18 | Over de Vrije Wil

Stef bereikte de rommelige boerencamping van de familie Renaud door een stuk van de route af te snijden en tegen een helling op een paar weilanden over te steken. Nagestaard door een groepje nieuwsgierige witte Charolais-runderen bereikte hij een geasfalteerd landweggetje dat dwars over het erf van een boerderij liep. Het kampeerterrein bestond uit niet meer dan een kaal grasveldje tegenover een lelijke stal op een heuvel die uitzicht bood over een lappendeken van golvende groene velden waar in de schaduw van een kronkellijn van bomen en struiken een beekje doorheen slingerde. Een kilometer verder, op een volgende heuvelrug, kon je het plaatsje Noailly zien liggen. Op de achtergrond tekenden zich in het zuidwesten vaag de contouren af van een lage bergkam – de eerste aanwijzing dat hij de overkant van het laagland bijna bereikt had. Een paar witte caravans waren al van veraf te zien geweest in het landschap en een bejaard Frans echtpaar zat in tuinstoelen in het zonnetje bij hun voortent. Ze begroetten Stef vriendelijk en vertelden hem dat mevrouw Renaud later in de middag zou langskomen en dat hij alvast een plaats voor zijn tentje kon zoeken. De familie woonde niet in het versleten boerenhuis, zo vernam hij, want daarin was een zestal gastenkamers ingericht. Stef informeerde naar de mogelijkheden om te eten in Noailly en kreeg te horen dat er een goed restaurant was bij de ingang naar het dorpje, maar dat er voor de krappe beurs een stukje verder tegenover de kerk ook een snackbar was.

Op een plekje dat de genoegens van een panoramisch uitzicht combineerde met de vrijheid van rustige afzondering zette Stef zijn tentje op. Nadat hij zijn voeten verzorgd had installeerde hij zich behaaglijk in de middagzon met zijn reisgids en aantekenboekje. Hij was nu bijna aan de andere kant van de grote vlakte waar de Loire doorheen stroomde tussen het Beaujolaisgebergte en het Centrale Massief. Met een beetje geluk zou hij de volgende dag Saint-Haon-le-Châtel bereiken, vanwaar zijn route hem zo’n honderd kilometer zuidwaarts zou voeren – ongeveer evenwijdig aan de bovenstroom van de Loire – tot aan Le Puy-en-Velay.

Stef nam de aantekeningen van de afgelopen dagen nog eens door. Hij had het maar pijnlijk gevonden om na al die jaren van zelfonderzoek te moeten vaststellen dat hij niet veel had kunnen veranderen aan de neurotische trekjes die hem zo dwars zaten in het leven. Ondanks zijn pogingen om ze te overwinnen was hij vaak gespannen en prikkelbaar in de nabijheid van mensen en bleef hij ongelukkig in de liefde. Al zijn inspanningen om zijn gekte onder controle te krijgen – het kritische zelfonderzoek, de al of niet diepgaande gesprekken met passerende vreemdelingen, tijdelijke geliefden en de schaarse dierbaren die hij mondjesmaat toeliet in zijn leven, maar ook de therapieën en zijn creatieve uitvluchten – hadden weliswaar veel interessante inzichten opgeleverd, maar per saldo niet de noodzakelijke verandering gebracht. Er waren blijkbaar beperkingen die onoverkoombaar waren voor hem.

Zijn trouwe schoolvrienden zagen het met lede ogen aan en op verjaardagen was zijn gemoedstoestand door de jaren heen een terugkerend onderwerp van gesprek. Belangstellend luisterden vrienden of vreemden dan meestal naar Stef’s verslag van de nieuwste ontwikkelingen in zijn leven en de verklaring die hij op dat moment kon bieden voor het meest recente amoureuze debacle. Dat laatste vond men maar raadselachtig, want hij maakte op feestjes veelal een opgewekte, joviale en enthousiaste indruk. Die schaamteloze openheid over zijn gevoelsleven kon meestal wel op sympathie rekenen, maar werd in de praktijk vaak opgevat als een uitnodiging om hem de een of andere oplossing voor zijn problemen te adviseren. De eerlijkheid gebood te zeggen dat vooral de vrouwelijke aandacht die Stef op die manier wekte hem niet onwelgevallig was en zelfs een beginpunt vormde voor enkele van zijn liefdesaffaires en relaties. Hoewel dat natuurlijk een bepaalde groep vrouwen betrof, namelijk zij die zich aangetrokken voelden tot een man die open over zijn gevoelens sprak en zich kwetsbaar durfde op te stellen. Dat waren wellicht vrouwen die zijn zwakte juist aanzagen voor een uiting van innerlijk kracht. Maar dat zei misschien ook iets over de beperkingen van hun eigen beoordelingsvermogen, meende Stef. In die aantrekkingskracht herkende hij nu de contouren van zo’n relationele dyade die de hoeksteen vormde van zijn Complement Theorie. Vaak zagen zulke meelevende dames overeenkomsten met hun eigen ervaringen en vonden ze aanknopingspunten om suggesties te doen voor allerhande zelfhulptechnieken, therapieën en trainingen waar ze naar eigen zeggen zelf baat bij hadden gehad. Dat leek Stef nu achteraf een kwestie van de lamme en de kreupele die elkaar wilden helpen. En een dubieuze en wankele basis voor een relatie. De aangename aandacht die zijn ontboezemingen opwekten versterkte natuurlijk wel zijn neiging om de kaart van zijn kwetsbaarheid in te zetten om toegang te krijgen tot vrouwenharten.

