10 | Avondmaaltijd in een gîte d’étape

De lucht was donker bewolkt toen Stef de volgende ochtend uit zijn tentje keek. Het zag er naar uit dat hij de dag niet droog zou doorkomen, maar toch was hij blij dat hij zijn tocht kon vervolgen. Hij had een onrustige nacht achter de rug waarin hij geplaagd werd door vele vragen over achtervolgers en vluchtelingen. Een laatste flard van een droom waarin hij zijn weg moest zoeken uit een doolhof van onderaardse gangen en gewelven loste op als ochtendmist in de zon. Stef herinnerde zich dat hij in zijn droom op zoek was geweest naar Madeleine en Livia, maar telkens als hij dacht de juiste deur te openen verscheen er een nieuw obstakel dat hem de weg versperde.

Beweging was toch wel de beste remedie tegen de onrust in zijn hoofd en hij keek verlangend uit naar de nieuwe belevenissen die hem wachtten op de weg die voor hem lag. De hoogste tijd om weer op pad te gaan dus. Snel pakte hij zijn boeltje in. Uit voorzorg hield hij zijn regenponcho binnen handbereik in een zijvak van zijn rugzak, zodat hij die snel kon pakken wanneer dat nodig zou zijn.

De beheerder van de camping was bij de uitgang bezig met het schoonpoetsen van zijn zonnecollectoren. Stef maakte met vragend opgetrokken wenkbrauwen een gebaar naar de lucht om zijn twijfel uit te drukken over de weersomstandigheden, maar de man riep opgewekt dat het wel goed zou komen en wenste hem een goede reis. Buiten de poort van de kampeerplaats sloeg Stef linksaf en passeerde een stukje verderop een bedrijventerreintje. Al snel kon hij via een brug een riviertje oversteken en liep hij over een voetpad langs het water de stad uit. In de verte zag hij met grote snelheid een tgv voorbijschieten door het landschap links van hem. Die ging net als hijzelf in zuidelijke richting. Stef verplaatste zich in gedachten naar de passagiers in de trein. Wie waren ze? Waar gingen ze heen? Wat dachten ze terwijl het landschap aan hen voorbijflitste? Vluchtige gedachten die kwamen en gingen als de rimpelingen van een windvlaag op de oceaan. Hij volgde de zoom van een bos langs een helling vanwaar hij uitkeek over een groot verkeersknooppunt met op- en afritten en verschillende viaductjes. De spoorlijn verdween in de verte. Bij het dorpje Sainte-Cécile stak hij zelf de snelweg over en ging het omhoog, weer een dicht bos in.

In de vochtige schaduw onder het gebladerte werd Stef weer overvallen door sombere gedachten. De onheilspellende berichten van de vorige middag hadden meer indruk op hem gemaakt dan hij wilde toegeven. Bij het inpakken van zijn spullen had nog eens gecontroleerd of het pistool in orde was en in gedachten repeteerde hij de handelingen die nodig waren om in geval van nood het wapen snel tevoorschijn te halen en te laden. Schichtig hield hij de omgeving in de gaten en onverwachte geluiden deden hem verschrikt achterom kijken.

Zijn gedachten gingen terug naar het avondje met Henk en Inge en zijn ‘speciale talent’ – zoals hij dat niet zonder ironie noemde – om in de verborgen lagen van iemands persoonlijkheid te kijken. Stef wist zelf ook wel dat het twijfelachtig was om zijn inzichten op te dringen aan anderen. Niet alleen omdat ze nogal intuïtief ontstonden en dus op zijn zachtst gezegd een wankele basis hadden. Er was ook de morele vraag of je überhaupt het recht had om een ander met zijn gevoelige tekortkomingen te confronteren. ‘Wie zonder zonden is, hij werpe de eerste steen’, heette het ergens in de Bijbel. En hij kon bepaald niet ontkennen dat zijn eigen karakter ook de nodige mankementen vertoonde.

Desalniettemin was het lezen en interpreteren van non-verbale signalen iets dat iedereen wel deed op een onbewust niveau. Het was een onderdeel van het normale menselijke verkeer. Iedereen had weleens de kracht van een eerste indruk gevoeld bij de kennismaking met een onbekende. Wie kende niet het onverklaarbare gevoel van sympathie of antipathie dat een vreemde bij een eerste aanblik kon oproepen? Om nog maar te zwijgen over liefde op het eerste gezicht. Omdat we die gevoelens verder niet goed konden verklaren noemden we dat dan instinctief of intuïtief. Maar de neiging van Stef om allerlei oordelen over verdrongen drijfveren als verklaring aan zulke indrukken te verbinden was van een heel andere orde. Dat riekte naar amateuristisch gepsychologiseer en hij was ook wel zo’n beetje op de hoogte van de wetenschappelijke kritiek op de psychoanalytische principes waarop hij zijn dilettantische interpretaties losjes baseerde. Het individuele onbewuste was een empirisch onding waar experimenteel moeilijk vat op te krijgen was. Daarbij kwam dat hij wel enigszins bekend was met de complicerende psychologische effecten die een rol konden spelen bij diepgravende uitwisselingen, waarbij al of niet verborgen emoties en vooroordelen een rol gingen spelen bij de waarneming en beoordeling van een ander. Het risico dat zulke verwarrende mechanismen de meningen kleurden leek hem extra groot wanneer er bij de interactie tussen individuen allerlei gevoeligheden meespeelden. En daarvan was in zijn geval haast per definitie sprake, vond Stef zelf. Hij voelde zichzelf nu eenmaal erg kwetsbaar waar het aankwam op menselijk contacten.

