19 | Onthullingen in Pommiers

Een paar dagen later ontmoette Stef op de camping municipal van Pommiers onverwacht twee oude bekenden. Matthieu en Stephan hadden daar hun intrek genomen in een klein chalet dat beschikbaar was voor passerende pelgrims. Hoewel, ‘chalet’? Dat was wel een ruimhartige benaming voor een onderkomen dat meer leek op een kruising tussen een oude stacaravan en zo’n mobiele keet die ze in de bouw ook wel een ‘Pipo-wagen’ noemen. Stef was op weg naar de receptie van het kampeerterrein om zich te registreren toen hij het tweetal plotseling zag op een apart veldje aan de overkant van de doorgaande weg. Zijn bedachtzame naam- genoot was juist bezig om zijn wasgoed op te hangen, terwijl Matthieu zich geriefelijk had geïnstalleerd in het zonnetje en zo te zien een paar ansichtkaarten zat te schrijven. Het was een huiselijk tafereel dat er in al zijn banaliteit toch aanlokkelijk gezellig uitzag. De Belg zag hem als eerste en zwaaide uitnodigend, maar Stef gebaarde dat hij zich eerst ging melden bij de beheerder. Na zich te hebben ingeschreven begaf hij zich naar de overkant waar hij hartelijk ontvangen werd op de veranda van het bruingeverfde houten huisje op wielen met felgroene luiken waar hartjes uit gefiguurzaagd waren. Er stonden een pot thee en een schaaltje met koekjes op tafel en een handgeschilderd bordje proclameerde uitnodigend het motto ‘comme chez vous’. Het enige dat leek te ontbreken in dit knusse huishouden was een bosje bloemen op tafel.

Bij de thee wisselden ze als oude vrienden verhalen uit over hun belevenissen sinds ze bijna een week geleden vertrokken waren uit Ouroux. Stef verbaasde zich erover dat hij het tweetal had ingehaald. Hij verkeerde in de veronderstelling dat ze flink op hem waren uitgelopen, vooral omdat hij zelf twee nachten in Charlieu was blijven hangen. Matthieu vertelde dat hij en Stephan opgehouden waren in Saint-Maurice-sur-Loire, waar ze te gast waren geweest in de Curé, het pelgrimsverblijf in het schilderachtige plaatsje waar ook Stef de voorafgaande nacht had doorgebracht. Het duo had daar geholpen met wat klein onderhoudswerk aan het onderkomen en in ruil daarvoor een paar dagen gratis kost en inwoning gekregen. De dag daarop had Stephan zijn enkel verstuikt op het ruige pad tussen Saint-Maurice en Dancé, waardoor hij zich nu genoodzaakt zag om een rustdag in te lassen. Uit solidariteit had Matthieu besloten om hem gezelschap te houden in Pommiers. De twee mannen konden blijkbaar goed opschieten en hun persoonlijkheden leken elkaar prima aan te vullen: Stephan kwam over als een kwetsbare verstrooide professor die nogal in zichzelf gekeerd was, terwijl Matthieu een extraverte levensgenieter leek, met ogenschijnlijk niet al te diepgravende gedachten. Stef informeerde naar de gesteldheid van Stephan’s enkel en de nerveuze Duitser liet weten dat hij zich dankzij de rust en de goede zorgen van zijn metgezel weer prima in staat achtte om de volgende dag de voetreis te vervolgen.

Ze bespraken hun bezoek aan de oude bourg van Saint-Maurice waar Stef de vorige middag na zijn aankomst had rondgekeken. Het was een klein middeleeuws vestingstadje dat strategisch op een rotspunt boven een langgerekt stuwmeertje lag. Vanaf een gerestaureerde kasteeltoren op het hoogste punt van de rots had je aan alle kanten een prachtig uitzicht over de volgelopen kloof waar het water van de prille Loire doorheen stroomde. In de Middeleeuwen was er een brug over de rivier geweest en een zeldzame dertiende-eeuwse wandschildering van Saint-Jacques in het Romaanse kerkje illustreerde dat het plaatsje daarom in die tijd ook al op de pelgrimsroute lag. Dat zou Xavier wel interesseren, had Stef gedacht, en hij had hem prompt weer een paar foto’s gestuurd. Hij vertelde dat hij twee dagen was opgetrokken met de Vietnamees en gaf een beknopt verslag van diens onderzoekingen naar de middeleeuwse pelgrimswegen. Hij liet doorschemeren dat hij het maar een raadselachtig project vond en het vermoeden had dat Xavier iets verborgen hield over zijn speurtocht. Daarop maakte Matthieu de lucide observatie dat we eigenlijk zelden iets wisten over de werkelijke beweegredenen van mensen. Stef moest zich bedwingen om niet te vervallen in een schoolse uiteenzetting over de gelaagdheid van onze persoonlijkheid en de verschillende niveaus waarop motivaties tot stand kunnen komen. De opmerking van de Belg zou later die dag geïllustreerd worden met een pijnlijke ontboezeming.

Stef vertelde dat hij het zo leuk had gevonden om in Saint-Maurice bij een klein terras aan de waterkant een informatiepaneel te ontdekken met een panorama van de omgeving waarop een aantal nabijgelegen archeologische vindplaatsen getoond werd. Enkele daarvan waren helaas onder water verdwenen bij het ontstaan van het stuwmeer, maar de tekst meldde dat er sporen van bewoning waren aangetroffen die 60.000 jaar in de tijd teruggingen. Er moesten dus volgens Stef Neanderthalers gewoond hebben in de omgeving, want voor zover hij wist verscheen Homo sapiens pas zo’n 40.000 jaar geleden in West-Europa, tijdens de laatste IJstijd. Tot zijn verrassing had hij op de plaquette gelezen dat de opgravingen rond 1900 waren begonnen door Joseph Déchelette, die toen in Saint-Maurice woonde. Dat moest wel de oud-oudoom zijn van Jacques, zijn excentrieke gastheer bij Mont Beuvray. Er werd zelfs melding gemaakt van een museum in Roanne dat naar de archeoloog genoemd was. Om zijn verbazing toe te lichten gaf Stef een korte beschrijving van zijn ontmoeting met Jacques bij Bibracte en de overnachting in het kleine kasteeltje aan de voet van die berg.

