7 | Over heiligen en hippies

De weg van Autun naar Cluny was bezaaid met obscure heiligen. Stef overnachtte op dit deel van zijn tocht achtereenvolgens in de plaatsjes Saint-Symphorien, Saint-Eusèbe en Saint-Gengoux. Dat waren namen van heiligen waarvan zowel afkomst als betekenis hem totaal onbekend waren. In de gehuchten was soms geen winkel te bekennen, zodat hij strategisch moest omgaan met zijn voedselvoorraden. Stef had niet de indruk dat de levens van die heiligen verbonden waren met de plaatsen die naar hen vernoemd waren. Hij vermoedde dat de grote abdij van Cluny die namen had gegeven aan de abdijen en priorijen die ze in de omgeving gesticht had en waaromheen in de elfde en twaalfde eeuw de dorpjes waren ontstaan.

Het landschap was een eentonige aaneenschakeling van uitgestrekte weilanden en kleine bosjes. En witte runderen, veel witte runderen. Ze deden Stef denken aan de kleine kudde witte koeien die rond 1970 in een weiland bij zijn woonplaats stond en toen door zijn vader heilige koeien uit India genoemd werden. De dieren waren zo alomtegenwoordig, dat Stef tijdens een korte rustpauze met zijn smartphone een poging deed om het ras te bepalen. Zo kwam hij erachter dat de vele roomkleurige koeien in de weilanden Charolaises moesten zijn, een echt Bourgondisch ras. De bleekwitte dieren leken hem Gasconnes. Die hadden ook grotere hoorns. Voor zover hij kon nagaan waren het geen melkkoeien, maar runderen die bestemd waren voor de vleesconsumptie.

De vlakke uitgestrektheid van het landschap deed Stef terugdenken aan zijn reis dwars door de Verenigde Staten. In 1989 was hij Amerika van oost naar west en weer terug doorgetrokken met de typische vervoersmiddelen waarmee de grote afstanden van het continent overbrugd werden: de ruime huurauto’s van Avis en Herz, de comfortabele treinen van Amtrak en een aaneenschakeling van benauwend volle Greyhoundbussen die dag en nacht doorreden over de Interstate Highways. Hij was door slaperige dorpjes en stadjes gekomen die zich in de onmeetbare leegte van het landschap verscholen hielden onder een staalkaart van wisselende wolkenluchten. De afstanden tussen de plaatsjes in het Middenwesten, op de prairies en in de zuidelijke woestijnen waren vergeleken met de dorpjes in het oude Franse landschap evenredig aan de manier van voortbewegen: in Amerika kostte het ongeveer evenveel tijd om gemotoriseerd de volgende plaats te bereiken als in Frankrijk te voet. Maar in Amerika was alles nu eenmaal groter: niet alleen de hamburgers, koelkasten en auto’s, maar ook de mensen, de landschappen en de afstanden. Maar ‘groter’ is niet hetzelfde als ‘beter’.

Een half jaar lang had Stef de hoofdrol gespeeld in zijn eigen roadmovie. Net als Jack Kerouac had hij het Amerikaanse continent doorkruist en zich tegen een decor van eindeloze vlakten, ondoordringbare wouden, onleefbare woestijnen en ontoegankelijke bergtoppen verwonderd over het ongerepte landschap en iets gevoeld van de spirituele extase die dat kon oproepen. Ook Stef had magische momenten gekend tijdens zijn rondreis. Op een heldere dag in het Laramiegebergte zag hij een iconische Amerikaanse steenarend boven het aloude Oregon trail vliegen, een levende echo uit de tijd van indianen en kolonisten. In het avondschemer stond er ergens in de Sierra Nevada plotseling een spookachtig wit paard midden op de weg, als een visioen uit een Wild West sprookje. En op weg naar Albuquerque hield hij ’s nachts in het schijnsel van zijn koplampen even een prairiewolf gevangen die opdook als een visioen uit een verhaal van Karl May. Het waren clichés natuurlijk, maar ze sloten naadloos aan bij het beeld van de Verenigde Staten dat dankzij Hollywood in zijn hoofd gevormd was, net als de gele taxi’s en wolkenkrabbers die het New Yorkse straatbeeld bepaalden en de straatmuzikanten die hij zag in New Orleans.

Ook in het Amerikaanse landschap vertelden plaatsnamen verhalen over een heroïsch verleden, hoewel dat mythische tijdperk in de relatief jonge natie niet ver terug in de tijd lag. Hell’s Half Acre, Lost Dutchman Mountain, Mitten Rock, Mesa Verde, Llano Estacado, Death Valley, Salt Lake Desert, Grand Canyon en Fort Laramie markeerden de songlines van het Wilde Westen. Die plaatsnamen herinnerden aan de achtereenvolgende passanten die hun weg zochten over het continent: oorspronkelijke Amerikaanse indianen, Spaanse veroveraars, Hollandse handelaren, Franse woudlopers, Britse kolonisten, Ierse en Duitse paupers, Chinese loonslaven, Mexicaanse landarbeiders en Filipijnse zeelui. Cowboys, goudzoekers, boeren en kleine ondernemers uit alle uithoeken van de wereld lieten hun sporen na op de prairies, in de bergen, de woestijnen en de wouden. Uit alle windrichtingen zoog het vacuüm van het Amerikaanse continent vluchtelingen en gelukszoekers aan op zoek naar de vervulling van hun dromen. Zij baanden de paden voor hun twintigste-eeuwse erfgenamen, de hobo’s en de ontwortelde boeren van de jaren dertig, de rusteloze dichters en jazz-musici van de veertiger en vijftiger jaren en de hippies en folksingers die in de sixties volgden.

