loom stonden te grazen op hellende weides. Hij passeerde een gehucht met een paar boerenbedrijven en zag daarna een bordje dat wees naar de Chapelle de Rochegude. Volgens zijn gidsje was dat de volgende bezienswaardigheid op zijn route. Hij had nu weer prachtige vergezichten en in de dalen tussen de bergen in de verte hingen dikke pakken ochtendmist. Over een slingerende geasfalteerde weg liep hij omhoog een naaldbos in en plotseling maakte de sensatie van wijde, open ruimtes plaats voor de stilte en beslotenheid van het woud. Het riep herinneringen op aan zijn passage door de Beaujolais. Voorbij een bocht zag hij een ree de weg oversteken. Het dier stopte om hem voorzichtig gade te slaan. Ook Stef maakte pas op de plaats. Dieren reageren altijd sterk op beweging, dat geldt zowel voor prooi als belager, en Stef wilde de ree niet afschrikken. Op een afstand van vijfentwintig meter peilden mens en dier elkaar, als twee ridders die overwogen elkaar de doorgang over een brug te betwisten. Maar de betovering van het bevroren moment werd verbroken door het geluid van een naderende auto. De ree sprong sierlijk het struikgewas in en even later kwam een klein bestelautootje van een Pharmacie uit de tegenovergestelde richting met een flink vaartje aanrijden. De vrouwelijke bestuurder claxonneerde luid en week uit naar de andere kant van de weg om de onverwachte voetganger te ontwijken. Geschrokken stapte Stef de berm in en voordat hij kon omkijken was het voertuig alweer verdwenen om de volgende bocht in de weg. De stilte keerde terug in het bos en beduusd haalde Stef een paar keer diep adem in een poging om zijn hartslag te kalmeren. Na enkele ogenblikken had hij zichzelf weer onder controle en klom hij verder.

Door de open plekken in het groen was te zien dat hij nu op dezelfde hoogte kwam als de bergruggen die zijn horizon vormden. Rechts van de weg verscheen op de helling boven hem de langgerekte vorm van een muur van natuursteen die bij een grote boerderij leek te horen. En plotseling kwam hij uit het bos en tekende zich als de laatste tand in een kale onderkaak van een skelet aan het einde van de weg het donkere silhouet van een oude toren af tegen de hemel. De ruïne stond aan de rand van de golvende vlakte waarover hij was komen aanlopen. Een klein groepje boerenhuizen met rode daken had zich in een beschermend cordon gegroepeerd aan de voet van verhoging waarop de toren gebouwd was. Terzijde stond, iets lager dan de toren, de platte, geperforeerde klokkengevel van een kleine kapel, als de afgebroken wortel van een aangevreten kies naast die laatste tand.

Het gehucht Rochegude leek uitgestorven. Geen mens liet zich zien en op de dakrand van de kapel zaten twee zwarte kraaien die hem achterdochtig in de gaten hielden. Toen Stef dichterbij kwam vlogen ze luid protesterend op en hun naargeestige schorre kreten verijlden in de leegte van de diepe kloof achter de richel.

Het kapelletje van Saint-Jacques leek half vergroeid met de rots. Het was een intiem, onaanzienlijk ding, dat de sporen droeg van het bezoek door de vele pelgrims die hier dagelijks passeerden. Maar het uitzicht was spectaculair. Vanaf de uitstekende vulkanische rots keek Stef in het westen uit over de diepe kloof waar de Allier zich een weg doorheen baande. Hij stond nu op de grens van de vulkanische Velay en het hoogland van de Margeride. In zijn wandelgidsje las Stef dat de heren van de Velay en die van de Gévaudan elkaar eeuwenlang bestreden hadden om de controle over dit grensgebied van het hertogdom Aquitanië en het graafschap van Toulouse, twee grootmachten in het middeleeuwse Frankrijk. Links in de verte kon hij beneden in het dal het plaatsje Monistrol-d’Allier zien liggen en recht tegenover hem doemden aan de overkant de steile hellingen op die hij later die dag zou moeten beklimmen om bij Saugues op de vlakte van Gévaudan te komen.

De afdaling was niet gemakkelijk en vormde de eerste grote beproeving van die dag. Er was op sommige stukken nauwelijks sprake van een goed begaanbaar pad. De rood-witte markering bestond hier uit vage klodders verf op de ruwe schors van pijnbomen en een uitgesleten spoor stortte zich kronkelend en soms gevaarlijk steil tussen de bomen en struiken naar beneden. Over sommige rotsen was het eerder een klauterpartij dan een voettocht en deze route leek Stef zelfs gekkenwerk voor waaghalzen op mountainbikes. Na een flinke regenbui moest het onverharde pad volslagen onbegaanbaar zijn. Hij dacht aan Xavier en zijn bagagekarretje. De atletische Canadees zou het heel zwaar hebben om hier met zijn hele bepakking naar beneden te gaan, als hij deze route al zou nemen. Stef betwijfelde of dit stuk van de GR65 ooit onderdeel had uitgemaakt van de oorspronkelijke oude pelgrimsweg waar Xavier naar op zoek was. Op een informatiebordje had hij gelezen dat het vroegere kasteel van Rochegude – waarvan nu slechts die ene bouwvallige toren restte – in de Middeleeuwen een belangrijke doorgangsroute van en naar Spanje bewaakte. Bovenop de rots had het ongetwijfeld een strategische positie ingenomen, maar het doel was natuurlijk om de bewegingen beneden in het dal te observeren en te controleren, redeneerde Stef. Dat leek erop te wijzen dat de pelgrimsroute ergens langs de rivier beneden in het dal had gelopen. Misschien was het water in die tijd ook bevaarbaar geweest?

