1 | De stad van de vulkanen

Als een insluiper probeerde Stef vroeg in de ochtend Le-Puy-en-Velay onopgemerkt binnen te komen. De voorafgaande nacht had hij in het wild gekampeerd op een beschut veldje dat uitzicht bood op het machtige kasteel van Polignac. Het gekartelde silhouet waarmee de kantelen en de toren van de oude burcht een stuk uit de nachtelijke hemel hapten verhief zich dreigend boven het omringende landschap van een langgerekte vruchtbare vallei. Strategisch gesitueerd op een grote, platte rots die met haar steile wanden veel weg had van een tafelberg in de Amerikaanse woestijn, controleerde de imponerende donjon de toegangsweg naar de pelgrimsstad waarvan het nachtelijk schijnsel in het oosten de hemel verlichtte. De stad zelf was niet te zien, die lag een paar kilometer verderop in een diepe kloof die in de loop van miljoenen jaren was uitgesleten door het stromende water van de Loire en de Borne, de twee riviertjes die bij Le Puy samenvloeiden.

Stef was wakker geworden bij het krieken van de dag, zoals dat heet, en inderdaad klonk het geluid van enkele kraaiende hanen van verre over de velden. Na een laatste klim tegen een heuvelrug keek hij in de bocht van de weg plotseling neer op de oude bedevaartplaats. Onaangetast door de eroderende krachten van wind en water waren twee pieken van basalt in de kloof overeind blijven staan, hoge rotsen van stollingsgesteente die in een andere era de kernen van vulkanen op de bodem van een oerzee waren geweest. Nu vormden ze de sokkels voor de drie belangrijkste bezienswaardigheden van de stad. Het meest in het oog springend was het grote bronzen Mariabeeld dat boven op de hoogste en grootste rots – de Corneille – stond. De sculptuur van Madonna-met-kind was gegoten met het brons van de Russische kanonnen die de Fransen in 1855 hadden veroverd tijdens de Krimoorlog. Die oorlog werd in de Engelssprekende wereld vooral beroemd vanwege het optreden van Florence Nightingale en de heroïsche, maar au fond suïcidale Charge of the Light Brigade die Alfred Lord Tennyson bezongen had in het gelijknamige gedicht. Een eenheid Britse lichtbewapende cavalerie had zich vanwege een domme communicatiefout op een batterij zware Russische kanonnen gestort. Into the valley of death, rode the six hundred …. Theirs not to reason why, theirs but to do and die. Voor de Fransen was het de overwinning van onder anderen generaal Patrice de MacMahon die deze imperialistische oorlog gedenkwaardig maakte. Hij hield er een Senaatszetel – een opstapje naar zijn latere presidentschap – aan over.

De belangrijkste toeristische trekpleister van Le Puy was natuurlijk de kathedraal van Notre-Dame, het onderkomen van de beroemde Zwarte Madonna. Die kerk stond halverwege de Corneille op een verhoogd plateau dat ook wel de Mont Anis genoemd werd, naar een waterbron die daar in vroeger tijden ontsprong. Alweer een waterbron op een rots? vroeg Stef zich af. Hij moest denken aan Bibracte en Mont Beuvray. De lekkage van de aardkorst leek wel een Leitmotiv in de compositie van het historische Franse landschap. En ja hoor, zijn gidsje maakte melding van een heidense tempel die rond het begin van de jaartelling op de klif had gestaan. Ook hier had de magie van het spontaan opwellende water een spirituele ontmoetingsplaats gecreeerd. Omdat puy op dezelfde manier werd uitgesproken als puits, dat stond voor ‘put’ of ‘bron’, meende Stef aanvankelijk dat de stad haar naam dankte aan de waterbron op de Anijsberg. Maar nu leerde hij dat ‘puy’ vertaald moest worden als ‘piek’ of ‘top’.

Vanaf de plek waar Stef uitkeek over de stad verhief zich op de voorgrond de Rocher d’Aiguilhe, een granieten kolom van ruim tachtig meter hoogte met als spits een minikerkje dat zo te zien alleen bereikbaar was via een steile trap die als een klimop tegen de rots omhoog draaide. De naam betekende zoiets als ‘de naaldrots’ en dat deed Stef denken aan een van de zinloze vragen waarmee middeleeuwse scholastici zich volgens protestantse critici bezighielden: ‘hoeveel engelen passen er op de punt van een naald?’ Het was een surrealistisch gezicht: omdat het niet goed voor te stellen was hoe men in de Middeleeuwen de benodigde bouwmaterialen zo’n tachtig meter omhoog had gekregen tegen de steile naald, leek het wel alsof een godde- lijke hand het kapelletje kant-en-klaar in één keer boven op de natuurlijke zuil had geplaatst.