Zijn dwangmatige neiging om het gedrag van anderen te duiden en zo als het ware te vangen in de kooi van woorden en begrippen waaruit hij zijn wereldbeeld had opgetrokken, kon heel goed opgevat worden als een uiting van zijn eigen behoefte aan veiligheid en zekerheid. Was het niet zo dat hij door een verhaal te spinnen over de verborgen drijfveren van een ander als het ware zijn eigen angsten probeerde te bezweren? Door zich te verschuilen achter de rationele maskerade van zijn analyses was Stef in staat om emotioneel buiten schot te blijven en zichzelf te behoeden voor de pijnlijke blauwe plekken die menselijke banden konden veroorzaken. Om zijn gevoel van onveiligheid te beteugelen spijkerde hij anderen vast aan een dubieus psychologisch oordeel dat de emotioneel chaotische en bedreigende wereld van het menselijk verkeer enerzijds netjes op orde hield, maar hem tegelijkertijd ook vervreemdde van anderen. Was dat zogenaamde talent van hem daarom niet zowel een vloek als een zegen? Ergens voelde hij wel dat het deels een farce was die zijn behoefte aan warmte en medemenselijkheid onderdrukte en zijn gevoel van eenzaamheid en isolement alleen maar versterkte. Maar daarmee waren zijn observaties nog niet noodzakelijkerwijs ongeldig. Kon het mes niet aan twee kanten snijden?


Stef liep een paar uur over een heuvelrug waar stukken donker naaldbos werden afgewisseld door open weilanden met her en der een paar grazende koeien. De openingen in het bos boden een prachtig uitzicht over ondiepe valleien met kleine boerengehuchten die zich uitstrekten onder een grijze bewolkte lucht. Af en toe scheurde het laaghangende wolkendek open en viel een zoekende bundel zonlicht op de groene glooiingen van het landschap. Toen het stadje Tramayes in de verte zichtbaar werd begon het te druppelen en Stef zocht de beschutting van een groepje bomen om even te pauzeren. Even later ging het gedruppel over in een flinke regenbui en de temperatuur daalde snel. Uit het westen kwam een kil windje opzetten en de haartjes op zijn armen sprongen gealarmeerd in het gelid. Hij was nu zo’n beetje halverwege Ouroux, de plaats waar hij de nacht wilde doorbrengen in de plaatselijke gîte d’étape. Op de kaart in zijn gidsje had hij gezien dat in Tramayes de weg splitste in twee verschillende routes naar die volgende halteplaats. Linksaf ging het via een zwaarder en langer pad. Dat leidde naar de overkant van de vallei en een ruig landschap dat hem door een bos en over een kleine berg via de dorpjes Saint-Jacques-des-Arrêts en Cenvers naar Ouroux zou voeren. Dat leek hem wel een mooie route om te lopen vanwege het natuurschoon en de belofte van fraaie vergezichten. Het alternatief was de in zijn ogen gemakkelijkere optie om over de heuvelrug waarop hij zich bevond verder te gaan en na verloop van tijd rechtstreeks af te dalen naar Ouroux. Die weg was een paar kilometer korter, maar waarschijnlijk ook minder avontuurlijk.

Hoewel de verwaaide wolkenlucht suggereerde dat de regenbui niet zou aanhouden, was de verleiding groot om maar voor de korte weg te kiezen. Stef had het gevoel dat er nog wel meer buien in de lucht hingen en al die nattigheid zou de paden niet beter begaanbaar maken. Bovendien werd het gras te nat voor een comfortabele picknick en was het vooruitzicht om bijtijds op zijn droge bestemming aan te komen erg verleidelijk.

Toen de regen ophield daalde hij af naar Tramayes, waar hij nog net op tijd aankwam om voor de middagsluiting een vers stokbrood te kunnen kopen. Het uitgestorven plaatsje had verder niet veel te bieden en gezeten op de trap voor de kerk maakte hij een broodje. De volgende bui kondigde zich echter al snel aan en dwong Stef om zijn regenponcho tevoorschijn te halen. Waterdicht verpakt in ruimvallend plastic vervolgde hij daarop zijn weg. Die voerde hem na een kilometer weer omhoog en toen de regen ophield had hij een schitterend uitzicht over de wijde omtrek. Boven een klein gehucht markeerde een stenen kruis langs de weg de pelgrimsroute. Daarna kwam hij door een flink stuk bos, waar stapels gezaagde boomstammetjes een prikkelende geur van hars en dennennaalden verspreidden. Grote stukken open bosgrond met overvloedige aanplant van jonge bomen wezen erop dat in deze regio op grote schaal hout geproduceerd werd. Hij passeerde rommelige kale plekken met omgewoelde aarde die bezaaid waren met boomstronken, afgerukte takken en houtsnippers. Het bood een gewelddadige en naargeestige aanblik, als een slagveld uit de Eerste Wereldoorlog. Sommige van die plekken waren al meer dan een jaar oud. Dat kon hij opmaken uit de felgeel bloeiende brem en het paarse vingerhoedskruid dat overal was opgeschoten. De frisse contrasterende kleuren deden hun best om de onderliggende littekens in de aarde te bedekken. Het pad was modderig en er stonden flinke plassen water in de diepe sporen die waren achtergelaten door de tractoren die de boomstammen hadden versleept.

