15 | Constructie van een wereldbeeld

Na de maaltijd op het terras bij Cotte et Sauveurs had Stef nog een kop thee met een glas Armanac gedronken terwijl hij een poging deed om de gedachten over zijn middelbare schooltijd schematisch te ordenen in zijn notitieboekje. Het hoofdstuk ‘70’s’ duidde hij voorlopig maar aan met de titel Never-Never Land, naar het fantasieoord waar Peter Pan en zijn Verloren Jongens hun eeuwige jeugd doorbrachten. Dat was een weerslag van zijn warme nostalgische gevoelens voor die periode, die hij poëtisch karakteriseerde als zijn Frühlings Erwachen– naar de titel van een toneelstuk van Frank Wedekind. Ondanks de doorlopende conflicten met zijn vader, de eerste duidelijke manifestaties van zijn neurotische gedrag en de toenemende angst voor de volgende levensfase, was het vooral de tijd waarin Stef opwindende nieuwe werelden ontdekte, een overweldigende saamhorigheid die voelde als een langverwachte thuiskomst meemaakte en de intense gevoelens van zijn eerste grote liefde beleefde.

Het begon al te schemeren toen hij de vijfhonderd meter van het restaurant naar de camping aflegde. Het sportcomplex lag er verlaten bij in de kille straatverlichting. Rond een picknicktafel tegenover het winkeltje bij de ingang zaten enkele campinggasten in het halfduister met het glas onder handbereik. Ze voerden op gedempte toon een late conversatie. In een enkele caravan flikkerde het blauwe licht van een televisie en een wolk insecten leek bij het toiletgebouwtje verwikkeld in een wedstrijdje kamikazevliegen tegen de lamp. In de afzondering van zijn kleine tentje kon Stef de verleiding niet weerstaan om het oude pistool nog eens ter hand te nemen. Hij verwonderde zich weer over de paradox van zijn fascinatie voor vuurwapens en alles wat met de oorlog te maken had, terwijl hij zichzelf tegelijkertijd beschouwde als uitgesproken pacifist die gekant was tegen alle vormen van geweld. Nu ja, dat was hij in ieder geval in zijn tienerjaren geweest. Daar dacht hij nu wel iets genuanceerder over, peinsde hij terwijl zijn rechterhand zich rond het houten handvat kromde en zijn wijsvinger als vanzelf de trekker vond. Een handeling die even natuurlijk en vanzelfsprekend voelde als wanneer je voor de eerste keer geslachtsgemeenschap had. Er was geen gebruiksaanwijzing bij nodig. Bij het voelen van het gewicht van het wapen werd hij opnieuw overvallen door die erotische mix van opwinding en schuldgevoel. Als jongvolwassene had hij lange tijd gewelddadige fantasieën gehad die hij maar moeilijk kon rijmen met zijn vredelievende opvattingen. In gedachten die hij niet kon onderdrukken hield hij imaginaire belagers van zich af met behulp van alles dat kon schieten of verwonden. Niet dat hij concrete plannen had gehad om zich daadwerkelijk te bewapenen of om mensen te lijf te gaan, maar het was zo’n vertrouwd onderdeel van zijn innerlijke wereld geweest dat hij was gaan denken dat het normaal was. Toen hij op zoek ging naar een verklaring voor deze verwarrende toestand had hij bedacht dat het ging om een gesublimeerde manifestatie van normale agressieve Freudiaanse driften. In een creatieve opwelling besloot hij dat het voor een deel ook te maken kon hebben met een diep verborgen kinderlijke behoefte om door te dringen tot de wereld van zijn vader – een wereld die tenslotte grotendeels gekenmerkt werd door diens oorlogsbelevenissen. Het had een hele tijd geduurd voordat hij zich realiseerde dat de meest voor de hand liggende verklaring was dat de beelden voortkwamen uit levensangst en een gevoel van onveiligheid – het gevoel belaagd te worden en de behoefte om zichzelf te verdedigen in een wereld die in veel opzichten bedreigend op hem overkwam. Zonder het te willen goedpraten, begreep hij wel hoe het kon dat er mensen waren die zich lieten meeslepen door dergelijke fantasieën, totdat die een obsessie werden en ze uiteindelijk daadwerkelijk overgingen tot het gebruik van geweld tegen anderen. Stef was ervan overtuigd dat geweld en agressie meestal voortkwamen uit angst. Godzijdank had hij wat dat betreft voldoende grip op zijn handelen. Desalniettemin zat hij hier nu wel in het donker met een vuurwapen in zijn hand. Er ging een koude rilling door hem heen en hij wikkelde het wapen weer in zijn oude shirt en stopte het terug in zijn rugzak. Het was heel goed mogelijk dat hij op dat moment bloot stond aan de veel meer concrete, fysieke dreiging van schimmige achtervolgers.

Midden in de nacht schrok Stef wakker. De weemoedige echo van de roep van een bosuil hing als een kwade geest over de stille camping en in zijn versnelde hartslag echoden schimmige nabeelden van een heftige droom. Hij draaide zich om in zijn slaapzak en probeerde terug te keren naar dromenland. Zijn volle blaas hield hem wakker, maar hij verzette zich tegen de aandrang om op te staan en naar het toilet te gaan. Dat zou het alleen maar moeilijker maken om daarna de slaap weer te vatten. Het was natuurlijk een hopeloze strijd omdat hij zijn gedachten niet kon stopzetten en zich daarover begon op te winden, waardoor de sluimer zich nog verder terugtrok. Nadat hij zich in de nachtelijke stilte tegen de struiken langs de rand van de camping had ontdaan van de druk lag hij te woelen in zijn tent. Onrustige gedachten plaagden hem en ter afleiding probeerde hij zich te concentreren op het verhaal van de volgende fase van zijn levensloop, de tijd na de middelbare school.

