21 | Virologie, les 2

Onder het lopen begon Stef zich af te vragen of de onfortuinlijke zieke die hij bij Vézelay had aangetroffen paste in het plaatje dat Stephan had geschetst over virussen. Was het mogelijk dat de man overleden was aan de gevolgen van een virusinfectie? En was er een verband met de griep die blijkbaar de westelijke pelgrimsweg teisterde? Er stierven jaarlijks veel mensen aan de gewone wintergriep wist hij. Maar in die gevallen hadden de slachtoffers een verminderde weerstand door ziekte of ouderdom. Waren die bloeddoorlopen ogen dan een symptoom van een andere aandoening geweest waardoor de man verzwakt was? Of had hij geen griep onder de leden gehad, maar een ernstiger virus?

Het was zonnig en heet op de vlakte en de mannen waren blij dat ze op de flanken van de berg van Uzore een paar kilometer in de schaduw van een bos konden lopen. Tot aan Chalain d’Uzore volgden ze een rustige landweg langs een uitloper van de berg en ze werden getrakteerd op een mooi uitzicht op de vallei en de ononderbroken bergrug in het westen. Op een hoek van de weg naar Champdieu zag Stef een bruin bordje met een pijl naar een Château XIVe et XVe en Église XIIe. Dat wekte zijn nieuwsgierigheid en hij overreedde zijn metgezellen om even een kijkje te nemen met hem. Aan het einde van een kort doodlopend straatje kwamen ze bij een intrigerende oude stenen poort met een puntige boog die half verscholen ging onder uitbundig woekerend groen. Stef moest denken aan een geheime toegang tot een mysterieuze verborgen paleistuin, iets uit een sprookje. Het was er doodstil en schoorvoetend gingen ze verder. Achter de poort leidde een korte doorgang met oude plaveien steil omhoog naar een intiem binnenplaatsje waar een kasteeltje, een kerkje, een stal of koetshuis en nog een paar bijgebouwen knus tegen elkaar leunden rond een oude waterput. De plek lag er onheilspellend verlaten bij. Het hoofdgebouw was een oud herenhuis waaraan nodig wat reparaties en onderhoudswerkzaamheden moesten worden verricht, want het schilder- en pleisterwerk maakte een aftandse indruk. Overal stak het onkruid de kop op en enkele van de bouwsels waren bijna volledig overgroeid door verwilderde klimop en ongesnoeide wijnranken. Maar in het heldere zonlicht zag het er sfeervol uit. De ingang van het woonhuis had een poort met een Romaanse boog waarboven de strakke driehoek van een Classicistisch timpaan prijkte. In de poort stonden onder een Gotisch gewelf aan weerszijden de middeleeuwse grafbeelden van een geharnaste ridder en zijn vrouw rechtop, als versteende wachters uit een ver verleden.

“Ik weet niet of we nu te maken hebben met een spookslot of een sprookjeskasteel?”, gaf Matthieu als commentaar. “Wat denk jij Stef? Wie zal er opendoen als we aankloppen, Blauwbaard of Assepoester?”

Luchthartig reageerde Stef dat hij vermoedde dat Graaf Dracula daarbinnen ergens in zijn kist lag te slapen. Stephan was niet erg geamuseerd door hun grappen en beklom de trap van het kerkje dat tegen het hoofdgebouw aangeplakt stond. Hij morrelde aan de deur, maar die bleek afgesloten. Stef liep naar de achterkant van het compacte godshuis, waar een smalle passage was tussen de apsis – de ronde afsluiting van het koor aan de oostzijde – en een hoge muur. Daar zag hij dat een aantal middeleeuwse figuurtjes onder de dakrand recentelijk was gerestaureerd. Het lichtgele zandsteen zag er vers uit en contrasteerde sterk met de oude verweerde afbeeldingen met hun grauwe patina. Hij vond het opmerkelijk dat dit beeldhouwwerk dat zo uit het zicht lag met zoveel liefde hersteld was. Het toonde dat de eigenaar van het kasteeltje de boel niet opzettelijk verwaarloosde en oog had voor detail.