De dolende zielen die in de twintigste eeuw zwierven over de oude routes van de nieuwe wereld aan de overkant van de oceaan kwamen Stef voor als lotgenoten, een soort pelgrims van de moderne tijd. Dat laatste was niet eens zo vergezocht, want de dichters van de naoorlogse generatie hadden het zwerversbestaan al een heilig aura gegeven. Jack Kerouac schreef in On the Road dat zijn helden Sal Paradise en Dean Moriarty de verwarring en flauwekul achter zich lieten en de enige nobele menselijke functie vervulden, namelijk zich verplaatsen. Rusteloos onderweg zijn, zonder bestemming, de reis als doel op zich, was dat wat Stef zelf ook dreef? Hij kon zich er iets bij voorstellen. De Beat Poets waren, samen met de vroege Hell’s Angels en leden van vergelijkbare motorclubs, losgeslagen kinderen van de Tweede Wereldoorlog die zich niet wilden of konden onderwerpen aan het morele keurslijf van de gewapende vrede die Koude Oorlog heette. Evenals de Britse Angry Young Men en de Franse existentialisten behoorden ze tot een generatie die moest leven met het absurdisme van een veiligheid die gewaarborgd werd door de zogenaamde Atoomparaplu – die benaming alleen al was een voorbeeld van levensgevaarlijke taalkundige volksverlakkerij. Maar de mensheid koestert zich nu eenmaal graag in comfortabele illusies.

De Beats gaven uitdrukking aan de verwarring van een ontspoorde generatie die terugkeerde van de slagvelden waar ze de genoegens van amfetamine, benzedrine en morfine had leren kennen. Drugs die militairen op weg naar het front van overheidswege verstrekt kregen om wakker te blijven, de strijd vol te houden of om de pijn van hun verwondingen te verzachten. Vluchtend voor de verstikkende burgermoraal en op zoek naar nieuwe waarden volgden ze na hun terugkeer uit de oorlog het spoor van Amerika’s rondtrekkende troubadours, de zwarte jazzmusici, die Kerouac omschreef als extatische heiligen. Zijn vriend Allen Ginsberg benadrukte die heiligheid in het iconische Beat-gedicht Howl dat eindigde met het in ritmische bezwering aanroepen van alles dat in de ogen van de schrijver heilig was, inclusief zijn mededichters: ‘Holy Kerouac holy Hunckle holy Burroughs holy Cassady…’ Toen Kerouac zijn manuscript van On the Road inleverde bij zijn uitgever meldde hij dat die tekst gedicteerd was door de Heilige Geest. Reizen, onderweg zijn, was blijkbaar nauw verweven met spirituele ervaringen – al dan niet ingegeven door de extase van jazz en stimulerende middelen.

Het officiële doel van zijn eigen reis naar de USA was geweest om de financiering van theaterinstellingen te bestuderen. In Nederland was dat in het tijdperk voordat de commerciële pulp van soap en musical het aanzien van het theaterlandschap gingen bepalen vooral een kwestie van overheidssubsidies. Maar de crisis van de tachtiger jaren en de bezuinigingen die daarvan het gevolg waren, hadden geleid tot het dictaat dat de culturele sector andere geldbronnen moest zien aan te boren. Zoals in Amerika dus, waar de overheid van oudsher terughoudend was, de belastingdruk lager en de culturele voorzieningen vooral dreven op de steun van particuliere weldoeners en het publiek. En omdat de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog golden als moreel en cultureel kompas van de hele westerse wereld – ook al lag het gemiddelde West-Europese welvaartsniveau inmiddels aanmerkelijk hoger – richtte de terugtredende overheid de nieuwsgierige blik naar de overkant van de Atlantische Oceaan. Ondanks de manifeste sociale misstanden en de toenemende tegenstellingen tussen arm en rijk aan de andere kant van het water hoopte men daar toch mogelijkheden voor de volgende bezuinigingsronde in de culturele sector te vinden.

Stef had al snel ontdekt dat binnen dit ogenschijnlijk aantrekkelijke systeem weinig ruimte was voor vernieuwing en experiment, althans in de theatersector. Die dreef in Amerika voornamelijk op de bekende stukken van bekende schrijvers die, weliswaar met veel vakmanschap, maar met weinig dramaturgische vernieuwingsdrift werden opgevoerd door bekende acteurs. Dat was de commerciële formule waarmee niet veel later Joop van den Ende in Nederland groot zou worden. Voor beroemde filmsterren trok het kapitaalkrachtige middenklasse publiek met een middelmatige culturele smaak graag het chequeboekje, terwijl jonge theatermakers met frisse ideeën en kritische opvattingen over een bovenmenselijk doorzettingsvermogen moesten beschikken om hun stukken te produceren en een publiek te vinden. De meest opwindende theaterervaring tijdens zijn studiereis was de opvoering van een stuk met de veelzeggende titel The Slow And Painful Death Of Sam Shepard geweest, dat werd opgevoerd in een aftands kelderzaaltje met een versleten allegaartje van stoelen ergens in Chicago. Het hilarische stuk, in een stijl die bekend stond als Southern Gothic, was een ironisch commentaar op de teloorgang van een van Amerika’s grote culturele iconen van de late twintigste eeuw. Op het toilet dat tevens dienst deed als kleedruimte voor de acteurs was hij aan de praat geraakt met de schrijver en regisseur van het stuk, die hem op verzoek later zijn toneeltekst nog toestuurde. Twintig jaar later ontdekte Stef dat deze Jeff Dorchen nog altijd met hetzelfde stuk aan de weg timmerde, inmiddels in Los Angeles: een stukje dichter bij de gouden bergen van Hollywood.