De Loire was in de Middeleeuwen ter hoogte van Saint-Maurice niet meer bevaarbaar geweest, had Stef gelezen. In de Middeleeuwen vervoerde men veel wijn uit de Beaujolais via Roanne, iets verder stroomafwaarts gelegen, over het water in de richting van Parijs. Omgekeerd kon men met de boot vanaf het Île de France ook tot aan Roanne reizen. Vandaar liep een handelsroute over land naar de Rhône bij Lyon, waar men verder kon varen in de richting van Marseille en de Middellandse Zee. Aan het einde van de Middeleeuwen werd het stadje bovendien een halteplaats op de koninklijke postweg van Parijs naar Italië, waarmee een deel van het oude Romeinse wegennet in haar antieke glorie hersteld werd. Roanne was dus van oudsher een belangrijk handelsknooppunt en op de vlakte er omheen hadden zich regelmatig gewelddadige territoriale twisten afgespeeld. Alle oude stadjes in de streek waren gebouwd op een heuvel of vulkanische rots en voorzien van imposante verdedigingswerken. Haon-le-Châtel was daarvan een mooi voorbeeld, met stadsmuren uit de twaalfde eeuw. Ook de priorij van Pommiers, die zich op een steenworp afstand van de camping bevond, lag op een verhoging in het landschap en was voorzien van stevige torens en muren. Die stamden uit de tijd van de Honderdjarige Oorlog tussen Engelsen en Fransen die tot het midden van de vijftiende eeuw geduurd had. Vooral het platteland had geleden onder de plunderend rondtrekkende legers en roversbenden. In veel stadjes die Stef gepasseerd was stonden Romaanse kerkjes uit de twaalfde eeuw, wat erop leek te wijzen dat de streek al lang voor de Honderdjarige Oorlog welvarend en dichtbevolkt was geweest. De Belg en de Duitser luisterden belangstellend naar zijn historische uiteenzettingen. Stephen zei weinig en knikte af en toe bevestigend, terwijl Matthieu afwezig voor zich uit staarde.


Later die middag liep het drietal over de weg naar Pommiers om de priorij te bezichtigen. Onderweg passeerden ze de restanten van een middeleeuws stenen bruggetje dat zonder aansluiting met een weg of pad verweesd midden in het land stond. Alsof het achteloos terzijde was geschoven omdat het niet voldeed aan de eisen van het moderne verkeer. Een drooggevallen bedding en een drassige sloot markeerden de vroegere loop van het riviertje de Aix, dat blijkbaar sinds de Middeleeuwen enkele tientallen meters was opgeschoven. Een paar meter boven de omringende akkers verheven stond de priorij op een plateau in het landschap. Een rijtje imposante ronde torens rees op als reusachtige schildwachten met rode puntmutsen. Keurig in het gelid staand keken ze in zuidelijke richting uit over de vlakte van Forez, als dappere broertjes van Don Quichote’s windmolens. Een zwerm kwetterende boerenzwaluwen scheerde jagend op insecten kriskras laag over een veld met kleurige wilde bloemen dat aan de voet van de muren van het religieuze gebouwencomplex lag. De zoete geur van drogend hooi hing over het land en de middagzon verspreidde een aangename warmte.

De weg leidde niet rechtstreeks naar het versterkte klooster en ze moesten omlopen door het dorpje om bij de ingang, die zich aan de oostzijde bevond, te komen. Onderweg konden ze de gebouwen dus op een afstandje van verschillende kanten bekijken. Als priorij van Cluny bestond het klooster sinds de tiende eeuw en in 1452 verbleef de Franse koning Charles vii er toen hij het nieuws ontving van de invasie van de Engelsen in Bordeaux, wat de laatste fase van de Honderdjarige Oorlog inluidde. Dat was allemaal te lezen op het informatiepaneel bij de toegangspoort. Het complex omvatte enkele oude gewelven en een waar doolhofje van binnenplaatsen, galerijen, trappen en zolders. Sinds de Middeleeuwen was er wel het nodige aan verbouwd, maar het defensieve en robuuste karakter van de constructie overheerste. De priorij adverteerde zichzelf met de slogan ‘mille ans d’architecture’ – duizend jaar architectuur – en dat was wel gerechtvaardigd want het Romaanse kerkje dat er onderdeel van uitmaakte stamde uit de elfde eeuw. In de twintigste eeuw was het klooster op het laatst nog in gebruik geweest als rusthuis voor gepensioneerde priesters. Waarschijnlijk geen slechte plek om je levensavond door te brengen, meende Stef. In het woongedeelte was een privékapel ingericht voor de priesters, een aangename ruimte waar kunstig versierde comfortabele houten koorbanken met dikke rode kussens stonden opgesteld. Het licht van de middagzon viel door de grote vensters en veroorzaakte een warme gloed op de pastelrood geschilderde muren. De afwezigheid van het gebruikelijke religieuze beeldhouwwerk op kapitelen en portalen was opmerkelijk. Waarschijnlijk waren die, zoals zo vaak in Frankrijk, ten prooi gevallen aan godsdienstoorlogen, revolutie en secularisatie. Of misschien waren de beelden gewoon te gelde gemaakt. Er was wel een Romeinse gedenksteen met een Latijnse inscriptie die meldde dat Pommiers onder keizer Trajanus was gesticht als een kolonie voor veteranen. Stef wist te vertellen dat de geschiedenis van het plaatsje dus terugging tot het begin van de tweede eeuw van de christelijke jaartelling, want Trajanus regeerde rond het jaar AD 100. De overlevering wilde dat onder Trajanus het Romeinse Rijk haar grootste omvang bereikte, maar die lof was niet helemaal terecht vanwege de doorlopend veranderende grenzen in het Oosten ten gevolge van de voortdurende oorlogen met de Perzen. Wel kreeg het westelijk deel van het Rijk in die tijd haar laatste grote gebiedsuitbreiding met onder andere de verovering van Dacië – het moderne Hongarije en een aangrenzend deel van Roemenië. De volgende keizer, Hadrianus, was meer ingesteld op consolidatie van de veroverde gebieden en werd vooral bekend vanwege de defensieve muren die hij optrok aan de grenzen van het rijk. Stef schepte er genoegen in om dergelijke feitjes rond te strooien – het was een onschuldige manier om indruk te maken en hij hoopte dat het zijn gezelschap een beetje hielp om de dode stenen van historisch leven te voorzien.