Stef had na het behalen van zijn VWO-diploma geen enkel praktisch idee voor een studie of loopbaan. Hij zat vol met complexe en verwarrende gevoelens die een uitweg vonden in halfhartige creatieve uitingen. In de afzondering met potlood en papier voelde hij zich het meeste op zijn gemak. De muziek was weliswaar zijn andere grote liefde, maar hij kon zich geen voorstelling maken van hoe een leven als muzikant er voor hem uit zou zien. Instinctief voelde hij waarschijnlijk wel aan dat hij niet het karakter bezat om iets te bereiken in een wereld die vereiste dat je altijd in het spotlicht zou staan. Bovendien kon hij niet zingen en dat zou hij misschien nog wel het liefste doen, een stem geven aan de pijn en verwarring die doorklonken in de teksten die hij schreef. Zoals zijn held John Lennon deed op diens therapeutische eerste solo-elpee. Maar zijn strot was een onwillig instrument dat zich in een permanente staat van samengetrokken kramp leek te verzetten tegen iedere poging tot welluidende expressie. De solitaire exploitatie van zijn fantasieën en emoties op papier had hem daarentegen op school en daarbuiten meestal waardering opgeleverd. Bovendien waren creativiteit en expressie sinds de zestiger jaren enorm in aanzien gestegen. Het was een erfenis van de naoorlogse avant garde van CoBrA kunstenaars en moderne expressionisten die op het getijde van zelfonderzoek en individuele ontplooiing van dat decennium gemeengoed was geworden. Met deze talenten en voorkeuren was ‘iets’ in de beeldende kunst bij gebrek aan beter een voor de hand liggende keuze voor een beroepsopleiding. Tot de kunstacademie werd hij met zo’n beperkte motivatie en nauwelijks ontwikkelde vaardigheden uiteraard niet toegelaten en hij belandde van lieverlee op een avondopleiding voor tekenleraar. Dat bood tenminste meer zicht op een duidelijke carrière in vast dienstverband dan het onzekere lot van een zelfstandig kunstenaar – iets waaraan zijn ouders natuurlijk erg veel waarde hechtten. Stef zag het achteraf als een ongemakkelijk compromis van zijn behoefte aan emotionele uitdrukkingsmogelijkheden en de droom van zijn vader om hem achter een technische tekentafel te zien.

Dankzij een medestudent kon hij aan de slag als groepsleider bij een buitenschoolse kinderopvang, een van de eerste in Amsterdam. Dat verschafte hem een mooie praktijkervaring die goed aansloot bij zijn opleiding. Maar de rugklachten waar hij sinds een paar jaar last van had begonnen bij dat werk met kinderen ernstig op te spelen. Veel bukken, potjes straatvoetbal en het regelmatig optillen van kleuters veroorzaakten veel pijn en ongemak, zozeer dat hij soms niet meer kon opstaan van zijn bed. Bij nader onderzoek constateerde men een hernia die ernstig genoeg was om te opereren. Blijkbaar was zijn rug een beetje uit het lood gegroeid als gevolg van de gebroken enkel die hij bijna tien jaar eerder had opgelopen bij het voetballen. Dat betekende het einde van zijn carrière in de kinderopvang. Toen hij niet veel later las over gesomatiseerde psychische problemen, kwam hij al snel tot de conclusie dat zijn rugklachten mogelijk mede het gevolg waren geweest van de spanningen die samenhingen met zijn vertrek uit Never-Never Land en de onzekere stap naar de volwassenheid. Een inzicht dat – waar of niet waar – een volgende bijdrage was aan het vervolgverhaal over zijn leven, another brick in the wall die hij om zich heen metselde om de angst voor het leven te beteugelen.

Zijn levensloop volgde daarna een grillig pad, dat heen en weer slingerde tussen zijn leergierigheid en honger naar nieuwe ervaringen en inzichten aan de ene kant en zijn neurotische onzekerheid en behoefte om spanningen in werk en relaties te vermijden aan de andere kant. Aan de ene kant van zijn levensweg lonkte een afgrond met vergezichten terwijl een dreigend donker bos aan de andere kant de enige schuilplaats bood. Terwijl zijn carrière op de lange termijn een schoksgewijze maatschappelijke neergang vertoonde die gemarkeerd werd door lange ziekteperiodes als gevolg van burn-outs en depressies, volgde zijn intellectuele belangstelling een vage rode draad die zou moeten leiden tot meer begrip van zichzelf en de wereld. Dat die rode draad ook gezien kon worden als een zelf gesponnen web waarin zijn wereldbeeld gevangen zat was een inzicht dat pas veel later zou komen.

De opleiding tot tekenleraar bood nieuwe mogelijkheden om de menselijke geest te exploreren, namelijk door middel van de beeldende kunst. Niet alleen leerde hij zien dat de expressieve uitingen van kinderen en volwassenen iets vertelden over de wijze waarop ze de wereld beleefden en begrepen, ook bood bijvoorbeeld de sociale geschiedenis van de kunst aanknopingspunten voor een beter begrip van de menselijke beschaving en derhalve voor het menselijk gedrag in bredere zin. Zo vertelde het beeldhouwwerk in oude kerken en kloosters hoe de middeleeuwers geobsedeerd werden door een onzichtbare wereld van duivels en demonen en weerspiegelde de portretkunst van de Renaissance het zelfbewustzijn van de opkomende burgerklasse, terwijl de reclame-uitingen van zijn eigen tijd een preoccupatie met status en consumptie illustreerden. Stef zoog alle nieuwe kennis gretig in zich op en bouwde ermee voort aan zijn model van de wereld op de fundamenten die waren gelegd door de ontdekking van het onbewuste en andere verborgen krachten die de zichtbare wereld beïnvloedden. Hoewel hij nog altijd op zoek was naar zelfinzicht, kreeg hij ook meer oog voor de samenhang van zijn eigen denken en doen met de wereld waarin hij leefde.