Stef daalde af over de oude weg vanaf Polignac die in de flank van de kloof omlaag leidde. Zo kwam hij in het oude plaatsje Aiguilhe, nu een wijk van Le Puy, dat zich aan de voet van de gelijknamige rots gevormd had. De zon stond in een halfbewolkte hemel van pastelkleurige vlekken te stralen en de stad maakte zich op voor een nieuwe dag. De vroege stilte werd verscheurd door het geratel van de eerste ijzeren rolluiken die werden opgetrokken voor een Bar-Tabac-Presse en een enkel bestelbusje reed zijn rondje om de ochtendbladen af te leveren bij de kiosken en winkeltjes. Uit een zijstraatje kwam de sensuele geur van versgebakken brood aandrijven en een vrouw gooide met een plons een emmer water op de stoep van haar patisserie, waarna ze die met een bezem begon te schrobben. In een klein straatje dat met haar kleurige parasols, geparkeerde scooters en middeleeuwse gebouwtjes deed denken aan het decor voor een Italiaanse film, vond Stef een terrasje dat op dat vroege uur al geopend was. Met uitzicht op een paar kleine middeleeuwse gebouwtjes slurpte Stef tevreden aan de dampend hete mok café-au-lait die samen met twee croissants zijn ontbijt vormde.

Hij hoopte maar dat zijn achtervolgers zo vroeg op de dag nog niet actief zouden zijn en al naar hem uitkeken. De kans dat hij herkend zou worden leek hem gelukkig niet zo groot omdat zijn uiterlijk niet meer overeenkwam met het signalement dat men had kunnen opstellen naar aanleiding van de korte ontmoeting in Vézelay – wat naar hij meende de enige keer was dat men hem daadwerkelijk had gezien. Zijn gezicht was inmiddels meer gekleurd door het lopen in de zon, maar belangrijker was dat zijn gelaatstrekken nu grotendeels verborgen gingen achter een grijze baard met wat rosse vlekken, een nieuw petje met een flinke zonneklep en een grote dameszonnebril die hij onderweg had aangeschaft. Omdat hij wist dat mensen een gevoelig zintuig hadden voor lichaamshouding en beweging en hij zich daarmee niet wilde verraden, had hij zijn wandelstokken ingeschoven aan zijn rugzak gehangen en een stevige houten tak met zijn zakmes bewerkt tot een heuse pelgrimsstaf. Vanouds was zo’n bourdon voor de pelgrim niet alleen een steun bij het lopen, maar ook een wapen tegen wilde dieren en kwaadwillenden. Stef hoopte dat het niet zo ver zou komen dat hij zich er daadwerkelijk mee moest verdedigen en verwachtte dat hij achtervolgers zand in de ogen zou kunnen strooien door zich op een andere manier voort te bewegen.

Op dit tijdstip waren de straten nog grotendeels verlaten en de dagelijkse stroom toeristen en pelgrims was nog niet op gang gekomen. Mochten zich al verdachte figuren in het straatbeeld ophouden, dan zouden die hèm eerder opvallen dan andersom, dacht Stef. Hij had zich voorgenomen om eerst een paar uurtjes rustig de stad te verkennen alvorens zich te melden op de camping die onder de rotspunt lag, aan de oever van de Borne. Omdat hij op die manier de grote gastenverblijven voor pelgrims die de stad rijk was kon mijden, hoopte Stef ook buiten het zicht van de meest voor de hand liggende zoekplaatsen te blijven.

Het middeleeuwse bouwwerk tegenover het terrasje wekte zijn nieuwsgierigheid, vooral toen hij in zijn gidsje las dat het een heiligdom van de roemruchte Tempeliers betrof. De geschiedenis van die orde van religieuze ridders was gehuld in allerlei fantastische overleveringen. Ze golden als beschermers van pelgrims naar het Heilige Land, maar vergaarden vooral veel rijkdom als internationale bankiers die een soort Travellers Cheques voor bedevaartgangers en kruisvaarders uitgaven. Door die ongrijpbare meervoudige rol van monniken-bankiers-ridders werden ze in verband gebracht met zowel fabelachtige schatten als de grootste christelijke mysteries. Stef hechtte zelf weinig waarde aan de opgewonden samenzweringstheorieën over verborgen goud, geheime genootschappen of esoterische mystieke inzichten. Maar er was een tijd geweest dat hij smulde van hermetische pseudokennis, verborgen wijsheden en verhalen over alchemisten en occulte krachten. En als goedgeaard romanticus had hij nog altijd een zwak voor zulke mysterieuze vertellingen. Het viel hem direct op dat de kapel gewijd was aan Saint-Clair – een naam die ergens een belletje deed rinkelen. Waar was Janusz als je hem nodig had voor zijn kennis over heiligen? Hij zocht even op het web en ja hoor, al snel vond hij een verband met De Da Vinci Code, de omstreden esoterische bestseller van Dan Brown over een vergezochte complottheorie en de afstammelingen van Jezus Christus. Niet alleen was het de naam van de vrouwelijke hoofdpersoon in de roman, maar de historische Sir William Saint-Clair was ook de bouwer van de Rosslyn Kapel in Schotland, de locatie waar de ontknoping van dat vergezochte verhaal zich afspeelde. De Schotse schrijfwijze van Saint-Clair was natuurlijk de veel voorkomende naam Sinclair. Het betekende allemaal niets en toch was het verleidelijk om de gepresenteerde feiten met elkaar in verband te brengen en er een patroon in te zien dat een bepaalde verborgen betekenis suggereerde. De wereld kreeg nu eenmaal meer smaak door dergelijke imaginaire toevoegingen.