Voorzichtig manoeuvrerend zocht Stef zijn weg omlaag. Zijn geïmproviseerde wandelstok had weinig nut bij de gevaarlijke afdaling en met zijn vrije hand zocht hij zoveel mogelijk houvast aan takken en stammen van de bomen en struiken op de helling. De rotsige grond was onzeker en een paar keer brokkelden de stenen waarop hij zijn voet plaatste af en kon hij zichzelf nog net staande houden. Maar met zijn bepakking was het moeilijk om het evenwicht te bewaren en op een onbewaakt moment ging het mis. Hij gleed uit en belandde hard op zijn achterste. In een kleine lawine van grond en steen schoof hij ettelijke meters omlaag. Dat leverde Stef een gevoelig achterwerk op en een bult op zijn hoofd. Even dacht hij dat hij een bloedende hoofdwond had, maar het bloed bleek afkomstig van een vervelende schaafwond aan zijn hand en beduusd bleef hij even zitten om de blessure te reinigen. Toen hij opstond duizelde het hem even, maar hij kende dit soort situaties waarin de controle over waarneming en motoriek even niet meer vanzelfsprekend was. Met extra concentratie en aandacht vervolgde hij voorzichtig de afdaling, voetje voor voetje steun zoekend op de onzekere rotsgrond. Gaandeweg werd de helling vlakker, het pad beter begaanbaar en ging het lopen beter, hoewel Stef vanwege de pijn in zijn achterwerk een beetje met zijn been trok.

Halverwege de afdaling naar Monistrol kwam hij op een klein plateau waar de huisjes van het boerengehucht Pratclaux samenklonterden langs een stuk asfaltweg. Daarna ging het met haarspelden steil naar beneden. In de diepte kon Stef het spoorwegstation van Monistrol zien liggen vlak boven de Allier. Tussen ijzer en water lag een camping ingekneld. Stef zag de kenmerkende witte vormen van een paar caravans in de schaduw van de bomen. Het lopen ging nog moeizaam omdat zijn gekneusde bilspier opspeelde en toen hij stoffig en bezweet beneden aankwam had hij die ochtend al meer dan twee uur gelopen. Rochegude had op bijna duizend meter hoogte gelegen en nu stond hij ruim vierhonderd meter lager – Hij had dus een flinke afdaling achter de rug. En het was nog niet afgelopen met de hoogteverschillen op zijn route die dag.

Bij een voorbijganger informeerde hij naar een epicerie en die verwees hem naar het oude stadscentrum, aan de andere kant van het water. Hij werd de Rue des Jacquets ingestuurd en liet daarmee een lonkende oude kasteeltoren die op een bordje aangeduid werd als Tour Anglais links liggen. Het straatje lag ingeklemd tussen een rotswand en een rijtje huizen dat werd afgesloten met het gemeentehuis. Voorbij de Mairie maakte de weg een haakse bocht naar links en kwam Stef op een stalen brug die volgens een plaquette ontworpen was door Gustave Eiffel, de man van de Eiffeltoren en de staalconstructie van het New Yorkse Vrijheidsbeeld. Voordat hij die faam verwierf had de ingenieur zijn sporen verdiend als bruggenbouwer. De brug vormde dus een onverwacht historisch monument uit de tijd van de Industriële Revolutie. Hij liep door een tunnel van zigzaggende stalen verbindingen naar de overkant en keek uit over een nauwe kloof waar het water van de Allier snel doorheen spoelde. Op een lage rots aan de overzijde stond een oude waterkrachtinstallatie van waaruit in verschillende richtingen hoogspanningskabels omhoog liepen naar ijzeren masten op de omringende hellingen. Na enig zoeken vond Stef in een schilderachtig straatje met vakwerkhuizen een boulangerie-épicerie waar hij de nodige etenswaren inkocht voor die dag: brood, beleg, vruchtensap en fruit. Hij snoepte wat van het verse brood en bond de rest van de boodschappen goed vast op zijn rugzak. Met een banaantje in de hand vervolgde hij zijn weg.

Nu volgde wat ongetwijfeld de zwaarste klim was die hij tot dusver had ondernomen op zijn tocht. Net buiten Monistrol ging het pad steil omhoog tegen de vulkanische flank van de kloof, wat prachtige uitzichten opleverde, maar hem ook naar lucht deed happen. Hij voelde de aangename sensatie van verkoelende tintelingen rond zijn kale kruin, alsof zijn poriën openbarstten om het oververhitte zweet te verdrijven uit zijn hoofd. Heftig transpirerend liep Stef onder opmerkelijke steenformaties door, overhangende rotswanden en hexagonale kristallijne basaltzuilen die waren ontstaan door de stolling van vloeibaar gesteente. De vormen kwamen hem bekend voor, maar het duurde even tot hij zich realiseerde hoe dat kwam: veel Nederlandse dijken en zeeweringen zijn bedekt met zeskantige stenen die uit zulke vulkanische paaltjes gehakt worden. Langzaam ging het hogerop, op het laatst ongeveer één stap per moeizame ademhaling, waarbij hij zwaar op zijn staf leunde om zichzelf omhoog te duwen. Zwarte sterretjes explodeerden in zijn ogen en zijn halsslagaderen bonkten in zijn hoofd. Als een koppige automaat bewoog hij voort. De bult op zijn hoofd deed pijn en zijn hart klopte heftig in zijn ribbenkast. Om de paar stappen moest hij even pas op de plaats maken om op adem te komen.