De waterput stond op een grasveldje onder een schaduwrijke boom voor het kerkje. Het was een klein bouwsel met een puntdakje van dakpannen dat steunde op een drietal hoekige pilaartjes en één sierlijk rond zuiltje. Op de spits prijkte een kruis van gesmeed ijzer. Aan de achterzijde van het bouwsel was een ouderwetse waterpomp met een zwengel geconstrueerd die ook al begroeid was met klimop. In de uitnodigende koelte van de schaduw bij de put streken ze even neer in het gras.

Stef maakte van de gelegenheid gebruik om een beknopt tekstbericht te sturen naar Livia: ‘Dag Vlaamse schone. Alles goed met jullie? Hoor hier vage berichten over geheimzinnige ziekte bij jullie. Nog nieuws over onze vrienden? Hier alles OK. Vandaag op weg naar Montbrison. Groet, Stef.’ Hij had geprobeerd de toon licht te houden om zijn ongerustheid te verhullen en was benieuwd of ze snel zou reageren.

Stephan keek op zijn horloge en merkte op dat ze nog niet zo lang onderweg waren. Het was eigenlijk te vroeg om al uitgebreid te pauzeren want ze zaten na ruim een uur marcheren net lekker in hun loopritme. Daarom pakten ze na een teug water uit hun flessen en een koekje van Matthieu snel hun boeltje weer op om hun weg te vervolgen. Het naargeestige gekras van een eenzame kraai die was neergestreken op het dak van een van de vervallen gebouwtjes deed hen uitgeleide. Het gaf het onheilspellende gevoel dat er achter de schijnbare idylle van het verborgen kasteel een lugubere werkelijkheid schuilging.

De zon stond hoog in de hemel te branden toe ze bij Champdieu kwamen. Bij een splitsing van de straat liep het drietal op tegen een merkwaardig rond bouwsel dat was opgesierd met een uurwerk in een klokvormige constructie op het dak en een fontein ervoor. Het bleek een oude kalkoven te zijn, die nu dienstdeed als waterplaats en openbaar toiletgebouwtje voor pelgrims. Het gezelschap maakte gretig gebruik van het koele water en waste het zweet van gezicht en handen. Toen de waterflessen waren bijgevuld uit de bron namen ze hun bepakking weer op en vervolgden de mannen hun weg over een straatje dat tegen een helling omhoogliep naar het centrum. Daar vonden ze een fris geschilderde en goed onderhouden oude vesting. Champdieu was alweer zo’n versterkt oud heuvelstadje op de resten van een oude vulkaan. Het voegde zich naadloos in het lijstje van vergelijkbare plaatsjes die ze waren gepasseerd in de vlakte van Forez: Saint-Haon-le-Châtel, Saint-Maurice, Pommiers en Montverdun. Deze priorij was in de elfde eeuw gesticht door Benedictijnse monniken. De indrukwekkende kerk die erbij hoorde bood door de versterkte muren en martiale boogconstructies die er tegenaan gebouwd waren de schizofrene aanblik van een gebouw dat tegelijkertijd een open godshuis en een gesloten vesting wilde zijn. De merkwaardige bepantsering van ruwe natuursteen werd blijkbaar in de roerige periode van de veertiende en vijftiende eeuw noodzakelijk geacht omdat de prior naast het geestelijk leiderschap ook een wereldlijke functie als landheer vervulde en daarom rechtspraak uitoefende, belasting inde en verantwoordelijk was voor de verdediging van zijn stadje.