In zijn somberheid, passiviteit en behoefte aan afzondering zagen de meesten van zijn gesprekspartners – net als Stef toen zelf overigens – uitingen van depressiviteit en dat was een ziektebeeld waar velen van hen zich wel een voorstelling van konden maken en waarover ze dan ook een mening hadden. Met behulp van de een of andere gesprekstherapie, desnoods aangevuld met wat medicijnen, moest het toch mogelijk zijn om die structurele neerslachtigheid te overwinnen? Maar voor Stef was zijn neerslachtigheid slechts een symptoom van zijn frustratie over de onderliggende problemen die hij nooit goed kon beschrijven en waarvoor hij toen nog altijd geen duidelijke verklaring had. En waarop hij zodoende maar geen greep kreeg. Dat versterkte zijn gevoel van machteloosheid. De goedbedoelde adviezen die hij ontving waren, zoals hij het zelf zag, gericht op de oppervlakkige verschijnselen van zijn malheur en misten de kern van de zaak. Het gevolg was dat hij zich onbegrepen voelde en zich van lieverlee nog meer ging afzonderen.

Vage spanningsklachten, burn-out en depressiviteit waren in de westerse wereld inmiddels een soort volksziekten geworden waarmee iedereen vroeg of laat, direct of indirect, wel te maken kreeg. Het leek Stef een onvermijdelijk bijverschijnsel van de hoge eisen die de complexe maatschappij stelde aan haar burgers en de druk van het moderne leven met haar vrijblijvende sociale verbanden, nadruk op zelfredzaamheid en meedogenloze competitie op allerlei terreinen, van woningmarkt tot arbeidsmarkt. Het begrip ‘vervreemding’ drong zich op in zijn gedachten. En omdat de samenleving nu eenmaal niet gebaat was bij mensen die hun bijdrage aan de consumptiemaatschappij – als producent en als consument – niet naar behoren konden leveren, was er een bloeiende markt ontstaan waar counsellors, therapeuten en goeroes in vele variaties de mogelijkheid boden om je beperkingen te overkomen en wat ze noemden ‘aan jezelf te werken’. Dat fenomeen was in de laatste decennia van de twintigste eeuw uitgegroeid tot een soort vooruitgangsgeloof waar een enorme sociale dwang van uitging. Met wat inspanningen kon je als mens leren beter te functioneren – een woord- keuze die in de ogen van Stef leek te suggereren dat de zogenaamde verbetering in de eerste plaats bedoeld was om je rol als radertje in de grote economische geldmachine beter te kunnen vervullen. Het leek er op dat ‘beter functioneren’ betekende dat je als werknemer en consument meer zou bijdragen aan de kapitalistische economie. Maar hij wilde niet beter functioneren – hij wilde zich beter voelen. En als het even kon zonder drugs of alcohol als lapmiddel.

Stef zag de zogenaamde zelfhulpindustrie als een van de minder geslaagde uitwassen van de zestiger jaren. Het afwerpen van de knellende traditionele sociale banden had ruimte gecreëerd voor nieuwe mogelijkheden van individuele ontplooiing. Dat wel. Maar ‘op zoek gaan naar jezelf’ of ‘jezelf ontdekken’ was de grote opdracht die een hele generatie kreeg aangereikt als het recept voor een gelukkiger leven. Helaas was dat adagium niet langer verbonden aan een Boeddhistisch accepteren van jezelf en je omstandigheden, maar in een cynische omkering juist verworden tot een middel om vooruit te komen in een materialistische samenleving. Zo ging de nieuw verworven vrijheid hand in hand met een obsessie voor het individu en was het ideaal van de maakbare samenleving ingeruild voor dat van de maakbare mens. We leefden in een maatschappij die haar burgers zowel fysiek als mentaal in een gietvorm wilde proppen: allemaal hetzelfde atletische, slanke figuur en allemaal dezelfde assertieve, autonome, ondernemende, creatieve en toegewijde persoonlijkheid. Hetzelfde confectiemodel van lichaam en geest voor iedereen. Als de maakbare mens al bestond, dan toonde die een onthutsende neiging tot conformisme en eenvormigheid. Dat was in evolutionair opzicht natuurlijk een gruwel, want juist de natuurlijke variatie droeg bij aan de overlevingskansen van een soort.

Het was wel opmerkelijk dat het landschap van mogelijkheden om te sleutelen aan je mentale gesteldheid zo gevarieerd en onoverzichtelijk was. Stef zag dat als een aanwijzing voor een gebrek aan eensgezindheid over doel en middelen op dat terrein – een verwarring die zijn twijfel versterkte over de waarde van de hooggestemde verwachtingen. Maar al was het succes van mentale zelfverbetering misschien relatief, de mogelijkheden om daarentegen je fysieke uiterlijk te verbeteren waren gelukkig veel concreter en dankzij de algemene acceptatie van cosmetische plastische chirurgie en het gebruik van hormonale pseudomedicijnen om je lichaamsproporties op de juiste plekken op te pompen voor steeds meer mensen bereikbaar, dacht hij sarcastisch. Het leek hem niet onwaarschijnlijk dat wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen het in de nabije toekomst ook mogelijk zouden maken om allerlei cognitieve functies van de mens te veranderen – hij aarzelde om te spreken van verbetering, omdat het mes van de vooruitgang nu eenmaal altijd aan twee kanten sneed. Iedere verandering zou zowel voor- als nadelen met zich meebrengen. Maar of het nu om een pilletje ging dat de hersencellen stimuleerde of dat er micro-elektronische implantaten in het hoofd aan te pas zouden komen, de verandering van iemands intellectuele vermogen was toch wel omgeven met allerlei lastige morele vragen en potentiële maatschappelijke risico’s. Raymond Kurzweil’s transhumanistische toekomstbeeld van een wereld die bevolkt werd door cyborgs was misschien dichterbij dan we dachten, maar niet noodzakelijkerwijs een utopisch perspectief. Het viel nog maar te bezien in hoeverre het individu in die wereld van de toekomst vrijer zou zijn om zelf zijn lot te bepalen.