Dit was het soort van situatie waarin hij verwachtte dat zijn hart het zou begeven en hij in eenzaamheid langs de kant van het pad de geest zou geven. Dat leek hem nog helemaal geen slechte dood, zo in de vrije natuur en in een spectaculaire omgeving. In ieder geval een dood die te verkiezen viel boven een pijnlijke aftakeling in een troosteloos verpleeghuis of in de bemoeizuchtige zorg van anonieme vreemden. Hij probeerde zich een voorstelling te maken van de gebeurtenissen na de vondst van zijn levenloze lichaam: de staat waarin hij gevonden zou worden, het identificatieproces en de repatriëring van zijn lichaam. En zijn begrafenis of crematie. Zou er een afscheidsbijeenkomst zijn? En wie zouden daar dan voor uitgenodigd worden? En wie zouden er überhaupt komen opdagen? En wat zou de slotsom van zijn leven zijn? Hij realiseerde zich dat hij veel zaken niet goed had kunnen regelen, vooral omdat hij eigenlijk geen naaste verwanten of andere nabestaanden had. Nu ja, er waren wel wat neven en nichten, maar ondanks de meestal hartelijke betrekkingen waren hun levens mijlenver verwijderd van het zijne. En zijn biologische kinderen waren vooralsnog verborgen in de anonimiteit en wisten nog minder van zijn leven dan zijn bekende bloedverwanten. Stef hoopte dat enkele van zijn oude vrienden hem zouden herdenken, maar ook daarover maakte hij zich weinig illusies. Hij had tijdens zijn leven zo’n beetje alle mensen, ondanks zijn openheid, op een afstand gehouden en daarmee een situatie gecreëerd waarin niemand hem werkelijk leek te kennen. Zijn verlangen om gekend en begrepen te worden had het altijd moeten afleggen tegen zijn neurotische onvermogen om duurzame en intieme banden aan te gaan. En vriendschapsbanden te onderhouden. Hoe graag zou hij zichzelf eens volledig willen verklaren aan de trouwe vrienden die hij door zijn emotionele defect zijn leven lang had buitengesloten, maar vanwege zijn diepgewortelde en oermenselijke sociale behoefte nooit helemaal had losgelaten.

Misschien moest hij in een zelfgeschreven In Memoriam voor hen maar eens uit de doeken doen hoe het kwam dat hij de boot van warme kameraadschap altijd zo had afgehouden. En ook postuum zijn dankbaarheid uitspreken voor het geduld en de aandacht waarmee ze altijd geluisterd hadden naar het gezeur over zijn relatieproblemen en zijn krampachtige pogingen tot zelfonderzoek liefdevol en geduldig hadden aangehoord en becommentarieerd. Hij zou ze willen laten weten dat hij uiteindelijk de oplossing van het raadsel van zijn onvermogen had gevonden. Dat er in zijn psychologische ontwikkeling al heel vroeg iets was misgegaan als gevolg van een aangeboren nervositeit in combinatie met emotioneel verwarrende omstandigheden tijdens zijn opvoeding. Iets dat niemand te verwijten viel omdat de gevolgen relatief moeilijk waarneembaar waren toen er nog iets aan gedaan kon worden en dat niet herkend werd toen de symptomen duidelijk de kop opstaken. En waarvan het gedrag zo diep ingeslepen was geraakt dat het onomkeerbaar was tegen de tijd dat het duidelijk werd wat er precies speelde: een hardnekkige hechtingsstoornis. En dat hij daarom, ondanks zijn verlangen naar een vaste partner, niet in staat was om zich te binden omdat hij in relaties telkens overmeesterd werd door heftige emoties die hij niet in bedwang kon houden. En dat die tegenstrijdige emoties veel verklaarden van de wispelturigheid en grilligheid van zijn gedrag. Dat daarom de tegenstrijdige kenmerken van zijn sterrenbeeld Tweelingen zo van toepassing leken en zijn karakter zowel een manische als een depressieve kant kon tonen. En dat zijn ambivalente houding ten opzichte van relaties met vrouwen in het bijzonder voeding had gegeven aan geruchten over zijn seksuele geaardheid, maar dat hij de verschillende homoseksuele aanbidders uit zijn jeugd wat dat betreft altijd had moeten teleurstellen. Dat hij zodoende steeds had geworsteld met de tegenstelling tussen willen en kunnen, een innerlijke worsteling die zijn levensloop had gestuurd en die verklaarde waarom hij niet geloofde in de Vrije Wil. En dat hij zich altijd een spreekwoordelijke vreemde eend in de bijt had gevoeld. Dat die afwijking van hem in hoge mate zijn persoonlijkheid had gevormd, dat hij als eenling en buitenstaander behept was met een grote nieuwsgierigheid en zich, naar zijn eigen mening, zo had kunnen ontwikkelen tot een scherpe observator van het menselijk gedrag. Dat hij daardoor enerzijds een hardnekkig criticus was geworden van menselijke dwaasheden en anderzijds een mild toeschouwer van het menselijk tekort en dat het hem speet dat hij zijn soms eigenzinnige en confronterende observaties zo hardnekkig had willen opdringen aan zijn dierbare vrienden. Dat zijn maatschappelijke carrière natuurlijk ernstig beperkt werd door de complicaties die het gevolg waren van zijn afwijking: onzekerheid, faalangst, stress, burn-out en depressies. Dat hij daardoor nog minder geschikt was geworden om relaties te onderhouden en de verantwoordelijkheden aan te gaan van huwelijk, een gezin met kinderen, een carrière en alle dingen die voor anderen zo normaal zijn en de sleutel vormen tot het levensgeluk dat voor hem zelf onbereikbaar bleef. En dat hij daarom op het laatst tevreden moest zijn met nederige baantjes zonder al teveel spanningen, zich prima op zijn gemak voelde in situaties waarbij kennis en vaardigheden vergaard konden worden, zonder de verantwoordelijkheid om die in de praktijk te moeten toepassen en dat hij zijn creatieve talenten slechts durfde te uiten binnen de besloten wereld van een zolderkamerartiest. En tenslotte dat zijn sociale situatie er een was van eenzaamheid, gecompenseerd door zelfgenoegzaamheid, waarschijnlijk een flinke portie egocentrisme en mogelijk enige mate van narcisme. Ecce Homo– zo was hij nu eenmaal en hij wenste dat mensen zich naast zijn gecompliceerde en gekwetste kant ook de meer aimabele, joviale en lichtvoetige aspecten van zijn karakter zouden herinneren.