Hij bereikte Ouroux via een landweggetje met moestuintjes aan weerszijden en kwam het plaatsje binnen over een groen uitgeslagen stenen bruggetje dat zichzelf overeind hield boven een snelstromend beekje. Het plaatsje maakte een versleten indruk en in het grijze middaglicht had het met haar dichtgetimmerde winkeltjes in de hoofdstraat veel weg van een spookstadje. Alle middenstandsactiviteiten hadden zich zo te zien teruggetrokken in dorpscafé Chez Sandra & Gilbert, dat volgens de opsomming op een groot bord aan de gevel tegelijkertijd dienst deed als boulangerie, pâtisserie, epicerie, bar-tabac, dépot gaz èn relais poste. Op die strategische plek kwamen enkele smalle straatjes samen die hun bestaansrecht leken te ontlenen aan een verzameling slecht onderhouden huisjes en een half in een glooiing weggezakt dorpskerkje. De spits van het lage kerkje was versierd met een opvallend mozaïek van glimmende dakpannen. Het geluid van spelen- de kinderen op een schoolplein ergens buiten zijn blikveld was het enige teken van leven dat Stef opmerkte. Honderd meter verderop vond hij de gîte d’étape, die gevestigd was in een robuust voormalig schoolgebouw van graniet dat hem deed denken aan een Romeins woonblok.

Vanwege het sombere weer had hij besloten deze nacht niet in zijn tentje door te brengen. Het was de eerste keer sinds Vézelay dat hij een kamer zou delen met andere pelgrims, een vooruitzicht waarop hij zich niet erg verheugde. Stef was nu eenmaal erg op zijn rust en privacy gesteld. En dan was er nu ook nog de dreiging van de achtervolgers die hem op de hielen zaten. Ieder contact met vreemdelingen was daarom potentieel riskant, vermoedde hij. Stef verwachtte nog geen directe confrontatie met de onbekenden die hem zochten – hij meende dat zijn voorsprong daarvoor nog te groot was. Maar de gedachte was in hem opgekomen dat alle mensen waarmee hij onderweg kennismaakte onwillekeurig anderen op zijn spoor zouden kunnen zetten. Maar ja, nu hij wat vorderde op zijn route was het onontkoombaar dat hij van tijd tot tijd zou verkeren in het gezelschap van wandelaars op weg naar het zuiden. Stef had op de weg vanaf Cluny al verscheidene andere pelgrims zien lopen. Ze waren duidelijk herkenbaar aan hun rugzakken en felgekleurde regenjacks. Hij realiseerde zich dat het na Le Puy alleen maar drukker zou worden. Dat zou het misschien moeilijker maken om zijn belagers te herkennen, maar het omgekeerde gold natuurlijk ook – dat hij zelf moeilijker te vinden zou zijn in een grote groep. Safety in numbers was de overlevingsstrategie van kuddedieren.

In de slaapzaal op de eerste verdieping trof hij een Duitser die toevallig dezelfde naam had als hijzelf, Stephan. Dat gaf aanleiding tot enige hilariteit, maar brak ook meteen het ijs. Ze hadden ongeveer dezelfde lengte en postuur, maar zijn Duitse naamgenoot bekeek de wereld met zenuwachtig knipperende ogen vanachter zijn bifocale brillenglazen. Hij vertelde met een zachte, weloverwogen stem in een aangenaam Zuid- Duits accent dat hem iets gemoedelijks gaf, dat hij was komen lopen vanuit de omgeving van Freiburg in het Zwarte Woud. Zijn manier van spreken contrasteerde op aandoenlijke wijze met de wijze waarop zijn handen rusteloos op zoek leken te zijn naar houvast. Alsof ze er een eigen wil op nahielden frunnikten zijn vingers onophoudelijk aan de randen van zijn mouwen, zijn kraag, de sluiting van zijn regenjack of aan elk ander onderdeel van zijn kleding of lichaam dat ze toevallig tegenkwamen. Het was alsof hij doorlopend moest controleren of hij er zelf nog wel was. Af en toe betrapte Stephan zichzelf op deze onwillekeurige handelingen en dan vouwde hij met een schuldbewuste blik zijn handen. Stef voelde meteen sympathie voor zijn kwetsbaar ogende naamgenoot.

Terwijl hij zich installeerde bespraken de mannen de routes die ze gevolgd hadden en het bleek dat de ander die dag vanaf Tramayes in hoog tempo de alternatieve weg over Cenves had gelopen. De nationaliteit van de man bracht Stef zijn vorige ontmoeting met een Duitser in de herinnering en hij vroeg zich even af of er een verband tussen de twee zou kunnen bestaan. Maar Stephan leek hem een ware katholieke pelgrim die over een meer zuidelijke route uit Duitsland was komen lopen dan zijn onfortuinlijke landgenoot die in Avallon overleden was. Toch leek het Stef raadzaam om niet al teveel bloot te geven van zichzelf en hij hulde zich in zijn natuurlijke gereserveerdheid. Stephan drong zich gelukkig niet op en vertrok om de dorpskerk te bezichtigen. Stef haalde zijn notitieboekje tevoorschijn en begon wat aantekeningen te maken over zijn belevenissen en gedachten van de afgelopen dagen.

Zijn aandacht werd verstoord door de komst van enkele nieuwe gasten. Op de slaapzaal meldde zich een joviale Belg die zichzelf met een stevige handdruk in het Frans introduceerde als Matthieu. Hij werd op de voet gevolgd door een Duits echtpaar dat de tweepersoonskamer een paar deuren verder op de gang betrok. Toen Stef zichzelf voorstelde aan de Belg schakelde deze over op Vlaams met een zwaar Frans accent. Hij verklaarde lachend dat hij zich vies als een varken voelde en nodig een bad moest nemen. Er zat inderdaad flink wat modder op zijn doorweekte kleding, waardoor hij een verfrommelde en haveloze indruk maakte, alsof hij onderuitgegaan was. Toen Stef naar zijn toestand informeerde, bevestigde de Belg opgewekt dat hij inderdaad was uitgegleden op een modderige helling even voorbij Cenves. Stef trok daaruit de conclusie dat hij de juiste keuze had gemaakt door die middag de minder uitdagende route naar Ouroux te kiezen. Met een toilettas en handdoek verdween Matthieu even later fluitend richting badkamer.