Hij schilderde in die tijd surrealistische landschappen en portretten die uitdrukking gaven aan de vervreemding die hij voelde. Enkele van die werken werden zelfs verkocht, maar hij had voldoende kritisch vermogen om te weten dat zijn artistieke scheppingen getuigden van een matige techniek en weinig originele voorstellingen. Desondanks waande hij zich bij gebrek aan een beter etiket toch een soort kunstenaar – een fictie die mede in stand gehouden werd door zijn omgeving, die hem aanmoedigde in zijn ongemakkelijke rol en het natuurlijk ook reuze interessant vond om een artistiekeling binnen de gelederen te hebben. Hij maakte een hele reeks wandschilderingen in zijn oude jeugdhonk en gaf er zelfs een tijdje tekencursussen. Maar tegen de tijd dat Stef zijn diploma behaalde had hij al geconcludeerd dat hij niet voor de klas wilde staan en niet de talenten en kwaliteiten bezat om als kunstenaar door het leven te gaan. Bovendien hadden nieuwe opwindende mogelijkheden om de wereld te onderzoeken zich aangediend.

De lessen kunstgeschiedenis hadden een raampje opengezet dat uitzicht gaf op het verleden van de menselijke beschaving. Het was daarna een kleine moeite om het venster wagenwijd te openen en een bredere blik op de geschiedenis van de mensheid te krijgen. Onder het motto ‘alles is geschiedenis’, ging hij op zijn vierentwintigste studeren aan het Historisch Seminarium van de Universiteit van Amsterdam, zoals dat toen heette. Zijn oude schoolvrienden rondden in die tijd hun universitaire studie af en Stef wilde in intellectueel opzicht niet achterblijven. Ook zijn toenmalige vriendin Monique werkte in die periode aan haar afstudeerscriptie en wakkerde daarmee zijn academische ambities aan en in het bijzonder zijn belangstelling voor cultuurfilosofie. Stef schreef tijdens zijn studie stukken over homoseksualiteit bij de oude Grieken, de kunsthandel ten tijde van de Puriteinen en de cultuur van Afrikaanse slaven in Amerika.

Ruim twee jaar lang combineerde hij de colleges met parttime werk voor een theaterorganisatie waar hij na zijn rugoperatie was gaan werken, totdat hij daar een aanbod kreeg voor een aantrekkelijke promotie tot vaste communicatiemedewerker. Omdat hij zijn universitaire studie meer zag als een vorm van algemene ontwikkeling dan als een serieuze stap in de richting van een carrière als historicus, kostte het hem geen moeite om collegezaal en archief in te ruilen voor een full-time betrekking in het theater met een eigen bureau.

Gedurende de tachtiger jaren van de twintigste eeuw vormde het vernieuwende en experimentele theater van dat decennium het middelpunt van zijn belevingswereld. Hij laafde zich aan de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van vormgeving, literatuur en muziek, kon samenwerken met een keur aan interessante theatermakers en kwam in aanraking met de culturele elite van de hoofdstad. Daaronder bevonden zich ook helden en iconen van de Jaren Zestig en Zeventig, zoals voormalige provo’s Rob Stolk en Robert-Jasper Grootveld, de schrijvers Harry Mulisch en J. Bernlef, componisten Willem Breuker, Nedley Elstak en Theo Loevendie, cabaretier Bram Vermeulen en acteurs van het Werkteater zoals Joop Admiraal, Shireen Strooker en Hans Man in ’t Veld. Met een aantal werkte hij zelfs een tijd lang nauw samen. Zijn werk bood hem ook de gelegenheid voor enkele interessante en leerzame buitenlandse ervaringen. Zo ging hij eind tachtiger jaren met een groepje acteurs naar Curaçao om daar een taboedoorbrekende theatervoorstelling over HIV en AIDS te brengen en ontving hij een studiebeurs om een aantal maanden theatermanagement en fondsenwerving te bestuderen in de Verenigde Staten.

Bij zijn geschiedenisstudie had hij geleerd dat de waarde van je kennis afhankelijk is van de bronnen die je gebruikt om tot je inzichten te komen. Hoe betrouwbaar zijn ze? Van wie zijn ze afkomstig? Wat is het belang ervan voor de verschillende partijen en wat kun je er daarom uit concluderen? Het scherpte zijn kritisch vermogen, zowel ten aanzien van de boeken en artikelen die hij las als de manier waarop hij zijn eigen verleden probeerde te duiden. Dat was nuttig voor verdere zelfstudie en bood vaste grond onder de voeten in de vloed van het opkomende informatietijdperk, waarin de bronnen even talrijk als dubieus zouden zijn. Stef ontwikkelde een kritische en soms ronduit cynische levenshouding die hem – naar hij hoopte – enige immuniteit verschafte tegen de woekerende informatie-epidemie van de eenentwintigste eeuw.

Dankzij de colleges economie, sociologie en culturele antropologie die hij had gevolgd kreeg hij een beter beeld van de mentale en culturele processen die een samenleving vormen en richting geven aan de wijze waarop mensen met elkaar omgaan. Dat waren nieuwe bouwstenen die hij kon gebruiken bij de voortgaande constructie van zijn wereldbeeld. Alle nieuwe inzichten leidden ertoe dat Stef in vertrouwde kringen regelmatig met grote stelligheid allerlei hoogdravende en eigenzinnige denkbeelden begon te presenteren, terwijl hij in gezelschap van onbekenden er vaak onzeker het zwijgen toedeed. Ongetwijfeld zagen sommigen hem terecht als vage kletsmajoor, terwijl anderen tegen hem opkeken vanwege zijn brede kennis over allerhande obscure onderwerpen. En misschien waren er ook wel die achter zijn pose de onzekere en kwetsbare jongeman zagen die hij zich vaak voelde. Hij deed in ieder geval meestal geen pogingen om die duistere kant van zichzelf verborgen te houden. Integendeel. Door zichzelf kwetsbaar te maken en zijn gevoelens niet te verhullen wekte hij bij sommige mensen begrip en medeleven op. Vooral dames van feministische bloede voelden zich aangetrokken tot een man die niet wegliep voor zijn gevoelens. Dat werkte natuurlijk als een versterkende terugkoppeling, dat zag Stef ook wel, en zo werd zijn kwetsbaarheid een wapen in het veroveren van vrouwenharten. Wel een gemankeerd wapen, want hoeveel kwetsbaarheid kan een mens uiteindelijk verdragen van een ander?