Om te verklaren waarom het hem maar niet lukte om zichzelf te veranderen putte Stef zich uit in allerlei geestelijke exercities die nogal krampachtig moesten zijn overgekomen op zijn gesprekspartners. Wanneer Stef probeerde zijn Complement Theorie met haar onvermijdbare consequenties uiteen te zetten stuitte hij bijna altijd op een emotionele muur van heftige weerstand. De gedachte dat je voorbestemd zou zijn om bepaalde gedragingen van je ouders te herhalen was voor de meeste mensen blijkbaar onverdraaglijk. Men was best bereid om te accepteren dat je bepaalde goede kenmerken had geërfd van je ouders, maar wat gezien werd als minder goede of zwakke eigenschappen… Nu ja, daar hadden ze zich nou juist tegen afgezet tijdens het psychologische separatieproces van hun tienerjaren. Het was in het universum van autonome individuen moeilijk om te aanvaarden dat je door je genetische predispositie en je psychologische conditionering geketend was aan de persoonlijkheidskenmerken van je voorouders. Stef vond dat wonderlijk, omdat mensen wèl zonder moeite accepteerden dan hun haarinplant, lichaamsbouw of de vorm van hun neus of oren door erfelijke factoren bepaald werd. Of dat hun aanleg voor diabetes, hoge bloeddruk of dementie een familietrekje was. Alle psychologie komt voort uit biologie, dacht Stef nog maar eens. Onze denkwereld is het resultaat van fysiologische processen in ons hoofd en lichaam. Dus als lichamelijke kenmerken genetisch vastlagen, waarom zou dat dan niet gelden voor de mentale eigenschappen en persoonlijkheidskenmerken die er rechtstreeks uit voort kwamen? Het fatalistische verhaal van Stef stond haaks op de psychologische behoefte van de mensen om zichzelf te beschouwen als een zelfstandig wezen dat zijn toekomst, of toch in ieder geval zijn partnerkeuze, zelf bepaalde. Men had vastgesteld dat personen die structureel en langdurig de regie over hun eigen leven kwijtraken, zoals gevangenen, een verhoogd risico liepen op depressieve klachten. Het besef van machteloosheid was blijkbaar slecht voor de geestelijke gezondheid.

De mythe van de autonome persoonlijkheid met een Vrije Wil was diep geworteld. In ieder geval in de westerse beschaving waar de ze vanwege haar rol in de christelijke heilsleer een onmisbaar onderdeel uitmaakte van de menselijke psyche. In oosterse culturen was dat, naar Stef meende, minder het geval. Daar lag de nadruk veel meer op het collectief en berusting in het onvermijdelijke, dacht hij te weten. Het kwam er in de praktijk op neer dat de meeste mensen in het Westen dachten dat ze zichzelf of hun lot konden veranderen ten goede, terwijl Stef voor een dergelijke opvatting bij zichzelf net zo goed als bij anderen geen enkele aanwijzing zag. In de kern van de persoonlijkheid althans. Wat men zelf beleefde als een grote verandering was vaak de normale ontwikkeling die je doorliep naarmate je ouder werd, of een oppervlakkige wijziging van je gedrag – de bijstelling van een paar gewoontes. Binnen de grenzen van de wet en de meeste beperkingen van culturele waarden en sociale normen kon men het eigen handelen over het algemeen wel een beetje sturen, maar fundamenteel bleef je dezelfde persoon. In die opvatting werd Stef gesteund door allerlei gedegen onderzoek naar karaktereigenschappen. Die waren volgens de laatste wetenschappelijke inzichten waarvan hij op de hoogte was behoorlijk constant gedurende je volwassen leven. Echte fundamentele veranderingen werden slechts waargenomen na traumatische ervaringen of ernstige beschadiging van de hersenen, bijvoorbeeld ten gevolge van infarcten, tumoren of verwondingen. En dat waren over het algemeen geen veranderingen ten goede omdat ze bijvoorbeeld geheugen, taalvermogen of zelfbeheersing aantastten. Wijziging van mentale of fysieke omgeving kon wel degelijk een hardnekkig gedragspatroon – zoals een verslaving – doorbreken en ruimte creëren voor nieuw gedrag of andere gevoelens. Maar voor de meeste mensen waren kleine gedragsveranderingen misschien voldoende om hun persoonlijke problemen te overwinnen. Voor Stef lag de oorzaak van zijn relationele problemen te diep om nog bereikbaar te zijn voor verandering. De weerstand tegen zijn opvatting dat veranderingen slechts oppervlakkig mogelijk waren was andermaal een aanwijzing van de behoefte en het vermogen van de mens om in zelfgesponnen illusies te geloven. En de grootste illusie was wel die van de Vrije Wil, of wat daar voor door ging.

Over de Vrije Wil hadden filosofen in de loop der tijd boekenkasten vol geschreven, want de kwestie raakte veel gevoelige fundamenten van de samenleving, waarvan moraal en rechtspraak misschien wel het meest zwaarwegend waren. Als ons handelen niet voortkwam uit een keuze van onze Vrije Wil, hoe konden we er dan verantwoordelijk voor gehouden worden? Was de straf voor overtredingen en misdaden dan wel gerechtvaardigd? Maar ook verschillende – zo niet alle – wetenschappelijke richtingen hadden zich te verstaan met vraagstukken omtrent de Vrije Wil, van de psychologie tot de fysica.