De kerk bood een welkome koele rustplaats waar ze in stilte een tijdje op de ruwhouten bankjes zaten. Een kring van elegante kapelletjes bood een knusse bijeenkomst van heiligen: Therèsa, Isidore, Sebastien, Vincent en anderen. Isidore was volgens een verklarend bijschrift de beschermheilige van de arbeiders en Vincent was er voor de wijnbouwers. Dit waren heiligen die zich blijkbaar bekommerden om de noden van de gewone, hardwerkende man. Een voor de gelegenheid in een goudkleurig gewaad gehulde Saint-Roch ontblootte zoals gebruikelijk zijn rechterbeen om op zijn builenpestvlek te wijzen. Protecteur des pestiférés stond op het bordje dat eronder hing. Matthieu wist te vertellen dat Rochus de heilige was die bescherming bood tegen besmettelijke ziektes omdat hij op wonderbaarlijke wijze genezen was van de pest. De joviale Belg was blijkbaar in een serieuze stemming geraakt met al dat gepraat over virussen. Hij sloeg een kruis en verklaarde dat het met al die verhalen over besmettelijke ziektes geen kwaad kon om de heilige gunstig te stemmen en ging over tot een stil gebed. Stef merkte op dat Rochus ook twee Jacobsschelpen op zijn borst droeg, wat hem identificeerde als pelgrim. Toen hij het internet daarover raadpleegde op zijn mobiel las hij dat deze heilige ook de patroon was van onder andere pelgrims en apothekers. Daarmee vertoonde hij verdacht veel overeenkomsten met de Heilige Jacobus van Compostella. Stef vermoedde dat hier sprake was van net zo’n middeleeuwse persoonsverwisseling als hij eerder was tegengekomen bij Maria-Magdalena en Lazarus. Rochus had blijkbaar in de veertiende eeuw nogal wat rondgezworven over de pelgrimswegen van Italië – precies in de tijd dat de Zwarte Dood Europa teisterde. Toen hij besmet raakte zonderde hij zich af in de bossen om geen andere mensen aan te steken. Daar bleef hij volgens het verhaal in leven door een hond die hem dagelijks voedsel kwam brengen. Vandaar dat Rochus meestal afgebeeld werd in het gezelschap van zijn trouwe viervoeter, die soms een brood in de bek hield. Het dier kreeg vanwege zijn verdiensten zelf ook de heiligenstatus en stond bekend als Saint-Roquet.

“Dus deze heilige lijkt eigenlijk heel erg op Saint-Jacques?”, merkte Matthieu op.

“Ja, het is niet gek dat mensen ze regelmatig verwarren”, zei Stef. “Jacobus wordt net als Rochus wel afgebeeld als pelgrim, compleet met staf en Jacobsschelpen. En dan zijn ze ook nog eens allebei beschermheilige van farmaceuten…”

“Nou Stephan, wees blij. Je hebt er blijkbaar een beschermheilige bij”, voegde Matthieu de gepensioneerde amanuensis goedmoedig toe.

In de naastgelegen Benedictijner priorij stapten ze vanaf de straat meteen de huiselijk aandoende refter binnen. Daar kwamen ze oog-in-oog te staan met een fraai gekleurde middeleeuwse wandschildering van het Laatste Avondmaal boven een oude schouw. Een toepasselijke afbeelding voor de eetzaal van een klooster. Het was een levendig tafereel dat de hele muur besloeg. Christus en zijn twaalf discipelen waren door de tijd enigszins verbleekt, evenals de twee vrouwelijke engelen die aan weerszijden optraden als serveersters, maar de warme rode gloed van de achtergrond was haast voelbaar. Op de binnenplaats bleek dat net als in Montverdun ook hier de kloostergalerij aan de oostelijke zijde bezweken was aan het geknaag van de tand des tijds en dat je in die richting rechtstreeks de strakblauwe lucht in keek. De overdekte houten omloop op de bovenverdieping was begroeid met blauwe regen, die als een frisse groene ornamentele band de drie overgebleven zijden van de binnenplaats opsierde. Stef zag dat zijn gidsje melding maakte van een crypte onder de kerk die stamde uit de tiende eeuw en die toegankelijk was voor het publiek. Die hadden ze over het hoofd gezien en hij stelde voor om nog even terug te gaan om hem te bekijken. De tiende eeuw klonk behoorlijk oud en hoe ouder het bouwwerk, hoe sterker zijn nieuwsgierigheid geprikkeld werd. Weer terug in de kerk vonden ze achter de laatste bank in het duistere dwarsschip inderdaad een trap omlaag. Volgens gangbaar middeleeuws pelgrimsgebruik betraden ze de helder verlichte crypte vanaf de noordzijde. Onder de lage gewelven werden ze vanachter een bosje witgekalkte klassieke zuiltjes verwelkomend aangekeken door een goed ingesnoerde baby die op een altaar lag. Dat bood een macaber aanzicht. Welke verwrongen geest zou bedacht hebben om een ingesnoerde dode baby – geen echte weliswaar, maar toch levensecht beschilderd – zo tentoon te stellen, vroeg Stef zich af. Volgens het onderschrift ging het om een negentiende-eeuwse Marie Enfant. De negentiende eeuw was weliswaar de eeuw van Frankenstein, Dracula en Edgar Allan Poe’s gothische griezelverhalen, maar de moeder van Christus was toch niet als baby gestorven? Hoe had ze dan de Heiland kunnen baren in Bethlehem? Het was dus ook geen afbeelding van een dode baby, zo werd hem al snel duidelijk, maar een beeltenis van de Heilige Maagd als pasgeborene. Het beeldje had de ogen niet gesloten, zoals het geval zou zijn bij een afbeelding van een heilige die in de slaap van de dood verkeerde. De bezoeker werd juist begroet met een zeer levendige blik. Waarschijnlijk werd zo Maria’s rol als beschermheilige van zuigelingen benadrukt, maar het was merkwaardig om deze beeldtenis ondergronds, in een crypte aan te treffen. Het was weer een voorbeeld van de merkwaardige morbide theatrale effecten waarop de Katholieke Kerk blijkbaar zo verzot was.