Na enige tijd hoorde Stef stemmen op de gang. Stephan kwam terug van zijn excursie en was in gesprek geraakt met zijn pas gearriveerde landgenoten. Stef borg zijn spullen op en even later verscheen zijn naamgenoot weer in de gemeenschappelijke slaapkamer. Onderzoekend keek hij rond en zijn ogen bleven even rusten op de bagage van Matthieu. Stef vertelde hem dat ze een nieuwe kamergenoot hadden en vroeg hoe het bezoek aan het dorpskerkje geweest was. Zijn landgenoten hadden hem al op de hoogte gebracht van de komst van de Belg en met zachte stem beschreef Stephan de bezienswaardigheden van het intieme godshuis waaronder enkele mooie gebeeldhouwde Romaanse kapiteeltjes. Die verkeerden volgens hem in opmerkelijk goede conditie en waren van dichtbij te bekijken omdat de zuilen waarop ze zaten niet erg hoog waren. Ook vanbinnen was de kerk blijkbaar bescheiden van afmetingen. Het wekte de belangstelling van Stef en hij beloofde het kerkje de volgende ochtend vòòr zijn vertrek nog te bezoeken.

Stephan meldde dat hij met zijn landgenoten had afgesproken om samen een maaltijd te maken en nodigde hem uit om mee te eten. Stef had zich juist afgevraagd wat hij met het avondeten zou doen en nam deze uitnodiging graag aan. Het bleek dat ze ook Matthieu al uitgenodigd hadden, zodat hij een internationaal gemengd gezelschap rond de tafel kon verwachten. Stef bood aan om te helpen met de boodschappen, maar Stephan liet weten dat hij al had afgesproken om met het echtpaar de benodigde inkopen te doen. De kosten zouden ze achteraf wel verrekenen.

Toen de Duitse delegatie vertrokken was om de benodigdheden voor het avondmaal te halen kwam Matthieu opgewekt neuriënd terug van de badkamer. Verfrist en schoongeboend begon hij zijn natte goed op te hangen op een lijntje dat hij gespannen had boven zijn bed. Gestommel op de trap kondigde de komst van een nieuwe gast aan. Om de hoek van de deur verscheen een hoofd met Aziatische gelaatstrekken.

Bonjour, is er nog een bed vrij op deze kamer?’ vroeg de nieuwkomer in accentloos Frans. Matthieu heette de man in dezelfde taal hartelijk welkom. Deze stelde zich voor als Xavier Tran Kieu, wat desgevraagd, zoals Stef meteen vermoedde, een Vietnamese achternaam bleek te zijn. In tegenstelling tot al diens landgenoten die Stef tijdens een reis door Vietnam ontmoet had, was Xavier groot en zwaargebouwd. Niet dat hij aan overgewicht leek te lijden, want hij had het goedgetrainde lichaam van een bodybuilder. Hij zeulde een merkwaardige grote rugzak met twee wieltjes en twee handvatten achter zich aan en Matthieu vroeg nieuwsgierig wat dat voor ’n ding was. Het geval deed Stef denken aan een soort steekwagentje, maar dan een die je achter je aan voortrok in plaats van voor je uit te duwen. Xavier legde uit dat het een backpack trailer was, een combinatie van rugzak en handkarretje. Met een band om zijn middel kon hij het ding voortrekken, alsof hij zijn eigen lastdier was. Op die manier kon hij veel meer bagage meenemen, zonder zijn rug extra te belasten. Op zijn schouders droeg hij nog een kleine rugzak. Stef observeerde enigszins verbaasd dat de man het fysieke gestel van een Amerikaanse marinier had en veel minder moeite zou hebben met wat extra kilootjes bagagegewicht dan de gemiddelde wandelaar. Hij was ook een stuk jonger dan de grijze pelgrims die hij tot dusver op de pelgrimsweg had ontmoet. Stef vond dat hij er uitzag er als een Aziatische versie van Rambo. In andere omstandigheden zou het hem niets verbaasd hebben als deze merkwaardige Vietnamees op een militaire missie was en in zijn bagage een heel arsenaal aan wapens verborg. Als om die gedachte te bevestigen zaten er inderdaad enkele merkwaardige metalen buizen aan de buitenkant van zijn bepakking bevestigd. Het leken fors uitgevallen ouderwetse tentstokken, maar het zou ook een soort statief kunnen zijn. Al met al vond Stef deze Xavier een opmerkelijke verschijning. Hij had de lichaamsbouw van een Amerikaan, maar een Franse voornaam en leek tegelijkertijd ook accentloos Engels te spreken. Maar hij had een open gelaatsuitdrukking waar geen dreiging van uitging en een prettige ontspannen en zelfverzekerde manier van doen. Alsof hij eraan gewend was beantwoordde hij met ingehouden trots alle vragen die ze hem stelden over zijn wonderlijke bagagedrager die hij naar zijn zeggen zelf geconstrueerd had.

Matthieu informeerde of dat karretje niet enorm onhandig was op onregelmatige bergpaden en steile hellingen, maar Xavier verklaarde dat hij het ding dankzij een slimme draagband met een simpele beweging op zijn schouder kon nemen als de omstandigheden daarom vroegen. Het bleek dat hij die dag net als Matthieu de moeilijke route over de heuvels langs Cenves en Saint-Jacques-des-Arrêts had gelopen, waarop de Belg goedlachs vaststelde dat de Vietnamees aan de staat van zijn kleding te oordelen het er in ieder geval beter af had gebracht dan hijzelf. De jongere man keek hen na deze opmerking niet-begrijpend aan en Matthieu moest nog eens uitleggen dat hij vanwege de modder uitgegleden was op een steil stuk van het pad en zich daarbij ernstig besmeurd had.