Kernprobleem waarover men zich al lange tijd het hoofd brak was de vraag of de onwrikbare wetten van logica en causaliteit die de natuur lijken te beheersen noodzakelijkerwijs resulteerden in een universum waarin alles van tevoren vast lag. Als het zo was dat de natuurwetten alles regeerden dan was er logisch gezien geen ruimte voor de Vrije Wil, zo werd geargumenteerd, want dan stond de uitkomst van allerlei processen en interacties bij voorbaat vast. Volgens de wetten van de Thermodynamica stevent het universum af op een onvermijdelijk eindpunt. De appel zal door de zwaartekracht altijd uit de boom naar de grond vallen en daar, als er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, ontkiemen en uitgroeien tot een nieuwe appelboom. De noodzakelijke voorwaarden – de juiste mix van vruchtbare grond, regelmatige bewatering en voldoende zonlicht – waren misschien complex, maar er kwam op geen enkele wijze een vrije keuze aan te pas. De besluitvorming in onze hersenen zou volgens hetzelfde principe verlopen, zij het in de context van haast oneindig veel meer variabele factoren die op complexe wijze in elkaar grepen. Van de duizenden synaptische verbindingen die ieder van onze miljarden individuele hersencellen maakten, tot de hoeveelheid beschikbare neurotransmitters in ieder van die neuronen, de invloed van hormonen en de toevoer van voedsel en zuurstof in het bloed dat naar onze hersenen stroomde.

Pierre-Simon Laplace schreef al in 1814 dat we het heden mochten opvatten als het resultaat van het verleden en de oorzaak van de toekomst. En een intelligentie die groot genoeg was om alle beginvoorwaarden van een bepaald moment in het heelal te kennen en te analyseren, zou alle bewegingen, van het grootste hemellichaam tot het kleinste atoom in één formule kunnen vatten en verleden en toekomst zonder onzekerheid even duidelijk voor zich zien als het heden. Die imaginaire – en naar sommigen beweerden praktisch onbestaanbare – intelligentie wordt de Demon van Laplace genoemd.

Sinds de opzienbarende neurologische experimenten van Benjamin Libet in de zeventiger jaren van de twintigste eeuw was het bekend dat de bewuste gedachte om een bepaalde handeling te verrichten pas gevormd werd nadat ons brein die beslissing al voor ons genomen had. Metingen van hersenactiviteit hadden uitgewezen dat onze grijze cellen soms al seconden voordat we een bewuste beslissing namen wisten wat we gingen doen. Anders gezegd, onze zogenaamde bewuste keuze was een gedachte die pas ontstond nàdat onze hersenen op het onbewuste niveau van geconditioneerde reflexen en fixed action patterns al een besluit genomen hadden. We waren gewoontedieren die reageerden op situaties zoals we dat met vallen en opstaan ooit aangeleerd hadden, zonder dat we daarover hoefden na te denken. Ons gedrag werd door onze gedachten pas achteraf toegeschreven aan een bewuste motivatie, een zogenaamde vrije keuze die een uiting zou zijn van onze Vrije Wil. Vanuit neurologisch standpunt was er echter geen enkele aanwijzing voor het bestaan van een bewuste, onafhankelijke Vrije Wil die besluiten nam voordat ze werden uitgevoerd.

Toch waren de meeste mensen er van overtuigd dat ze een Vrije Wil hadden en hun keuzes zelf bepaalden. En hoewel de afwezigheid van een Vrije Wil hem zelf een bevredigende verklaring, zelfs een rechtvaardiging, bood voor zijn onvermogen om te veranderen, kon Stef niet ontkennen dat hij er ook mee worstelde. Het was dus niet verwonderlijk dat in het filosofische debat over deze kwestie indringende vragen gesteld werden over de wetenschappelijke waarnemingen die ogenschijnlijk in tegenspraak leken te zijn met het onvermijdelijke, onontkoombare verloop van de geschiedenis der dingen.

Als onveranderlijke natuurwetten inderdaad onze werkelijkheid bepaalden en alles voorbestemd was, hoe zat het dan met Schrödingers Kat en de onzekerheden van de kwantummechanica? Volgens de zogenaamde Kopenhaagse Interpretatie is het universum niet gedetermineerd en bepalen onze hersenen hoe de toekomst eruit ziet. Het was ook bijzonder problematisch dat er in de fundamentele natuurkunde verschillende theorieën waren voor verschillende niveau’s van observatie. Op de kosmische schaal van sterren en melkwegstelsels golden de regels van Einstein’s Algemene Relativiteitstheorie, maar het niveau van subatomaire deeltjes kon het beste beschreven worden volgens de Kwantumtheorie die daarmee niet te verenigen viel. Het suggereerde dat er op een fundamenteler niveau een gemeenschappelijk principe werkzaam was dat het bereik van de menselijke kennis vooralsnog te boven ging. Naar die Theory of Everything was men naarstig op zoek in steeds grotere deeltjesversnellers en met krachtiger ruimtetelescopen. En waren veel conclusies in de natuur- en levenswetenschappen trouwens niet gebaseerd op statistische waarschijnlijkheden van de geobserveerde fenomenen waarbij een enigszins willekeurige grenswaarde werd gehanteerd voor het verwerpen of accepteren van een voorgestelde hypothese? Ook in fundamenteel wetenschappelijk onderzoek hing de wereld aan elkaar van waarschijnlijkheden, zelden van zekerheden. Als men van elementaire deeltjes alleen de waarschijnlijkheid kon vaststellen van een bepaalde snelheid of positie, hoe kon het gedrag van zo’n deeltje dan voorspelbaar zijn? En suggereerde de Chaostheorie met het voorbeeld van het butterfly effect ook niet dat de uitkomst van allerlei complexe processen hoogst onzeker en daarmee onvoorspelbaar was? Want minuscule veranderingen in de beginvoorwaarden konden een keten van gebeurtenissen beïnvloeden met onverwacht grote gevolgen voor het eindresultaat. Dat principe werd geïllustreerd door de metafoor van de vlinder die in Zuid-Amerika met een vleugelslag een orkaan veroorzaakte in Azië.