Dat waren allemaal verhelderende en leerzame ervaringen. Maar naast de officiële missie om het financiële reilen en zeilen van theatergroepen te onderzoeken, volgde Stef ook een meer persoonlijke rode draad in het Amerikaanse culturele landschap, namelijk dat van de wijdverbreide cultus rond de psychedelische rockband The Grateful Dead. Dit muziekgezelschap werd in Nederland, waar in de tachtiger jaren stromingen als punk, disco en new wave toonaangevend waren in de popmuziek, afgedaan als een stel overjarige hippies dat zich onder invloed van hallucinogene middelen overgaf aan ellenlange doodsaaie muzikale improvisaties en onbegrijpelijke klankexperimenten. Het gezelschap kende in Amerika echter een grote schare van trouwe volgelingen die als een nomadische stam letterlijk over de hele wereld hun muzikale helden volgde van concert naar concert. De zogenaamde Deadheads hadden hun eigen radioprogramma’s – the Grateful Dead Hour – waar zelfgemaakte opnames van de concerten werden uitzonden. Vanwege het spontane en geïmproviseerde karakter van de muziek was geen optreden gelijk en waar de meeste groepen uit vrees voor verlies aan platenverkoop streng optraden tegen het maken van opnames door het publiek, liet ‘the Dead’ dit toe en moedigde deze praktijken zelfs aan door een speciale plek voor dit doel vrij te houden bij het mengpaneel van de geluidsinstallatie, waar de geluidskwaliteit optimaal was. Stef zag achteraf wel de ironie in van zijn afkeer van het Amerikaanse conservatisme en zijn kritiek op de behoudzucht van het theaterpubliek, terwijl hij zelf gefascineerd werd door de cultus rond een achterhaalde hippieband.

Dat hele fenomeen was in Nederland nauwelijks bekend, maar via zijn goede vriend Freek was Stef ermee in aanraking gekomen. Het spelen van vrije improvisaties en experimentele muziek behoorde bovendien al sinds zijn tienerjaren tot zijn eigen expressieve palet. Hoewel hij zelf niet onverdienstelijk gitaar speelde en het een en ander wist van muziektheorie, verkeerde hij in zijn jeugd een tijdlang in kringen waar men graag laagdrempelig musiceerde en creativiteit en originaliteit meer betekende dan instrumentale virtuositeit. Wat er in de praktijk op neerkwam dat iedereen die in staat was om een trommeltje, fluit of tamboerijn vast te houden kon deelnemen aan de muzikale bijeenkomsten – die, toegegeven, natuurlijk meestal plaatsvonden onder de invloed van de nodige bewustzijnsverruimende middelen. Stef had daardoor een gevoeligheid ontwikkeld voor de speelse wisselwerking tussen improviserende muzikanten, het luisteren naar elkaar en het al spelend zoeken naar de volgende stap in de uitvoering en de opwindende – helaas maar al te zeldzame – sensatie wanneer de stukjes op hun plaats vielen en er uit de kakafonie een samenhangend muzikaal motief tevoorschijn kwam. Het leek achteraf een metafoor voor de tekortkomingen van de menselijke communicatie, die ook gekenmerkt werd door beperkte vaardigheden en maar zeer zelden leidde tot gesprekken met een zinvolle inhoud. Maar die muzikale ervaringen gaven hem later wel een mooi startpunt om de professionele geïmproviseerde muziek en free jazz te leren waarderen. Met enkele van de kopstukken van de beruchte Instant Composers Pool, zoals Misha Mengelberg, Han Bennink en vooral Willem Breuker had hij in zijn theatertijd als verantwoordelijke voor promotie en publiekswerving nog wel te maken gehad.

De Grateful Dead vormde in verschillende opzichten een brug tussen de generatie van zwervende Beatdichters en rondtoerende jazzmusici enerzijds en de hippiebeweging anderzijds. De muzikale wortels van de bandleden lagen in de folk- en bluesmuziek van de ontwortelde hobo’s en arme zwarten van de dertiger jaren, de sociale protestsongs van Woody Guthrie en de jazzimprovisaties waar de Beats zo dol op waren in de veertiger jaren en de rock ’n roll en surfmuziek van de jeugd van de jaren vijftig. De band verzorgde de muzikale omlijsting van de zogenaamde Acid Test feestjes die Ken Kesey in 1965 en 1966 organiseerde in de buurt van San Francisco. Daar werd onder invloed van – het toen nog legaal verkrijgbare – LSD geëxperimenteerd met multi-mediale happenings waarin poëzie, beeldende kunst en muziek samen kwamen.