Maar goed, hij hoopte maar dat hij nu nog even niet dood zou neervallen op deze rots in Frankrijk. Er was het nodige dat hij nog wilde doen in zijn leven, niet in de laatste plaats het afwikkelen van zijn nalatenschap. Niet dat die zo spectaculair was of dat hij zoveel rijkdommen had om te verdelen. Maar er waren enkele zaken die hij goed wilde regelen, zoals de website met het archief van West-Indische vliegers dat niet verloren mocht gaan en een goed tehuis moest krijgen. Wat hem betreft bij voorkeur bij een Britse instelling die affiniteit had met het onderwerp, zoals het Royal Air Force Museum in Londen of misschien de London Metropolitan Archives. Met beide organisaties had hij daarover weleens contact gehad, maar hij was er nog niet aan toe geweest om afscheid te nemen van wat hij beschouwde als zijn geesteskind. Ook wilde hij voor zijn biologische kinderen graag nog iets schrijven over zijn eigen leven, zodat ze zich een voorstelling konden maken van hun genetische vader en zijn afkomst. En er was ook een heel familiearchief van agenda’s en dagboeken dat terugging tot zijn grootvader en dat hem omvattend en interessant genoeg leek om als tijdsbeeld te bewaren voor de sociale historici van de verre toekomst.

Terwijl hij voor de zoveelste keer zijn waterfles aan de lippen zette keek hij om zich heen en drongen de details van het schitterende uitzicht pas goed tot hem door. Beneden in de diepte stroomde de rivier door haar nauwe bedding naar het noorden. Achter zich keek hij neer op Monistrol, een miniatuurstadje dat uit de kloof van de rivier omhoog wilde kruipen. Een stuk spoorlijn verdween in een tunnel vlak bij de Eiffelbrug met haar meccano-constructie. Daar vlak achter stond de industriële hal van de oude elektriciteitscentrale op haar rots aan de waterkant, in de schaduw van de moderne verkeersbrug die zich in een elegante slanke vorm hoog over het ravijn uitstrekte. De ronde middeleeuwse Tour Anglais op de rechteroever vormde het sluitstuk van deze opeenstapeling van menselijke inventiviteit en bouwlust. Alles keurig gerangschikt als op een modelspoorbaan. Om dat beeld compleet te maken zag Stef in de tegenovergestelde richting, schuin vòòr zich, de indrukwekkende stenen bogen van een spoorbrug die zich op lange poten tussen twee tunnels over het ravijn verhief.

Onder een gewelf van overhangende basaltkristallen werd enkele tientallen meters boven zijn hoofd de gevel van een kapel zichtbaar. Het gebedshuisje leek zich te willen verstoppen in een horizontale spleet in de rotswand. Het was een chapelle troglodyte. Stef had gelezen dat deze Chapelle de Madeleine oorspronkelijk een heidense rituele ontmoetingsplek in een grot was, totdat het als christelijk heiligdom in de zeventiende eeuw werd afgesloten met een Classicistische gevel. Het laatste stuk omhoog bestond uit een lange trap van ruwe stenen tegen de verticale rotswand.

Met trillende benen van de inspanning en zwaar steunend op zijn bourdon beklom Stef de laatste traptreden naar het halfverborgen bouwsel. De ligging onder een overhangende rots herinnerde hem aan het klooster van Juan-de-la-Peña aan de Spaanse kant van de Pyreneeën, waar volgens een bekende overlevering de Heilige Graal naartoe gebracht zou zijn vanuit Jeruzalem. Happend naar lucht en doorweekt van het zweet zakte hij door zijn knieën toen hij de laatste traptreden naar het gemetselde stenen plateau voor het kapelletje bereikte. Uitkijkend over de vallei zat hij met een heftig bonzend hart op de trap uit te puffen als een overbelaste stoommachine. Zijn blik speurde naar het silhouet van Rochegude, maar de rotspunt aan de overkant lag juist buiten zijn blikveld, links van hem achter de overhellende rotsformatie waaronder de kapel zich verscholen hield voor de elementen.