Ook in de abdijkerk waren overblijfselen uit de Romeinse tijd verwerkt. De deksel van een antieke sarcofaag diende als bovenblad voor het altaar en in een zijmuur stond een marmeren zuil uit de Oudheid. De kerk zelf was een duistere, sombere ruimte met slechts enkele bescheiden vensters en een opvallend glas-in-lood-raam boven het altaar. Maar de schaduwen verhulden een verborgen schat in de vorm van een kapel met een verguld beeldje van de Heilige Maagd en een aantal helder gekleurde muurschilderingen uit de vijftiende eeuw. Stephan sloeg devoot een kruis en stak een kaarsje aan bij het beeldje van Maria, waar hij neerknielde en enige tijd in gebed verzonken bleef. Stef en Matthieu hielden respectvol een beetje afstand en richtten hun aandacht op de wandschilderingen. De Duitser, die toch al niet erg spraakzaam was, leek gedurende de rest van hun bezoek aan de abdij in gedachten verzonken. Stef kreeg de indruk dat Stephan gebukt ging onder de emotionele last van een stil verdriet. Er was bepaald iets zwaarmoedigs aan zijn zwijgzame naamgenoot, die niet alleen geplaagd werd door zijn nervositeit, maar ook nog de pech had gehad om zijn enkel te verstuiken.

Na hun bezichtiging overlegden de mannen of ze zouden gaan eten in het lokale restaurant Le Savigny, tegenover de priorij. Dat bleek echter op dat moment nog gesloten en de menukaart was bovendien nogal prijzig. Ze besloten geld te besparen en langs te gaan bij de snackbar die tevens dienstdeed als campingwinkel om te zien wat men daar te bieden had om zelf een maaltijd te bereiden in het chalet. Dat viel tegen. De zogenaamde winkel bestond uit slechts één plank met de allernoodzakelijkste kruidenierswaren: een paar blikken groente, een pak koekjes en een wasmiddel. Als ‘depot de pain’ hadden ze wel vers brood, maar verder leek het assortiment vooral bedoeld om juist te voorkomen dat men zelf ging koken. Daarmee werden de campinggasten aangespoord om zich te verlaten op het menu van de snackbar. De rommelige uitbater – zo te zien een dorpsjongen zonder veel culinaire ambities – leek vooral geïnteresseerd in het beheren van zijn goed voorziene bar. Zijn opgewekte jonge vrouw bediende de tafels en stond in de keuken. Het aanbod bestond uit een eenvoudige plat du jour en enkele gerechten à la carte, zoals entrecote of gefrituurde vis met frites en salade of een simpele pizza.

Ze kozen voor het laatste en namen er ieder een blikje bier bij. Stef merkte op dat Stephan de gewoonte om onrustig met zijn handen te controleren of alles nog op zijn plaats zat niet kwijt was. Onder het lopen was dat niet zo opgevallen, maar bij het eten ging zijn hand steeds naar zijn bril, als om die goed op zijn neus te duwen. Het leek meer een nerveuze tic dan dat het enig praktisch nut diende. Stephan keek onrustig om zich heen en droeg niet veel bij aan de conversatie, alsof hij andere dingen aan zijn hoofd had. Er zouden misschien pijnlijke stiltes zijn gevallen als Matthieu er niet bij geweest was om het gesprek gaande te houden. De joviale Belg praatte voor twee en Stef vroeg zich af of de ander daardoor misschien verbaal wat in de verdrukking zat, maar Stephan leek zich juist wel te koesteren in de luwte van Matthieu’s aanhoudende stroom van anekdotes. Die vertelde vol smaak een verhaal dat hij gehoord had over de oude pastoor van Saint-Maurice, die er de schilderachtige gewoonte op nahield om zich per ezel te verplaatsen door zijn parochie. Als Christus ervoor koos om zich op een ezel te verplaatsen, dan was dat zeker goed genoeg voor een dienaar van de kerk, zo redeneerde de priester. Lachend deed Matthieu uit de doeken hoe de christelijke herder het aan de stok kreeg met zijn spreekwoordelijk koppige rijdier, dat er blijkbaar niet voor terugdeinsde om bronstig achter de ezelin van een passerende pelgrim aan te gaan. Let wel, met zijn wanhopig protesterende berijder op de rug.