De omwenteling van de zestiger jaren had de wetenschap niet onberoerd gelaten en ook daar was men de grenzen gaan verleggen. Historici waren van oudsher aangewezen op geschreven materiaal als oorkondes, geboorteregisters, stadsrekeningen, archieven en dergelijke als voornaamste bron voor hun onderzoekingen. Schoorvoetend werden archeologische vondsten soms betrokken bij hun reconstructie van het verleden. Franse geschiedkundigen begonnen sinds het midden van de twintigste eeuw gebruik te maken van vakgebieden als economie en sociologie om tot nieuwe inzichten over de geschiedenis te komen. Betrekkelijk nieuw was de mentaliteitsgeschiedenis als discipline en de belangstelling voor de psychologie als hulpmiddel om het gedrag van mensen in het verleden te beschrijven. Door de colleges en publicaties over psycho-history kreeg Stef ’s belangstelling voor de psychologie als verklarende wetenschap een frisse impuls. Hierdoor werd hij gestimuleerd om met een andere blik naar zijn eigen verleden te kijken en de geschiedenis van zijn voorouders te betrekken in zijn bespiegelingen.

De belangrijkste filosofische les die hij leerde in het theater was de opvatting dat mensen de chaos van de werkelijkheid en de oncontroleerbaarheid van hun eigen leven proberen te hanteren door er allerhande mytho-logieën over zichzelf en de wereld op na te houden. Dat was een hoofdthema in het werk van regisseur en toneelschrijver Frans Strijards, bij wiens werk hij een tijdlang nauw betrokken was. Die ensceneerde klassieke repertoirestukken van onder meer Ibsen, Tsjechov en Pirandello en zijn zelfgeschreven toneelteksten, die vanwege hun hilarische toon door pers en publiek enthousiast ontvangen werden. Diens thematiek sloot goed aan bij de observaties van Stef dat er spanningen bestonden tussen wat mensen vertelden over zichzelf en wat hij meende te bespeuren in hun non-verbale uitingen. Het theater bleek bij uitstek geschikt om de spanningen tussen werkelijkheid en fictie te onderzoeken – je zit als publiek ten slotte te kijken naar een poppenspel dat als werkelijkheid gepresenteerd wordt, terwijl iedereen weet dat wat er op het podium gebeurt maar een spel is. Een spiegel op zijn best, maar als gewrocht kunstwerk toch vooral een gekleurde spiegel.

De opvatting dat wat wij als werkelijk beschouwen slechts een constructie van onze geest is, het resultaat van onze geestelijke activiteit, bood een stukje van de legpuzzel van het menselijk gedrag die Stef probeerde op te lossen. Het verklaarde volgens hem waarom de mensen zo verschillend aankeken tegen de wereld en daardoor ook veel van de menselijke conflicten en tegenstellingen. Onbewust verkeerden mensen in de greep van een psychologisch beschermingsmechanisme dat hen een gevoel van controle en autonomie gaf, maar tegelijkertijd van elkaar scheidde omdat iedereen er zijn eigen particuliere sprookje over het leven op nahield. Volgens die opvatting leefde iedereen in zijn eigen zelfgeconstrueerde wereld. Als je de werking van het mechanisme dat ten grondslag lag aan die constructie zou kunnen ontmantelen en blootleggen, dan moest het mogelijk zijn om de tegenstellingen in de wereld op te lossen, zo dacht Stef heel idealistisch. Hij had nog niet begrepen dat in de diversiteit ook de kracht van de mensheid lag om een verscheidenheid aan uitdagingen het hoofd te bieden. Dat variatie de overlevingskans van een soort groter maakte was een principe uit de evolutieleer van Darwin dat nog niet helemaal tot Stef was doorgedrongen. Op dat moment dacht hij dat de onuitroeibare neiging van de mensen om in van alles te geloven de kern vormde van veel problemen in de wereld. Wat hem betreft bestond er in dat opzicht geen verschil tussen de traditionele godsdiensten en de moderne vormen van spiritueel bijgeloof: ze boden enige gemoedsrust, maar geen betrouwbare verklaring voor de wereld – en vormden al helemaal geen basis voor een harmonieuze open samenleving waarin uiteenlopende identiteiten naast elkaar konden bestaan. Zijn eigen uitstapjes in de modieuze domeinen van parapsychologie, mystiek en spiritisme lagen inmiddels ver achter hem, en hij was een ferme aanhanger van harde wetenschappelijke kennis geworden. De intrigerende mysterieuze werelden van Erich von Däniken, Pauwels & Bergier en Carlos Castaneda hadden plaatsgemaakt voor de soms ontnuchterende observaties van Darwin, Marx en Nietzsche – waarbij Freud steeds meegluurde op de achtergrond.

Stef realiseerde zich dat hij bij zijn bespiegelingen natuurlijk ook zichzelf kritisch moest blijven observeren en de diepste motieven voor zijn denken en handelen proberen te ontmaskeren. Met behulp van zijn inzichten in psychologische mechanismen en alle vergaarde kennis over het menselijk gedrag hoopte hij daarmee een heel eind te komen. Hij bracht veel van zijn weekeinden gedurende de tachtiger jaren door bij zijn kritische vriend Freek en diens vriendin Mia. Die woonden ver weg op het Groningse platteland en hij vond daar nog iets terug van zijn verloren Nooitgedachtland: intieme vriendschap, diepgravende gesprekken, creatieve experimenten en uitbundige feesten. Door een haast dwangmatige behoefte van de meeste betrokkenen om soms diep verstopte emoties te benoemen vonden er in die veilige – veelal met hasj en alcohol doordrenkte – omgeving tegelijkertijd soms pijnlijke confrontaties plaats, maar de opvatting was dat die een nuttige bijdrage leverden aan zelfinzicht en persoonlijke groei.