Stef had zich altijd sterk geïdentificeerd met de hippie-beweging van de jaren zestig, ook al viel daar achteraf misschien een hoop op af te dingen. Het zwervende bestaan van de hippies zoals hij dat in zijn jeugd interpreteerde vertegenwoordigde alles waar hij als romantische jonge adolescent vol Weltschmerz en Angst van droomde: de vrijheid van de weg, de verbondenheid met gelijkgestemden en het ideaal van liefde, vrede en geluk. Anders gezegd bood het hippiedom ogenschijnlijk een manier om te ontsnappen aan de onwelgevallige zaken in zijn prille tienerleven: schoolse verplichtingen, ouderlijke macht en de puberale angst voor de volwassenheid. De mens werd grotendeels gevormd naar de verwachtingen en idealen van zijn jeugd en de ervaringen in die periode maakten blijkbaar zoveel indruk dat hij in latere jaren het niet altijd positief bedoelde etiket van ‘ouwe hippie’ met tegendraadse trots zou blijven dragen. Hij vond het vermakelijk om te constateren dat bijna vijftig jaar later de term ‘hipster’ weer in de mode was bij jongeren. In het weinig kritische oordeelsvermogen van de jonge Stef waren de hippies een soort profeten van een nieuw geloof geweest, een geloof in love & peace & happiness. En de sterren van de rock-cultuur groeiden misschien wel net niet helemaal uit tot goden, maar waren toch op zijn minst wel een soort apostelen die het hooggestemde idealisme van die tijd uitdroegen. En sommigen bereikten tegen wil en dank toch de goddelijke status want in 1967 verscheen de tekst ‘Clapton is God’ op de muren van de Underground in Londen. En de heftige emoties die volgden op John Lennon’s objectieve vaststelling dat de Beatles onder de jongeren populairder waren dan Jezus Christus illustreerde de wankele positie van de oude goden.

Voor Stef zelf omvatten de roerige zestiger jaren zijn hele kleuter- en lagere schooltijd, een periode waarin veel eerste bewuste indrukken van de buitenwereld van invloed zijn op de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Hij was geboren onder het sterrenbeeld ‘The Beatles’, zoals hij zelf graag verkondigde. De muziek van de Fab Four vormde het belangrijkste motief in het muzikale decor van zijn kindertijd. John Lennon en Paul McCartney ontmoetten elkaar toen Stef een jaar oud was en er bestaat een foto van de band uit 1960 die in Nederland genomen is. Als nog onbekend rock ’n roll bandje op weg naar Hamburg – en wereldfaam – stopten de Beatles blijkbaar in Oosterbeek bij de oorlogsbegraafplaats, waar veel Britse militairen begraven liggen die omkwamen tijdens de slag om Arnhem in 1944. Het gezelschap werd gefotografeerd voor de gedenksteen met een tekst van de dichter Rudyard Kipling die door de gebeurtenissen in de jaren die volgden een profetische betekenis kreeg: ‘Their name liveth for evermore’. De grote doorbraak van het muzikale viertal in 1962 viel samen met Stef’s verhuizing van zijn kleine geboortedorp naar de grote stad – het begin van een nieuw leven voor zowel Stef als de Beatles. Door de introductie van zwart-wit televisie kon de hele wereld zien hoe het viertal met hun charmante anarchie de serieuze pers tegemoet trad en zo de toon zette voor het anti-autoritaire decennium dat volgde. Een van zijn oudste herinneringen was dat hij ergens in die tijd ‘Aai lof joe, jèh, jèh, jèèh’ liep te zingen op het toen nog landelijke dijkje waaraan zijn geboortehuis lag – zo zijn eigen kinderlijke vertolking gevend van de grote Beatles-hit She Loves You. Hij zal toen zes jaar oud geweest zijn en bracht die zomer een tijdje door bij zijn grootvader terwijl zijn ouders met de buren in een Volkswagenbusje hun eigen roadtrip door Duitsland maakten. Dankzij de komst van de draagbare transistorradio en de nieuwe zenderpiraten was de muziek van het Liverpoolse viertal altijd en overal te horen in die jaren. De wereld was in de ban van Beatlemania en na hun doorbraak in de Verenigde Staten volgde daar een invasie van Britse popgroepen, die het rhythm and blues-erfgoed van de achtergestelde zwarte bevolking nu onder aandacht bracht van het blanke volksdeel in het tot 1964 nog altijd gesegregeerde Amerika. Overal ter wereld luisterden jongeren naar dezelfde muziek en begonnen zich te identificeren met hetzelfde modebeeld. Zo ontstond er een internationale eenheidscultuur van de jeugd die zich in de loop der tijd met de verspreiding van geïllustreerde tijdschriften en de televisie zelfs tot in de verste uithoeken van de zogenaamde Derde Wereld zou uitstrekken.

De popmuziek vormde voor Stef en veel van zijn generatiegenoten de belangrijkste culturele invloed die ze ondergingen. Waarschijnlijk niet veel anders dan de Romantische gedichten van de vroege negentiende eeuw en de prille jazzmuziek van de eerste decennia van de twintigste eeuw de jongeren van die tijd het hoofd op hol brachten. Tijdens een feestavond voor ouders op zijn lagere school mimede hij in een playback-bandje met klasgenoten enkele grote radiohits van 1967 en 1968, zoals het door Lennon doordringend gezongen I Am The Walrus van de Beatles, het theatrale Eloise van Barry Ryan, het melodische popnummer Spicks and Specks van de Bee Gees en de psychedelische klassieker A Whiter Shade of Pale van Procol Harum. De zogenaamde repetities voor dat optreden vonden plaats in de kelder van het nabijgelegen moderne kerkgebouw waar de vader van een van de meisjes die als achtergronddanseressen waren gerekruteerd de koster was. Die oefenbijeenkomsten boden een geschikte gelegenheid om met meiden rond te hangen en stiekem de eerste sigaretten te roken. Zo creëerden ze in die kerk hun eigen semi-legitieme hangplek. Stef was toen nog geen twaalf jaar oud. Vaag was hij zich bewust van de opwindende taferelen die zich afspeelden in het geografisch nabije en tegelijkertijd mentaal zo verre Amsterdam. Maar zijn nieuwsgierigheid werd vooral geprikkeld door de heftige verontwaardiging en afkeuring die zijn ouders en hun generatiegenoten lieten blijken over de acties van Provo, de rookbom bij het huwelijk van Beatrix en Claus en de naakte verschijning van Phil Bloom op televisie. Dergelijke ludieke en subversieve acties illustreerden dat er in die jaren heel wat meer gaande was dan het latere blije cliché van de hippietijd suggereerde. Dat er een groep mariniers was die in hun vrije tijd het monument op de Dam in Amsterdam ‘schoonveegden’ – waarmee men bedoelde dat de langharige en kleurig geklede jongeren die zich daar vreedzaam ophielden met harde hand verwijderd werden – was groot voorpaginanieuws en kon op de instemming van veel ouderen rekenen. Voor een groot deel van de jeugd ging de sympathie natuurlijk uit naar hun verdreven leeftijdsgenoten, die in de gewelddadige actie de zoveelste uiting zagen van wat er in hun ogen mis was in de wereld.