Het was een vermakelijke anekdote, waarvan het waarheidsgehalte naar Stef vermoedde op zijn minst twijfelachtig was. Maar hij was op dat moment meer geïnteresseerd in de achtergrond van zijn metgezellen. Matthieu vertelde dat hij vertegenwoordiger was geweest totdat hij met pensioen ging. Voor zijn werk had hij veel rondgereisd, vooral in Wallonië, Luxemburg en een deel van Duitsland. Met zijn innemende persoonlijkheid en verbale vaardigheden zag Stef in hem inderdaad een geboren verkoper. Hij kon zich goed voorstellen dat de amicale Belg tijdens zijn dienstreisjes veel stof voor smakelijke verhalen had opgedaan. Matthieu vertelde dat hij aanvankelijk had gewerkt voor een papiergroothandel, maar bij een reorganisatie was overgestapt naar een grote drukkerij. Dat was strategisch niet zo’n slimme zet gebleken, want met de opkomst van digitale technieken waren veel drukwerkopdrachten naar het goedkopere buitenland verdwenen. Noodgedwongen had hij zich de laatste jaren van zijn werkzame leven beziggehouden met het verkopen van kantoorartikelen. Hij zat nu een jaar thuis en werd geacht van zijn pensioen te genieten, maar de onrust zat in zijn benen en hij werkte zijn vrouw op haar zenuwen. Zijn handelsreizigersbloed kroop waar het niet gaan kon en zodoende had hij besloten de pelgrimsstaf op te nemen. Omwille van Stephan werd het gesprek in het Duits gevoerd, maar Matthieu kon even niet op de Duitse uitdrukking komen en sprak in het Frans van prendre le bourdon, waarop Stef en Stephan hem niet-begrijpend aankeken. “Ich meine die bâton des pèlerins aufnehmen”, lichtte hij toe terwijl hij met zijn rechtervuist en gestrekte arm een verticaal gebaar in de lucht maakte, alsof hij een staf op de grond zette.

Er verscheen een nadenkende frons op het gezicht van Stephan en het leek of de mist voor zijn ogen plotseling opklaarde. “Ach, du meinst ein Pilgerstab”, zei hij terwijl zijn ogen de wereld weer in focus kregen en de sombere uitdrukking op zijn gezicht ontspande. “Auf Deutsch reden wir auch von Jakobsstab”, voegde hij eraan toe. Daarmee leek de Duitser weer een beetje uit zijn schulp te kruipen en meer bij de conversatie te blijven.

Stef koesterde in het algemeen een ingeboren sympathie voor de kwetsbare underdog en Stephan leek op dat moment in die categorie te vallen. Zijn natuurlijke reactie was dan ook om de zwijgzame Duitser bij de conversatie te betrekken door belangstelling te tonen en te informeren naar zijn achtergrond en de reden voor zijn pelgrimage. Hij voelde wel aan dat de onrustige omgeving van een terras de ander misschien niet in de juiste stemming bracht om iets over zichzelf bloot te geven. Zelf voelde hij zich nooit helemaal vrij om te spreken in openbare gelegenheden omringd door mensen met nieuwsgierige oortjes. Stef stelde daarom voor om nog een paar biertjes te kopen en het gesprek in het chalet voort te zetten. Het begon al af te koelen en de andere twee stemden in met zijn suggestie om naar hun tijdelijke onderkomen te gaan, maar op voorstel van Matthieu lieten ze het bier voor wat het was en kochten ze nog een paar puddinkjes als toetje en een fles rode wijn ‘pour la sociabilité’ – voor de gezelligheid – zoals de Belg het noemde.

Ze installeerden zich in de luwte van de caravan met uitzicht over een akker. De ondergaande zon kleurde de lucht in het westen bloedrood en Stef sprak zijn vermoeden uit dat die kleur werd veroorzaakt door woestijnzand dat met een storm in de hogere lagen van de atmosfeer terecht was gekomen. Terwijl ze hun toetje aten vertelde hij iets over zijn eigen motivatie om de pelgrimage te ondernemen. Hij hoopte dat hij daarmee ook Stephan zou verleiden om wat meer over zichzelf te onthullen. Hij herhaalde dat er niet veel was dat hem bond in Nederland, in ieder geval geen sterke sociale banden. Dat hij al een paar jaar werkloos was en geen vrouw of kinderen had en ook geen andere zwaarwegende verplichtingen. Dus er was niets dat hem had tegengehouden om op pad te gaan. “Ik heb niet genoeg geld om naar exotische oorden te reizen, of om een luxe cruise te maken”, zo lichtte hij toe. “Gelukkig heb ik al redelijk wat van de wereld kunnen zien toen ik jonger was. Ik kon me in die jaren beter aanpassen aan primitieve voorzieningen en omstandigheden dan tegenwoordig. Het was prachtig om door de Marokkaanse woestijn te trekken in de laadbak van een vrachtauto of om bij een drijvend dorpje midden op een groot meer met een jong Cambodjaans gezin onder één muskietennet te slapen op de vloer van een houten vissersbootje . Ik heb er veel van geleerd over mensen in allerlei omstan- digheden, maar ik denk niet dat ik het nog zou kunnen opbrengen om zo ruig te leven. Maar het lopen gaat me nog goed af en het schijnt ook een prima remedie te zijn tegen allerlei ouderdomskwalen als hoge bloeddruk, teveel cholesterol en geestelijke aftakeling.”

“Ja ja”, reageerde Matthieu op dat laatste. “Ik ben de afgelopen weken onderweg al heel wat kilootjes verloren.” Alsof hij door die vaststelling werd aangemoedigd, maakte hij de fles wijn open en schonk de plastic bekertjes die ze hadden meegenomen uit de snackbar voor driekwart vol. De mannen hieven stilzwijgend het glas – nu ja, hun plastic bekertjes – en dronken. Stephan knikte instemmend terwijl hij de mouw van zijn jack weer eens rechttrok en zei bedachtzaam: “Het lopen is ook goed voor de geest.”

