17 | Nature of Nurture?

De volgende dag hervatte Stef zijn reis naar het zuiden. Met zijn verblijf in Charlieu had hij zijn voeten de nodige rust gegund en de blaar die hij had opgelopen tijdens de lange wandeling vanaf Propières zat nu goed beschermd achter een pleister. Zijn doel voor deze dag was een camping ongeveer vijftien kilometer verderop, even voorbij het plaatsje La Bénisson-Dieu. Dat was niet al te ver en ontspannen begaf hij zich op weg. Voor de laatste maal liep hij langs de sfeervolle middeleeuwse gevels in het stadscentrum van Charlieu. In een klein straatje achter de grote parochiekerk van Saint-Philibert zag hij aan de steunberen van het koor zowaar een paar waterspuwers die duidelijk uit hetzelfde nest afkomstig waren als de monsters die hij bij het Franciscaner klooster had gezien. Dezelfde lompe vormen en varkensachtige hondenkoppen. Ze deden hem denken aan het rochelende gedrocht dat hij in Propières uit een raam had zien hangen. Hij kon in het voorbijgaan niet vaststellen of ze er nu oorspronkelijk thuishoorden en functioneel waren, of dat ze er – net als bij de kapel van het klooster – bij een restauratie puur decoratief aan toegevoegd waren. Ze zaten hier in ieder geval wel op een logische plek aan het gebouw en niet lukraak op de muur geplakt als een soort uithangbord.

Nadat hij het klooster van de koorddragende volgelingen van Franciscus van Assisi achter zich had gelaten liep hij door een landelijk gebiedje over een slingerend pad naar Saint-Nizier-sous-Charlieu. Even later passeerde hij de Sornien nog eens en kwam hij in Pouilly-sous-Charlieu. Daar stak hij tegen het middaguur de Loire over terwijl aan het einde van de lange kaarsrechte weg in de verte de kerktoren van Briennon wenkte. De rivier was hier bijna honderd meter breed, maar ondiep en onderbroken door een paar rotsige eilandjes. Het zag er niet erg bevaarbaar uit, hoewel hij had gelezen dat de stroom in het verleden vanuit het westen een belangrijke verbindingsweg vormde tot aan Roanne. In sommige jaargetijden zou het water dus wel hoger staan. De hoofdstad van het gelijknamige arondissement bevond zich tien kilometer stroomopwaarts, links van Stef. Een krappe kilometer voorbij de Loire lag Briennon aan de overzijde van het kanaal van Roanne naar Digoin, dat wel diep genoeg was voor het moderne scheepvaartverkeer. Over de brug ging de route linksaf langs het water en Stef passeerde de jachthaven waar een aantal pleziervaartuigen op het vakantieseizoen lag te wachten.

Een uurtje later zat hij gerieflijk met zijn rug tegen een richel van gras die als de rand van een Balinees rijstveldje in de helling lag die neerkeek op de abdijkerk van La Bénisson-Dieu. Hier zag hij het omgekeerde van de situatie bij de Benedictijnse abdij van Charlieu. Daar moest het klooster het stellen zonder kerk: op deze plek was het hele klooster verdwenen en juist de kerk het enige deel dat nog overeind stond. Samengevoegd zouden de twee monumenten een aardig geheel vormen – een soort architectonische collage zoals de Cloisters aan de Hudson in New York, waar hij in 1989 een weekje vlakbij had gewoond. Dat was een prachtig gesitueerd museum voor middeleeuwse kunst in een park met uitzicht over de rivier en de beboste hellingen aan de overzijde. De behuizing van die collectie was daadwerkelijk samengesteld uit delen van vijf verschillende Europese kloosters die in de jaren dertig steen voor steen waren afgebroken en verscheept naar Amerika. Stef keek neer op een leeg grasveld waar een paar slingerende voetpaden doorheen liepen en dat zo te zien vooral gebruikt werd om honden op uit te laten. De voorzijde van de kerk had de vernielingen overleefd. Als je de karakteristieke toren naaste de ingang opvatte als de kop van het godshuis, dan had haar achterste flinke schade opgelopen: er stonden alleen nog een paar stukken muur van het koor die een restant van het gewelf in de lucht hielden. Het geheel zag eruit alsof de kerk ternauwernood het vege lijf had weten te redden maar daarbij het achterwerk niet tijdig had kunnen wegtrekken uit het pad van de vernietigende golf van iconoclastisch geweld die het klooster met de grond gelijk had gemaakt.

Stef las in zijn gidsje dat het oorspronkelijk een Cisterciënzer abdij was geweest die in 1138 gesticht was door een zekere Albéric. Dat was een kameraad geweest van abt Bernardus van Clairveaux, dezelfde die Stef al enkele malen was tegengekomen in verband met Eleanor van Aquitanië. Uitgaande van het geboortejaar 1122 – sommige bronnen suggereerden 1124 als jaar van haar geboorte – rekende Stef uit dat Eleanor in dat jaar 1138 zestien jaar oud was en krap een jaar koningin van Frankrijk. Hij googelde wat en vond de bevestiging van zijn vermoeden dat Engeland in die tijd verscheurd werd door de burgeroorlog tussen koning Stephen en zijn nicht keizerin Mathilde, de moeder van Eleanor’s toekomstige tweede echtgenoot Hendrik II en de dochter van Hendrik I, de jongste zoon van Willem de Veroveraar. Hij las nu ook dat Bernardus zelfs een verre verwant was van Eleanor en dat hij haar vader had genezen van diens schismatische sympathieën in een pauselijk conflict. Innocentius II had hertog Willem van Aquitanië in de ban gedaan toen die de zijde van tegenpaus Anacletus had gekozen. Tijdens een bemiddelingspoging in de kerk van Parthenay liepen de gemoederen zo hoog op dat de heetgebakerde hertog de abt gewapend te lijf wilde gaan, maar door de standvastigheid van Bernardus werd de vader van Eleanor op wonderbaarlijke wijze tegengehouden, zo wilde de christelijke overlevering.

Terwijl hij picknickte met een stokbrood en een stuk paté met plakjes komkommer, keek Stef toe hoe beneden hem twee vrouwen de kerk aan de buitenkant bezichtigden. Het waren zo te zien een bejaarde moeder met haar dochter. De jonge vrouw deed haar best om haar moeder te wijzen op allerlei bijzonderheden van het bouwwerk, maar de oude vrouw leek in een eigen wereld te leven die veraf stond van de ongetwijfeld interessante toelichting van haar begeleidster. Terwijl ze rondliepen keek ze speurend om zich heen en haar blik ging alle kanten op behalve in de richting van de kerkelijke ruïnes. Misschien omdat die haar te pijnlijk herinnerden aan haar eigen vergankelijkheid en naderend einde? Maar uit een soort ongemak in haar stappen kreeg Stef de indruk dat ze vooral zocht naar een openbare toiletvoorziening. Dat kon voor oude mensen een primaire bezorgdheid zijn. Vanuit een strakblauwe lucht schitterde de zon op de geglazuurde dakpannen van de kerk die een kleurig psychedelisch patroon vormden en met zijn aantekenboekje in de hand viel Stef terug in zijn overpeinzingen.