Stef was benieuwd of Stephan hem wat meer kon vertellen over zijn verdenkingen met betrekking tot de onbekende zieke in Vézelay. Op de weg van Champdieu naar Montbrison vertelde hij over zijn ontmoeting en hoe hij had vernomen dat de man diezelfde dag nog in het ziekenhuis overleden was. Zijn Duitse metgezel hoorde met een bezorgde blik in de ogen aan hoe Stef hem de symptomen beschreef. De ademhalingsproblemen kon hij wel in verband brengen met influenza, maar dat zei op zichzelf niet zoveel want die verschijnselen konden bij een veelheid aan infecties optreden. Maar de bloeddoorlopen ogen pasten volgens hem niet bij gewone griepinfecties. Die deden hem eerder denken aan Ebola of het Marburgvirus. Maar het leek hem twijfelachtig dat het daarom ging in dit geval. Die uiterst gevaarlijke virussen werden uitsluitend onderzocht in laboratoria waarvoor het hoogst mogelijke niveau van veiligheidsmaatregelen gold. De recente uitbraken van Ebola in Afrika en de verspreiding naar gebieden buiten dat continent hadden enorm bijgedragen aan het bewustzijn over de risico’s van dat virus en ervoor gezorgd dat er op dat moment veel onderzoek naar gedaan werd. Als er in Europa iemand vrij rondliep met Ebola, dan zou dat al snel leiden tot niet alleen veel doden maar ook flink veel ophef in de media.

Ebola en Marburg behoorden allebei tot de familie van zogenaamde filovirussen, lichtte Stephan toe. Ze werden voor zover hij wist verspreid via lichaamssappen, dus bloed, speeksel, braaksel, urine of sperma, vertelde hij. Als ze het lichaam waren binnengedrongen wisten deze virussen het immuunsysteem te overrompelen en ze konden zich dan ongehinderd verspreiden, waardoor na verloop van tijd heel veel cellen stuk gingen. Het gevolg was dat de weefsels en organen ernstige schade opliepen en de patiënten last kregen van bloedingen, braken en buikloop. Ze waren dan ook steevast bijzonder besmettelijk en vooral verplegers en artsen liepen dus een groot risico om het virus op te lopen bij de verzorging van slachtoffers. Goede beschermende maatregelen en strikte hygiëne konden helpen verdere verspreiding te voorkomen. Stephan meende zich te herinneren dat hij ergens had gelezen dat die virussen allebei afkomstig waren van vleermuizen. Een van de eerste gevallen die in het Westen bekend raakten betrof een toeriste die overleed na een besmetting die ze blijkbaar had opgelopen tijdens een bezoek aan een grot ergens in Centraal Afrika. Filovirussen hadden met influenza gemeen dat ze een vergelijkbare RNA-structuur hadden, namelijk een enkele ketting van nucleotiden en niet de twee complementaire ketens die bijvoorbeeld ons DNA had. En in dit geval was dat – net als bij influenza – een zogenaamde anti-sense keten, dus niet die met de genetische code zelf, maar het complementaire spiegelbeeld daarvan, de gietvorm van het origineel als het ware. Maar waar het genoom van het griepvirus verspreid was over acht losse stukjes RNA, hadden Ebola en Marburg al hun genen op een enkele lange streng bij elkaar.