De tachtiger jaren konden opgevat worden als het Yin bij het Yang van de zestiger jaren – de slinger van de geschiedenis stond nu aan de andere kant. Van idealistisch optimisme was geen sprake meer in dat tijdperk van herleefd conservatisme waarin Reagan en Thatcher de toon bepaalden op het politieke wereldtoneel en alles wat niet deugde in de wereld werd toeschreven aan de frivole levenshouding van de zestiger jaren en het lichtzinnige overheidsbeleid van het decennium daarna. De economische crisis raakte een hele generatie jongeren die getroffen werd door werkloosheid en woningnood. Zij hadden daardoor geen enkel begrip voor de idealistische beloftes van de zestiger jaren, waar ze zich van de weeromstuit tegen gingen afzetten. Berooid en zonder uitzicht belandden velen van hen in de marge van de samenleving. De jeugd ruilde de uitbundige modekleuren van de disco in voor het zwart van de punk, keurig gecoiffeerde langharige discokapsels maakten plaats voor kale schedels en puntige hanenkammen en de slogan Love & Peace werd vervangen door No Future. De punkbeweging usurpeerde de van oorsprong idealistische kraakbeweging en onder het motto Geen Woning, Geen Kroning veranderde de binnenstad van Amsterdam tijdens de inhuldiging van Koningin Beatrix in een oorlogszone. Die Koninginnedag en tevens kroningsdag van 30 april 1980 bracht Stef de ochtend door op bed bij zijn vriendin Monique, luisterend naar de opgewonden verslaggeving over de veldslag die de stadsradiozender uitzond. ’s Middags zou hij zelf polshoogte gaan nemen en als ramptoerist de geuren van verbrand rubber en traangas opsnuiven en in de smalle straatjes rond de Dam wegrennen voor de wapenstokken van de Mobiele Eenheid. Niet dat Stef een tegenstander was van de monarchie. Integendeel. Hij onderkende de kracht van symbolen en vond dat er een belangrijke bindende rol was weggelegd voor een staatshoofd dat vanwege zijn of haar Koninklijke afkomst boven de partijen stond, vooral in een samenleving die in vele opzichten versnipperd raakte onder invloed van sociale tweedeling, immigratie en grensoverschrijdende politieke integratie. Maar dat was een mening die pas later uitkristalliseerde, misschien wel mede als reactie op het zien van de gewelddadige meute die middag. Stef liet zich op dat moment in ieder geval graag meeslepen door de tijdsgeest en het was bepaald opwindend om zich voor een paar uurtjes over te geven aan de romantische illusie deel te nemen aan een soort van straatrevolutie. Ook al ging het hier niet om een revolutie met een duidelijke politieke agenda, maar waren het veeleer uit de hand gelopen rellen die uiting gaven aan een collectief gevoel van ongenoegen en onbehagen. Maar de problematiek van de woningnood raakte hem ook persoonlijk.

Bijna twee maanden eerder had Stef zelf een kraakpand betrokken na twee jaar op kamers te hebben gewoond bij een goede vriend in de hoofdstad. Hij had zich gemeld bij het lokale kraakspreekuur, zoals dat toen heette, en zich aangesloten bij een klein groepje woningzoekenden. Gezamenlijk bezetten ze een oud winkelpandje in het dorpscentrum van zijn voormalige woonplaats en Stef nam zijn intrek op de bovenverdieping, waar hij muren doorbrak, het interieur wit schilderde en zijn bed neerzette. Een groepje anarchistische jongeren begon een kraakcafé in een opslagruimte achter de winkel, maar Stef bracht de meeste tijd door bij zijn vriendin in de Amsterdamse Pijp. Kort daarop kon hij de onzekerheid van het krakersbestaan achter zich laten en verhuizen naar een legaal huurflatje in de randgemeente waar hij opgegroeid was.

Het nihilisme van de punkbeweging bleek een vruchtbare voedingsbodem voor onverantwoorde experimenten met gevaarlijke drugs, zoals de goedkope heroïne die vanuit Zuidoost-Azië naar het Westen kwam. Junkies maakten de straten onveilig en veroorzaakten grote overlast. Ook in zijn eigen omgeving zag Stef oude vrienden en bekenden slachtoffer worden van de verslavingsgolf. Sommigen overleden aan een overdosis, anderen raakten door het gebruik van besmette naalden geïnfecteerd met het dodelijke HIV-virus en zijn jeugdvriendje Gerard – die bij de politie was gegaan – kwam in 1986 op de Zeedijk in Amsterdam om het leven toen een junk bij een schermutseling een mes in zijn halsslagader stak. Op de borrelende vulkaan van verval, verderf en dood ontstond een nieuwe escapistische jeugdcultuur van nachtelijke dansfeesten, verkleedpartijen, partydrugs en het uiterlijke vertoon van een nieuwe materiële welvaart. De eerste homecomputers kwamen op de markt en de informatietechnologie begon aan haar opmars die tot in alle facetten van de samenleving zou reiken. Er ontstond een nieuwe klasse van welvarende jongeren die het modebeeld bepaalden en in Oost-Europa begon het communisme aan een roemloze lijdensweg onder de hervormingen van Lech Walensa in Polen en Michael Gorbatsjov in de Sovjet Unie. Het IJzeren Gordijn zou het nog uithouden tot 1989, maar in de tussentijd steeds meer kieren en gaten gaan vertonen.