In het jaar 2000 was Stef zich verder gaan verdiepen in zijn familiegeschiedenis en met name die van zijn dierbare opa, de held van zijn kindertijd. Al zijn grootouders waren toen inmiddels op hoge leeftijd overleden – in de voor hun generatie respectabele leeftijd van 90 jaar of daar nèt onder – en hij begon met het verzamelen van materiaal voor een biografie over zijn opa uit De Brug, onder wiens dak hij geboren was. Daarbij ontdekte hij karakterbeschrijvingen die dorpsgenoten van hem hadden gegeven toen hij geïnterneerd was in Crailo en waarin Stef veel van zichzelf herkende. Dat zette hem aan het denken over de erfelijkheid van persoonlijke kenmerken en gedrag. De Natuurlijke Mens als het ware van dichtbij bekeken – niet in het grote perspectief van de evolutie, maar als loot aan een familiestamboom – een resultaat van erfelijkheid, niet alleen op de lange termijn, maar ook met de sporen en littekens van de generaties die direct voorafgingen.

Stef kwam er in die tijd achter dat zijn grootvader in 1930 vanwege zijn zwakke zenuwen was afgekeurd bij de Amsterdamse politie. Zijn opa had blijkbaar nogal rechtlijnige en eigenzinnige opvattingen die hem zowel in de persoonlijke als in de professionele sfeer in conflict brachten met zijn omgeving. Binnen de familie vertelde men het verhaal dat hij zich vreselijk kon opwinden over de voorkeursbehandeling die sommige bestuurders van de stad genoten bij verkeersovertredingen en dergelijke. Ook de corruptie in de horeca was hem een doorn in het oog. Zijn grootvader had hem zelf verteld hoe caféhouders in de Amsterdamse binnenstad een blikje met sigaren of andere kleine giften aan de straatzijde in het venster plaatsten, zodat agenten op hun avondronde een oogje zouden toeknijpen bij de handhaving van de sluitingstijden. Dergelijke voorvallen ergerden Stef’s opa buitengewoon en zijn onverzettelijke optreden was niet bevorderlijk voor diens carrière als politieman, ook al spande hij zich nog zo in om via avondstudie vooruit te komen. Hij kreeg last van vage spanningsklachten zoals rugpijn en neerslachtigheid en uiteindelijk kon hij zijn functie niet meer uitoefenen. Dat kwam Stef allemaal verbazingwekkend bekend voor – het was alsof zijn eigen biografie van de voorafgaande jaren gemodelleerd was naar van die van zijn grootvader. Ook hij had een veelbelovende carrière in Amsterdam moeten afbreken vanwege spanningsklachten die het gevolg waren van zijn gevoelige zenuwen. Hoewel zijn eerlijkheid en sociale betrokkenheid nooit in twijfel werden getrokken, gold ‘opa’ in zijn dorp, na diens terugkeer uit de grote stad, in de dertiger jaren als een intelligent en stijfkoppig mens met dwarse denkbeelden die bovendien ‘zijn kerkelijke plichten verwaarloosde’, zoals een getuige opmerkte. De grootvader waarmee Stef zichzelf in hoge mate identificeerde was dus een eigenzinnig mens geweest, een dwarskop die worstelde met zijn persoonlijkheid, de omstandigheden van zijn gefnuikte maatschappelijke ambities en het tragische overlijden van zijn vrouw.

Dat de rest van de familie ook opviel in hun gedrag bleek uit de observatie van een dorpsgenoot dat de hele familie ‘een vreemde trek’ had en die ondermeer de twee ongetrouwde zusters van zijn grootvader ‘onnozel’ en ‘mensenschuw’ noemde. Dat klopte wel met wat er in de familie verteld werd over deze twee oude tantes. Die smeten weleens met keukengerei naar elkaar en konden slecht omgaan met de spanningen van de oorlog. Een van de twee werd na die tijd permanent opgenomen in een psychiatrische inrichting. Er waren ook aanwijzingen dat de ouders van zijn grootvader in het dorp werden gezien als buitenbeentjes. Blauwe Jan, de overgrootvader van Stef, kwam uit de fragmentarische verhalen naar voren als een praatjesmaker die de dorpskinderen de stuipen op het lijf placht te jagen. Misschien dat het grote blauwe litteken op zijn gezicht dat hij had overgehouden aan het ongeluk bij de kruitfabriek in Muiden bijdroeg aan zijn reputatie als boeman. Toen deze gestrande pechvogel wilde gaan boeren stierven in één nacht vijf van de zeven koeien die hij had gekocht met geleend geld, wat zijn aanzien in de gemeenschap ook niet bevorderd zal hebben. Zijn echtgenote, Stef’s overgrootmoeder, was blijkbaar zò’n opvallende verschijning geweest dat ze model had gestaan voor een dorpse kenau in een obscuur streekromannetje met de titel Op hooger pad dat rond 1900 was geschreven door een onderwijzer aan de katholieke dorpsschool. Dus toen Stef zich afvroeg in hoeverre hij erfelijk belast was, bespeurde hij bij verschillende verwanten al gauw allerlei vormen van gedrag dat in verschillende gradaties overeenkomsten vertoonde met wat hij beschouwde als zijn eigen problematische karaktertrekken.

Het patroon dat hij meende te ontwaren bij de bestudering van zijn eigen familiegeschiedenis, maar dat Stef ook bespeurde bij andere families die hij van dichtbij meemaakte, vatte hij samen in zijn theorie van het Complementaire Principe van Relaties. Zoals hij die avond in Propières had geprobeerd uit te leggen aan Xavier, was die theorie van hem gebaseerd op de gedachte dat liefdesrelaties ontkiemden op een vruchtbare combinatie van overeenkomstige erfelijke en psychologische eigenschappen van de beide partners – in combinatie met een aantal complementaire gedragskenmerken – en dat tenminste een deel daarvan werd doorgegeven aan de kinderen. Die leken door hun genetische, sociale en psychologische erfenis in hun gedrag veel op hun ouders en ook in hun relaties manifesteerde zich een dynamiek die overeenkwam met die van de voorgaande generatie. Stef had in Propières een vergelijking gemaakt met de manier waarop de complementaire strengen van DNA gekopieerd worden. Het was een kopieerproces dat zich naar zijn mening herhaalde over de generaties, hoewel de kopieën van de kopieën in de loop der tijd natuurlijk steeds meer konden gaan afwijken van het origineel. Omdat Nature en Nurture hand in hand leken te gaan bij dit proces, kon hij niet bepalen hoe de verhouding tussen die twee invloeden lag in zijn familie, of bij hemzelf in het bijzonder.