Hij moest weer denken aan Livia en Madeleine, het Vlaamse tweetal dat hij nu bijna een maand geleden had ontmoet in Vézelay. Daar hadden ze samen de kathedraal van Maria-Magdalena bezocht en de verwarrende geschiedenis van de relikwieën van de vrouwelijke metgezel van Jezus besproken. Stef moest glimlachen bij die aangename herinneringen. Madeleine, met haar ironisch provocerende blik en Livia bij wie hij zoveel warme empathie had gevoeld dat hij gemakkelijk verliefd op haar zou kunnen worden. Waar waren ze nu? Het verontrustte hem dat hij nog altijd geen levensteken van hen ontvangen had. Maar ach, waarop baseerde hij de verwachting dat ze uitgerekend juist hèm zouden informeren over hun belevenissen en vorderingen? Een aangename en onderhoudende middag in Vézelay? Het zat er dik in dat de dames sindsdien vele gelijkaardige ontmoetingen hadden gehad en dat de herinnering aan die oude Hollander uit Vézelay met zijn merkwaardige verhalen alweer verbleekt was in het licht van meer recente belevenissen. Of waren ze toch slachtoffer geworden van die mysterieuze pelgrimsziekte? Hij nam zich voor om die avond nog eens een tekstberichtje te sturen om te informeren naar hun vorderingen. Misschien dat ze hem iets meer konden vertellen over die vreemde griep.

Door dit gepeins duurde het even voordat hij opmerkte dat hij niet alleen was. Toen hij opstond om het gebouwtje beter te bekijken zag hij op een bankje voor een rijtje natuurlijke nissen in de rotswand naast de kapel een wandelaar zitten in het warme zonnetje. Het was Günther, de hoogbejaarde Duitser die hij de vorige dag ontmoet had bij de Chapelle Saint-Roch in Montbonnet. Deze begroette Stef enthousiast: “Hallo, mein Dänischer Freund. Herzliches wilkommen in diesem schönen Aussichtspunkt!”

Stef moest even omschakelen naar het Duits en zichzelf eraan herinneren dat hij zich bij de ander geïntroduceerd had als Deen. “Hallo Günther! Wat een verrassing. Ik had jou hier niet verwacht. Mensch, wat een steile klim is dit zeg.”

Dat kon de bejaarde Duitser alleen maar beamen. Hij zag er ook wat verwilderd uit, alsof hij zojuist had liggen rollen in het stof. Het bleek dat Günther de vorige middag was doorgelopen naar Monistrol en daar op de camping naast de rivier had overnacht. Stef vond dat een opmerkelijke prestatie voor een man van in de tachtig en complimenteerde hem daarmee. Maar hoe opgewekt de senior ook scheen, Stef meende ook iets van wanhoop te bespeuren. De beklimming van deze ochtend was hem zwaar gevallen en Günther leek zich zorgen te maken over hoe hij verder moest, bang dat hij gestrand was halverwege de rotshelling. Bezorgd informeerde hij bij Stef of die meer wist van de route van de GR65 en of ze al bijna op het hoogste punt waren. Toen Stef een beetje bijgekomen was haalde hij zijn gidsje tevoorschijn en samen bekeken ze de kaartjes en het hoogteprofiel. Het goede nieuws was dat de route naar Saugues bij lange na niet zo ver de hoogte inging als hun etappe van de vorige dag vanaf Le Puy over de Velay. Daar stond tegenover dat de klim van vijfhonderd meter van Monistrol naar het hoogste punt op ongeveer elfhonderd meter over een afstand van ongeveer drie kilometer genomen moest worden. Dat was een langdurige bestijging van gemiddeld één meter omhoog per zes strekkende meter, een helling van ruwweg zestien procent. Maar Stef sprak het vermoeden uit dat het meest steile stuk nu achter hen lag en dat de rest van de weg omhoog minder zwaar zou zijn. Dat leek Günther een beetje gerust te stellen en terwijl ze een appeltje deelden informeerde Stef belangstellend naar de achtergrond van de bejaarde.