In een poging de tegenstelling op te lossen en een vorm van Vrije Wil mogelijk te maken in een universum waar onwrikbare natuurwetten golden waren filosofen zogenaamde compatibilistische modellen gaan voorstellen. Dat resulteerde in theorieën waarvan de nuances Stef soms boven de pet gingen. Anderzijds spraken sommigen van de Vrije Wil als een emergente eigenschap, een bij-effect van de natuurwetten dat op een hoger niveau ontstond uit de complexiteit van de onderliggende processen. Zoals ons bewustzijn een bijproduct was van de fysische activiteit van onze hersenen. Om de bevindingen van Libet te verklaren maakte een andere theorie onderscheid tussen proximale en distale niveau’s van keuzes maken. Het eerste niveau was van toepassing op Libet’s experiment en ging over onbewuste, routinematige alledaagse beslissingen. Het tweede betrof het menselijke vermogen om bewuste besluiten te nemen over grote zaken van levensbelang. In het Engels onderscheidde men respectievelijk picking en choosing van mogelijke opties. Volgens die zienswijze hebben we de vrijheid om te handelen binnen de begrenzingen die ons gegeven zijn, door de natuur, onze samenleving en door onszelf. Daarmee erkende men dus een voorwaardelijke Vrije Wil. Dit was een opvatting waar Stef wel iets voor voelde, omdat die hem zo begrijpelijk en voor de hand liggend toescheen.

Bewustzijnsfilosoof Daniel Dennett, van wie Stef verschillende fascinerende boeken had gelezen en ook weleens een lezing had bijgewoond, verwierp de stelling dat de Vrije Wil niet zou bestaan. Wel stelde hij dat die geen duidelijke identiteit heeft, waardoor ze moeilijk te onderzoeken en bespreken valt. Dat klonk een beetje als de methodologische bezwaren die men weleens uitte tegen allerlei psychologisch onderzoek. De hele discussie over de Vrije Wil werd daardoor naar zijn zeggen vertroebeld door misverstanden. Hij vergeleek de Vrije Wil met virtueel geld: het is er wel, maar je kunt het net zo min lokaliseren als de wil. Daarom was Dennet ook kritisch over de zienswijze van veel moderne hersenwetenschappers: je kon niet stellen dat de Vrije Wil zich bevond op hun onderzoeksterrein, in de hersenen. De gevierde wiskundige en kosmoloog Stephen Hawking bevond zich in hetzelfde kamp. Op de voor hem kenmerkende ironische wijze stelde hij vast dat zelfs verstokte aanhangers van het determinisme voor de zekerheid toch eerst twee kanten op kijken voordat ze een straat oversteken.

Bas Haring, een populaire Nederlandse filosoof die voor zover Stef wist nog bij Dennett had gestudeerd, was eveneens kritisch over de reductionistische benadering van neurowetenschappers als Victor Lamme en Dick Schwaab, die het menselijke gedrag terug brachten tot reflexen en aangeleerde gedragspatronen. Hij onderscheidde ook verschillende niveaus waarop men het probleem van de Vrije Wil kon benaderen. Haring vond de neurologische benadering van de volgelingen van Libet te fijnmazig omdat deze zich richtte op de kleinste eenheid van ons cognitief functioneren, namelijk de individuele hersencellen en hun interacties. Hij wilde niet uitsluiten dat er op het hogere niveau van onze alledaagse keuzes wel degelijk een mate van vrijheid kon bestaan en veronderstelde dat er inderdaad sprake kon zijn van een emergente eigenschap. Haring concludeerde dat er een onopgeloste discrepantie bestond tussen het intuïtieve en algemeen geaccepteerde verhaal dat de Vrije Wil bestaat en de wetenschappelijk vastgestelde realiteit die dat tegenspreekt. Vanuit zuiver filosofisch oogpunt zag hij zich daarom genoodzaakt om zijn oordeel over het al dan niet bestaan van de Vrije Wil op te schorten. Dat was behoorlijk onbevredigend en de tegenstellingen suggereerden dat het debat over de Vrije Wil nog lang niet ten einde was.