Het psychedelische tijdperk dat in verband gebracht wordt met de hippies beleefde haar hoogtepunt in de periode van het intieme popfestival van Monterey in 1967 – dat de Summer of Love inluidde – tot en met het uit zijn krachten gegroeide massale modderfestijn van Woodstock in 1969. Het beeld van bijeenkomsten met veelkleurig beschilderde bloemenkinderen groeide uit tot de iconische voorstelling van dat zogenaamde magisch decennium, hoewel de bloeiperiode van de flower-power voor zover Stef achteraf kon beoordelen slechts twee jaar duurde. In die tijd groeide de hippiebeweging uit van een Californische subcultuur tot een wereldwijd fenomeen – waarmee het tegelijk in de dodelijke omhelzing van de mainstream belandde. De Beatles brachten in 1967 met hun elpee Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band een toepasselijke ode aan dat caleidoscopische tijdsgewricht en verkondigden in de eerste internationale televisie-uitzending per satelliet met hun hit All You Need Is Love in datzelfde jaar wereldwijd de optimistische boodschap waarin iedereen op het hoogtepunt van de Koude Oorlog zo graag wilde geloven.

Dat was de periode waarin de kindertijd van Stef overging in de puberteit en hij zijn eerste vakantieliefde beleefde op een camping in Beverwijk, waar hij onwennig en hopeloos verliefd werd op een ingetogen Duits meisje. Zijn Frühlingserwachen viel samen met die internationale verspreiding van het hippiedom. Hij ging in 1968 naar de middelbare school en begon vol verwachting aan de fase van zijn leven waarin de opwindende beloftes van dat hippe tijdperk zouden worden ingelost. Van toeschouwer zou hij eindelijk deelnemer worden aan die opwindende cultus van jeugdige vrijheid die zoveel aanlokkelijke genoegens beloofde. In 1969 stond Neil Armstrong als eerste mens op de maan en alles leek mogelijk nu zelfs de sky niet meer de limit was.

Tot zijn spijt zou Stef zelf de Beatles nooit in het echt zien spelen. Onder de last van het eigen succes hadden de vier vrienden uit Liverpool zich afgezonderd van hun aanhang en na de hysterische jaren van Beatlemania de blik naar binnen gericht. Ze gingen op zoek naar zichzelf en zoals altijd ging de aandacht voor het individu ten koste van de gemeenschapszin. Voor de laatste maal zette het viertal de toon voor hun generatie en voordat de jeugdcultuur uiteenspatte in ontelbare subcultuurtjes gekenmerkt door muziekstromingen, levensbeschouwingen en lifestyles, produceerde de Fab Four met een huiveringwekkend gevoel voor timing in 1969 hun laatste album, dat de titel Abbey Road kreeg. Een grillige zwanenzang voordat de droom van liefde verdampte onder de druk van maar al te menselijke grote ego’s en kleinzielige ruzietjes.

Na de moord op John Lennon in december 1980 was een reünie van de groep uitgesloten en toen George Harrison in 2001 overleed aan kanker waren Stef ’s twee favoriete Beatles-componisten weggevallen. Met zijn gevoelige inborst en neiging tot introspectie voelde Stef zich het meeste aangetrokken tot Lennon’s cynische nasale stemgeluid en soms hoogstpersoonlijke teksten. Vijfenveertig jaar na het uiteenvallen van de band gaf Stef zichzelf een nostalgisch verjaardagscadeautje en kon hij een indrukwekkend concert bijwonen van de inmiddels 72-jarige Sir Paul McCartney waarbij veel van de legendarische hits – dankzij de mogelijkheden van de inmiddels gevorderde geluidstechniek – perfect uitgevoerd werden. Met de jaren begon hij ook meer waardering te krijgen voor de bindende rol die ‘Macca’ had gespeeld in het roemruchte kwartet.

Het laatste album van de Beatles was tevens de eerste langspeelplaat de Stef zelf in bezit kreeg, als geschenk voor Sinterklaas in 1969. Een ironisch teken aan de wand. Hij was eindelijk oud genoeg om daadwerkelijk toe te treden tot het Beloofde Land van de jeugdcultuur – dat wil zeggen om zich bewust te zijn van zijn kleding en haardracht, de muziek van zijn voorkeur, zijn seksualiteit en zich kortom af te scheiden van het domein van de ouders – toen de illusie van love & peace & happiness als een zeepbel uiteenspatte. Het einde van die maar al te korte droom van liefde en vrede en geluk viel samen met het uiteengaan van de Beatles en de weinig heroïsche dood van Janis Joplin, Jimi Hendrix en Jim Morrison, die binnen een tijdsbestek van tien maanden hun einde vonden op een zelfgebouwd altaar van vrijheid en hedonisme. Het beroemde zebrapad van Abbey Road waarover de Beatles ten grave werden gedragen en het graf van Morrison op Père Lachaise in Parijs groeiden zelfs uit tot ware bedevaartsoorden, waar hippe pelgrims bloemen legden en tranen en bourbon plengden op monumenten voor een verloren illusie. Zo ontstonden er nieuwe pelgrimsplaatsen gewijd aan de dode heiligen en rebelse opstandelingen van de jeugd van de Sixties, de martelaren van het hippiegeloof.