Dat klonk Stef in de oren alsof de filovirussen en influenza min of meer familie van elkaar waren. In ieder geval kon hij zich voorstellen dat bij die herschikking van chromosomen waar Stephan het over had gehad, die zogenaamde ‘intraspecies reassortment’, een uitwisseling of samenkomen van eigenschappen van de twee gemakkelijk plaats zou kunnen vinden. Maar voordat hij hierover een vraag kon stellen ging de ander alweer verder in zijn overpeinzing.

“Maar Stef, jij hebt die zieke toch zonder beschermingsmiddelen aangeraakt, nietwaar?” vroeg Stephan hem nu.

“Ja, ik vond hem achter een muurtje en heb hem daarop gelegd om te zien of ik hem kon helpen…”

“En dat is nu hoe lang geleden? Drie weken ongeveer?”

Stef knikte bevestigend.

“Ik denk dat je in dat geval niet al te bang hoeft te zijn dat je besmet bent. Een griepinfectie openbaart zich meestal binnen een aantal dagen. Voor Ebola is de incubatietijd naar ik meen enkele weken, Marburg wat korter. Dus als je iets van dien aard had opgelopen, dan zou je dat al gemerkt hebben. Maar om helemaal zeker te zijn zou je een bloedonderzoek moeten laten doen.”

“Maar ik meen me te herinneren dat het bij HIV heel anders ging, toch?” opperde Stef. “Was het probleem daarbij niet dat geïnfecteerden het virus heel lang konden verspreiden voordat ze überhaupt merkten dat ze zelf besmet waren?”

“Ja, dat is inderdaad zo. Het duurde een tijdje voordat men doorhad dat het ziektebeeld dat men AIDS was gaan noemen, veroorzaakt werd door een virus. AIDS werd gekenmerkt door een dermate ernstige verzwakking van het lichamelijke afweersysteem dat de kleinste infectie al dodelijk kon zijn. De patiënten overleden allemaal aan wat ze noemen een opportunistische infectie, dat wil zeggen een vrij willekeurige secundaire infectie die toeslaat als het immuunsysteem zijn werk niet meer naar behoren doet. Het bleek dat HIV niet alleen het afweersysteem langzaam uitputte, maar ook juist aanviel op een gevoelige plek. Het virus richtte zich namelijk op de zogenaamde T-cellen. Dat is een categorie witte bloedcellen die een spilfunctie vervullen in onze natuurlijke afweer. Ebola doet trouwens iets dergelijks. Dat gebruikt de antilichaampjes van het immuunsysteem die het virus zouden moeten uitschakelen juist om zich sneller te vermeerderen. Wat de grootste vijand van het virus zou moeten zijn, wordt in feite een goede bondgenoot. Voor HIV gold dat de strijd tussen het immuunsysteem en het virus zich lange tijd in het verborgene afspeelde – zonder al te ernstige symptomen – maar uiteindelijk bezweek de afweer. Men onderscheidt daarom verschillende fasen in de HIV-besmetting. Tijdens de eerste, acute fase, neemt het aantal T-cellen enorm toe en spant het afweersysteem zich in om de indringer te verslaan. Helaas vormen al die extra T-cellen ook weer een dankbaar doelwit voor het virus, dat zich daardoor sneller kan vermenigvuldigen. Dan volgt daarop de tweede fase, de chronische, waarin het immuunsysteem zichzelf uitput in de strijd tegen het virus. Tenslotte treedt de terminale fase in wanneer de natuurlijke afweer het helemaal begeeft en opportunistische infecties hun kans grijpen.”