De hele notie van een deterministische werkelijkheid stond haaks op het intuïtieve gevoel dat we ons handelen zelf bepalen. Stef had de neiging om te denken dat het leven in hoge mate gestuurd werd door toevalligheden. Maar waren toevalligheden niet meer dan onbegrepen en complexe waarschijnlijkheden? Aardbevingen waren weliswaar het gevolg van natuurlijke processen met al hun wetmatigheden, maar de voorspelbaarheid ervan was nihil. Hetzelfde kon gezegd worden van het weer, de aandelenbeurs, vulkaanuitbarstingen of inslaande meteorieten. En wat te denken van de menselijke genetica? In de vele duizenden miljarden cellen in ons lichaam werden dagelijks miljarden stukjes DNA-code gekopieerd om complexe eiwitten en nieuwe cellen te maken. Ons lichaam was een duizelingwekkend complex systeem. Een enkel foutje in dat kopieerproces – een natuurlijke genetische mutatie – maakte meestal niet zoveel uit, maar kon in sommige gevallen wèl dodelijk zijn. Zo kon kanker ontstaan wanneer een stukje code in een van de tientallen genen die betrokken waren bij de normale celdeling verkeerd gekopieerd werd en de groei van die cel op hol sloeg. Anderzijds lagen vergelijkbare kopieerfoutjes in onze geslachtscellen – als een ‘schitterend ongeluk’ – ook ten grondslag aan het ontstaan en overleven van onze menselijke soort, omdat ze in sommige gevallen een evolutionair voordeel boden. Wat in de ene context een nadeel was, kon in een geheel andere situatie een groot voordeel zijn. Een bekend voorbeeld daarvan was de mutatie die sikkelcelanemie veroorzaakte, een vorm van bloedarmoede die veel voorkomt in de tropen. Dragers van dat gemuteerde gen zijn minder vatbaar voor malaria omdat de parasiet die de ziekte veroorzaakt gezonde rode bloedlichaampjes nodig heeft. Zo’n foutje kon je zien als toevalligheid, maar was in het onvatbare tijdsverloop van de evolutie waarschijnlijk onvermijdelijk.

Dergelijke ingewikkelde natuurlijke processen konden tegenwoordig uitstekend beschreven worden met geavanceerde differentiaalvergelijkingen: het verloop van pandemieën, de expansie van het heelal, klimaat- modellen, financiële markten en kwantummechanica. Berekeningen stellen ons in staat om voorspellingen te doen over de beweging van sterrenstelsels, over het weer en over menselijk gedrag. En hetzelfde gold voor de veronderstelde effecten van de Chaostheorie. De betrouwbaarheid van zo’n voorspelling was echter afhankelijk van de nauwkeurigheid en volledigheid van de beginwaarden die je in het model stopte. In een gebrek aan nauwkeurige kennis van de beginvoorwaarden lag de onzekerheid en dus de beperking van de voorspellingen. Laplace’s Demon struikelde dan over de tekortschietende kennis. Maar de onvolledigheid van onze gegevens en modellen deed niets af aan het deterministische karakter van de uitkomst op zichzelf. De onzekerheden van de kwantummechanica konden volgens de zogenaamde Hidden Variables Theory worden toegeschreven aan vooralsnog onbekende natuurwetten. En ook als je volhield dat de quantumeffecten volstrekt willekeurig waren, dan nog speelden die zich af buiten het bereik van de Vrije Wil. We hadden er geen enkele invloed op.

De eminente theoretische fysicus Sabine Hossenfelder schreef een perceptie van de Vrije Wil toe aan de processen die zich afspelen in onze hersenen terwijl we een beslissing nemen waarvan we de uitkomst niet kennen. Ze vindt de opvatting dat er op ieder moment een veelvoud aan mogelijke toekomsten zou bestaan – zoals de Many Worlds Interpretatie van de kwantummechanica voorstelt – en dat onze particuliere Vrije Wil een rol zou spelen bij de selectie welke daarvan werkelijkheid wordt, volledig in strijd met wat de wetenschap ons leert. Voor haar is ons brein opgebouwd uit dezelfde elementaire deeltjes als de rest van het universum, deeltjes die gehoorzamen aan de deterministische wetten van de natuur. De gedachte dat het menselijk gedrag onvoorspelbaar is en daarom kan ingaan tegen voorspellingen weerlegt ze met het argument dat je in dat geval de spelregels van het systeem verandert, wat niets te maken heeft met het menselijk gedrag of de Vrije Wil. En hoe stel je vast dat jouw tegendraadse handeling niet juist een onvermijdelijk gevolg is van de voorafgaande situatie?

Maar Hossenfelder troostte ons met de pragmatische gedachte dat het ons vrij staat om de illusie van de Vrije Wil te gebruiken als een hulpmiddel bij ons denken. Je kunt je leven voorstellen als een verhaal dat nog niet verteld is en omdat dat je bent toegerust met een denkapparaat kun je dat gebruiken om informatie te verzamelen en vervolgens te handelen op basis van wat je daarvan geleerd hebt. Het resultaat van die denkprocessen is weliswaar gedetermineerd, maar je moet toch nog altijd wel dat denkwerk verrichten. En die inspanning om goed na te denken ziet zij als de grote uitdaging voor ons bestaan.

En daarmee kon Stef voor zichzelf verklaren waarom hij ondanks als zijn inspanningen niet in staat was geweest om zijn persoonlijkheidsdefect te overkomen, ook al bleef het intuïtieve gevoel dat hij ergens tekortgeschoten was ongemakkelijk schuren tegen zijn gemoedsrust. Was hij een slappeling omdat hij geen grip had op zijn leven? De beleving van de Vrije Wil was een diepgewortelde en hardnekkige sensatie. Onwillekeurig bleef hij gevoelig voor neurologische en psychologische verklaringen voor zijn onvermogen om te veranderen. De notie dat de Vrije Wil opgesloten zat binnen de begrenzingen van onze individuele mogelijkheden en beperkingen was beter te behappen dan de mathematische formules van het gedetermineerde universum. Die beperkingen konden zowel intern als extern van oorsprong zijn, aangeboren of aangeleerd. Extern waren bijvoorbeeld culturele en sociale omstandigheden die hadden bijgedragen aan de persoonlijkheidsontwikkeling, de Nurture-aspecten van onze vorming. Daaronder lagen interne factoren die onder invloed stonden van het aangeboren deel van ons karakter, de Nature-aspecten. Volgens deze denkwijze was het kunnen uitoefenen van de Vrije Wil dus een persoonlijke vaardigheid die voor een deel aangeboren was en per mens kon verschillen. En die individuele verschillen bepaalden nu juist het unieke karakter van iedere mens.