Stef was zich daar goed van bewust, maar toch kreeg hij een schok toen hij het binnenplaatsje naast de octagonale kapel betrad. De vloer was geplaveid met een schaakbordpatroon van grote witte kiezels en rode bakstenen, maar in het midden bevond zich een vierkant met vijfentwintig letters. Hij herkende de tekst onmiddellijk, want diezelfde woorden droeg hij sinds zijn eerste reis naar Griekenland in 1971 altijd bij zich op een amulet dat hij zelf vervaardigd had van een stuk blik en een paar leren bandjes. Een van de hippies waar hij mee omging op het Griekse eiland had hem de tekst getoond. Hij had het leren kennen als een Magisch Vierkant waarvan de betekenis hem altijd onduidelijk – en daardoor aangenaam mysterieus – was gebleven, maar de woorden en hun rangschikking waren hem blijven intrigeren. Onder elkaar geplaatst kon je de woorden SATOR, AREPO, TENET, OPERA en ROTAS in vier richtingen lezen zonder dat de tekst veranderde. Letterlijk vertaald had het voor zover hij wist iets te maken met een ploeg en een zaaier die de draaiende wielen vasthield. Dat waren nogal archetypische begrippen waarmee je alle kanten op kon voor een interpretatie. Nooit had Stef vermoed dat er een christelijke betekenis verborgen lag in die cryptische formule. Hij had altijd gemeend dat het een kabbalistische vondst was die Europese magiërs zich hadden toegeëigend als een soort toverspreuk tegen het kwaad of zoiets. De magie bestond er voor hem zelf uit dat hij het object met de opmerkelijke formule nu al meer dan vijftig jaar bij zich droeg, waardoor het een heel persoonlijke beteke- nis voor hem had gekregen. Alsof het alleen al door het verstrijken van de tijd opgeladen was met iets van hemzelf. Nu las hij op een informatiepaneel dat de letters van deze Carré Magique als bij een potje Scrabble anders gerangschikt konden worden tot ze tweemaal het woord paternoster vormden – het begin van het traditionele katholieke gebed: Onze Vader… Omdat de letter N slechts eenmaal beschikbaar was, vormden de woorden een kruis rond die middelste letter. De letters die daarna nog overbleven waren tweemaal de A en tweemaal de O, oftewel tweemaal Alfa en Omega, de eerste en laatste letters van het Griekse alfabet. Daarmee werd in het laatste Bijbelboek, Openbaringen, verwezen naar Christus die aan het begin en aan het einde der tijden stond. De spreuk van het Magisch Vierkant zou op die manier tijdens de christenvervolgingen in het Romeinse Rijk een soort code geweest zijn waarmee gelovigen elkaar konden herkennen. De oudste bekende afbeelding bevond zich in Pompeï en stamde dus van vòòr het jaar 79, toen de uitbarsting van de Vesuvius de kustplaats bedekte onder een metersdikke laag as en lava.

Een tijdje later zat Stef in het zonnetje met zijn rug tegen de Sint-Michaelskapel op de top van de granieten naald van Aiguilhe. Het uitzicht over het omliggende landschap was indrukwekkend. Hij bevond zich op gelijke hoogte met de vlakte die Le Puy omringde en keek neer op de stad zelf die tachtig meter beneden hem lag uitgespreid als een tapijt van rode dakpannen gedrapeerd over de flanken van de Corneille en de dalen van de Borne en haar zijriviertje de Dolaizon. In een kaarsrechte lijn wees een straatje van de voet van de rots via de kapel van Saint-Clair naar de Notre-Dame, halverwege de helling van de Kraaienrots, zoals hij Rocher Corneille vertaalde. Alleen het lelijke Mariabeeld op het hoogste punt van de stad en de toren van de kathedraal staken uit boven de golvende lijn van de horizon. Onwillekeurig moest hij denken aan het klooster van Mont Saint-Michel waar hij tijdens zijn eerste vakantie met Vera een betoverende nacht had doorgebracht. Hij was er nog eens teruggekeerd toen hij met zijn vader de stranden van de geallieerde invasie van 1944 bezocht. Gelegen op een eilandje in het oksel tussen Normandië en Bretagne had ook die rotspunt een spectaculair uitzicht geboden over de wijde omgeving. Het had waarschijnlijk te maken met zijn reputatie als drakendoder dat de heiligdommen van Sint Michael op zulke hooggelegen plaatsen te vinden waren. Stef kon zich wel een voorstelling maken van mythische gevechten tegen vliegende draken op bergtoppen. Ze moesten wel ontsproten zijn aan dezelfde heidense traditie als de vliegende monsters in de fantasiewereld van Tolkien.