Het aardige van oude mensen is dat ze zoveel geschiedenis meedragen en Stef vond het vaak een onderhoudende uitdaging om ze daarover aan het praten te krijgen. Meestal was daar niet veel voor nodig en bovendien spraken reizigers nu eenmaal graag over hun belevenissen en ervaringen. Günther was bepaald geen uitzondering op die regel. Integendeel. Duidelijk blij dat hij een gehoor had gevonden na dagen of weken in een Frans taalisolement te hebben verkeerd, begon hij vol enthousiasme te vertellen over zijn leven. Zo kwam Stef erachter dat Günther in Berlijn was opgegroeid tijdens de oorlog en daar de Russische bezetting had meegemaakt. Alsof hij onwillig was om te spreken over die tijd bleef zijn verslag over die dramatische periode wat vaag. Na de oorlog had hij in de DDR, het communistische Oost-Duitsland, carrière gemaakt als onderwijzer. Hij was zelfs hoofd geworden van een middelbare school, wat bij Stef het vermoeden deed rijzen dat Günther met de politieke wind was meegezeild en in die functie ongetwijfeld zijn handen niet schoon had kunnen houden. Voor zover hij wist was zo’n beetje iedereen in die tijd een informant geweest van de Stasi – de Staatsveiligheidsdienst – en een hoofd van een school leek hem bij uitstek iemand die kennis had van wat er leefde onder intellectuele jongeren. Informatie waar de communistische partijleiding natuurlijk graag over beschikte. In ieder geval had Günther na de val van de Berlijnse Muur de vrijheid met beide handen aangegrepen en sinds zijn pensionering niet bepaald stilgezeten. Hij had zelfs een avontuurlijke reis gemaakt als bemanningslid van een replica van een klassieke Chinese jonk die van Hamburg naar Zuid-Amerika zeilde. Dat verhaal klonk nogal fantastisch en Stef wist werkelijk niet of Günther nu een bona fide avonturier was of een fabulerende opschepper. Er was geen mogelijkheid om de waarheid te achterhalen, maar in ieder geval was hij een onderhoudende verteller. En het was een feit dat de tachtigjarige hier nu wel voortploegde op het Jacobspad.

Het was buitengewoon aangenaam om in het warme zonnetje te zitten keuvelen met een fantastisch uitzicht over de Allier. Maar de tijd vloog en ze moesten het onvermijdelijke vervolg van hun dagtocht onder ogen zien. Stef nam zich voor om een stukje met de ander samen te lopen om hem moreel te steunen bij de rest van de zware klim die voor hen lag. Dus daalden de mannen af van het terras bij het tempeltje en klommen ze langs de rotswand verder omhoog over het steile pad. Even later kregen ze Rochegude weer in zicht. De toren stond nu volop in het zonlicht te blinken op de grijze rots die omhoogstak uit het groen van de hellingen aan de overkant van de vallei, een grijze puist op een mat van boerenkool. Een grote witte wolkenpartij begon zich te vormen boven de horizon achter de ruïne. De massa waterdamp bolde op als een grote ballon die langzaam werd opgeblazen. De hemel boven hun hoofden was nu strakblauw en met de snelheid van het licht schoot de zon haar hele spectrum van elektromagnetische straling genadeloos op hen af.

Even later stonden ze in het gehucht Escluzels weer naar lucht te happen en vonden daar een waterbron waar ze met hun handen gretig het water uitschepten om hun verhitte gezichten en armen af te spoelen. De verleiding was groot om bij het koele water opnieuw uit te rusten, maar Stef wilde voortmaken en deze zware etappe graag zo spoedig mogelijk achter zich laten. Dus stapten ze langzaam maar gestaag verder omhoog tegen de bergrug, maar zoals Stef voorspeld had was het gelukkig niet zo steil meer. Het tweetal vorderde traag langs de kleine stoffige weides en een paar maal hielden de mannen even een korte pauze om op adem te komen terwijl ze het zweet van hun gezichten veegden en een slok water dronken. Uiteindelijk hoorden ze boven zich het geluid van voorbijrijdende auto’s en na enkele slingers van de landweg stonden hun voeten plotseling op het verweerde asfalt van de D589. Luid toeterend schoot er juist op dat moment een bestelauto voorbij. Het Dopplereffect van het passerende claxongeluid klonk uitgerekt als een stroperige echo van de elektriciteitsdraden boven het dal.

Günther had het zwaar en het bleek nu dat hij tijdens de bestijging had lopen nadenken over een alterna- tieve route naar de volgende halteplaats. Hij vroeg aan Stef waar de doorgaande weg naartoe leidde. Toen die hem vertelde dat dit volgens hem de weg was die Le Puy via Saint-Privat verbond met Saugues en de rest van de Margeride, knikte de Duitser nadenkend. “En het pelgrimspad gaat hier aan de overkant verder omhoog?

Tegen die helling op?”, informeerde hij met een zorgelijke blik op de massieve groene muur die zich aan de overzijde boven de weg verhief.

“Mhhhm”, bevestigde Stef afwezig, door hitte en vermoeidheid niet goed in staat om zich te concentreren op de conversatie.

“Ik weet niet of dat voor mij dan zo’n geschikte route is”, opperde Günther. “Misschien is het beter als ik de rijweg volg. Ik denk dat die minder steil omhoog gaat dan het voetpad. En misschien stopt er wel iemand om me een lift te geven.”

Stef slaagde er eindelijk in om de werkelijkheid weer enigszins scherp in beeld te krijgen. Hij zag de logica wel van wat zijn metgezel voorstelde, hoewel hij niet erg optimistisch was over de kans dat een Franse passant zou stoppen om een bejaarde Duitser een lift aan te bieden. Maar als hun wegen hier zouden scheiden dan kon hij in ieder geval weer in zijn eigen tempo lopen en alleen zijn met zijn eigen gedachten en observaties. Hij sprak zijn twijfels dus niet uit en hoopte maar dat hij ongelijk zou hebben met zijn pessimisme over het meeliften. En mocht het liften niet lukken, dan was dat niet zo’n erg grote ramp. De afstand over de weg leek volgens de kaart niet zoveel te verschillen van die van het wandelpad, maar de verkeersweg had het voordeel dat hij minder de hoogte in ging. In dat opzicht was de weg dus minder zwaar om te lopen dan de wandelroute. Hij zag ook wel dat Günther het moeilijk had en die dag waarschijnlijk niet veel verder meer zou komen. Dus Stef besloot positief te blijven. “Ja, daar zit wel wat in. En als je een lift krijgt ben je misschien nog wel eerder in Saugues dan ik”, zei hij opgewekt. En om het afscheid niet te zwaar te maken voegde hij er op luchtige toon aan toe: “Dan kun je me trakteren op een biertje wanneer ik je daar uitgerust en schoongewassen aantref op een terras.”