Stef beleefde nog een restje van de hippiedroom toen hij in 1971 als zestienjarige met zijn ouders de vakantie doorbracht op een ongerept Grieks eiland. Hij hing daar veel rond bij een internationaal groepje twintigers uit Zwitserland, Engeland en de Verenigde Staten, dat er was aangespoeld en op een afgelegen strandje bivakkeerde. Ze traden in de voetsporen van de oorspronkelijke hippies en waren de wegbereiders voor de latere stroom backpackers die zou uitzwermen over de wereld op zoek naar sex & drugs & rock ’n’ roll in het exotische decor van palmenstranden en Boeddhistische tempels. In hun nabijgelegen taverna maakten de Nederlandse refugee Marco en zijn Franse partner Jean-Paul maaltijden op maat voor ieder beschikbaar budget en boden onderdak aan bekende acteurs uit Nederland, die de afgelegen plek ook ontdekt hadden. Zon, zee, vrijheid en hormonen vormden een koppige mix en het inmiddels lauw geworden hippie-ideaal steeg Stef die warme zomer onder de gloeiende mediterrane zon flink naar het hoofd. Maar hoewel hij zichzelf meestal beschouwde als een kind van de zestiger jaren, viel zijn belangrijkste formatieve periode strikt genomen in de jaren zeventig. Welbeschouwd kon hij dus geen claim leggen op ‘hippie’ als geuzennaam en leverde hij in de vanwege haar kitscherigheid verfoeide seventies zelf een belangrijke bijdrage aan de mythevorming over de Sixties.

Stef en zijn leeftijdsgenoten moesten in de jaren zeventig genoegen nemen met de verschraalde en opgewarmde restjes die waren overgebleven van het grote feest van het voorafgaande decennium en met de nostalgische geurende wolk van wierook, marihuana en patchouli die nog een groot deel van zijn tienertijd bleef hangen rond de vele jongerencentra en popfestivals. Want de romantische illusie van de vrijheid en het ongebonden, zwervende bestaan bleek sterk genoeg om de somber makende werkelijkheid van een milieuvernietigend productie- en consumptiepatroon te verhullen met een rooskleurig beeld van onbekommerde levensvreugde en genotzucht. Het was geen sinecure om het kinderland van de zestiger jaren te verlaten en de uitdagingen en verantwoordelijkheden van de volwassen wereld het hoofd te moeten bieden. Stef bleef geloven in een rechtvaardigere en vreedzamere wereld, hoewel een dergelijk idealisme in het materialistische tijdperk dat volgde onvermijdelijk cynische trekjes kreeg. Dat verklaarde misschien waarom hij met een hoofd vol verheven ideeën over vrede en rechtvaardigheid ondertussen ook met een vuurwapen in zijn rugzak door Frankrijk liep. Nog altijd op zoek naar een droom en tegelijkertijd op de vlucht voor een slecht verteerbare realiteit.


De laatst etappe naar Cluny liep Stef op met Janusz, een jonge Seminarist uit Krakow in Polen. Hijzelf had de nacht daarvoor doorgebracht op het land van een vriendelijke boer bij het gehucht Saint-Martin-de-Croix, niet ver van Saint-Gengoux. De boer nam aan dat hij een gelovige pelgrim was, een echte Jacquet, en had hem van harte de belangrijkste godsdienstige bezienswaardigheden in de nabijheid aanbevolen. Daaronder bevond zich ook het kleine kapelletje voor de heilige waaraan zijn woonplaats haar naam te danken had. Maar hij had Stef nadrukkelijk geadviseerd toch vooral het Mariabeeld bij de Lourdesgrot op de heuvel boven het dorpje te bezoeken. Vanaf die Mont Saint-Roch zou hij tegelijkertijd een mooi uitzicht hebben op Saint-Gengoux.

Zodoende bevond Stef zich de volgende ochtend al vroeg op de heuvel die ook weer de naam van de beschermheilige van pelgrims droeg. Het witte Mariabeeld stond bovenop een kunstmatige rots waarin de suggestie van een grot was uitgehouwen. Hij zag daarin een verwijzing naar het lege graf van Christus en de wederopstanding, totdat hij zich realiseerde dat er sprake was van een symbolische kopie van de grot in Lourdes waar Maria verschenen zou zijn. Zoals aangekondigd had hij een mooi uitzicht op het plaatsje Saint-Gengoux-le-National, waar in het schelle ochtendlicht een opmerkelijk duo van witte torens uitstak boven het warme roodoranje van de omliggende dakbedekkingen. Een stevige Romaanse klokkentoren met een achthoekige spits stond pal naast een slank geval zonder vensters met slechts een uurwerk als versiering en een Barokke lantaarn op de top. Blijkbaar markeerde iedere toren de tijd op zijn eigen manier: de ene met het geluid van zijn klokken en de ander visueel met zijn horloge. Als twee vreemdelingen die elkaar de hand schudden waren ze hoog boven het dak van de kerk verbonden door een overdekte stenen loopbrug.