Stef las nu op het web dat een oude bekende, Bernard van Clairvaux, betrokken was geweest bij de oprichting van de Tempeliersorde door ze een aangepaste versie van de Cisterciënzer kloosterregels te verschaffen. Dat plaatste het ontstaan van deze organisatie van religieuze ridders in de periode niet lang vòòr de reis van Eleanor van Aquitanië naar de Oriënt. Wat overeenkwam met de tijd tussen de verovering van Jeruzalem in 1099 tijdens de eerste kruistocht en de tweede kruisvaart van 1147, waar Eleanor als vijfentwintigjarige koningin deel van uitmaakte. Stef zag in het kleurige mozaïek en andere bouwkundige en ornamentele details overeenkomsten met de bouwstijl van het Normandisch Sicilië van de Hautevilles. Met name het klooster van Monreale bij Palermo had vergelijkbare gedraaide zuiltjes met ingelegde gekleurde stenen. Daarin vielen zowel Byzantijnse als Arabische invloeden te herkennen en het illustreerde dat er in de elfde en twaalfde eeuw een vruchtbare culturele uitwisseling op gang kwam tussen Orient en Occident. Dat was in ieder geval een aantrekkelijk erfenis geweest van de kruistochten.

De oorspronkelijke kapel op de Rocher d’Aiguilhe was nog van vòòr die tijd. Al in 961 was er een klein oratorium, een plaats voor gebed, op de rots opgericht. Om de stroom pelgrims te kunnen verwerken werd er in de twaalfde eeuw een kleine kloostergang omheen gebouwd. De plattegrond van die uitbreiding had de vorm van een gespiegeld vraagteken waarvan de punt de ingang vormde en de kronkel om de oude kapel boog. De lage, donkere gewelven van dat ambulatorium riepen de merkwaardige sensatie op van een ondergrondse crypte die zich nochtans bijna honderd meter boven de begane grond bevond. Op de wanden en plafonds zag Stef als door een historische mist van wierook in het schemerduister de vervaagde en verweerde restanten van wandschilderingen die ooit helder gekleurd waren geweest. Schimmen van witte paarden, exotische dieren, heiligen en bisschoppen doken op als geestverschijningen uit een mystiek verleden. Stef leerde dat ze de geschiedenis van de Drie Wijzen uit het Oosten uitbeeldden. Dat was in het licht van de kruistochten en de nieuwe contacten met de Oriënt een interessante keuze, vooral als je bedacht dat de heidense moslims door het overgrote deel van de westelijke christenen gezien werd als barbaren. De vierkante kapel zelf was zo’n acht meter hoog en diffuus licht viel naar binnen door kleine vensters die aan alle zijden hoog in de muur waren geplaatst. Het chiascuro onthulde uitbundige fresco’s uit de tiende eeuw waarop Christus, heiligen en engelen te zien waren in een hemelsblauwe achtergrond. Boven de uitgang was de opgeven hand van God geschilderd: ter waarschuwing of ter zegening?

Aan het einde van de ochtend daalde Stef af van zijn verheven positie om op zoek te gaan naar een plek om zijn tentje te plaatsen voor de nacht. De camping Bouthezard lag net aan de overkant van de ringweg rond het stadscentrum, ingeklemd tussen de rots van Aiguilhe en het water van de Borne. Vanwege het vroege tijdstip hoopte hij dat er nog plaats was op de camping, die door zijn ligging op loopafstand van alle bezienswaardigheden ongetwijfeld druk bezet zou zijn. Maar hij gokte dat de meeste nieuwe gasten later op de dag zouden arriveren en dat de kans dat iemand naar hem zou uitkijken rond dat tijdstip dan ook het grootst was. Ondanks zijn vermomming leek het hem raadzaam om alert te blijven en de nodige voorzichtigheid te betrachten. De gedachte kwam in hem op dat hij Xavier misschien zou treffen, maar dat was meer de hoop dan een realistische verwachting. Hij had nog altijd geen reactie van de Vietnamese Canadees ontvangen op de tekstberichten en foto’s die hij hem gestuurd had uit de Forez en Stef had geen flauw idee waar zijn tijdelijke metgezel zich op dat moment bevond. Het lag misschien meer voor de hand dat hij Matthieu en Stephan tegen het lijf zou lopen in de stad. Maar die zouden – als ze in Le Puy waren – wel onderdak gevonden hebben in een van de grote pelgrimsverblijven die de stad rijk was.