“Inderdaad,” haakte Stef daarop in, “je bent in rechtstreeks contact met de natuur en op het metrum van je voetstappen passen geen zorgelijke gedachten. Eigenlijk wordt je geest volop in beslag genomen door het landschap en de mensen die je tegenkomt. Daardoor is er geen ruimte voor zorgen en ben je meer ontvankelijk voor nieuwe impulsen en gedachten, vind je ook niet?” Bij die vraag richtte hij zich rechtstreeks tot Stephan, die daardoor in verlegenheid gebracht leek en vaag antwoordde dat hij misschien wel gelijk had. “Vielleicht… Ich weiß nicht…” Zijn blik was gericht op de onheilspellend ondergaande zon en afwezig trok hij aan een oorlelletje. Stef zag in die reactie een aanwijzing dat Stephan geplaagd werd door gevoelens die hij niet gemakkelijk kon onderdrukken. Dat prikkelde zijn nieuwsgierigheid, maar hij voelde wel aan dat hij niet teveel moest aandringen omdat hij de kans liep dat hij de ander daarmee zou afschrikken. Vergiste hij zich of wierp Matthieu hem een veelbetekenende blik toe? Die trok al een aantal dagen op met Stephan en wist misschien meer over de spoken in diens hoofd. Of misschien juist niet en volgde hij daarom nu belangstellend Stef ’s poging om een blik te werpen achter de schrikachtige façade van zijn reisgenoot.

Stef vervolgde: “Nou ja, zelf ervaar ik dat in ieder geval wel zo. En het is ook leuk om wederwaardigheden uit te wisselen met de mensen die je onderweg tegenkomt. Ook al zijn de contacten vaak vluchtig, maar dat past me juist wel. Ik ben niet het type dat de behoefte heeft om doorlopend van alles te delen met een en dezelfde persoon. Er kunnen dan al snel verwachtingen en verplichtingen ontstaan. Daar krijg ik het op den duur maar benauwd van.”

Stephan vroeg met een serieus gezicht of Stef van plan was helemaal naar Santiago de Compostella te lopen, of slechts tot aan Saint Jean-Pied-de-Port, bij de Spaanse grens in de Pyreneeën, zoals Matthieu en vele anderen die door Frankrijk liepen. Waarop zijn Belgische kameraad toelichtte: “Tegen die tijd ben ik meer dan twee maanden weg van huis en wordt het tijd om moeder de vrouw weer eens op te zoeken.” En met een ondeugende schittering in zijn ogen vervolgde hij: “Voordat ze me ervan gaat verdenken dat ik er vandoor ben met een jeugdige vrouwelijke pelgrim!” Hij moest lachen om zijn fantasietje, alsof die hem absurd voorkwam. “Maar zonder gekheid, de reis bevalt me bijzonder goed en ik heb me al voorgenomen om ook het tweede stuk, door Spanje, te gaan lopen. Misschien dit najaar al, maar anders beslist het volgende voorjaar.”

“Eerlijk gezegd weet ik nog niet precies hoe ver ik de pelgrimsweg ga volgen”, beantwoordde Stef de vraag van Stephan en verklaarde vervolgens dat hij de weg naar Compostella vooral liep vanwege de historische bezienswaardigheden. “Mijn eindbestemming ligt wel in Spanje, maar eenmaal voorbij de Pyreneeën wil ik in de eerste plaats op zoek gaan naar een rustig plekje met weinig mensen en veel natuurschoon in de bergen of aan de kust om daar een tijdje te blijven.”

“Dat klinkt meer als een toeristische onderneming dan een spirituele zoektocht”, concludeerde de Duitser afgemeten.

Hoorde Stef in diens stem een terechtwijzende ondertoon? “Mmm, misschien wel,” reageerde hij, “maar zo kijk ik er niet tegenaan. Toerisme kan bovendien op veel verschillende manieren bedreven worden, mein Freund. Voor mij is het reizen vooral een mogelijkheid om nieuwe ervaringen op te doen en daarvan iets te leren. In die zin kun je mijn tocht wel opvatten als een spirituele onderneming. Bovendien heb ik niet zoals een vakantieganger een vastgestelde datum waarop ik weer thuis moet zijn. Maar vertel eens, wat is jouw motivatie dan eigenlijk? Je lijkt me een gelovig katholiek, maar voor zover ik weet kunnen gelovigen ook om heel verschillende redenen een bedevaart ondernemen: om boete te doen voor hun zonden, of om met een specifiek verzoek te bidden bij de relikwieën van een heilige of meer algemeen om hun relatie met God te versterken en hun plaats in het hiernamaals te verzekeren…”

“Ach…”, Stephan zuchtte eens diep en nam een flinke slok van zijn wijn, alsof hij zichzelf moed moest indrinken om die vraag te beantwoorden. In de stilte die viel vulde Matthieu de bekers nog eens bij. “Het is waarschijnlijk een beetje van alles van wat je daar opnoemt. Wie is er zonder zonden? Ik in ieder geval niet.” Knipperend met zijn ogen liet hij zijn blik over zijn twee metgezellen gaan, maar Stef had de indruk dat hij dwars door hen heenkeek en zijn aandacht zich richtte op een punt ver voorbij de zichtbare horizon, waar de zon op dat moment onderging in een explosieve compositie van rode en paarse vlekken. Een schaduw reikte vanuit het westen en veroorzaakte een koude rilling over zijn rug. Wat zag Stephan in die psychedelische Rorschachtest?