Ook in de negentiger jaren waren relaties moeizaam verlopen voor Stef. Door zijn leeftijd kwam hij tijdens die periode in aanraking met verschillende gescheiden of alleenstaande moeders die kinderen hadden. Een paar keer had hij een relatie met een vrouw met een of meer kinderen in de lagere schoolleeftijd. Zo maakte hij van dichtbij zowel de genoegens als de lasten van het ouderschap mee. Hoewel Stef altijd graag een gezin met kinderen had willen hebben, kwam hij langzaam maar zeker tot de conclusie dat die ambitie voor hem niet in vervulling zou gaan. Niet alleen zijn onvermogen om een duurzame relatie te onderhouden speelde hem daarbij parten, maar hij begon ook op te zien tegen de grote inspanningen en offers die het opvoeden van een kind vergen. Hij kon zich niet voorstellen dat hij het geduld nog kon vinden om zich in de poepluiers, huilende baby’s en rondslingerend kleuterspeelgoed te storten. Bovendien begon hij te vrezen dat hij ondanks alle goede voornemens om lering te trekken uit zijn eigen opvoeding en het beter te doen dan zijn ouders, toch onvermijdelijk voor een deel in dezelfde fouten zou vervallen. Alle zelfstudie en therapieën ten spijt moest hij vaststellen dat hij weinig had kunnen veranderen aan zijn neurotische gedrag. Het leek erop dat hij zijn tekorten en gebreken moest accepteren en zich neerleggen bij de gedachte dat hij in de praktijk ongewild een slechte invloed zou kunnen hebben op zijn kinderen. Als hij volgens zijn eigen Complement Theorie gedoemd was om onbewust en ongewild het patroon van zijn ouders te herhalen en daarmee de kans bestond dat hij ook in het kortzichtige opvoedkundige gedrag van zijn ouders zou vervallen, dan was het misschien beter om zelf geen kinderen groot te brengen. De opvoeding die hij had genoten was in zijn ogen in sommige gevoelige opzichten tekortgeschoten, niet alleen door het gebrek aan kennis en inzicht van zijn opvoeders – zowel ouders als gezondheidszorg en school – maar ook door de mentale gesteldheid van zijn ouders. Hij wenste kinderen met zijn genen niet dezelfde angstige kwetsbaarheid toe die naar zijn mening aangewakkerd was door die laatste factor.

Dus dan maar geen kinderen? Stef was inmiddels de veertig gepasseerd en de kwestie van kinderen en nageslacht riep typisch existentiële midlife-vragen op over de zin van zijn bestaan. De dood was geenszins een taboeonderwerp voor hem en hij maakte zich geen illusies over een leven na de dood. Maar als een filosofisch ijkpunt riep de sterfelijkheid wel vragen op over de betekenis van je leven. Zijn belangstelling voor de evolutieleer reikte hem het inzicht aan dat je deel uitmaakte van een eeuwigdurende keten van leven en dood, een keten die niet alleen de atomen waaruit je lichaam was opgebouwd terugvoerde tot de sterren waarin ze ontstaan waren, maar waarin je via je genen ook verbonden was met alle generaties die aan jou waren voorafgegaan, een verwantschap die terugging tot het eerste leven op aarde. In je nageslacht gaf je de in jouw geculmineerde erfelijke eigenschappen door aan de volgende fase in die kosmische kralenketting. Stef kon het moeilijk verdragen dat hijzelf in evolutionair opzicht een doodlopende weg zou zijn. Daarbij kwam dat op dat moment zijn neven van beide kanten van de familie ook geen eigen nakomelingen hadden en zijn stamboom alleen in enkele vrouwelijke lijnen zou doorgroeien.

Hij besefte wel dat hij in zijn leven niet veel tot stand had gebracht en dat er omstandigheden waren die zijn mogelijkheden daartoe beperkten – hoewel hij zich op kleine schaal naar vermogen had ingespannen om een prettige invloed te zijn in het leven van anderen. Toch raakte hij vervuld van de gedachte dat hij op zijn minst zijn bijdrage wilde leveren aan de menselijke genepool in de verwachting dat zijn genetische eigenschappen ooit in de juiste gunstige omstandigheden een nuttige bijdrage aan de mensheid zouden kunnen leveren. Dat was voor de meeste mensen misschien een bizarre gedachtegang – vaag, egocentrisch en wellicht heel erg abstract – maar voor Stef bood het een tastbaar en concreet houvast in de chaos van een wereld waarin een enkel menselijk leven geen betekenis had. Het werd zìjn verhaal over de zin van zijn bestaan.

In het jaar 2000 las Stef bij toeval een bericht waarin stond dat er bij de vruchtbaarheidslaboratoria een schreeuwend tekort was aan zaaddonoren. Door de invoering van een nieuwe wet die bedoeld was om donorkinderen in de toekomst de gelegenheid te bieden indien zij dat wensten contact op te nemen met hun biologische vader, werd de mogelijkheid voor anoniem donorschap opgeheven. Dit schrok blijkbaar veel potentiële zaadgevers af en verergerde het tekort, in een situatie waarin de vraag toch al het aanbod overtrof. Het bericht las als een noodoproep. Blijkbaar waren er veel paren met een serieuze kinderwens die op de wachtlijst stonden voor een KID-behandeling: Kunstmatige Inseminatie met Donorzaad. In de loop der jaren zou Stef leren dat er in zijn vriendenkring een opmerkelijk aantal stellen was dat graag kinderen wilde, maar waar een zwangerschap uitbleef of door complicaties voortijdig ten einde kwam. Dat was op een wrange manier ironisch, in het licht van de angst voor ongewenste zwangerschappen die in zijn tienerjaren bij hemzelf en veel van zijn generatiegenoten een angstige schaduw over alle seksuele exploraties had geworpen.