Het leek Stef dat dit inzicht een pleidooi inhield voor tolerantie en respect voor niet alleen je eigen, maar ook voor andermans tekortkomingen. Ieder mens kreeg bij zijn geboorte een uniek pakket van mogelijkheden en beperkingen mee. En daarmee moest hij of zij het zien te rooien binnen de gegeven context van zijn of haar leven. We waren allemaal verschillend ondanks het feit dat we gelijkwaardig zijn.


Die avond at Stef een hamburger met frites bij Chez Mamoune op het dorpsplein van Noailly. Het plaatsje maakte een schone en opgeruimde indruk en hij vermoedde dat er veel forensen woonden die in het nabij gelegen Roanne werkten. Er waren weinig sporen zichtbaar van de wanordelijke erfjes en versleten gebouwen en machines die vaak zo kenmerkend zijn voor het Franse platteland. Noailly was meer een slaapdorp dan een werkdorp. Op zijn gemak liep hij na de snelle hap terug naar de camping, die ruim een kilometer buiten de bebouwing lag. Zijn buren hadden zich teruggetrokken in hun caravan en vagelijk hoorde hij het geluid van een televisie. Toen hij zijn telefoon aanzette zag hij tot zijn schrik dat er een tekstbericht van Livia was binnengekomen. Het was alweer bijna een week geleden dat hij in Cluny van de Vlaamse vrouwen het nieuws had ontvangen dat hij gezocht werd door die vreeswekkende achtervolgers van onduidelijke herkomst. Dat hij sindsdien niets meer vernomen had knaagde wel aan zijn gemoedsrust, maar onder het motto ‘geen nieuws is goed nieuws’ had hij geprobeerd om zich niet al teveel zorgen te maken. Nu begon zijn hart sneller te kloppen en sloeg er even een hete golf van transpiratie door hem heen – een typische stressreactie van het sympathische zenuwstelsel, wist hij. Livia liet gelukkig weten dat ze niets meer hadden vernomen van de achtervolgers, maar wel dat ze beiden een paar dagen oponthoud hadden opgelopen vanwege een griepje. Het bericht luidde: ‘Hoe gaat ’t daar? Geen nieuws van achtervolgers. Wij zijn paar dagen opgehouden door ziekte. Griep heerst en treft veel pelgrims. Nu beter en morgen weer op weg. Livia.’

Stef vond het geruststellend om te lezen dat de achtervolgers zich blijkbaar niet meer hadden laten zien. Hoewel de vragen over hun bedoelingen daarmee niet beantwoord waren. Zouden ze hun zoektocht hebben opgegeven? Het was evengoed mogelijk dat ze de Via Lemovicensis hadden verlaten en hem nu zochten op de weg naar Le Puy. Dat leek hem zelfs waarschijnlijk. Tot nu toe had hij nog niets gemerkt van verdachte types die hem op de hielen zaten, maar hij besloot toch maar waakzaam te blijven. Wanneer hij in gesprek raakte met passerende medepelgrims of beheerders van campings of gîtes kon hij terloops informeren of er Oost-Europeanen gesignaleerd waren.

Uit het bericht van Livia maakte hij op dat er blijkbaar er een soort griep heerste in het deel van Frankrijk waar de vrouwen doorheen trokken, want ze waren niet de enigen die getroffen waren. Gelukkig waren de vrouwen hersteld en konden ze de draad weer oppakken. Stef was in de Beaujolais ook geplaagd door wat symptomen van verkoudheid, maar had verondersteld dat die veroorzaakt werden door het vochtige klimaat of dat het een soort allergische reactie was op de vele bloeiende planten in de bergen. Nu bedacht hij dat zijn afweersysteem toen misschien in een strijd met dat griepvirus verwikkeld was geweest. Sinds hij door het laagland liep waren de verschijnselen verdwenen en afgezien van de blaar op zijn voet voelde hij zich fysiek prima. Hij stuurde in telegramstijl een berichtje terug: ‘Dank voor je bericht. Maak goede vorderingen. Nog ±weekje tot Puy. Geen achtervolgers. Groet a/ Madeleine en sterkte met de reis. Stef.’


De volgende dag wandelde Stef door Noailly in zuidelijke richting en hij pakte een eind voorbij het dorp de pelgrimsroute weer op. Die leidde hem over een slingerend pad door vlak boerenland naar Saint-Romain-la- Motte. Dat was een gemoedelijk ogend plaatsje op de kruising van een paar doorgaande wegen. Op een open ruimte in het centrum stond een opvallend kerkje dat zich als een bescheiden maagd half verscholen leek te houden achter een groepje bomen. De toren droeg een donkergrijze spits in de vorm van een kardinaalsmuts met een uitdagende grote lantaarn erop. De westgevel was gebouwd als een platte façade met een paar sober uitgevoerde stevige voluten die het middenschip ondersteunden en die Stef identificeerde als kenmerken van de Renaissance of Barok. De voorkant van de kerk leek in ieder geval niet op de gebruikelijke Romaanse of Gotische gevels uit de Middeleeuwen, of hun negentiende-eeuwse navolgers.