“Ik… eh… ik heb vorig jaar mijn vrouw verloren…”, begon Stephan aarzelend. “Aan een dodelijke ziekte… En ik vrees dat ik zelf haar ziekte heb veroorzaakt. Ik weet niet hoe en snap niet hoe het kon gebeuren, maar dat is de gedachte die me niet meer loslaat en me verteert met schuldgevoel.”

Die aarzelende bekentenis sloeg in als de spreekwoordelijke onaangekondigde donderslag en Matthieu en Stef keken elkaar verbaasd, vol ontsteltenis aan. Het waren maar woorden, op zichzelf betekenisloos, maar op deze manier samengevoegd en uitgesproken onthulden ze een hele wereld van persoonlijk leed waarvan de omvang niet te schatten viel. Wat eerst niet zichtbaar was geweest, niet bestond voor de toeschouwers, werd nu open en bloot op tafel gelegd. Daardoor werden Matthieu en Stef de geheime wereld van Stephan’s lijden binnengetrokken, er als het ware deelgenoot van gemaakt. De kracht van het gesproken woord in de praktijk gebracht, ging er door Stef heen. De ontboezeming van hun Duitse reisgenoot leek heel veel te verklaren over diens gedrag en voorkomen. Die nerveuze tics van hem en zijn zwijgzaamheid waren dus op te vatten als de weerslag van een groot persoonlijk verdriet dat hij verborgen hield, misschien zelfs onderdrukte. Het verlies van een geliefde was op zichzelf al voldoende om iemand helemaal uit balans te brengen, maar de gedachte daarvoor zelf ongewild de schuld te dragen kon weleens ondraaglijk zijn.

Matthieu maakte een smakkend geluid en schudde met een bedroefd gezicht zijn hoofd. “Oh, wat spijt me dat. Neem me niet kwalijk, ik wilde met mijn vraag absoluut geen oude wonden openen”, reageerde Stef op de gruwelijke verklaring van de Duitser, maar die leek hem niet te horen. Die bevond zich nu in de duistere catacomben van zijn eigen met schuldgevoel doordrongen gedachtewereld.

“Wisten jullie dat Sint Jacobus ook de beschermheilige is van apothekers en drogisten?” verbrak Stephan de pijnlijke stilte. “Daar kwam ik pas achter na de dood van mijn geliefde Gerti. Ik heb mijn leven lang gewerkt in de farmaceutische industrie, dus je zou kunnen zeggen dat ik beroepsmatig onder de bescherming van Jacobus val. Zie je, ik was als amanuensis – technisch assistent – betrokken bij onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen.” Hij aarzelde even en vervolgde zijn relaas: “De afdeling waar ik werkzaam was hield zich bezig met experimenteel onderzoek naar de mogelijkheid om virussen te gebruiken voor therapeutische toepassingen. Door ze genetisch te veranderen kun je virussen namelijk als het ware programmeren om specifieke cellen in het lichaam binnen te dringen en daar bijvoorbeeld een stukje genetische code in te brengen. Om het simpel voor te stellen: dat ingebrachte materiaal kan dan een defect in dat type cel repareren of er iets aan toevoegen dat een genezende werking heeft.”

Nu de eerste stap om zich open te stellen was genomen, kwamen de volgende schreden op het pad naar de krochten van Stephan’s ziel als vanzelf, ook al waren die door de kracht van de emotionele lading misschien wat onbeheerst en onevenwichtig. Het leek alsof de eerdere remmingen en voorbehouden plotseling waren opgelost, verdund in het grotere reservoir van hun gezamenlijke bevattingsvermogen. Stef had even moeite om over te schakelen van een dode geliefde naar therapeutische genetica, maar hij zag wel dat het spreken over technische details voor Stephan emotioneel minder belastend was dan het onder woorden brengen van een groot verdriet. De aanvankelijk aarzelende bekentenis werd gevolgd door een paar onsamenhangende zakelijke observaties die al spoedig overgingen in een stroom van wetenschappelijke feiten.

“Dit was nog vòòr de recentelijke ontdekking van CRISPR-Cas9, een techniek gebaseerd op een bacterieel defensiemechanisme tegen virussen. Dat blijkt ook bij mens en dier te werken en belooft een krachtige techniek op te leveren waarmee je aan DNA kunt sleutelen,” vervolgde de Duitse pelgrim. “Daarmee komen in theorie allerlei genetische therapieën binnen handbereik waarvan we een paar jaar geleden alleen konden dromen. Misschien dat dit anti-virusmiddel uit bacteriën zo ingezet kan worden dat het in plaats van virussen te bestrijden deze herprogrammeert. Stel je eens voor welke enorme sprong voorwaarts de medische zorg zou maken wanneer we behandelingen zouden kunnen ontwikkelen die gebaseerd zijn op dit principe.”

Stef knikte instemmend om Stephan aan te moedigen verder te gaan met zijn relaas.

“Er zijn al verschillende virussen bekend die een bepaald soort kankercellen aanvallen en doodmaken”, vervolgde de gekwelde Duitser. “Maar het vergt wel wat manipulatie om een virus geschikt te maken voor zijn werk als vector – zo noemen biologen virussen die gebruikt worden om een werkzaam bestanddeel, zoals een stuk DNA, nanodeeltjes of bepaalde organische moleculen, in een zieke cel af te leveren.”