De camping was niet volgeboekt en Stef kon zonder probleem zijn trekkerstentje opzetten in de schaduw van de bomen niet ver van het riviertje. Vanachter de bosjes aan de overzijde van het water klonk een regelmatig droog ge-tak-tak dat wees op de nabijheid van een tennisbaan. Hij had geprobeerd een gesprek aan te knopen met de jongedame aan de receptie om te peilen of er veel andere pelgrims op de kampeerplaats verbleven, maar ze had nogal afhoudend gereageerd op zijn vragen, alsof ze iets te verbergen had. Dat was een merkwaardige, haast ongastvrije houding voor iemand die werkzaam was in de toeristensector. Stef kwam er zo dus niet achter of er campinggasten waren die een bedreiging voor hem konden vormen. Het hoogseizoen was blijkbaar nog niet begonnen en her en der stond een caravan of camper met een Duits nummerbord, maar het terrein stond bepaald niet vol. De sanitaire voorzieningen hadden duidelijk betere tijden gekend en waren nodig toe aan een opknapbeurt, maar na een aantal nachten in de open lucht zonder welke faciliteiten dan ook zag Stef geen reden tot klagen. Hij deed een wasje en verschoonde zichzelf en terwijl zijn wasgoed hing te drogen deed hij een dutje.

Die middag beklom Stef de steile trappen die toegang gaven tot de massieve boogconstructies waarop de eigenlijke Notre-Dame gebouwd was. Wat eruitzag als een grote toegangspoort bovenaan de steile trappen was eigenlijk de ingang naar de onderaardse gewelven. De gevel torende hoog boven de toegang uit, maar het vloerniveau van de kerk bevond zich bijna twintig meter bòven de ingang. De kathedraal was ooit begonnen als een klein kapelletje, maar bij opeenvolgende uitbreidingen was het godshuis als een veel te ruime kroon over de top van Mont Anis gegroeid. Het grondplan van de kerk was inmiddels een stuk groter dan het oppervlak van de piek waarop zij stond, zodat er een complex van gewelven tegen de rots aan gebouwd was om voldoende basis te creëren. Zodoende bevond de ingang zich nu op een lager niveau dan de kerkvloer en kwam men via een brede trap door de gewelven in het middenschip vlak voor het koor de kerk binnen. Na deze dramatische entree stond Stef onder een spectaculaire constructie van bogen die de grote koe- pel droegen waardoor een betoverend licht naar binnen viel.

De kathedraal had gedurende vele eeuwen haar betekenis als pelgrimskerk behouden en het interieur weerspiegelde die geschiedenis in de variatie aan monumenten in de uiteenlopende stijlen uit verschillende periodes. De aankleding vormde een collage met elementen die varieerden van gebeeldhouwde reliëfs uit de Romeinse tijd tot twintigste-eeuwse religieuze schilderingen. Voor Stef was dat allemaal wat te veel van het goede. Hij gaf de voorkeur aan de zuiverheid van bescheiden Romaanse kerkjes waar in de loop der tijd niet al te veel aan toegevoegd was.

De belangrijkste relikwie die de kerk bezat was ongetwijfeld de beroemde Zwarte Madonna waaraan Le Puy haar reputatie als bedevaartplaats dankte. Maar toen Stef dacht dat hij het bijzondere beeldje gevonden had boven het altaar van de kerk, sloeg de verwarring toe. De madonna was gehuld in een wijdvallend rood gewaad met gouden stiksels dat als een tent in een driehoek afhing van haar schouders. Het gekroonde hoofdje van haar zoon Jezus stak uit die katholieke wigwam alsof de pasgeboren Heiland een spelletje kiekeboe speelde met zijn publiek. Dat kolderieke vertoon werkte Stef op zijn lachspieren en hij kon zich ternauwernood inhouden. Gods wegen zijn inderdaad ondoorgrondelijk wanneer zo’n komische voorstelling zoveel devotie kan oproepen, dacht hij. Maar goed, hij keek nu eenmaal niet met middeleeuwse ogen of door de bril van een gelovige pelgrim.