Na deze eerste kennismaking plaatste Xavier zijn spullen in de hoek bij een van de lege bedden en begon wat schone kledingstukken uit te pakken. Daarna informeerde hij waar de badkamer was en vertrok om zich te douchen. Matthieu had zich in de tussentijd verder omgekleed terwijl Stef in zijn gidsje keek om de route voor de volgende dag te bestuderen. Nadat de Aziaat de kamer verlaten had, keken ze elkaar veelbetekenend aan, uitdrukking gevend aan hun verbazing over de nieuwe kamergenoot. Matthieu zei in zijn kromme Nederlands: “Da’ is nie’ un français, gjeloof ik.” Waarop Stef antwoordde dat hij ook betwijfelde of het een gewone Vietnamees was. “Non, maar ’ij spreekt un beetje met Amerikaans accent? Misschien ’ij is CanadienQuébécois?”

“Canadees? Dat zou kunnen”, peinsde Stef. “In ieder geval sleept hij wel een boel bagage mee. Het lijkt wel alsof er een complete bungalowtent met toebehoren op dat karretje van hem zit.”

Ze raakten aan de praat over de voor- en nadelen van het meedragen van een tentje op de pelgrimsweg en op voorstel van Matthieu verhuisden ze naar de keuken om een potje thee te zetten. De Duitsers kwamen al gauw terug van hun expeditie naar Sandra & Gibert en begonnen de boodschappen uit te stallen op de keukentafel. Ze hadden ook wat biertjes en zoutjes meegenomen en kort daarop zat het hele gezelschap rond de tafel geanimeerd te praten. Ook Xavier voegde zich bij hen. Toen hij hoorde dat er een gezamenlijke maaltijd gemaakt zou worden, bood hij onmiddellijk aan om een bijdrage te leveren en vertrok even later naar de supermarkt om nog wat aanvullende boodschappen te doen. Tegen de tijd dat hij terugkwam waren Stephan en Ursula, de vrouwelijke helft van het Duitse echtpaar, begonnen met de voorbereiding van een pasta en salade. Matthieu en Ulrich, de echtgenoot van Ursula, voerden in het Duits een gesprek over de bezienswaardigheden op de komende etappes, terwijl Stef toeluisterde. Hij ving op dat Ulrich zich degelijk had voorbereid en vertelde dat hij bezig was een fotoserie te maken van alle kerkportalen op de route om zo hun pelgrimage te documenteren.

Xavier had nog een paar biertjes gehaald, plus een brood en twee blikjes tonijn en overlegde nu met beide koks hoe deze ingrediënten ingepast konden worden in het menu. Daarna nam hij plaats aan de tafel en Matthieu vertelde hem in het Frans over het fotoproject van Ulrich. De Aziaat reageerde belangstellend op die mededeling en hij informeerde of Ulrich op de portalen weleens een middeleeuwse afbeelding had gezien van religieuze pelgrims op weg naar Compostella, een groepje monniken of zo. Ulrich keek hem daarop onzeker aan en zei hakkelend dat zijn kennis van de Franse taal helaas beperkt was. Matthieu maakte daarop aanstalten om de vraag te vertalen, maar Xavier onderbrak hem met een handgebaar en informeerde met een onmiskenbaar Amerikaans accent of de beide mannen misschien beter Engels verstonden. Het gezelschap rond de tafel keek hem even stomverbaasd aan en Matthieu barstte in een luid gelach uit. Hij sloeg de vermeende Vietnamees op zijn schouder en verklaarde grinnikend dat hij al gedacht had dat hij geen Fransman was. Die keek verbaasd naar de anderen en verklaarde een tikkeltje schuldbewust dat hij dat ook nooit beweerd had.

“Maar je Frans klonk ons accentloos in de oren”, zei Stef ter verduidelijking. Xavier moest glimlachend toegeven dat hij de verwarring wel begreep en verklaarde dat hij was opgegroeid in Canada, maar dat zijn grootouders van vaderskant in Frankrijk gewoond hadden. Die waren in de Franse koloniale tijd geëmigreerd vanuit Vietnam. Hij had vele zomervakanties met hen doorgebracht op het Franse platteland en in die tijd een belangstelling ontwikkeld voor de middeleeuwse geschiedenis van Frankrijk, zo lichtte hij toe. Ulrich knikte begrijpend en Matthieu verklaarde met een theatraal gebaar dat hiermee het raadsel van de mysterieuze Vietnamees was opgelost.

Ulrich trok een nadenkend gezicht nadat Xavier zijn vraag herhaald had in het Engels. Hij antwoordde een beetje onwennig in dezelfde taal dat bij zijn weten de kerkportalen oorspronkelijk gereserveerd waren voor afbeeldingen van Christus en de evangelisten. Later werden daar allerlei heiligen aan toegevoegd en soms kwamen er belangrijke geestelijke of wereldlijke leiders bij, vooral wanneer die de bouw van desbetreffende kerk of het klooster dat erbij hoorde mogelijk hadden gemaakt. Gewone pelgrims pasten niet in zulk luisterrijk gezelschap. Hij meende dat het in de loop van de elfde of twaalfde eeuw mode werd om Het Laatste Oordeel af te beelden boven de belangrijkste ingang van de kerken. Daarop verschenen dan wel gewone mensen en lagere geestelijken zoals monniken, maar dan toch alleen om het onderscheid tussen de goeden en de slechten te illustreren: zij die na de dood werden toegelaten tot het Hemelse Rijk tegenover de verdoemden die naar de Hel gingen. Ulrich kon zich niet herinneren dat hij in die context ooit een voorstelling had gezien met pelgrims.