“Kon er dan geen vaccin worden ontwikkeld om infectie te voorkomen, net zoals bij influenza?” vroeg Matthieu.

“Nou, nee. Dat was het geniepige van HIV. De aanmaak van antilichaampjes wordt normaal gesproken bij een vaccinatie gestuurd door de T-cellen, maar die worden nou juist door het HIV uitgeschakeld. Dus moest men op zoek naar andere oplossingen. Voor zover ik weet experimenteert men nog steeds met combinaties van anti-retrovirale middelen. Die moeten het virus bij verschillende stappen in zijn vermenigvuldigingscyclus tegenwerken. Zo’n cocktail is belangrijk, omdat HIV, net zoals Influenza A, snel kan muteren. Daardoor kan het virus een klein beetje van vorm veranderen, met als gevolg dat het medicijn er geen grip meer op krijgt en zijn werk niet kan doen. Zo zagen de resultaten met het medicijn AZT er een tijdje veelbelovend uit, maar bij alle patiënten ontwikkelde het virus binnen zes maanden een resistentie tegen dit middel. Het bleek dat er een mutatie ontstond waardoor AZT zich niet meer kon vasthechten aan het virus om het uit te schakelen. Wanneer een dergelijke mutatie succesvol is, dan krijgt die al snel de overhand in de viruspopulatie omdat alle concurrentie van de oorspronkelijke variant wordt uitgeschakeld door het geneesmiddel terwijl het resistente virus zich ongehinderd kan vermenigvuldigen. Bij de toepassing van meerdere medicijnen tegelijkertijd is de kans groter dat zo’n mutatie dan op een ander niveau wel wordt tegengehouden.”

“Oh ja, nu herinner ik mij dat weer”, reageerde Stef. “Was het ook niet zo, dat sommige mensen een natuurlijke resistentie tegen het virus hebben?”

“Ja, inderdaad. Dat toont het belang aan van genetische variatie zoals die van nature in bevolkingspopulaties voorkomt.”

“Dus een kleine genetische afwijking kan resistentie tegen een virus tot gevolg hebben?”

“Zo is het precies. Als je de analogie van de sleutel en het slot nog even in gedachten neemt, dan moet je je voorstellen dat zo’n genetische variatie in de slachtofferpopulatie leidt tot verandering in het slot, zodanig dat de sleutel er niet meer op past en het virus de doelcellen niet meer kan openen en binnendringen. Laat ik proberen dat te verduidelijken met een voorbeeld. In het geval van HIV bleek dat die zogenaamde verande-ring in het slot was ontstaan door het wegvallen van een stuk genetische code voor een eiwit dat CCR-5 genoemd werd. Dat is een receptor op witte bloedlichaampjes die een rol speelt bij ontstekingreacties. Het is gebleken dat bij bijna tien procent van de Europeanen in het betreffende gen een stuk van tweeëndertig baseparen ontbreekt. Die baseparen van ons DNA bestaan uit vaste combinaties van twee nucleotiden die worden weergegeven door hun beginletters, G, C, T en A. Die staan voor respectievelijk Guanine, Cytosine, Thymine en Adenine. Zo’n ontbrekend stuk van een gen noemen we een deletie en daarom spreken we van de CCR-5 Delta-32 variant. Delta is de griekse letter D, van deletie dus. Wanneer je nu van zowel je vader als van je moeder die variant hebt geërfd, dan ben je homozygoot voor dat allel – zo noemen biologen een variant van een gen – en kan het virus geen vat krijgen op jouw witte bloedlichaampjes. Zoals je waarschijnlijk wel weet hebben we van al onze genen twee exemplaren, eentje van iedere ouder. Behalve van die op het X-chromosoom, want daarvan hebben mannen er maar één. Als je heterozygoot bent voor een bepaald kenmerk, dan heb je twee verschillende kopieën. Bij CCR-5 betekent één exemplaar van het gemuteerde gen een verminderde vatbaarheid voor HIV, maar geen volledige resistentie.”