Maar hier diende zich een onverwachte mogelijkheid aan om anderen van dienst te zijn bij de vervulling van hun kinderwens en tegelijkertijd tegemoet te komen aan zijn eigen behoefte om zijn genen toe te voegen aan de menselijke genenpoel. Omdat het sperma van één donor bij meerdere paren gebruikt kon worden, had deze keuze potentieel het voordeel dat hij op die manier veel meer nakomelingen zou krijgen dan praktisch gezien binnen één relatie mogelijk was. Hij zou zo zelfs potentieel een onevenredig grote bijdrage aan het reservoir van menselijk genenmateriaal kunnen leveren. Niet gehinderd door angstvallige schroom op dit gebied, nam hij contact op met het fertiliteitslab van het Amsterdams Medisch Centrum. Daar werd hij met open armen ontvangen en zo kwam het dat Stef gedurende enkele jaren een regelmatige bezoeker werd van die afdeling, in de hoop dat hij daarmee stellen met een verlangen naar een kind kon helpen, maar toch ook voor zijn eigen existentiële vervulling.

Na verloop van tijd realiseerde Stef zich dat hij met zijn donorschap onverwacht een soort Nature-Nurture experiment had opgeleverd. Niet dat het statistisch relevante informatie zou opleveren, maar hij was wel benieuwd of de afwezigheid van zijn invloed als vader en opvoeder zou leiden tot een merkbaar afwijkende uitkomst. Dat wilde zeggen dat hij verwachtte dat zijn biologische kinderen niet getekend zouden worden door de opvoedkundige omstandigheden die zijn eigen ontwikkeling zo beïnvloed hadden. Omdat hij zelf geen kinderen opvoedde, zou het aan nuttig vergelijkingsmateriaal ontbreken, maar hij hoopte dat de kinderen zouden opgroeien in een warme en aandachtvolle omgeving die hun aangeboren eigenschappen op de meest gunstige manier zou stimuleren. Daarover was Stef optimistisch gestemd omdat de combinatie van hun biologische ouders niet op natuurlijke wijze tot stand was gekomen, dat wil zeggen, niet volgens de spelregels van zijn Complement Theorie. En dat kon een groot verschil maken, want het betekende dat de keten van achtereenvolgende complementaire profielen en dyaden van voorouders, met al haar voor- en nadelen, werd doorbroken. De genetische bijdrage van de moeder woog volgens Stef sowieso zwaarder, omdat een eicel nu eenmaal vele malen groter was dan een spermacel en daarmee meer overdraagbare informatie kon bevatten. Hij dacht daarbij niet alleen aan het mitochondrisch DNA dat we allemaal van onze moeders erven en dat cruciaal is voor het metabolisme van al onze lichaamscellen, maar bijvoorbeeld ook aan de dragers van erfelijke epigenetische effecten die via het protoplasma van de eicel worden doorgegeven. Omdat de gebruikelijke partnerkeuze, waarbij selectie op basis van compatibele aanleg en persoonlijkheid een rol speelden, hier niet aan de orde was, waren de karaktereigenschappen van de moeder niet afgestemd op de bewuste en onbewuste voorkeuren van Stef. En dat betekende dat Stef ’s genen zich konden ontwikkelen in een nest waar hij in sociaal en psychologisch opzicht geen bijdrage aan leverde of invloed op had. Het was alsof er in het kaartspel van de voortplanting ineens een joker op tafel werd gelegd. En die joker was hij zelf.

Onder het lopen begon het Stef te dagen dat die hele Nature-Nurture kwestie een belangrijke pijler vormde onder de verklaring voor zijn machteloosheid om van zijn gekte af te komen. Een aantal jaren later zou hij zich pas echt serieus gaan verdiepen in de neurowetenschappen en de Vrije Wil, maar gebaseerd op zijn eigen ervaringen werd het hem steeds duidelijker dat het vermogen van een mens om zichzelf te veranderen ernstige beperkingen kende en helemaal niet zo vanzelfsprekend was als men over het algemeen geneigd was om te denken.


Terwijl hij de laatste paar kilometer naar de camping bij Noailly wandelde gingen zijn gedachten terug naar zijn belevenissen in het nieuwe millennium. Tot dan toe had zijn levenspad, zonder dat Stef daar bewust voor gekozen had, een grillige route gevolgd die nogal afweek van de hoofdweg van studie-werk-gezin die de meeste mensen in zijn omgeving volgden. Zonder de sturende kracht van verantwoordelijkheden en verplichtingen had hij zichzelf laten meevoeren door de stemmingen van zijn gemoed en de kansen en obstakels die het toeval op zijn pad bracht. Maar hij zag zichzelf geenszins als een drenkeling die meedreef op de getijden van de een of andere lotsbestemming. Nee, hij voelde zich eerder geïnspireerd door de oude Chinese wijsheid die stelt dat het beter is om mee te buigen als het riet in de wind, dan om je energie te verspillen door je te verzetten tegen de krachten van de natuur. Hij zag zijn onvermogen om zich aan te sluiten bij de menigte op de gebaande paden van de meerderheid als een kans om diep in de ziel van de mensheid – en dus ook van zichzelf – te kijken. Na het jaar 2000 kwam zijn leven weliswaar niet in rustiger vaarwater – zeer zeker niet – maar zijn ervaringen brachten Stef naar zijn eigen mening wel op een hoger niveau van begrip en inzicht. En berusting.

In de periode dat hij bezig was met de biografie van zijn grootvader werkte hij in de grafische ontwerpstudio van een vriend in Amsterdam. De opdrachtgevers kwamen vooral van welzijnsinstellingen en uit de culturele sector. Het werken voor dergelijke non-profit organisaties paste Stef beter dan bijvoorbeeld reclame-opdrachten voor commerciële ondernemingen en bedrijven. Met het soort activiteiten dat zich uitsluitend richtte op het aanprijzen van veelal nutteloze producten en diensten met het oogmerk geld te verdienen had hij totaal geen affiniteit.

Tijdens zijn verblijf in Groningen had Stef zijn eerste Personal Computer aangeschaft om zich te kunnen laten omscholen tot Desktop Publisher oftewel DTP’er en gefascineerd door de mogelijkheden van het internet begon hij zich te verdiepen in HTML-code en het maken van websites. Het eerste was nuttig bij het vervaardigen van het boekje met de biografie van zijn opa, het tweede stelde hem in later staat om zelf een buitengewoon succesvolle website te op te zetten. Het doel van die website was om zo veel mogelijk namen en gegevens te verzamelen over vrijwilligers uit het Caraïbisch gebied die in de Tweede Wereldoorlog hadden gevlogen voor de Royal Air Force. De site was opgezet als een online archief waaraan bezoekers zelf nieuwe informatie konden toevoegen. Dat leverde Stef veel waardering op van nabestaanden van vliegers die vanwege hun afkomst nooit de verdiende erkenning hadden gekregen voor hun offers tijdens de oorlog. Hij werd daarom in 2010 zelfs uitgenodigd om een presentatie te geven in het House of Lords in Londen. Wat natuurlijk een bijzondere eer was en een buitengewone belevenis – om maar niet te spreken van een hoogtepunt in zijn leven. In het zogenaamde Lord Chancellor’s Appartment van het Westminster Palace, met uitzicht op de Theems, hield hij zijn voordracht voor een verzameling vertegenwoordigers van de West-Indische eilanden, parlementsleden, de Royal Air Force en andere betrokkenen waaronder zanger Robin Gibb van de legendarische popgroep de Bee Gees, die in zijn laatste levensjaren optrad als het gezicht van de actie om fondsen te werven voor een monument voor de omgekomen vliegers van Bomber Command.