“Maar ik ben slechts een liefhebber van oude kerken, geen gediplomeerd kunsthistoricus”, verontschuldigde hij zich. “Dus het is heel goed mogelijk dat er wel degelijk zulke afbeeldingen bestaan. Misschien op kerken in Spanje, dichter bij Santiago de Compostella?” opperde hij hardop denkend. “Ik denk eerlijk gezegd dat de kans op voorstellingen van pelgrims groter is op de kapitelen van de zuilen binnen in de kerken. Daarop konden de beeldhouwers zich meer vrijheid permitteren, denk ik, en was er meer ruimte voor alledaagse afbeeldingen. Zolang die de boodschap van de kerk maar illustreerden.” Xavier leek teleurgesteld en knikte berustend. “Ik zou verwachten dat u bij kerken die gewijd zijn aan Saint Jacques de grootste kans maakt om een dergelijke afbeelding aan te treffen”, vulde Ulrich hoopvol aan.

“Maar Ulli, hebben wij in Amiens niet iets gezien met pelgrims?”, merkte zijn vrouw op vanachter het fornuis. “Boven die tombe van die heilige daar, hoe heet-ie ook al weer? Aan de buitenkant van het koor, daar was toch een hele optocht te zien. Zo levendig en vol detail afgebeeld, weet je nog?”

“Ach ja, je hebt gelijk. In de kathedraal van Amiens is inderdaad een prachtige afbeelding te zien van pelgrims die de relieken van Saint Firmin daar bezoeken”, richtte hij zich tot zijn aandachtige gehoor. “Buitengewoon realistisch beeldhouwwerk waar zelfs de kleuren nog op zitten. Ik geloof alleen niet dat die voorstelling iets te maken had met Santiago de Compostella.”

“Nee, maar er was ook een mooi reliëf gewijd aan Saint-Jacques”, voegde Ursula toe.

“Ja, dat is zo. Maar dat was meer een afbeelding van een episode uit zijn leven. Ik geloof niet dat daar een processie bij te zien was.” De Duitser plukte nadenkend aan zijn grijze baardje. “Nee, er zijn mij geen andere voorstellingen van pelgrimages bekend. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat ze niet bestaan. Mag ik vragen waarom u belangstelling heeft voor zulke ongebruikelijke afbeeldingen?”, vroeg hij Xavier. Die antwoordde vaag: “Oh, ik heb ergens gelezen over een dergelijke processie die in de twaalfde eeuw van Cluny naar Compostella is gelopen en ik vraag me af of daar nog sporen van te vinden zijn.”

“Er zullen toch wel regelmatig groepen monniken zijn vertrokken uit Cluny met Santiago de Compostella als bestemming?”, opperde Stef.

“Och ja, waarschijnlijk wel”, antwoordde Xavier, “maar het is zeldzaam om daarover iets aan te treffen in de bronnen. Tenzij er vooraanstaande personen bij betrokken waren of dat het de een of andere speciale gebeurtenis betrof, zoals de overdracht van een heilig relikwie of een belangrijke kerkelijke bijeenkomst. Deze reis was blijkbaar zo bijzonder dat hij vermeld werd in een verloren kroniek uit Moissac. Ik vond er een verwijzing naar in eh… Nu ja, toen ik in Italië was. Het intrigeerde me en het leek me een aardige uitdaging om tijdens mijn tocht uit te kijken naar sporen van deze onderneming.”

“Wat was er zo speciaal aan deze processie?”, informeerde Matthieu.

“Dat is nu juist het wonderlijke, daarover wordt niet gerept. Meestal wordt er bij de vermelding van zo’n officiële pelgrimage uitgebreid uit de doeken gedaan welke hoogwaardigheidsbekleders erbij betrokken waren en wat het doel van hun reis was. Al was het alleen maar om de devotie van de deelnemers te benadrukken. Maar in dit geval wordt er alleen gesuggereerd dat er sprake was van een opdracht van de abt van Cluny, Pierre le Vénerable.”

Bij het horen van die naam ging Stef een lichtje op. “Petrus de Eerbiedwaardige? Was dat geen tijdgenoot van Eleanor van Aquitanië?” merkte hij argeloos op.

De naam van Eleanor raakte duidelijk een gevoelige snaar bij Xavier, die geschrokken zijn blik richtte op Stef en hem indringend aankeek. “Eleanor van Aquitanië?”, zei hij onderkoeld, maar met een intense emotie in zijn ogen die de anderen leek te ontgaan. “Dat zou kunnen. Weet je iets van haar geschiedenis?”

“Ja, een beetje. Ik heb weleens een biografie over haar gelezen”, antwoordde Stef terughoudend, enigszins van zijn stuk gebracht door de intense reactie van Xavier.

“Werkelijk? Daar zou ik wel wat meer over willen horen. Is er een verband met Petrus van Cluny?”, vroeg de Vietnamese Canadees, die zijn gevoelens nu weer onder controle leek te hebben, op neutrale toon.

“Oei, dat kan ik me niet precies herinneren. Ik weet niet meer of zijn naam genoemd wordt in de biografieën die ik gelezen heb. Dat is alweer een tijdje geleden. Toen ik over hem las tijdens mijn bezoek aan Cluny viel me alleen op dat ze tijdgenoten waren. Vanwege de kruistocht die Eleanor ondernam met haar eerste man, koning Louis VII van Frankrijk, is het heel goed denkbaar dat ze elkaar weleens ontmoet hebben.”