In het bezoekersfoldertje dat hij had gepakt las Stef dat dit beeldje stamde uit de zeventiende eeuw en pas in 1844 in de kathedraal van Le Puy was geplaatst. Dat viel niet te rijmen met het feit dat de Heilige Moeder hier al in de Middeleeuwen vereerd werd. Stef stond voor een raadsel. Nadat hij de folder nog eens helemaal had uitgevouwen en bij het gedempte licht aan een nadere inspectie had onderworpen, ontdekte hij dat er nòg een zwart Mariabeeldje in de kathedraal stond, namelijk in de kapel van het Heilige Sacrament aan de noordzijde, ook wel de Relieken Kapel genoemd. Maar om de verwarring nog groter te maken meldde de tekst dat het oorspronkelijke middeleeuwse beeldje tijdens het hoogtepunt van de Franse Revolutie vernietigd was op een brandstapel. Het leek verdorie wel of het bisdom een puzzeltocht had uitgezet voor de aanbidders van haar vereerde maagd. De Madonna-met-kind die in de kapel tentoongesteld werd in een zeventiende-eeuwse reliekschrijn was dus een replica van latere datum. Eenmaal in de kapel gekomen zag hij dat in ieder geval de stilering van dit houtsnijwerk beter paste bij de Middeleeuwen dan het naturalisme van het anatomisch correcte beeldje boven het altaar in het koor. Deze baby-Jezus was bijvoorbeeld weergegeven als een volmaakt miniatuurmensje met een veel te klein hoofd, waardoor het leek alsof de Madonna een pop op schoot had, een soort heilige action figure. Nu las hij ook dat de herkomst van deze Zwarte Madonna om- streden was. Algemeen werd aangenomen dat Lodewijk de Heilige haar had meegenomen uit Egypte, waar zijn kruistocht naar Jeruzalem in het jaar 1250 was gestrand. Maar over dat verhaal van de afkomst van het beeldje verschilden de meningen blijkbaar. Het was niet eens zeker of het gelaat van de Madonna en dat van haar kind vòòr de vijftiende eeuw al zwart gekleurd was. Men kon niet uitsluiten dat de verkleuring van het hout het gevolg was van een natuurlijk proces, bijvoorbeeld door de eeuwenlange inwerking van de walm van kaarsen en wierook. Bij later onderhoudswerk zou dat effect versterkt zijn met zwarte verf onder de invloed van het Oudtestamentische boek Hooglied waarin de tekst Nigra sum sed formosa te lezen was, wat ‘ik ben zwart maar mooi’ betekende. Stef vond het daarom opmerkelijk dat de handen van zowel moeder als kind wèl blank gelakt waren.

De kapel was met een glazen toegangsdeur afgezonderd van de rest van de kerk en volgens een bordje bij de ingang voorbehouden aan stilte en contemplatie. De afgesloten ruimte vormde een intieme oase van rust. Het gedempte licht en geluid riepen een nadrukkelijk serene sfeer op en in de houten banken zat een enkele bezoeker in gebed verzonken. Uit piëteit nam Stef plaats op een van de achterste rijen en wachtte tot de ander vertrokken was zodat hij daarna in alle rust het houten beeldje van dichtbij kon bestuderen. Met de vermeende Egyptische oorsprong van het relikwie in het achterhoofd trachtte hij zijn eigen theorie over haar afkomst te vormen. De hele vormgeving van het beeldje, zowel de gelaatstrekken als de lichaamsbouw en de patronen van de gewaden, wezen volgens Stef in de richting van wat hij dacht te weten van de Ethiopische Orthodoxe kerk. De voorstelling van het kindje Jezus als miniatuurmensje had de frisse naïviteit die vaak zo kenmerkend is voor Afrikaanse volkskunst. Maar ja, datzelfde kon gezegd worden van veel andere religieuze afbeeldingen die in Europa gemaakt waren in de Middeleeuwen. Het Romaanse beeldhouwwerk dat hij de afgelopen weken zo vaak had bewonderd op kerkgevels, zuilen en in kloosters had dezelfde expressieve stilering. De gelaatstrekken waren niet bepaald negroïde te noemen – de neus van de madonna was lang en smal. Maar naar de mening van Stef waren mensen afkomstig uit de Hoorn van Afrika vaak slank en tenger gebouwd, dus de vorm van het gezicht sloot in dit geval een Afrikaanse oorsprong niet uit. De kroon van Maria met de duif als symbool voor de Heilige Geest erop herinnerde Stef aan bepaalde Byzantijnse voorstellingen, wat natuurlijk niet mèèr hoefde te betekenen dan dat er een verband was met een vroege christelijke traditie. Vooral de kleuren en de patronen van de gewaden van Maria en Jezus kwamen hem exotisch voor en riepen associaties op met de uitbundige stoffen waar veel Afrikaanse vrouwen zich nog altijd in hulden. Ook de lichaamsbouw van de madonna, met brede heupen en forse dijen, leek volstrekt niet op de Europese afbeeldingen van vrouwen uit de Middeleeuwen die Stef kende. Tenslotte was de linkermouw van het gewaad van de Maria afgezet met een band waarop goudkleurige ornamenten stonden die best wel eens slecht overgeschilderde lettertekens zouden kunnen zijn, bijvoorbeeld Hebreeuws of Ethiopisch. Hij wist wel het een en ander van verschillende schriftvormen, een belangstelling die ooit begonnen was bij de mysterieuze Egyptische hiërogliefen en de Griekse letters die in de wiskunde gebruikt werden. Na zijn middelbare school had hij zelfs een beetje Arabisch geleerd en zodoende was Stef in staat om het Arabische schrift te ontcijferen – of toch in ieder geval de bestemmingen van Marokkaanse bussen te lezen en zijn eigen naam te schrijven – en hij had ook nog ooit een half jaar Russisch gestudeerd aan het Poesjkin Instituut. Typografie was trouwens een vakgebied waarin hij zich professioneel verdiept had in de tijd dat hij werkzaam was als grafisch ontwerper. Al met al vond hij zelf zijn oordeel over de symbolen op de kleding van de madonna dus niet helemaal ongefundeerd. Een oriëntaalse of zelfs Afrikaanse oorsprong van het beeldje leek hem alles bij elkaar genomen niet uit te sluiten. Het was een intrigerende puzzel die zijn belangstelling voor mysteries prikkelde en zijn speurzin opwekte.