Dit was allemaal een uitvloeisel van Stef’s toegenomen betrokkenheid bij de activiteiten van zijn vader. Die had in 2001 ten gevolge van complicaties bij een buikoperatie een tijdje op het randje van de dood gebalanceerd. Stef had zich toen gerealiseerd dat hij nog een kans had om de afstand die hij altijd gevoeld had tot zijn pa te overbruggen en een aantal goede ervaringen met hem te delen. Hij kon op dat moment nog voorkomen dat hij later, wanneer zijn vader niet meer leefde, geplaagd zou worden door spijt. Stef zag een mogelijkheid – en misschien wel de psychische noodzaak – om hun getroebleerde relatie af te ronden op een manier die hen beiden goed zou doen. Zo nam hij zich welbewust voor om meer quality time met zijn vader door te brengen. Al was die nooit in staat geweest was om iets begrijpen van de belevingswereld van Stef, omgekeerd gold dat natuurlijk niet. Hij zag wel dat hij met al zijn ervaringen en inzichten beter toegerust was om het voortouw te nemen bij deze finale poging tot toenadering.

Het uitgebreide onderzoek naar de luchtoorlog in zijn geboortestreek had zijn vader in contact gebracht met een groepje liefhebbers dat een museumpje had opgericht waar aan de hand van opgegraven vliegtuigwrakken de lokale oorlogsgeschiedenis werd gepresenteerd. Daar was hij de enige nog levende ooggetuige van de oorlog en daardoor een zeer gewaardeerde vrijwilliger die iedere zaterdag aanwezig was voor rondleidingen en uitleg. Zijn vader vond het heerlijk om de vele herinneringen uit zijn jeugd te delen, zowel met bezoekende leeftijdsgenoten die erover konden meepraten, als met jongere generaties. Stef begon daarom meer belangstelling te tonen voor zijn vader’s ‘hobby’, zoals zijn moeder steevast het onderzoekswerk en alles wat ermee samenhing aanduidde. En zo vergezelde hij hem op een tripje naar het luchtvaartmuseum op de voormalige RAF-basis in Duxford in het Verenigd Koninkrijk, nam hij hem een weekje mee naar Normandië om de invasiestranden van 1944 te bezoeken en gingen ze samen naar het grote oorlogsmuseum in Overloon.

Zijn vader’s speurwerk was begonnen met de raadsels rond een Britse Lancaster-bommenwerper die in juni 1943 ontploft was in de nachtelijke hemel boven zijn geboortedorp. Hij was toen net 11 jaar oud. Dat ongeluk had grote indruk gemaakt, niet alleen omdat de moeder van een klasgenootje daarbij in haar bed verpletterd werd door een neerkomende vliegtuigmotor, maar ook door de wilde speculaties die in die tijd rondgingen over het voorval. De vader van Stef vroeg zich met name af wat er gebeurd was met de betrokken bemanningsleden. Maar met de verhalen die hij later hoorde van overlevende getuigen kreeg hij ook veel informatie over andere gebeurtenissen die samenhingen met de luchtoorlog rond het vliegveld Schiphol. Daarom begon hij dossiers aan te leggen van alle vliegtuigongelukken in de Haarlemmermeerpolder tijdens de oorlog en van zaken die daarmee samenhingen, zoals de defensiewerken die de Duitsers hadden aangelegd rondom de luchthaven. Hij documenteerde alles zorgvuldig en na verloop van tijd werd hij een gerespecteerde bron van informatie, een vraagbaak voor andere onderzoekers.

De navigator van die Lancaster was afkomstig geweest uit Brits-Guyana, zo had de vader van Stef ontdekt. De man had het ongeluk op het nippertje overleefd. Terwijl het toestel brandend door de lucht tuimelde worstelde de Flight Lieutenant samen met drie andere bemanningsleden om een piepklein ontsnappingsluikje open te krijgen. Dat lukte niet, maar het toestel explodeerde en de mannen werden het nachtelijke luchtruim in gelanceerd. Aan zijn parachute belandde de navigator in de kant van een poldersloot en in de loop van de dag – terwijl de vader van Stef zich vergaapte aan de neergekomen wrakstukken en de verwoeste boerenwoning – zocht hij een kilometer verderop hulp op een boerderij. Daar werden zijn lichte verwondingen verzorgd en kreeg hij iets te eten. Maar iemand had de autoriteiten ingelicht en al snel verscheen er een lokale politieman die zich ondanks zijn sympathieën genoodzaakt zag om de vlieger achterop zijn bromfiets mee te nemen en uit te leveren aan de Duitse bezetters. Die waren natuurlijk al op zoek naar hem en het was bekend dat het helpen van neergekomen vliegers kon leiden tot een doodvonnis.

De navigator bracht de rest van de oorlog door als krijgsgevangene, maar door zijn huidskleur viel hij natuurlijk op in het fascistische Duitsland en zijn foto werd geplaatst in het propagandablad Der Völkische Beobachter om de suggestie te wekken dat de Britse vijand er inmiddels zo slecht voor stond dat ze hun bommenwerpers zelfs door zogenaamd minderwaardige kleurlingen moesten laten vliegen. Na de oorlog was de navigator een beroemde acteur en activist geworden, nadat zijn pogingen om als advocaat aan de bak te komen waren gestuit op allerlei raciale vooroordelen. Hij had zelfs geacteerd in het theatergezelschap van de legendarische Lawrence Olivier – een feit dat nogal indruk maakte op Stef – en in een film gespeeld met als tegenspelers de even legendarische acteur Richard Burton en de piepjonge en later gevierde actrice Joan Collins. In een andere film was hij te zien naast Roger Moore, een jeugdheld van Stef – omdat hij Ivanhoe speelde in de gelijknamige televisieserie – die wereldfaam verwierf met zijn vertolking van de rol van James Bond. De vlieger was ook de eerste kleurling die de Britten aan het einde van de vijftiger jaren van de twintigste eeuw regelmatig te zien kregen op de zwart-wit televisie toen hij als calypsozanger het dagelijkse nieuws voorzag van een gezongen commentaar. Vanaf de zeventiger jaren was hij zich meer gaan toeleggen op het organiseren van multiculturele festivals en hij publiceerde naast zijn oorlogsmemoires een aantal dichtbundels en filosofische boeken.