In de vlakke gevel bevonden zich drie toegangen met ronde bogen: één grote poort in het midden geflankeerd door twee manshoge deuren op de kop van de zijbeuken. Boven iedere toegang bevond zich een rond venster met dezelfde diameter als de boog eronder en vlak onder lijst bevond zich boven ieder rond venster weer een liggend ruitvormig venstertje met corresponderende afmetingen. Er waren geen beeldhouwwerken of ornamenten te zien. Hoewel een kapel van de abdijkerk in Le-Bénisson-Dieu een vergelijkbare dakbedekking had gehad, was de vorm van de torenspits toch opmerkelijk in deze streek, waar vierkante puntige torens met kleurige geglazuurde pannen gemeengoed waren. Stef zette zich neer aan een picknicktafel die naast de kerk in de schaduw van een paar boompjes stond bij het gebruikelijke oorlogsmonumentje. Het dorpje was goed afgestemd op de behoeften van de pelgrim. Bij de belangrijkste toegangsweg van het dorp was hij al een bakkerij gepasseerd waar hij een vers stokbrood had gekocht en in de hoofdstraat stond een herberg met terras tegenover een gebouwtje met schone en ruime publieke toiletten voor kerkgangers en pelgrims. Aan het kerkplein bevond zich ook nog een kleine epicerie waar hij nu wat inkopen deed voor zijn lunch.

Achter het kerkje waren een paar graafmachines in actie, maar ondanks het lawaai hoorde hij stemmen van boven komen. Opkijkend zag hij een aantal figuren op de omloop van de kerktoren, vlak onder de opbollende spits. Blijkbaar was het uitkijkpunt toegankelijk voor publiek. Stef besloot een kijkje te gaan nemen en vond aan de achterzijde van de toren een buitentrap die naar een houten deurtje op de eerste verdieping leidde. Achter die deur trof hij een keurige vestibule met veel glimmend gelakt hout. Daar liet hij zijn bagage achter om een steile ladder te kunnen beklimmen. Op de klokkenzolder kon hij door een kleine doorgang kruipen en toen stond hij in de open lucht op de omloop. Om geen aanval van hoogtevrees te krijgen hield hij zich goed vast aan de reling en Stef moest zich bedwingen om niet recht naar beneden te kijken. Gelukkig werd op dat moment zijn aandacht afgeleid door de andere bezoekers van de toren die aanstalten maakten om weer naar beneden te gaan en zich langs hem heen moesten wringen. Met zijn blik gericht op de horizon bleef hij alleen achter.

Het beeld dat nu in hem opkwam was dat van Frodo de Hobbit die op een beslissend moment in het sprookje van de ring op de berg Amon Hen uitkeek over Midden-Aarde en om zich heen zag dat de krachten van goed en kwaad zich verzamelden en opmaakten voor een beslissende strijd om de heerschappij van de wereld. Zijn eigen positie was geenszins te vergelijken met zoiets als de gefantaseerde heroïsche avonturen uit de Lord of the Rings, maar het landschap dat zich rondom hem uitstrekte leek hem niet minder doordrongen van een heldhaftig en gewelddadig verleden. In het oosten kon hij nog net de vage contouren van de Beaujolais herkennen achter de golvende velden waar hij de afgelopen dagen doorheen was getrokken. Een rijk en vruchtbaar land bezaaid met kloosters en abdijen. Ten westen van hem lag het Madeleinegebergte, de eerste rimpeling van het Centrale Massief – de ruige hoogvlakte die over een week of zo het volgende deel van zijn reis, vanaf Le Puy, zou domineren. De groene bergketen strekte zich zover het oog reikte uit in zuidelijke richting waar het overging in de Monts du Forez en verdween in een onbestemde grijze mist aan de horizon. Pal ten zuiden van hem kon hij heel in de verte de hoekige vormen onderscheiden van enkele witte flatgebouwen die gevangen waren in een straal zonlicht. Dat moest Roanne zijn, de hoofdstad van de Forez. Le Puy lag verder weg, onzichtbaar in het zuiden, niet ver van de oorsprong van de Loire in een landschap dat getekend was door de naakte lavakernen van uitgedoofde vulkanen uit een ver prehistorisch verleden. Zijn volgende halteplaats was Saint-Haon-le-Châtel, een middeleeuws vestingstadje op een heuvel aan de voet van de Monts de la Madeleine – het eerste van een hele reeks versterkte bourgs, of vestingstadjes, die hij de komende week op zijn weg naar het zuiden zou passeren. Met de bergen rechts van zich en de diepe kloven van de Loire aan zijn linkerzijde zou hij door een gebied lopen dat in de Middeleeuwen fel betwist werd vanwege haar vruchtbare grond en strategische ligging op de grens van verschillende graafschappen en bisdommen.

Hij richtte zijn blik weer naar het oosten en bedacht dat Xavier daar ergens over de Monts Lyonnais in zuidelijke richting liep op zijn raadselachtige zoektocht. Stef vroeg zich af of hij hem ergens in het zuiden weer zou treffen. Hij was nieuwsgierig naar de vorderingen van de enigmatische Vietnamees. En terwijl hij in de verte tuurde, alsof hij zijn kortstondige metgezel zou kunnen zien als hij zich maar voldoende inspande, sprongen zijn gedachten naar Madeleine en Livia die achter de westelijke horizon, hun weg over de oude Via Lemovicensis vervolgden. Zouden hun wegen zich nog kruisen? Dat was een ontmoeting waarop hij zich kon verheugen. Maar meteen viel er een schaduw over die aangename fantasie. Liepen op dat moment ergens in die golvende groene uitgestrektheid niet ook duistere gestalten die op zoek waren naar zijn spoor, of erger… Ook deze gedachte riep een beeld op uit Tolkien: angstaanjagende zwarte ruiters op zoek naar nietsvermoedende, vredelievende hobbits. Misschien hadden de Oost-Europeanen zijn spoor al gevonden en zaten ze hem nu om redenen die Stef niet kende al vlak op de hielen? Een koude rilling ging door hem heen en hij haastte zich naar beneden om snel zijn weg te vervolgen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.