“Kruistocht? Dat is interessant. Kun je me daar iets meer over vertellen?”, drong Xavier aan, al zijn aandacht nu op Stef gericht. Uit de nadrukkelijk achteloze manier waarop de vraag gesteld werd maakte Stef op dat de ander meer dan een toevallige belangstelling toonde voor Eleanor en haar kruistocht. Achter het beheerste uiterlijk van de Vietnamees meende hij een zekere opwinding te bespeuren die hij niet kon duiden. Er zat duidelijk meer achter diens nieuwsgierigheid dan hij wilde laten blijken. De vage opmerking van Xavier over een bezoek aan Italië was Stef niet ontgaan. Wat dat dan ook te betekenen had. En hij reageerde nogal terughoudend op de suggestie van een verband tussen Petrus met Eleanor, alsof hij zich niet in de kaart wilde laten kijken en wilde uitvinden wat Stef daarover wist. Zou die processie waar hij het over had daar iets mee te maken hebben?

Voordat hij echter zijn verhaal kon beginnen werd het gesprek onderbroken door Stephan, die een onsamenhangende stapel borden met bestek op tafel plaatste. Ulrich, die de uitwisseling tussen Xavier en Stef met belangstelling gevolgd had, stond nu op om behulpzaam te zijn bij het dekken van de tafel. Op kameraadschappelijke toon wisselde hij enkele woorden met zijn vrouw bij het fornuis en snoof goedkeurend de geuren op die uit de pannen opstegen. Die wekten inderdaad de eetlust op en Stef besloot dat dit niet het juiste moment was voor een geschiedkundige uiteenzetting.

“Zal ik het verhaal van Eleanor bewaren voor na de afwas? Dan kunnen we nu onze koks de verschuldigde eer aandoen en genieten van de maaltijd.”

Xavier kon niet veel anders dan daarmee instemmen en ook de anderen richtten hun aandacht nu op het ordenen van borden en bestek. Het avondmaal bestond uit spaghetti met braadworsten in tomatensaus en een salade met stukken tonijn uit blik. Voordat er begonnen werd met eten namen de pelgrims enkele ogenblikken stilte voor een gebed. Het viel Stef op dat hij de enige was die niet bad, maar hij vouwde uit beleefdheid zijn handen en richtte respectvol zijn blik naar beneden. Matthieu ging daarna rond met de fles rode wijn en Uschi schepte de dampende spaghetti met saus op de borden. Stef nam een stuk stokbrood van een schaal en proefde met genoegen de smakelijke rode saus die hij ermee opdepte. Hij complimenteerde de beide koks met het resultaat van hun inspanningen en in stilte aten ze hun eerste happen. Instemmend gemompel ging over in een rustig kabbelende conversatie waarin de spirituele beleving van de pelgrimage ter sprake kwam. Vooral de Duitse tafelgenoten leken geoccupeerd met een zoektocht naar geestelijke zingeving. Matthieu was van huis uit een praktiserend katholiek en zijn geloofsopvattingen waren eenvoudig, oprecht en Rooms. Stef had weinig bij te dragen aan deze conversatie, die hij nogal zweverig vond. Ook Xavier at in stilte en leek in gedachten verzonken.


Na de afwas bleven Matthieu, Xavier en Stef op voor een laatste glas wijn. Uschi en Ulrich hadden zich teruggetrokken op hun kamer en Stephan ging naar bed omdat hij ‘s ochtends vroeg wilde vertrekken. Xavier en Matthieu keken Stef verwachtingsvol aan en hij stak van wal: “Hopelijk hebben jullie geen al te hoge verwachtingen van mijn kennis over Eleanor. Ik heb geen idee of ze werkelijk contact heeft gehad met die abt Pierre die jij noemde, Xavier. Zijn naam stond in een gidsje van Cluny en dat herinnerde me eraan dat hij een tijdgenoot van haar was. En zo leerde ik bovendien dat hij geïnteresseerd was in de kennis van de moslims.”

“Ja, dat klopt. Hij heeft in Spanje de eerste vertaling van de Koran laten maken. Niet omdat hij het woord van Mohammed wilde verspreiden, maar om de Islam met inhoudelijke argumenten te kunnen bestrijden. Hij wilde gewoon aantonen dat de Koran onzin verkondigde. Maar ik ben benieuwd naar wat je weet over Eleanor en haar kruistocht.”

“Oh? Nou, niet veel bijzonders hoor”, zei Stef voorzichtig. “Niet meer dan wat ieder mens in de boeken of op het internet terug kan vinden. Ze heeft natuurlijk een fascinerende levensloop gehad en vooral die kruistocht naar Jeruzalem is omgeven door mysterieuze en schandaleuze verhalen.”

“Aha! Ik ben één en al oor”, verklaarde Matthieu met een schittering in zijn ogen. “Kom maar op met dat verhaal. Ik ben niet bekend met de geschiedenis van deze dame en niets is zo goed voor de nachtrust als een goede vertelling na een aangename maaltijd.”

De onbevangen toon waarop Matthieu uiting gaf aan zijn enthousiasme stelde Stef wat op zijn gemak. Hij was bang geweest voor een kritische toetsing van zijn kennis door Xavier, die meer leek te weten dan hij wilde prijsgeven. Dus hij vertelde wat hij wist over Eleanor en haar kruistocht naar Jeruzalem. Hij schetste de oproep in Vézelay, het verblijf in Constantinopel en de gevaarlijke reis door wat nu Turkije heet. Dat was toen voor een groot deel omstreden Byzantijns grondgebied waar christenen en moslims elkaar naar het leven stonden. Eenmaal aangekomen bij de periode dat Eleanor in het prinsdom Antiochië van haar oom Raymond verbleef, toonde Xavier zich bijzonder geïnteresseerd. Hij vroeg naar bijzonderheden die Stef niet kende. Hij wist dat er geruchten waren geweest over een affaire van de jonge koningin met haar jeugdige en heldhaftige oom, die qua temperament zoveel beter bij haar paste dan haar kwezelige echtgenoot, de jonge Franse koning. Eleanor steunde Raymond ook in zijn plan om met de meegekomen kruisvaarders het graafschap Edessa in het noorden te bevrijden, wat een van de oorspronkelijke doelen van de kruistocht was geweest. Louis zag daar niets in en wilde zo snel mogelijk verder in zuidelijke richting, naar zijn reisdoel, de Heilige Stad. Toen bleek dat zijn vrouw daar helemaal geen zin in had en in een kwade bui bovendien de wettelijkheid van hun huwelijk ter discussie stelde – ze zouden bloedverwanten zijn – nam Louis een drieste maatregel door haar zo’n beetje te kidnappen en onder dwang mee te voeren naar Jeruzalem. Ze verdween daar uit de openbaarheid. Er werd althans in de bronnen geen melding meer van gemaakt van de levenslustige koningin.