De briefwisseling van de vader van Stef met de voormalige vlieger leidde tot de vraag of er geen vertaling gemaakt kon worden van het verslag van de gebeurtenissen in 1943. Dit verzoek kwam in de tijd dat Stef belangstelling kreeg voor de activiteiten van zijn vader en hij zag hier een mooie kans om zijn talenten in te zetten voor een gezamenlijk project. Niet veel later had hij een eerste versie gemaakt van een rijk geïllustreerd Engelstalig boekje waarin het hele verhaal van Lancaster W4827, zoals zijn vader dat had kunnen reconstrueren, uit de doeken gedaan werd. Dat geschrift werd zo goed ontvangen dat de bejaarde ex-vlieger geld beschikbaar stelde voor een oplage die hij wilde gebruiken om de bijdrage van West-Indische vliegers tijdens de oorlog meer bekendheid te geven. Op die manier wist hij uiteindelijk de BBC te interesseren voor een bezoek aan Nederland. In samenwerking met de betrokken verslaggever bereidde Stef het bezoek voor aan de Nederlandse kant en op 4 mei 2008 registreerde een Britse televisiecamera hoe de bejaarde veteraan samen met de vader van Stef ter gelegenheid van Dodenherdenking een krans legde bij een oorlogsmonument voor een neergestorte bommenwerper niet ver van de plek waar de vlieger zelf was neergekomen in 1943. Op Bevrijdingsdag werd er gefilmd bij de graven van twee omgekomen medebemanningsleden van de Britse gast in Amsterdam en Vijfhuizen.

Bij deze ontmoeting ontwikkelde Stef een opmerkelijk gevoel van verbondenheid met de ex-vlieger. Ze hadden beiden een verleden in het theater en gedurende een pauze in hun bezoek aan het kleine oorlogsmuseum deden ze gezamenlijk een aantal Tai Chi oefeningen. Bij de voorbereidingen van het bezoek was het Stef duidelijk geworden dat de Guyanees erg veel belang hechtte aan de erkenning van de bijdrage van vliegers als hijzelf die afkomstig waren uit het West-Indisch gebied. Door eigen onderzoek had de man al enkele tientallen namen van lotgenoten kunnen achterhalen, maar hij wist dat er veel meer moesten zijn. Enkele honderden op zijn minst. Stef had de Caraïben enkele malen bezocht en droeg de streek en haar bewoners een warm hart toe. Gedurende zijn reis door Suriname had hij zelfs voet gezet op Guyanees territorium, niet ver van de geboortegrond van de vlieger. Hij herinnerde zich hoe mannen met een fles rum op tafel triktrak speelden in de schaduw van een grote tamarindeboom waarin sierlijke kooitjes met uitbundig zingende wedstrijdvogels hingen. 

Ten tijde van dit bezoek aan Nederland was Stef inmiddels in overspannen toestand vertrokken bij de ontwerpstudio en de relatie met zijn vriend, collega en werkgever was op zijn zachtst gezegd flink vertroebeld. Die zomer had hij dus ruim de tijd om na te denken over de ambitie van zijn nieuwe Guyanese vriend om de RAF-vliegers uit de West hun verdiende plaats in de geschiedenis te geven. Zo kreeg hij de ingeving om een website op te zetten als instrument om informatie te vergaren en toegankelijk te maken voor het publiek. De veteraan was meteen buitengewoon enthousiast over dit plan en in oktober van dat jaar was de website in de lucht. Stef kwam op het spoor van een dossier over vrijwilligers uit het Caraïbisch gebied die zich tijdens de oorlog hadden aangemeld bij de Royal Air Force dat zich in de National Archives in Londen bevond. Hij bestelde een kopie van het lijvige – maar zeker niet volledige – dossier en al snel kreeg hij ook contact met verschillende personen uit de West-Indische diaspora die met vergelijkbaar onderzoek bezig waren en hem voorzagen van aanvullende informatie. Daarnaast ontving hij ook berichten van auteurs – veelal nabestaanden of verwanten van vliegers – die de gegevens op zijn website wilden gebruiken voor hun eigen publicaties. De hele onderneming was een inslaand succes.

In februari 2010 overleed de voormalige Flight Lieutenant, advocaat, acteur, zanger, organisator, inspirator en publicist op 90-jarige leeftijd. De maand daarop zou hij in het House of Lords geëerd worden als ‘inspirerend voorbeeld van de wijze waarop gekleurde en blanke mannen en vrouwen zij aan zij streden in twee wereldoorlogen’. Zijn jongste dochter nam nu de onderscheiding in ontvangst en Stef werd uitgenodigd om met zijn vader aanwezig te zijn en iets te vertellen over hun gezamenlijke initiatief. Dat beviel blijkbaar dermate goed dat hij in november 2016, ruim een half jaar nadat de vader van Stef ook overleden was, opnieuw werd uitgenodigd voor een voordracht. Ditmaal in het prestigieuze British Film Institute, waar Stef op uitnodiging van de stichting die de nalatenschap van de veteraan beheerde een praatje mocht komen houden over de ‘Dutch Connection’ van de veelzijdige geëerde: hoe de levens van zijn vader en dat van de veteraan elkaar geraakt en beïnvloed hadden.

Ondertussen had Stef zijn geliefde Vera leren kennen en begon met haar zijn langst durende relatie: ruim tien jaar zouden ze met vallen en opstaan samen zijn, ook al durfde Stef nooit de stap te nemen om te gaan samenwonen. Vera werkte voor wat in het begin nog de Rijksdienst voor de Monumentenzorg heette, maar ten tijde van haar vervroegde pensionering bekend stond als de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ze deelden dus een grote belangstelling voor het verleden, mooie oude dingen en cultuur in het algemeen. Tijdens hun vakanties had Stef vaak een speciaal historisch onderwerp dat op dat moment zijn belangstelling had tot leidraad gemaakt van hun uitstapjes. Zo bezochten ze ruïnes, paleizen, kloosters en kerken die verbonden waren aan het opmerkelijk multiculturele koninkrijk dat de Noormannen in de twaalfde eeuw op Sicilië hadden gesticht, maar ook de schitterende Romeinse overblijfselen op hetzelfde eiland bij Selinunte, Villa Armerina en Agrigento. Vele Gallo-Romeinse ruïnes in Frankrijk werden bezichtigd, evenals reconstructies van de Limes in Nederland en Duitsland en de archeologische musea in Nijmegen, Xanten en Tongeren. En uiteraard ook verschillende kerken, kloosters en kastelen in Frankrijk die een rol gespeeld hadden in het leven van Eleanor van Aquitanië.