Hij voelde er niet veel voor om de ander te vergezellen op zijn afwijkende parcours. Uiteindelijk liep hij toch liever alleen en zo’n klim over een verlaten bospad naar het onbekende was precies het soort uitdaging waar hij erg veel genoegen aan beleefde. Mits hij zijn tempo tenminste zelf kon bepalen, hij zonder bezwaar kon pauzeren wanneer hij wilde en zich kon overgeven aan de intense beleving van een dergelijke inspanning. En hij was natuurlijk benieuwd naar het uitzicht daarboven. Hoewel Stef zich wel schuldig voelde omdat hij de bejaarde in zijn worsteling aan zijn lot overliet, suste hij zijn geweten met het argument dat Günther veel minder kans maakte op een lift als hij in het gezelschap van een medepelgrim verkeerde. Elkaar het beste wensend namen de mannen hartelijk afscheid van elkaar, hoewel de Duitser teleurgesteld leek dat ze niet samen verder gingen. Stef stak de weg over, terwijl Günther zijn weg vervolgde in de berm langs het asfalt.

Het eerste stuk in het bos aan de overkant van de weg was minder steil dan hij verwachtte. Wel waren er een paar vermoeiende slingers in het pad omhoog. Het was aangenaam koel in de schaduw van de bomen en hoewel hij nog steeds langzaam vorderde viel het ademhalen Stef nu minder zwaar. Een zwerm bromvliegen had zijn zweetlucht opgevangen en zoemde zenuwachtig rond zijn hoofd, hem achtervolgend totdat hij weer in de volle zon liep. Na twee kilometer tegen de berghelling op lopen bereikte hij Montaure, een nuchter buurtje met twee of drie boerderijen zonder veel tierelantijnen dat op net iets meer dan duizend meter hoogte lag. Het leek er uitgestorven, slechts een paar blaffende honden lieten zich horen. Met zijn rug tegen een warme steen gezeten in het gras naast de weg rustte hij even uit. Daarna was het afgelopen met het zware klimwerk, hoewel het pad wel flauw bleef stijgen. Tot het hoogste punt op ruim elfhonderd meter in de buurt van Rognac zo’n zes kilometer verderop.

Tot aan Vernet liep hij voornamelijk tussen de kleine akkertjes, maar daarna werd de omgeving wilder en het pad ruiger. Hij kwam door een landschap dat bestond uit bosjes naaldbomen, weides met wilde witte bloemetjes, kruidige bermen met bloeiende gele latyrus en stapels rotsblokken met kleurige korstmossen. Als indringers uit een andere wereld trokken hoogspanningsmasten hun zwaarmoedige lijnen door de lucht.

Bij Vernet werd Stef verwelkomd door een levensgroot wit gipsen beeld van een wandelaar met rugzak en stokken. Het zag er broos uit en hij vroeg zich af of het brokkelige gips de winter zou overleven. Aangetast door de wisselende temperaturen van de seizoenen zou het beeld er in een jaar tijd misschien uitzien als iets dat een archeoloog had opgegraven. In het plaatsje zelf trof hij een sierlijke waterbron, maar het verleidelijk klaterende water was bestemd voor het vee en niet geschikt voor menselijke consumptie. Gelukkig had hij zijn fles kunnen bijvullen in Escluzels en was hij zuinig geweest met zijn voorraad. Het was nu het heetst van de dag en de zon stond in een bleke hemel te blakeren. Vogels en insecten waren stilgevallen en Stef voelde een sterke aandrang om zich te voegen naar het ritme van de natuur en een siësta te houden. Daarom keek hij tussen Vernet en Rognac uit naar een schaduwrijk plekje waar hij zijn middagpauze kon doorbrengen en een uiltje kon knappen. Nu het zwaarste deel van zijn parcours achter hem lag had Stef het gevoel dat hij het wel wat rustiger aan kon doen. Hij moest zich nu zo ongeveer op het hoogste punt van de route naar Saugues bevinden en volgens zijn kaartje was het nog zo’n vijf of zes kilometer bergafwaarts naar het stadje zelf. In een bosje langs de weg vond hij een comfortabel plekje uit de brandende zon en zittend met zijn rug tegen een boomstam pakte hij de ingrediënten voor zijn lunch uit.

De zon stond in het westen en scheen op zijn gezicht toen Stef ontwaakte uit een onrustige sluimer. Hij moest in een diepe slaap zijn gevallen en kon zich niets herinneren van zijn dromen. Zijn hoofd gloeide alsof hij een dag aan het strand had doorgebracht zonder zich in te smeren met zonnebrandcrème en zijn gekneusde achterwerk was stijf van de val van die ochtend. Enigszins licht in het hoofd zocht hij op de automatische piloot zijn spullen bij elkaar en pakte hij de restanten van zijn lunch in. Zijn lichaam protesteerde tegen al die activiteit en Stef moest zichzelf er heel geconcentreerd toe dwingen om weer op gang te komen en de bepakking op zijn rug te hijsen.