Dat waren de historische ontwikkelingen van de tachtiger jaren. In deze periode kwamen de vrienden en generatiegenoten van Stef op de leeftijd dat ze hun vaste partner vonden en een gezin stichtten. Na een opwindende en stimulerende relatie met de flamboyante Monique, die enkele jaren duurde, beleefde Stef op relationeel gebied een periode van windstilte. Hij stak zijn energie in zijn werk, lange avonden met veel alcohol in en rond het theater en rokerige weekeinden met veel hasj en muzikale jamsessies bij oude kameraden. Voor alle aantrekkelijke en interessante vrouwen die hij ontmoette in theaterland was hij een gesloten en onbenaderbaar enigma. Zozeer zelfs dat op een gegeven moment het gerucht ging dat hij een crypto-homoseksueel zou zijn. Hoewel het een tijdperk van homo-emancipatie was en Stef er genoegen in schepte om zo af en toe te flirten met mannen, was er geen sprake van seksuele aantrekking of opwinding. Het was eerder zo dat de herenliefde als fenomeen hem verbaasde en intrigeerde. Hij had er verder geen moreel oordeel over en de afwijkende levensstijl en voorkeur van zijn homoseksuele kennissen wekten vooral zijn nieuwsgierigheid op. Een tachtigjarige aanbidder met een dubbelleven noemde hem een jeune premier, wat een begrip was uit het ballet waarmee een mooie jonge mannelijke danser werd aangeduid. Welke bijbedoelingen er ook achter zaten, dergelijke vleiende aandacht vond Stef niet onaangenaam in de manier waarop ze zijn verwaarloosde gevoel voor eigenwaarde streelden. De prettige aandacht die hij zo ontving liet hij zich graag welgevallen en droeg ertoe bij dat hij een paar keer op vakantie ging met zo’n bewonderaar, waarbij hoogstens een speelse verwijzing naar diens erotische fantasieën naar boven kwam.

Hij kon nog altijd enorm verliefd worden op vrouwen, maar durfde zulke gevoelens nauwelijks toe te laten uit angst om gekwetst te worden door de zoveelste pijnlijke confrontatie met zijn neurotische angsten en het traumatische besluit dat er onvermijdelijk op volgde. Eenmaal liet hij in een spontane opwelling een ogenblik zijn starre masker van afstandelijkheid vallen en vlamde zijn passie op voor een jonge schoonheid die bijna tien jaar jonger was dan hij. Lucy kwam uit Arnhem en was betrokken bij een theaterproductie die voor een weekje in Amsterdam speelde. Ze hadden een heftige romance die een aantal maanden duurde, maar ten einde kwam toen Stef andermaal in de greep van zijn neurotische angsten raakte. Al zijn inspanningen om door inzicht meer grip op zijn gekte te krijgen ten spijt, was zijn bindingsangst aan het einde van de tachtiger jaren nog onveranderlijk en krachtig aanwezig.


Stef was blijkbaar weer in slaap gevallen, want het volgende dat hij zich realiseerde was dat hij gewekt werd door het keffen van een hondje. Dat hoorde bij de bewoners van een caravan een stukje verderop die bijtijds waren opgestaan. Verder verkeerde de camping nog in diepe rust. Voor zijn tentje was het gras vochtig van de dauw. Hij deed een vergeefse poging om weer in slaap te vallen, maar een onrustige dans van gedachten maakte dat onmogelijk. Onder invloed van zintuiglijke prikkels, hormonen en de ingebouwde circadiaanse cyclus van slapen en waken, begonnen de zenuwcellen in alle delen van zijn hersenpan stroompjes te produceren en neurotransmitters af te scheiden en gedachten te vormen. Met een vloed aan invallen en onsamenhangende mijmeringen begon het brein zich warm te lopen voor de activiteiten van de komende dag. Zijn aandacht flitste van praktische zaken, zoals zijn voedselvoorraad en de weersgesteldheid voor de volgende etappe, via introspectieve gedachten over de invloed van erfelijke factoren op zijn gedrag – die hij niet moest vergeten op te schrijven – naar de verdere planning van zijn reis, enzovoort. Hij probeerde de stroom van ingevingen enigszins in banen te leiden door zich te concentreren op de toeristische foldertjes die hij tijdens het inschrijven had gepakt bij de receptie van de camping. Dat maakte hem in ieder geval nieuwsgierig naar het klooster van de Cordeliers, zoals de Franciscaanse minderbroeders – met hun bruine habijt en het kenmerkende koord rond hun middel – in Frankrijk genoemd werden. Hun klooster lag aan de andere kant van Charlieu, een deel van de stad waar hij de vorige middag niet aan toegekomen was. Ook wilde hij het Benedictijner klooster op de Place de l’Abbaye nogmaals bezoeken. Ditmaal om het interieur te bezichtigen, want vanwege het late tijdstip waarop Stef de vorige middag bij de abdij aankwam was die al gesloten geweest.

Het zou nog wel een paar uur duren voordat deze toeristische bezienswaardigheden openden en Stef begon de ochtend op zijn gemak. Een prettig zonnetje luidde de dag in en hij besloot een wandelingetje te maken om de directe omgeving te verkennen. Hij wilde uitzoeken of hij langs de oever van het riviertje achter de camping een stuk stroomopwaarts kon wandelen. Er stond een zijhek open, waardoor hij op een landje naast de Sornien uitkwam. Stef liep een stukje langs het water, maar kwam al snel een afrastering tegen met een bordje propriété privée dat hem de doorgang belette. Dus keerde hij op zijn schreden terug en aan de waterkant vond hij een rots in de zon waar hij met zijn rug tegenaan kon zitten. In stilte keek hij toe hoe het heldere stroompje voorbij kabbelde. Een paar gele kwikstaarten scharrelden wat rond op de stenen, op zoek naar insecten. Het zonlicht schitterde in het water en deed hem denken aan de glinstering van een ondergaande tropische zon op de golfjes van een azuurblauwe zee.