De nieuwe eeuw was blijkbaar een periode om terug te kijken en losse eindjes in zijn leven met elkaar te verbinden. De toenadering tot zijn vader was daar een voorbeeld van. Na diens dood maakte Stef een mooi boek over de geschiedenis van de Haarlemmermeer in de periode 1939 tot 1945 op basis van het verslag van zijn vader’s onderzoekingen naar de luchtoorlog en de persoonlijke jeugdherinneringen die hij had opgeschreven. Dat boek was een aardig succes in de regio en mede dankzij de aanwezigheid van de betreffende wethouder bij de feestelijke uitreiking van het eerste exemplaar in het kleine oorlogsmuseum lukte het om de omvangrijke stapel dossiers en mappen van zijn vader te laten opnemen in de digitale catalogus van het Noordhollands Archief.

Na zijn vader’s dood nam Stef fulltime de mantelzorg voor zijn dementerende moeder op zich, zodat ze thuis kon blijven wonen bij haar geliefde katten en tuin. Zijn ouders hadden een van de woninkjes geërfd die zijn grootvader in 1936 had gebouwd en de buren waren grotendeels dierbare familieleden. Alles bij elkaar creëerde Stef zo een bijzonder veilige en zorgzame omgeving voor een bejaarde die met het verlies van haar geheugen ook de grip op haar leven kwijtraakte. Ook dat was een cirkel die gesloten werd, want Stef keerde zo tijdelijk terug naar zijn geboorteplaats, zelfs naar de woning naast het huisje waarin hij geboren was. En de liefdevolle zorg van een zoon voor zijn kinds wordende moeder is natuurlijk een deugdzame tegenhanger van de verantwoordelijkheid die zij voor hem droeg toen hij zelf nog een hulpeloos kind was. Het was misschien een zware taak die hij op zich genomen had, maar ook een die hem enorm veel voldoening en vreugde gaf en die hij voor geen goud had willen missen. Het gaf hem ook een proefje van de richtinggevende kracht die er uitging van de verantwoording die men droeg voor een eigen kind. Een vriendin merkte op dat ze zag dat deze ervaring een waardevolle stimulans vormde voor zijn persoonlijke groei.

Een andere gebeurtenis waarbij het verleden met het heden verbonden werd was de reünie van zijn jaargang van de middelbare school in 2004 geweest. Ook daarvoor maakte Stef een website en in de maanden voorafgaand aan de daadwerkelijke bijeenkomst kon iedereen zich – dankzij de beknopte of uitgebreide autobiografieën die door de oude medescholieren werden aangeboden– inlezen over de dertig jaren die verlopen waren sinds het eindexamen. Dit was nog net voor de tijd dat iedereen een smartphone had en sociale netwerksites gemeengoed werden – Facebook werd pas datzelfde jaar opgericht.

Voor Stef was het hoogtepunt van de reünie de middag die hij doorbracht met een klasgenote die speciaal voor de bijeenkomst over kwam uit het buitenland. Ze was een exotische verschijning die hij al kende sinds de kleuterschool en voor wie hij altijd – en zo’n beetje de helft van de jongens van de klas met hem – een heimelijke verliefdheid had gevoeld. Maar geïntimideerd door haar uitbundige karakter en de grote sociale afstand die hen scheidde was Stef een stille bewonderaar gebleven. Op de middelbare school waren ze een korte tijd veel met elkaar opgetrokken omdat zij een relatie kreeg met zijn beste vriend, maar die intense emotionele periode werd op ruwe wijze afgebroken doordat ze met haar ouders naar Barcelona verhuisde. Toen ze een jaar later terugkeerde was alles anders geworden. Stef moest het schooljaar overdoen en hun wegen scheidden zich definitief: zij bewoog zich in de richting van haar kosmopolitische toekomst terwijl Stef zijn onzekere pad van zelfonderzoek en twijfelachtige artistieke ambities volgde. Na haar eindexamen vertrok ze naar Spanje om te studeren. Hij onderhield nog een tijdje contact met haar via de post, maar die briefwisseling hielden ze niet lang vol. Er kwamen in die tijd heel veel nieuwe verleidingen op hem af en zijn aandacht werd opgeslokt door een hele reeks vriendinnetjes die elkaar in hoog tempo afwisselden. Toch bleef haar schim in het hoofd van Stef rondwaren als een goede geest uit een zorgeloos en onverdorven verleden. Door haar fysieke afwezigheid kreeg zijn verbeelding de gelegenheid om haar te verheffen tot een ongrijpbare muze en een – bij tijden haast obsessief – object van adoratie. Na de hereniging tijdens de reünie kon hij dat beeld eindelijk van haar verheven voetstuk halen en terugbrengen tot meer menselijke proporties.

In 2009 begon hij aan wat misschien wel de apotheose was van de intellectuele zwerftocht die zijn hele leven had vormgegeven. Het was de tweehonderdste viering van het geboortejaar van zijn held Charles Darwin, honderdvijftig jaar na de eerste publicatie van diens wereldschokkende boek over het ontstaan van de soorten en Stef besloot om biologie te gaan studeren. Hij had zonder succes een paar jaar geprobeerd om als zelfstandig ontwerper een inkomen te verwerven. Hij had wel wat geld verdiend, maar was gewoon niet geschikt om te netwerken en nieuwe opdrachten binnen te halen. Met een cursus Content Management voor websites hoopte hij – en met hem de instelling die zijn werkloosheidsuitkering betaalde – zijn kansen op een baan te vergroten, maar zijn leeftijd werkte tegen hem op de krappe arbeidsmarkt van die periode. En zo zag hij zich min of meer voor de keuze gesteld om zonder reëel uitzicht op werk te blijven voldoen aan zijn sollicitatieplicht en ondertussen in te teren op zijn spaargeld, òf zich te bevrijden van de druk en plicht om werk te zoeken en iets leuks en zinvols te doen met zijn kleine vermogen. Hij koos voor dat laatste en schreef zich in voor de voltijds dagstudie Biologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Tweeënhalf jaar lang zou hij dagelijks de collegebanken en practicumlokalen delen met medestudenten die nog niet half zo oud waren als hij zelf. Een opmerkelijke ervaring die hem veel leerde over de spreekwoordelijke ‘jeugd van tegenwoordig’. Maar door zijn motivatie en inzet slaagde hij er in om steevast de hoogste cijfers te halen voor de tentamens en opdrachten en zo het respect van zijn jonge medestudenten te winnen, ook al merkte hij wel dat het moeilijker werd om snel complexe informatie te doorgronden. Gedurende de eerste helft van het derde studiejaar volgde hij met veel genoegen en redelijk succes een zogenaamd minor-programma Neuroscience en kon hij kennisnemen van de wetenschappelijke stand van zaken op terreinen die hem bijzonder interesseerden, zoals de erfelijkheid van gedrag en persoonlijkheid, cognitieve studies en kunstmatige intelligentie. Uiteindelijk struikelde hij over het zeer geavanceerde derde statistiektentamen, waarvoor hij niet de ondersteuning kon vinden die hij nodig had. Vervolgens raakte hij in de knel, want zijn geld was op en voor een herkansing van dat tentamen ontbraken hem de tijd en energie vanwege de bijzondere stageplaats die hij had weten vinden op de afdeling Behavioral Neuroscience. Maar de neerwaartse spiraal waarin hij vervolgens geraakte leidde ertoe dat hij zijn stage moest afbreken en helemaal stopte met zijn studie. Stef rationaliseerde die tegenslag door te zeggen dat het er hem nooit om begonnen was een diploma te behalen en dat hij zijn doel al bereikt had door alle actuele wetenschappelijke kennis die hij inmiddels had opgedaan. Een dergelijke vrijblijvende benadering van zijn studie wekte alom verbazing, want men vond over het algemeen dat de inspanningen en kosten van zo’n studie toch een investering vormden die zich zou moeten terugbetalen in een nieuw carrièreperspectief. Maar dat was natuurlijk typisch voor hem: Stef was niet bijzonder geïnteresseerd in geld of carrière, maar vooral in antwoorden op de vragen die hem bezighielden. Toch bleef het feit dat hij op een nippertje zijn diploma voor Bachelor of Science niet had gehaald een onaangename kras op zijn breekbare gevoel van eigenwaarde.