“Het maakt wel verschil of je met je virus alleen maar kankercellen kapot wilt maken, of dat je van plan bent om het te gebruiken om nieuw genetisch materiaal of een ander therapeutisch middel te laten opnemen door bepaalde cellen die niet goed functioneren. In het eerste geval kun je het eigen DNA of RNA van het virus grotendeels intact laten, alleen het ‘herkenningsmechanisme’ moet zo gemanipuleerd worden dat het virus de zieke cellen herkent en alleen die infecteert. Na infectie gebruikt het virus de gastcel om zichzelf te vermeerderen totdat die openbarst en de nieuwe virions – zo noemt men de vrijgekomen virusdeeltjes die niet meer in een cel van de gastheer zitten – en die virions dus vrijlaat zodat deze zich in een kettingreactie kunnen verspreiden naar andere zieke cellen. Als je daarentegen de gastcellen intact wilt laten en er alleen iets nieuws bij wilt inbrengen, dan moet je ook eerst een deel van het oorspronkelijke genetische materiaal uit het virus verwijderen zodat die zich niet meer onbeperkt kan vermenigvuldigen en zo de gastcel vernietigen. Je hebt dan alleen het deel van het virus nodig dat zichzelf toegang verschaft tot de cel van de gastheer. En er dan vervolgens de gewenste genen of andere werkzame bestanddelen in aanbrengen, zodat die hun therapeutische werk kunnen doen in de cellen van de ontvanger.”

Met aandacht luisterde Stef naar de uiteenzetting van Stephan, die nog niet eerder zo lang aan een stuk door gesproken had. Hij was zelf niet onbekend met de moderne biologische technieken die de Duitser beschreef. Hij wist dat men niet alleen zocht naar mogelijkheden om virussen genetisch te manipuleren voor therapeutische doeleinden, ook lichaamseigen cellen van het immuunsysteem zouden als het ware geprogrammeerd kunnen worden om kankercellen uit te schakelen. Voor zover hij wist waren daarmee in de praktijk al veelbelovende resultaten behaald. Hij vroeg zich af waartoe het verhaal zou leiden en wat het verband was met de dood van Stephan’s echtgenote. Het viel hem op dat zijn naamgenoot tijdens het vertellen van zijn verhaal niet meer zenuwachtig aan zichzelf zat te plukken. Niet langer zochten de onderdrukte spanningen een weg naar buiten in de vorm van dwangmatige handelingen.

Stephan vervolgde: “Ik was zo gefascineerd door mijn werk dat ik helemaal opging in het puzzelen met de biologische details en daardoor raakte ik misschien een beetje blind voor de risico’s die verbonden zijn aan zulk onderzoek. Virussen zijn nare organismen op de grens van leven en dood die zich heel onvoorspelbaar kunnen gedragen. Sommige kunnen heel snel muteren en genetische barrières overwinnen, wat betekent dat ze een manier vinden om nieuwe organismen of andere celtypen te infecteren. Het is dus uiterst belangrijk dat er goede protocollen voor de veiligheid zijn en dat die nauwkeurig nageleefd worden. Er gelden daarom strenge veiligheidsregels voor de onderzoekscentra en ik werkte in een laboratorium dat viel in de Risikogruppe 3, waarvoor het op één na hoogste veiligheidsprotocol wordt gevolgd. Maar het blijft natuurlijk mensenwerk en fouten die kùnnen optreden, zùllen daarom ooit gemaakt worden, zoals de Wet van Murphy voorspelt. Onderzoekers die zichzelf per ongeluk prikken met besmette naalden en zo geïnfecteerd raken en virussen in zich meedragen het lab uit, of monsters die verkeerde etiketten krijgen of vermengd raken met andere monsters – het komt allemaal voor, ik heb het meegemaakt. Het hoogste risico-niveau hebben laboratoria waar Schutzstufe 4 – oftewel Biosafety Level 4 – geldt. Daar wordt gewerkt met uiterst gevaarlijke virussen waarvoor geen behandeling bekend is, zoals Ebola, Marburg en Pokken. Maar ook met dat veiligheidsniveau zijn ongelukken niet uit te sluiten.”

Stephan nam een slok wijn en vervolgde hoofdschuddend: “In 1978 overleed er in Groot Brittanië iemand aan de gevolgen van een infectie door een uit het laboratorium ontsnapt pokkenvirus en gedurende de afgelopen decennia zijn in Russische laboratoria regelmatig doden gevallen bij ongelukken met Ebola en het Marburgvirus. Vooral de voormalige Oostbloklanden hebben een slechte reputatie op het gebied van veiligheid, maar misschien zijn ze elders in de wereld gewoon slimmer in het verzwijgen van dergelijke voorvallen. Gelukkig overleven de meeste experimentele virussen waar wij mee werkten niet buiten het lab omdat ze als het ware kreupel gemaakt zijn en zichzelf niet kunnen vermenigvuldigen zonder speciale toevoegingen. Maar, zoals ik zei, virussen kunnen heel flexibel zijn en snel muteren, dus het is niet ondenkbaar dat er eens eentje ontsnapt die zowel levensvatbaar als bijzonder schadelijk is.”

Zwijgend hoorden Matthieu en Stef deze monoloog aan. Ze wilden Stephan niet onderbreken. De Duitser keek hen niet aan, maar hield zijn blik op zijn handen gericht. Het leek alsof hij zichzelf toesprak. Alsof hij de omstandigheden die hadden geleid tot de tragische dood van zijn vrouw daardoor beter zou kunnen doorgronden. Misschien bevond hij zich op dat moment wel in een wereld waarin hij de film van de gebeurtenissen terug kon spoelen, om de afloop te beïnvloeden, er een ander einde aan geven…