In die tijd leed Louis met zijn kruisridders een gevoelige nederlaag bij een ondoordachte poging om het vriendschappelijke maar islamitische Damascus te veroveren. De koning bleef zijn terugkeer naar Frankrijk uitstellen omdat hij geen afscheid kon nemen van het Heilige Land. Xavier was nieuwsgierig naar details over die periode dat Eleanor in Jeruzalem verbleef en informeerde of Stef iets had gelezen over haar verblijfplaats daar en welke personen er in haar dagelijkse nabijheid verkeerden. Maar Stef moest toegeven dat hij zich niet herinnerde dat hij daarover iets was tegengekomen. Hij suggereerde dat er via het internet misschien bronnen te vinden waren die daarover opheldering konden verschaffen, maar dat het meeste materiaal wel uitgepluisd zou zijn door de historici en biografen. Matthieu genoot zichtbaar van de vertelling en moedigde hem aan om verder te gaan: “Quelle histoire. Hoe liep het af met hun reis? Hoe zijn ze weer thuisgekomen?”

Daarop vertelde Stef hoe het gezelschap in twee schepen met een gevolg van driehonderd personen vertrok uit Akka. De Siciliaanse schepen werden onderweg aangevallen door een Byzantijnse vloot omdat de keizer in oorlog was met koning Roger van Sicilië, een afstammeling van de Normandische veroveraars van het eiland. Eleanor’s vaartuig werd overmeesterd en afgevoerd, maar in Griekse wateren raakten de Byzantijnen weer slaags met Siciliaanse oorlogsschepen en die wisten het koninklijke gezelschap te bevrijden. Eenmaal herenigd met het schip van Louis geraakten ze in een storm die de vaartuigen weer uiteen dreef en het gezelschap verspreidde over de Middellandse Zee. Louis strandde in Calabrië in Zuid-Italië en Eleanor werd als vermist opgegeven. Weken later dook ze in uitgeputte toestand op in de haven van Palermo op Sicilië. Louis had zijn buik vol van zeereizen en wachtte op het Italiaanse vasteland tot zijn vrouw zich bij hem zou voegen. Nauwelijks hersteld van de ontberingen ontving Eleanor uit Antiochië het bericht dat haar geliefde oom Raymond om het leven gekomen was in de strijd tegen zijn Turkse rivaal Nureddin. Zijn hoofd werd als trofee in een zilveren kist naar de Kalief van Baghdad gezonden. Zwaar aangeslagen door dit bericht was Eleanor niet in staat om snel verder te reizen en het kostte enige tijd om in Tusculum, het hedendaagse Frascati, te komen, waar de paus hen opwachtte. Die deed met spijs en drank en kaarslicht – en ongetwijfeld de nodige gebeden – een poging om het zieltogende koninklijk huwelijk nieuw leven in te blazen, wat in zoverre lukte dat Eleanor wel zwanger raakte. Over land reisde het gezelschap via Bourgondië terug naar Parijs.

“En daarmee kwam een einde aan de avontuurlijke kruistocht van Eleanor van Aquitanië”, rondde Stef zijn verhaal af. “Het kind dat negen maanden later geboren werd was een meisje en dus niet de gewenste mannelijke troonopvolger. Een paar jaar later zou ze alsnog scheiden van Louis en trouwen met de elf jaar jongere Henry, graaf van Anjou, die de geschiedenis in zou gaan als koning Henry II van Engeland. Maar dat is weer een ander verhaal.”

Er viel een korte stilte. Matthieu had een dromerige blik in de ogen, alsof hij de gebeurtenissen voor zich tot leven zag komen. Ook Xavier keek peinzend en leek in een andere wereld te verkeren. De Belg verbrak de stilte door te zeggen dat hij zijn trektocht naar Compostella al als een groot avontuur beschouwde, maar dat zijn onderneming toch wel verbleekte bij zo’n middeleeuwse kruistocht naar het Beloofde Land.

Mon chèr Hollandais, er valt zo te horen wel wat af te dingen op het morele gedrag van jouw middeleeuwse heldin, maar je hebt een aangename avond afgerond met een goed verhaal. Waarvoor mijn dank. En dan denk ik dat het nu tijd is om op bed te gaan.” Stef wierp Xavier een vragende blik toe, half verwachtend dat hij nog opmerkingen of vragen zou hebben naar aanleiding van zijn uiteenzetting, maar deze knikte instemmend naar Matthieu en het gezelschap brak op.

Eenmaal in bed nam Stef in gedachten het verloop van de avond nog eens door. Hij had de stellige indruk dat er meer school achter de belangstelling die Xavier had getoond voor Eleanor. De Vietnamees maakte beslist een sympathieke indruk, maar Stef kon niet geloven dat hij een gewone pelgrim was. Toch leek hij ook niet op de gemiddelde sportieve wandelaar. Er was bepaald iets geheimzinnigs aan de man. Zijn gepeins duurde niet lang, want hij werd al snel meegevoerd in een diepe slaap.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.