Na een flinke dip die een half jaar duurde werd het echter tijd om zijn financiële basis weer wat aandacht te geven en hij meldde zich op het gemeentehuis van zijn woonplaats voor ondersteuning. Stef verwachtte dat hij wel een tijd afhankelijk zou zijn van de bijstand, misschien wel tot zijn pensioen, maar dat viel mee. Zijn eigen sollicitaties hadden geen succes, ook al was hij ertoe bereid om zeer nederige baantjes te accepteren. De conjunctuur zat tegen en zijn werkervaring maakte hem niet erg geschikt voor de gemiddelde werkkring.

Maar via een gespecialiseerd uitzendbureau kon hij binnen een maand parttime aan de slag als portier en toezichthouder op een grote bouwplaats aan de Amsterdamse Zuidas, het uitdijende zakencentrum tussen de wijken Buitenveldert en Oud Zuid. Dat was ook voor hem zelf een zeer verrassende wending, maar Stef besloot er het beste van te maken. Het was zeker geen baan die veel aanzien gaf en ook de betaling was bescheiden, maar hij zag een aantal positieve punten. In de eerste plaats was hij af van de ambtelijke bemoeizucht van de uitkeringsverlener, wat hem bevrijdde van de onaangename druk om zinloze sollicitatiebrieven te schrijven op vacatures die hem totaal niet interesseerden. Ten tweede bood het werk hem een flinke dosis gezonde lichaamsbeweging en regelmaat, ook al moest hij wel wennen aan de werktijden in de bouw. Omdat het tot zijn taken behoorde om de bouwplaats te openen, begon zijn werkdag òm de week al om kwart voor zes in de ochtend. Maar hij vond het heerlijk om in de stilte van de vroege uren over de verlaten bouwplaats te lopen om de stroom in te schakelen, de werklichten aan te doen en de deuren van schaftlokaal en kantoren te openen. Vanaf zes uur kwamen de werklui dan door de poort en rond die tijd, maar soms ook vroeger, arriveerden ook de grote graafmachines, hei-installaties of torenkranen wanneer die besteld waren. Naast het controleren van allerlei leveringen was zijn belangrijkste taak het inspecteren van de identiteitsdocumenten en werkvergunningen van de mensen die op de bouwplaats kwamen werken, met name de vele Oost-Europeanen, en het uitgeven van toegangspasjes. Dat vereiste de nodige mensenkennis en sociale vaardigheden omdat die papieren natuurlijk zelden klopten of volledig waren en niemand zat te wachten op een bemoeizuchtige portier. Maar Stef was onvervaard, charmant en nauwkeurig en verdiende door zijn menselijke opstelling al snel het respect en de waardering van de meeste van zijn collega’s. Ook probeerde hij wat woorden Pools te leren, zodat hij de mannen in hun eigen taal een prettige werkdag of een smakelijke maaltijd kon toewensen. Door zijn strategische positie aan de poort fungeerde hij soms ook als aanspreekpunt voor belangstellende of klagende omwonenden. Een derde aspect van dit werk dat hem bijzonder aantrok was de mogelijkheid om iets te leren van een bedrijfstak waarmee hij totaal onbekend was. Waar nieuwsgierige werklozen of gepensioneerden bij bouwprojecten met hun handen in de zakken achter de hekken moesten blijven kijken, kon Stef ongehinderd zijn leergierigheid verzadigen in de bouwput zelf. En de meeste bouwvakkers konden die belangstelling voor hun werkzaamheden wel waarderen en legden graag uit wat ze aan het doen waren. Vanwege zijn taak om toezicht te houden op de naleving van de veiligheidsvoorschriften, moest hij ook nog een diploma VCA – dat stond voor Veiligheid, Gezondheid en Milieu Checklist Aannemers – halen. Tot zijn genoegen constateerde Stef dat hij met dit baantje op verschillende manieren in de voetsporen trad van zijn opa: die was als politieagent in Amsterdam soms ook belast geweest met de bewaking van bouwplaatsen en gedurende zijn jaren als toezichthouder van de speeltuin zat hij ook in een huisje bij de ingang. En natuurlijk was zijn opa een bouwondernemer geweest, ook al waren de kleine dorpspanden die hij neerzette uiterlijk niet te vergelijken met het futuristische kantoorgebouw van veertien verdiepingen dat Stef in ruim twee jaar tijd zag verrijzen bovenop de spelonken van een enorme ondergrondse parkeergarage.

Met de terminale ziekte van zijn vader kwam er een einde aan de periode dat Stef op de bouwplaats stond. Hij had zijn werk als portier altijd gezien als een tijdelijke noodzaak, zonder veel uitzicht op een interessant vervolg. Het kostte hem dan ook geen enkele moeite om er subiet mee te stoppen om zijn ouders bij te staan in de laatste fase van hun leven. De enerverende periode die hij nu afsloot had, als Nurture-invloed, vooral bijgedragen aan de verdieping van zijn begrip en respect voor mensen die op een totaal andere manier in het leven stonden dan hij tot dan toe gewend was. Nu keerde hij terug naar de oorsprong: zijn geboortedorp en zijn bloedverwanten.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.