Rognac lag een halve kilometer verderop bij een klein beekje en bestond ook al uit niet meer dan een verzameling oude agrarische bedrijfsgebouwen en boerenwoningen die opgetrokken waren uit natuursteen. Eén boer had een grote moderne stal laten bouwen aan de rand van het gehucht. Tot hier had Stef achter zich in het oosten nog de randen van de kloof waar de Allier zich doorheen schuurde kunnen zien, duidelijk afgetekend in het golvende berglandschap. Maar even voorbij de laatste boerderij van Rognac verdween de geografische spleet achter de glooiende akkertjes en weides en opende zich in het westen een adembenemend vergezicht over het plateau van Gévaudan. Omgeven door een horizon van bultige ruggen leek de vlakte die voor hem lag op een verzakking in de aardkorst. Of een oeroude krater die ontstaan was door de inslag van een meteoriet.

Niet lang daarna kreeg hij de bijeen geveegde hoekige vormen van een stadje in zicht. Dat moest Saugues zijn, het eindpunt voor die dag. Het kubistische rood-witte conglomeraat van gebouwen contrasteerde sterk met het groen en gele lappendeken van het omringende land. De bebouwing leek op het diepste punt van de verzakte vlakte te liggen, alsof het gewicht van de huizen zwaar op de Aarde drukte. Er ging een koude rilling door hem heen, in een flits gevolgd door de sensatie dat hij een andere wereld binnenstapte, een stukje Frankrijk dat door haar geografische isolement ontsnapt was aan de verwikkelingen van de moderne tijd. Een soort Verloren Wereld zoals in Arthur Conan Doyle’s boek, of misschien stond hem iets te wachten dat leek op de film Strawdogs?

Het gevoel in een andere wereld verzeild te zijn geraakt werd versterkt door enkele merkwaardige grote houten sculpturen die langs het pad stonden. Afdalend in de richting van Saugues passeerde hij een fantastische voorstelling van een kandelaar met brandende kaarsen die leken op falussen. De armen van de kandelaar waren gevormd uit een vertakte boomstam die uit de grond oprees. De voorstelling was grof gezaagd en gebeiteld uit het ruwe hout. Stef concludeerde dat het een stuk volkskunst moest zijn, voortgekomen uit de lokale houtvesterij en vervaardigd met gebruik van kettingzagen en grote bijlen. Een forse Jacobsschelp die was gesneden in het ongepolijste hout van een van de dikke takken vormde een duidelijke aanwijzing dat dit verstilde lichtbaken bedoeld was om pelgrims te verwelkomen. Op de armen van de kandelaar waren sierlijke guirlandes en een paar gestileerde dierfiguurtjes gehakt, alsof het hier een betoverde tuin betrof. Een eekhoorn en een uiltje keken hem met dode houten ogen na. Even verderop stond een verwelkomende surrealistische totempaal met een sierlijke abstracte vorm op de top, als een bevroren extatische danseres vijf of zes meter boven de grond. In het licht van de late middagzon zag het er een beetje spookachtig uit. Stef schrok daarom toen onverwachts een groepje kraaien luid krassend opvloog uit de schaduw aan de voet van de paal. Het leek alsof ze hem welkom heetten in een bizarre fantasiewereld.

Hij zag dat het stadje in de diepte gedomineerd werd door een enkele zwarte toren die in het centrum naast de kerk oprees. Het was een hoekige donjon die met zijn geaccentueerde verticale lijnen en puntige uitsteeksels niet zou misstaan in een gotische horrorfilm. Er diende zich zelfs een vervaarlijk monster aan in dit hallucinante landschap. Een stukje terug stond langs de doorgaande weg die hij moest oversteken een metershoog houten beeld van een afschrikwekkend gedrocht in dezelfde grof gehakte stijl als de andere

kunstwerken op de helling. Dat moest een voorstelling zijn van het legendarische monster van de Gévaudan waarover Stef had gelezen in zijn gids. Met zijn opengesperde muil en ontblote tanden zag het gevaarte van roestbruin houtsnijwerk eruit als een krokodil met gespitste hondenoren en een lang gestrekte gekartelde hagedissenstaart die zich verhief op massieve olifantspoten. Maar de tepels aan de onderzijde van het lange lijf herinnerden aan het klassieke beeldje van de wolvin die Romulus en Remus voedde – een onverwacht gevoelig detail. Die associatie met het moederlijk instinct was verraderlijk, want volgens de verslagen had een grote wolf in de achttiende eeuw in een periode van drie jaar tijd een honderdtal vrouwen en kinderen vermoord en verslonden op de vlakte. De ophef daarover was zo groot geweest dat koning Lodewijk XV zijn eigen jagers stuurde om het beest te vangen. Zonder succes overigens. Uiteindelijk was het een lokaal boertje dat erin slaagde de mensetende wolf te doden. Het beeld stelde dus geen mythische kruising tussen de Grote Boze Wolf en de Hound of the Baskervilles voor, maar was een historische illustratie van de geïsoleerde primitieve wildernis die hier nog bestond toen elders in Europa de eerste stappen op weg naar de industrialisatie gezet werden. De houten verschijning hield de blik dreigend gericht op het stadje waarvan het de bewoners eens terroriseerde, als een afschrikwekkende aankondiging van een toekomstige terugkeer.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.