Terwijl hij zich afvroeg hoe het zat met die twee torens, kwam er vanaf de andere kant een jongeman met een stevige pas de heuvel opgelopen. Uit diens bepakking zag Stef al van verre dat het een medewandelaar moest zijn. Met een rood hoofd van de inspanning voegde de vreemdeling zich even later bij hem en zette zijn rugzak neer aan de voet van de namaakrots met het Mariabeeld. Hij wenste hem in het Frans – maar met een duidelijk accent dat Stef niet meteen kon plaatsen – een goede morgen, waarna hij snel met één been knielde voor de grot en met een geroutineerd gebaar een kruis sloeg. Vervolgens draaide hij zich om en bewonderde het uitzicht terwijl hij op adem stond te komen.

Stef had dit tafereel met enige verwondering gadegeslagen en realiseerde zich dat hij nu een echte devote pelgrim voor zich had. Na enige ogenblikken wendde de jongeman zich tot hem en merkte in enigszins haperend Frans op dat het een prachtige dag was om te lopen.

Est-ce que vous suivez le Chemin de Saint Jacques?”, informeerde hij met een overdreven duidelijke articulatie die een schoolse indruk maakte.

Toen Stef de vraag bevestigd beantwoordde, informeerde de jongeman waar hij vandaan kwam en ze raakten aan de praat over de weg die ze tot dusverre afgelegd hadden. De ander stelde zichzelf voor als Janusz Wieslawski en hij vertelde dat hij zijn wandeltocht in Vézelay was begonnen. Vanwege diens Poolse afkomst veronderstelde Stef dat het voor de ander misschien makkelijker was om Duits te praten en hij schakelde over op die taal terwijl hij zichzelf introduceerde. Met een opgelucht gezicht antwoordde de jongeman in het Duits dat hij weliswaar vond dat hij eigenlijk zijn Franse taalvaardigheid moest oefenen, maar dat hij het ook wel prettig vond om zich uit te drukken in een taal die hij beter beheerste. Zo kwam Stef te weten dat Janusz een andere weg had gevolgd dan hijzelf en een stukje noordelijker over de GR76 was gekomen. Die route liep vanaf Dijon naar Cluny, wat zijn volgende halteplaats was. De voorafgaande nacht had de jonge pelgrim als gast doorgebracht in de pastorie van Saint-Gengoux.

Stef vertelde dat hij hoopte Cluny die dag ook te bereiken, maar dat er voor hem niet veel van afhing en dat het net zo goed de volgende dag mocht zijn. Het lag voor de hand dat ze gezamenlijk hun weg zouden vervolgen, maar Stef gaf zichzelf met die mededeling bewust de ruimte om zijn eigen gang te gaan en desnoods niet de hele dag met de Pool opgescheept te zitten. Zoals gebruikelijk onder reizigers wisselden ze ervaringen uit en Stef deed verslag van zijn tocht door de Morvan en zijn bezoek aan Bibracte. Hij vroeg Janusz terloops of hij nog landgenoten was tegengekomen onderweg, denkend aan die duistere types van onduidelijke Oost-Europese afkomst waarmee zijn Vlaamse vriendinnen hadden kennisgemaakt.

Janusz vertelde dat hij theologie studeerde en priester wilde worden. Voor zijn studie deed hij onderzoek naar heiligenverering op het Franse platteland en hij probeerde op zijn tocht het nuttige met het aangename te combineren. Het ging hem niet alleen om de kerken en bedevaartplaatsen die hij zou bezoeken, maar ook om de verscheidenheid aan mensen waarmee hij onderweg in aanraking kwam. En nee, hij was geen landgenoten tegengekomen onderweg. Wel had hij gehoord van een paar Wit-Russen die het pelgrimspad naar het westen liepen, maar die had hij niet ontmoet. Die mededeling bood een aanknopingspunt en Stef vroeg of hij het niet opmerkelijk vond dat Russen de katholieke weg naar Compostella volgden, omdat die toch overwegend de orthodoxe variant van het Christendom aanhingen. Maar een dergelijke gedachte was niet in Janusz opgekomen. Hij leek het met onwrikbaar geloof vanzelfsprekend te vinden dat ook niet-katholieken zich aangetrokken voelden tot de wonderen van de Roomse traditie.

Dat kon wel zo zijn, dacht Stef bij zichzelf, maar in zijn ogen viel er wel een onderscheid te maken tussen westerse buitenkerkelijken op zoek naar spiritualiteit en Russische orthodoxen die er voor zover hij wist nogal conservatieve opvattingen op nahielden. Tussen Oost en West gaapte in dat opzicht nog altijd de kloof van het grote schisma van de elfde eeuw. Van de theologische verschillen wist hij niet zoveel, maar die zouden gezien de geschiedenis toch diepgaand en onoverbrugbaar kunnen zijn. En Wit-Rusland? Dat land had niet zo’n frisse reputatie. Hij kreeg het vermoeden dat deze zogenaamde Wit-Russen weleens dezelfde personen konden zijn als de ongure types die hij in Vézelay had ontmoet. En als dat zo was, wat betekende dat dan? Waarom zouden twee geheimzinnige Wit-Russen op zoek zijn naar een gewapende Duitssprekende vreemdeling die een dodelijke ziekte onder de leden had?