Bij het rustgevende geruis van het riviertje vulde hij zijn notities aan voor een hoofdstukje over zijn belevenissen in de tachtiger jaren. Aan het einde van dat decennium begonnen de spanningen zich op te stapelen en Stef steeds meer in hun greep te krijgen. Het begon tot hem door te dringen dat hij gevangen zat in een onoverkomelijk en uitzichtloos persoonlijkheidsdefect. Op zijn werk in het theater liep hij vast in de stress van hogere ambities en lagere budgetten, de onzekerheid van bezuinigingsrondes en de onrust van personele wijzigingen in de directie en de daarbij horende verandering in de werksfeer. Na zijn inspirerende studiereis naar de Verenigde Staten die hij had weten te rekken tot een verblijf van een half jaar, keerde hij barstensvol nieuwe ideeën terug op zijn werk. Maar daar liep zijn enthousiasme stuk op een muur van welwillendheid gecombineerd met onbegrip en praktische beperkingen. Dat werd hem allemaal teveel en net als veel anderen in dat sombere tijdperk kreeg hij een burnout die in zijn geval ontaardde in een stevige depressie die zò lang duurde dat hij arbeidsongeschikt verklaard werd. Zo kwam er een teleurstellend einde aan zijn opwindende en leerzame theatertijd.

Door zijn ziektemelding werd hij doorverwezen naar een psychotherapeut die hem zijn hart liet uitstorten en volgens de richtlijnen van de Rogeriaanse counselling een empathische spiegel voorhield en aanspoorde tot meer zelfreflectie, maar ook tot acceptatie van zijn gedachten en gevoelens. Om niet helemaal te verpieteren in de afzondering van zijn kleine flatje had Stef in die periode een paar rustige uitzendbaantjes en verrichte hij op freelance basis enkele theaterklussen. Maar hij had behoefte aan een nieuw perspectief en de gedachte begon post te vatten om te verhuizen en in een andere omgeving zijn leven opnieuw in te richten. Daarbij dacht hij aan het Groningse platteland omdat hij die provincie goed had leren kennen door de vele weekeinden en vakanties die hij bij Freek en Mia had doorgebracht. Met de uitgestrekte leegte van het landschap en de lage woningprijzen lonkte het noorden als een verleidelijk zelfgekozen verbanningsoord, ver weg van de stress van ‘het Westen’.

Maar eerst wilde hij een lange reis maken – ver van de vertrouwde patronen die werden gedicteerd door sociale banden en fysieke omgeving – om zich op te laden en na te denken over de toekomst. Dus zodra hij weer een beetje op de been was vertrok hij voor een half jaar naar Zuidoost-Azië om inspiratie op te doen. Van zijn stoornis had Stef weinig last op deze avontuurlijke trektocht door Noord en Zuid-Vietnam, Cambodja, Thailand, Maleisië en de Indonesische archipel. De stress was beperkt tot de voor reizigers gebruikelijke onzekerheid over vervoer en onderdak, maar hij leerde dat het daarmee altijd wel goed kwam. Hij kon zijn eigen tempo en gezelschap bepalen, had voldoende spaargeld om zich geen zorgen te hoeven maken als hij een beetje zuinig leefde en genoot volop van klimaat, natuur en cultuur van de tropen. Vietnam had kort voordat hij daar arriveerde een handelsverdrag met de Verenigde Staten getekend, waarmee de bloedige oorlog van de zestiger jaren definitief was afgelopen. Door de belofte van economische groei en het groeiende toerisme verkeerde het land in een optimistische stemming, maar het landschap was nog bezaaid met bomkraters, kerkhoven en roestend wapentuig. Stef beleefde een ontroerend moment toen hij in Hanoi het oorlogsmuseum bezocht en daar foto’s zag hangen van de anti-Amerikaanse demonstraties in Nederland waaraan hij zelf nog had deelgenomen. Op de wand van een grote spelonk in de rotseilandjes van de sprookjesachtige Halong Baai vond hij graffiti van Russische zeelieden, de vroegere communistische bondgenoten van Vietnam, en in de buurt van het zwaar bevochten Hue was hij de enige gast in een grote koloniale villa uit Franse tijd die ooit een buitenhuis van de keizerlijke familie was geweest. In Cambodja waren de vredestroepen van de Verenigde Naties kort daarvoor vertrokken en enkele lucratieve grensgebieden waren nog in handen van de moordlustige Khmer Rouge. Hij verbleef een aantal dagen in huis bij het gezin van een Chinese goudsmid in de buurt van het legendarische tempelcomplex van Siem Reap dat onder de bescherming stond van onduidelijke milities. Tijdens en fietstochtje in de jungle daar ontmoette hij jongetjes op blote voeten, maar gewapend met AK-47’s, die goedgehumeurd om sigaretten bedelden. Het koortsachtige Chinatown in Bangkok was een aantal weken zijn uitvalsbasis en van daaruit reisde hij verder naar het zuiden. Tien dagen verbleef hij op een idyllisch afgelegen strandje met tien hutjes op een klein Maleisisch eiland waar hij al snorkelend over het koraalrif de schrik van zijn leven kreeg toen er plotseling een haai opdook. Vanuit Singapore bereikte hij per speedboat de binnenlanden van Sumatra, waar hij de evenaar passeerde en werd ingehaald door de natte moesson. Daarna ging hij per trein en boot naar Jakarta vanwaar hij met de Nationale Scheepvaart Maatschappij een rondreis maakte langs de Gordel van Smaragd. Hij verbleef onderweg enige tijd op Ambon en trok rond op Sulawesi en Bali. Het was een fantastische ervaring en met een hoofd gevuld met tropische avonturen keerde hij vol goede moed terug naar Nederland. Stef kon terugkijken op een periode waarin hij helemaal was losgekomen van alle knellende banden – volledig de baas over zijn eigen doen en laten binnen de dagelijkse fluctuaties van zijn comfort zone.