“Maar als iemand zo’n afwijkend gen heeft, dan moet die daar toch iets van merken? Ik bedoel, een variatie in het gen staat toch voor een afwijking in een bepaald eiwit, nietwaar?” Stephan knikte nadenkend en Stef vervolgde: “Het lijkt me dat zo’n afwijkend eiwit dan niet goed zijn normale werk kan doen. Dat het helpt een virusinfectie te voorkomen is tenslotte maar toevallig?”

“Het is inderdaad zo dat de blokkade van het virus in dat geval een gelukkige bijkomstigheid is, maar zo’n mutatie hoeft niet per se te leiden tot een merkbare aandoening. Misschien functioneert het afwijkende eiwit wat minder effectief, maar daarvan hoeven de gevolgen niet direct zichtbaar te zijn. Maar de gevolgen kunnen ook verschillen per populatie. In Azië en Afrika komt bijvoorbeeld die Delta-32 variant bij de inheemse bevolking niet voor. Wat is nu gebleken? De dragers van de mutatie zijn weliswaar beschermd tegen HIV, maar wel gevoeliger voor het West-Nijlvirus. Omdat die laatste in onze streken niet voorkomt was de bescherming ertegen ook niet nodig om te overleven en kon het afwijkende gen zich in de loop der eeuwen verspreiden onder de Noord-Europese bevolking. Biologen zeggen dan dat er geen selectiedruk was tegen deze mutatie. Er is een theorie die stelt dat Delta-32 een vorm van bescherming heeft gegeven tegen de Zwarte Dood in de veertiende eeuw en zich daardoor heeft kunnen verspreiden via de overlevenden van die grote middeleeuwse pestepidemie. Sommigen denken dat deze mutatie toevallig is ontstaan bij de Vikingen en zich dankzij hun verkrachtingen, vrouwenroof en huwelijken heeft verspreid over Europa. Hoe dat ook zij, in die tijd vormde HIV nog geen bedreiging, maar was er in de tropen waarschijnlijk wèl een selectiedruk tegen Delta-32 vanwege het West-Nijlvirus.”

“Ah, juist. Dus een bepaalde genetische afwijking kan wel leiden tot een kwaal of aandoening die juist bescherming biedt op een ander vlak?” Stef herinnerde zich het voorbeeld van de Sikkelcelanemie waaraan hij een paar dagen eerder had lopen denken.

“Zo’n uitruil is inderdaad niet ongekend in de natuur. Een mooi voorbeeld daarvan is de Sikkelcelziekte. Heb je daar wel eens van gehoord?” vroeg Stephan, alsof die zijn gedachten had gelezen. In de ban van zijn betoog vertoonde hij nu geen spoortje meer van zijn neurotische gedrag.

“Ja, dat is toch een vorm van bloedarmoede?”

“Dat zou je zo kunnen zeggen. Het is een aandoening van de rode bloedlichaampjes die veroorzaakt wordt door een genetisch defect. Mensen die homozygoot zijn voor de mutatie, dus hem van beide ouders hebben geërfd, kunnen ernstig ziek worden. Zoals je waarschijnlijk weet zijn rode bloedlichaampjes nodig om zuurstof naar de lichaamscellen te transporteren en onze cellen hebben allemaal zuurstof nodig om te kunnen functioneren. Maar heterozygoten, mensen die dus één goede kopie van het gen hebben plus een defecte versie, blijken wèl weer een betere weerstand te hebben tegen malaria, omdat de malariaparasiet zich niet kan voortplanten in de niet-functionerende rode bloedlichaampjes. Vandaar dat deze mutatie zich heeft kunnen verspreiden in gebieden waar malaria heerst, vooral in de tropen dus.”

Stef knikte begrijpend. Dit was allemaal niet nieuw voor hem, maar deze samenvatting van Stephan was nuttig om de weggezakte feiten weer op te halen. Besmettelijke virussen, mutaties, resistentie… Stef had ruim voldoende stof om over na te denken en zwijgend liep hij de laatste kilometers naar Montbrison.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.