“Ik weet nog steeds niet of het pure pech was of dat ik zelf slordig en nonchalant ben geworden in mijn professionele hygiëne. In ieder geval werd mijn vrouw ziek. Eerst leek het gewoon een verkoudheid, maar de symptomen werden al snel ernstig en ze moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Maar haar toestand verslechterde in rap tempo en ze overleed voordat men de oorzaak kon vaststellen. Uitgebreid onderzoek achteraf wees uit dat een gewoon verkoudheidsvirus, in dit geval van de Corona-familie, op de een of andere manier in contact was gekomen met een onschadelijk gemaakte variant van het Lassa-virus waarmee wij werkten op ons laboratorium. Door een zeldzame vorm van uitwisseling van genetisch materiaal in een cel die door beide virussen was geïnfecteerd, was een dodelijke mutant ontstaan. De enige manier waarop Gerti met dat Lassa-virus in aanraking kan zijn gekomen is via mij. Het virus moet op mijn lichaam of kleding meegekomen zijn en haar geïnfecteerd hebben.” Er ging een schok door Stephan’s lijf en hij probeerde iets weg te slikken. Zijn verstrengelde vingers knepen het bloed uit zijn handen als in een krampachtig gebed. Er viel een stilte terwijl de laatste zonnestraal gesmoord werd in het wolkendek aan de horizon.

“Tjee, wat een gruwelijk verhaal, Stephan”, merkte Stef op. Hij wist niet goed wat hij moest zeggen, maar wilde toch op de een of ander manier medeleven tonen. Ook Matthieu kon blijkbaar geen geschikte woorden vinden en had een ongemakkelijke uitdrukking op zijn gezicht.

Stephan had zijn bril afgenomen en poetste zijn glazen schoon. Zonder de anderen aan te kijken vervolgde hij: “Neem me niet kwalijk, maar het grijpt me nog altijd zeer aan…”

“Nee nee, verontschuldig je asjeblieft niet. Er is je iets vreselijks overkomen. Het is niet vreemd dat je daar verdriet van hebt.”

“Dank je voor je begrip, mijn vriend. Het is de eerste keer dat ik dit allemaal vertel, maar ik dacht dat ik mijn gevoelens wat beter onder controle had.”

“Het is een bijzonder zware last die je met je meedraagt”, merkte Matthieu op. “En het is, denk ik, heel goed om daar iets van te delen. Ik vermoed dat je deze pelgrimage hebt ondernomen om deze traumatische ervaring enigszins te verwerken? Het helpt daarbij zeker en vast om je hart te luchten, denk je niet Stef?”

Stef knikte instemmend, aangenaam verrast door de empathische reactie van de Belgische bon-vivant, die daarmee blijk gaf van meer diepgang dan hij van hem verwacht had. De zon was inmiddels helemaal ondergegaan en ze zaten nu in het schemerduister. Nachtinsecten zoemden in de koele avondlucht.

Stephan vervolgde: “Het was inderdaad onbeschrijfelijk traumatisch. Ik belandde in een depressie waardoor ik niet meer in staat was om mijn werk goed uit te voeren. En ik begon te piekeren over de gevaren die ik persoonlijk liep, maar ook over het risico dat een gemuteerd virus zou kunnen ontsnappen en zich verspreiden onder de bevolking. Het werd een obsessie voor me. Overal om mij heen dacht ik signalen te zien van gesjoemel met veiligheidsmaatregelen op de werkvloer. Ik zag dat als een gevolg van de concurrentie met laboratoria in landen waar men het niet zo nauw neemt met de regels, zoals in Oost-Europa en Azië. Achtervolgd door dergelijke gedachten zag ik overal onaanvaardbare risico’s. Ik meende zelfs dat mijn telefoon werd afgeluisterd door terroristen die gebruik wilden maken van mijn kennis. Uiteindelijk kon ik het niet meer verdragen en ben ik opgestapt. Om te voorkomen dat ik mijn verhaal aan de grote klok zou hangen en daarmee grote imagoschade zou veroorzaken, heeft mijn voormalige werkgever zich van mijn stilzwijgen verzekerd door me een flinke afkoopsom mee te geven. Een soort vervroegd pensioen. Daarmee wilde hij ook voorkomen dat ik mijn gevoelige technische kennis te gelde zou maken door bij een concurrent in dienst te treden. Die afkoopsom was weliswaar niet onwelkom, maar daarmee was mijn gewetensnood niet verdwenen. Integendeel, zou ik haast zeggen. Toen ik me weer wat evenwichtiger voelde kwam ik op de gedachte om de pelgrimsweg naar Compostella te gaan lopen. Iemand suggereerde dat zo’n symbolische boetedoening me misschien zou helpen bij het verwerken van mijn schuldgevoel. Begrijp je, beste Stef, dat deze reis voor mij emotioneel zeer beladen is en zoveel meer dan een sportief toeristisch uitstapje?”

“Ja, ik begrijp dat dit geen luchthartige trektocht voor je is,” antwoordde Stef, “en ik hoop van ganser harte dat je onderweg de nodige gemoedsrust vindt. Maar ik denk dat deze reis voor geen van ons slechts een simpele sportieve uitdaging is. Hoewel jouw ervaringen vele malen heftiger zijn dan de mijne, dragen we allemaal ons verleden met ons mee en zullen we onderweg geconfronteerd worden met onze goede en slechte eigenschappen. Hopelijk steken we er iets van op en kunnen we na afloop vaststellen dat we op de een of andere manier een beter mens geworden zijn.”

“Amen”, zei Matthieu instemmend na deze misschien wat obligate, maar evengoed toepasselijke reactie van Stef.

In het donker stak Stephan zijn lege bekertje uit naar Matthieu om deze te laten bijvullen en zei: “Dank jullie voor je begrip. Ik voel me in ieder geval opgelucht nu ik mijn verhaal verteld heb. Laten we hopen dat je gelijk krijgt in je verwachting dat deze reis ons zal brengen wat we nodig hebben. Daar drink ik op. Zum Wohl!”

Matthieu had de laatste wijn uit de fles verdeeld en gezamenlijk hieven ze hun plastic bekertjes.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.