Eind 1994 verhuisde Stef zoals hij zich had voorgenomen naar Groningen met het plan om zich daar te vestigen als een ‘filosoof op het platteland’, zoals hij met zelfspot de teruggetrokken en sobere levensstijl die hij beoogde aanduidde. Dat was een verwijzing naar het niet-materialistische eindstation in het bordspel Levensweg – een lineaire variant op Monopoly, waarbij de deelnemers niet in rondjes bleven draaien totdat de anderen failliet waren, maar iedereen kon eindigen als miljonair of als ‘filosoof’ zonder geld. Een typisch zeventiger jaren spel zonder verliezers dat hem goed paste. De noordelijke provincie was in de ban van een nieuw élan waarvan het extravagante Groninger Museum het meest opvallende uithangbord vormde. Naar aanleiding van een beroepskeuzetest had hij besloten zich te laten omscholen tot Desk Top Publisher, een grafisch vormgever op de computer. Dat was een betrekkelijke nieuwe professie die tien jaar daarvoor ontstaan was dankzij de introductie van de Apple Macintosh computer en die mogelijkheden leek te bieden voor de toekomst. Daarin kon hij zijn veronderstelde technische aanleg combineren met zijn creatieve talenten. Zodra hij een baan had gevonden zou hij op zoek gaan naar een rustig afgelegen huisje in de provincie, maar vooralsnog verbleef hij in de stad Groningen op kamers. Na een cursus bij een plaatselijk opleidingsinstituut vond hij dankzij een vriendin een baantje bij een kleine malafide uitgever van advertentiebladen. Maar het lukte niet om een huis te vinden dat voldeed aan zijn behoeften en tegemoetkwam aan zijn financiële mogelijkheden, ondanks de assistentie van een makelaar. Toen zijn werkgever hem na een paar jaar moest ontslaan vanwege tegenvallende bedrijfsresultaten kwam er een einde aan de Groningse escapade. Geen werk betekende tenslotte geen hypotheek en dus ook geen kans op een huis, de voornaamste reden voor de verhuizing. Stef moest na ruim drie jaar onder ogen zien dat hij zijn droom over een rustig plattelandsbestaan niet kon realiseren en keerde terug naar het Westen.

Er waren in de jaren negentig wereldwijd grote verandering gaande. Na de Wende van 1989 werden Oost en West-Duitsland herenigd en kwam er een einde aan de Koude Oorlog. Dat had tot gevolg dat de politieke verhoudingen in de wereld begonnen te verschuiven. De Sovjet-Unie stortte als een kaartenhuis in elkaar, deelstaten scheidden zich af en etnische minderheden kwamen in opstand. Gewelddadige conflicten laaiden op in Tadjikistan en Tsjetsjenië en op de Balkan viel het voormalig communistische Joegoslavië in een bloedige oorlog uiteen in de etnisch gescheiden staatjes Servië, Kroatië, Bosnië, Slovenië, Macedonië en Montenegro. In het Midden-Oosten bevrijdde een internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten de kostbare olievelden van Koeweit uit handen van de Iraakse dictator Sadam Hoessein en in Afghanistan heerste totale anarchie nadat de Russische bezetters vertrokken waren en strijdlustige stammen zich meester maakten van het wapentuig dat ze achterlieten. Ondertussen was de persoonlijke computer een algemeen consumptieartikel geworden dat in steeds meer huishoudens in Nederland zijn intrede deed, mede door de introductie van het internet. Samen met de mobiele telefonie vormde het wereld wijde web de drijvende kracht achter de overspannen economische opbloei die een paar jaar later als een zeepbel uit elkaar zou spatten. De kwetsbaarheid van het economisch herstel werd goed geïllustreerd door de angst voor de millenniumbug, de vrees dat alle computersystemen bij de overgang van het jaar 1999 naar 2000 van slag zouden raken.

Gedeprimeerd over de afloop van zijn Groningse avontuur en het mislukken van de zoveelste relatie zat hij in oktober 1998 in Sevilla en maakte de balans op. Hij had geen huis, geen gezin en geen carrière. Oude vriendschappen waren verwaterd en hij sprak over zijn ‘existentiële eenzaamheid’ als hij bedoelde dat niemand zijn diepste zielenroerselen begreep en hij zich geïsoleerd voelde. Zijn isolement was voor een deel het gevolg van zijn depressieve afzondering, maar zijn langdurige escapades naar de Verenigde Staten, Azië en Groningen hadden de verbindingen van zijn sociale netwerk verder geërodeerd. Toch was hij van mening dat hij er goed aan had gedaan om in beweging te blijven en nieuwe ervaringen op te doen. Stef bevond zich weliswaar op een emotioneel en psychisch dieptepunt, maar kon terugveren dankzij een opgeruimde afstandelijkheid die hij van zijn vader had geërfd en een ironisch relativeringsvermogen dat hij zich door studie en ervaring had eigen gemaakt.

Hij probeerde zich te schikken in zijn lot en te accepteren dat hij voorbestemd was om eenzaam door het leven te gaan. Stef troostte zich met de gedachte dat je als buitenstaander zonder emotionele banden in een betere positie verkeerde om het leven te doorgronden. Die notie had hij onder meer opgedaan bij de productie van een toneelstuk van Pirandello waarbij hij betrokken was geweest. Daarin speelde de handeling zich af binnen een gigantische schilderijenlijst – een verwijzing naar het ouderwetse lijsttoneel – maar soms trad een personage buiten de lijst om de ‘werkelijkheid’ daarbinnen te becommentariëren. Vrijheid en emotionele onafhankelijkheid boden distantie en ruimte voor beschouwelijkheid, zo hield hij zichzelf ter geruststelling voor. Die filosofische denkwijze was niet erg origineel, maar het bood hem wel enige troost dat verschillende schrijvers en denkers die hij bewonderde ook tot die conclusie waren gekomen. Stef had bij Nietzsche gelezen dat je jezelf eerst helemaal moest kennen om de waarheid te kunnen ontdekken en dat je jezelf het beste kon onderzoeken door in tijd en ruimte afstand te nemen van je vertrouwde omgeving. Bij Connie Palmen las hij dat volgens haar het geluk de prijs is die je betaalt voor inzicht en zelfkennis en Salman Rushdie schreef in zijn meeslepende boek De grond onder haar voeten ook dat ‘zij die uit de lijst stappen de enigen zijn die het hele beeld zien’. Stef vond dus dat hij als buitenstaander en Einzelgänger wel een bepaald intellectueel voordeel genoot, voor wat dat waard was. Geen geluk, wel inzicht. Moest dat dan de conclusie zijn van zijn levenslange onderzoek?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.