Maar de meditatieve stilte van de kapel leverde wat dit mysterie betreft geen openbaring op en toen de komst van een groepje pelgrims zijn concentratie verstoorde besloot hij zijn bezichtiging van de kathedraal te vervolgen. Zodoende belandde hij in de vroegere Sacristie achter het koor en trof daar een winkeltje waar je souvenirs, prullaria, maar ook serieuze kunsthistorische boeken en dergelijke kon kopen en zelfs een Pelgrimspaspoort, het carnet du pèlerin, kon aanschaffen. Stef vond er een klein drukwerkje dat helemaal gewijd was aan de Zwarte Madonna van Le Puy dat hij kocht om later eens op zijn gemak te bestuderen.

Toen hij uit de Sacristie kwam werd zijn aandacht getrokken door een ritmisch geroezemoes dat galmde door de kerk en leek te komen van de andere zijde van het koor. Het geluid deed hem denken aan het extatische zingzeggen van Boeddhistische monniken dat hij weleens had horen klinken vanuit tempels in Azië. Nieuwsgierig begaf hij zich in de richting van het geluid. Nadat Stef een hoek omsloeg zag hij een opgewonden groep gelovigen die zich ophield in de passage aan de noordkant van het koor. Het geluid dat hij had gehoord was een gebed dat in hoog tempo werd uitgesproken en herhaald, een ritmische herhaling van strofen die iedere vijf seconden met de regelmaat van een uurwerk onderbroken werd door het woordje ‘Amen’. Het was wat hij herkende als het Weesgegroetje, een gebed gericht aan Maria dat zijn katholieke familieleden vroeger opzegden met een rozenkrans in de hand. De meeste deelnemers spraken het gebed uit in het Frans, maar onder het overheersende Sainte Marie, Mère de Dieu, Priez pour nous, pauvres pécheurs, Maintenant, et à l’heure de notre mort, Amen… klonk uit een enkele mond ook de Latijnse versie Sancta Maria, Mater Dei, ora pro nobis peccatoribus, nunc et in hora mortis nostrae… en hier en daar hoorde Stef de woorden zelfs in een andere taal. Hij meende flarden van het gebed op te vangen in het Duits en Italiaans. Door de snelle uitspraak van het gebed regen de woorden zich aaneen tot een onverstaanbare bezweringsformule …PriezpournouspauvrespécheursMaintenantetàl’heuredenotremortAmenSainteMarieMèredeDieu… Deze samenzang kon hij niet goed plaatsen en Stef nam aan dat hij hier getuige was van een bijzonder katholiek ritueel dat hem onbekend was, misschien een lokaal gebruik of iets dat met de verering van de Zwarte Madonna te maken had. Centrum van alle devotie leek een platte steen te zijn waaromheen de meest fanatiek biddende gelovigen geknield zaten met de ogen gesloten en een rozenkrans in de gevouwen handen. Een vrouw maakte zich los van deze groep en stond op. Met de handen geheven draaide ze luid biddend enkele rondjes om haar as om zich vervolgens in kennelijke spirituele extase neer te werpen op de steen. Terwijl het volume van hun gebeden toenam deden sommigen van hen op de achterste rijen een poging om bij de steen te komen om hem aan te raken. Daarbij ontstond een gedrang dat Stef deed denken aan de uitverkoop tijdens de Dwaze Dagen van de Bijenkorf. De gelovigen begonnen aan elkaar te sjorren en trekken om maar op de eerste rij te kunnen komen en de monotone cadans van hun gebed begon haperingen te vertonen. Men tuimelde over elkaar heen en her en der klonk een verschrikte kreet van pijn boven het zingzeggen van het gebed uit. Hier was geen sprake meer van devote aanbidding, maar eerder van een panische meute die de weg kwijt was.

Stef zag dat deze bijeenkomst volledig uit de hand begon te lopen en hoewel hij graag wilde weten wat de betekenis van alle opwinding was, leek het hem om dat moment verstandiger om de aftocht te blazen – niet alleen vanwege de mogelijkheid dat hij zelf in de verdrukking zou raken, maar vooral omdat het rumoer ongetwijfeld ongewenste aandacht zou trekken. Door een oude overdekte poort aan de zuidzijde verliet hij de kathedraal en het rumoer van het opstootje. Via een paar verlaten middeleeuwse straatjes achter de kerk kwam Stef bij de ingang van het klooster dat onderdeel vormde van het religieuze gebouwencomplex. Met tegenzin betaalde hij de in zijn ogen hoge toegangsprijs van vijf euro, maar het leek hem verstandig om buiten het zicht van nieuwsgierige ogen even de stilte en afzondering op te zoeken om de gebeurtenissen te verwerken. De intieme kloostertuin was inderdaad een oase van rust, veilig ingesloten door de massieve architectuur van de omringende religieuze gebouwen. In het noorden keek de leverkleurig geverfde bronzen Maria met haar zwaaiende kind aan de schouder vanaf haar rots neer op de krappe binnenplaats. De kloostergangen boden een feest van gekleurde ingelegde stenen en overal op de kapitelen, bogen en friezen doken als in een sprookjestuin gezichten en figuurtjes op uit de rijke ornamenten. De kapittelzaal herbergde een verrassende kleurrijke muurschildering van de kruisiging en de vier evangelisten op de achtergrond van een blauwe sterrenhemel: Campus Stella, viel Stef in: het sterrenveld dat gold als een van de vertalingen voor het Compostella aan het einde van de pelgrimsweg van Saint-Jacques.Gezeten in een comfortabele houding, met zijn rug tegen een zuil van de kloostergang, nam Stef de tijd om de verschillende foldertjes die hij had verzameld eens rustig door te nemen. Met behulp van het plattegrondje van de kathedraal kwam hij er nu achter wat de betekenis was van die platte steen waar al die religieuze commotie om leek te draaien. Het bleek een heilige steen waarop in de derde eeuw een zieke vrouw een visioen had gekregen van engelen, heiligen en de Moeder Gods. Tegelijkertijd was ze op wonderbaarlijke wijze genezen van haar ziekte. En zoals dat dan gaat had het nieuws over dit wonder de aandacht getrokken van zowel religieuze autoriteiten als van genezingzoekende gelovigen. Dat leidde tot berichten over meer wonderbaarlijke genezingen en de bouw van een kerkje dat in de loop der tijd zou uitgroeien tot de kathedraal die er nu stond. Dat op dezelfde plek van de Puy Anis – de Anijsberg – al een heidense tempel had gestaan toen de plaats bekend stond onder haar Romeinse naam Anicum weerspiegelde maar weer eens de kracht van het spirituele landschap en de continuïteit die schuilging onder de priestergewaden van elkaar opvolgende religies. De ruwe steen leek erop te wijzen dat zich ook in prehistorische tijden al heilige rituelen hadden afgespeeld op de rots. Vanwege de vermeende geneeskrachtige werking van de liggende menhir stond die tegenwoordig bekend als een pierre aux fièvres, een koortssteen. Het had er dus alle schijn van dat de opgewonden menigte op zoek was naar een vorm van genezing. Maar waarvan dan, vroeg Stef zich af. Zou het allemaal iets te maken kunnen hebben met de geheimzinnige ziekte waarover hij had gehoord? Hij dacht terug aan zijn conversatie met Stephan en de berichten over zieke pelgrims op de weg naar Santiago. Zou de kwaal tijdens zijn eenzame trektocht over de vlakte van Velay zò om zich heen gegrepen hebben dat er onder de pelgrims een soort massahysterie was uitgebroken? In dat licht bezien kreeg de relatieve onderbezetting van de camping en het afwerende gedrag van het meisje aan de receptie een sinistere betekenis. Stef wist niet goed wat hij moest denken van de hele geschiedenis. Hij wenste dat hij erover kon spreken met iemand die hij vertrouwde, maar van Madeleine en Livia had hij al lange tijd geen bericht meer ontvangen en van Xavier, Stephan of Matthieu was in Le Puy tot dusver geen spoor te bekennen. Hij besloot een rondje door het oude deel van de stad te lopen, misschien was het lot hem gunstig gezind en kwam hij een van zijn oude bekenden tegen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.