Stef stemde er vooralsnog mee in om gezamenlijk hun weg te vervolgen en het tweetal daalde af naar Saint-Gengoux om daar de GR76 in zuidelijke richting naar Cluny op te pakken. Janusz was een stevig gebouwde jongeman met een zachtmoedige manier van doen. Hij bekeek de wereld met een ernstige blik en ging niet alleen serieus in op alle vragen die hem gesteld werden, maar ook op de losse opmerkingen die zijn metgezel maakte onder het lopen. Dat maakte een enigszins geforceerde indruk op Stef. Het leek een beetje een pose. Alsof de ander zijn jeugdige onervarenheid probeerde te verhullen met een aangeleerd aura van zelfvertrouwen en wijsheid. Hij paste zo geenszins in het clichébeeld van een levenslustige katholieke monnik die zich de genoegens van God’s schepping goed liet smaken terwijl hij de betekenis ervan contempleerde. De jongeman had eigenlijk meer weg van een streng gelovige Gereformeerde met een kwetsbaar gevoel voor humor. Zijn wenkbrauwen leken in een permanente nadenkende frons te staan en ironie ontging hem volledig, zoals dat wel vaker het geval is bij gedreven gelovigen. Toen Stef hem vanwege zijn sportieve onderneming vergeleek met paus Johannes-Paulus II – de Poolse paus van wie bekend was dat hij in zijn jonge jaren actief verschillende sporten bedreef – ontstak de theologiestudent in een vlammend betoog over de belangwekkende prestaties van zijn landgenoot voor het aanzien van de kerk. Stef begreep dat de jongeman zoals veel van zijn landgenoten een verstokte katholiek was die het als zijn missie beschouwde om de reputatie van de kerk hoog te houden. Desondanks was hij een aangename en interessante reisgezel die veel wist te vertellen over de geschiedenis van het katholicisme en die zijn tocht beschouwde als een verrijkende aanvulling op zijn studie. Stef was blij met de afleiding die zijn gezelschap bood en de rijke bron van kennis over de kerkgeschiedenis waaraan hij zich kon laven.

Janusz informeerde of Stef wist dat Autun een oude bisschopsstad was waar in de vroege middeleeuwen een aantal belangrijke concilies hadden plaatsgevonden. Hij begon uit te weiden over de theologische kwesties die daar besproken waren en de regels waaraan priesters en monniken zich dienden te houden. Stef hoorde het beleefd aan, maar was meer geïnteresseerd in de heiligen die hun naam hadden achtergelaten in het Franse landschap. Hij informeerde naar enkele van de plaatsnamen die hij was gepasseerd. De ander vertelde dat veel heiligen als martelaren ter dood gebracht waren op bevel van Romeinse keizers. Die beschouwden hun gedrag in de begintijd van het Christendom – wat overeenkwam met de eerste paar eeuwen van het Romeinse Keizerrijk – vaak als onaangepast en gevaarlijk.

De Symphorinus uit Autun – er was blijkbaar nog een andere martelaar met de naam Symphorinus – had in de tweede helft van de tweede eeuw geweigerd om te knielen voor de heidense godin Cybele en verzette zich daarmee tegen de door de Romeinen voorgeschreven staatsgodsdienst. Voor zijn subversieve gedrag werd hij gestraft met de dood. Het katholieke canon kende voorts meer dan tien heiligen die luisterden naar de naam Eusebius, vertelde Janusz nadat hij een handzaam naslagwerkje dat hij bij zich droeg had geraadpleegd. Daaronder waren een aantal martelaren, maar ook enkele kluizenaars en vroege bisschoppen. Maar volgens de Pool betrof het in dit geval waarschijnlijk de martelaar van wie de botten in de negende eeuw naar Vienne waren overgebracht. Die stad lag niet ver van Lyon aan de Rhône, dus het was niet zo vreemd dat er in Bourgondië een plaats was vernoemd naar deze heilige. Deze Eusebius vond samen met enkele geloofsgenoten de martelaarsdood omdat ze weigerden eer te bewijzen aan keizer Commodus toen die zich op zijn verjaardag wilde laten vereren als de halfgod Hercules. Die weigering werd opgevat als hoogverraad.

Veel van de vroege christelijke martelaren vonden de dood omdat ze het vertikten om deel te nemen aan de keizerscultus die van hen verlangde dat ze de Romeinse keizer als godheid erkenden. Stef wist dat het christelijke monotheïsme in het vroege keizerrijk een nieuw en exotisch fenomeen was dat niet paste in de Romeinse traditie waarin men zich altijd gastvrij en tolerant had getoond jegens vreemde goden. Die werden net zo makkelijk opgenomen in het klassieke pantheon als nieuw veroverde gebieden door de Romeinen werden ingelijfd binnen de rijksgrenzen. Het was ook niet ongebruikelijk dat keizers vergoddelijkt werden, meestal na hun dood maar een enkele keer ook al tijdens hun leven. Aan die heidense traditie weigerden de christenen mee te doen omdat die strijdig was met de uitgangspunten van hun geloof. Daarmee plaatsten zij zichzelf buiten de bestaande orde en maakten ze zich kwetsbaar voor allerlei verdenkingen van staatsvijandigheid en verraad. Totdat Constantijn in het jaar 313 het licht zag en de nieuwe religie legaliseerde. Daarna groeide de aanhang snel en in 380 verhief Theodosius het Christendom tot staatsgodsdienst. Beide keizers kregen daarop in de door christenen gedomineerde geschiedschrijving als eerbetoon de kwalificatie ‘De Grote’ toegevoegd aan hun naam.

De ongelukkige Gengoux vormde een uitzondering en behoorde niet tot deze christelijke martelaren. Hij werd dan ook niet vermeld in het gidsje. Janusz had naar hem geïnformeerd bij de pastoor die hem de vorige nacht onderdak had geboden en was te weten gekomen dat deze heilige in verschillende taalgebieden ook wel bekend stond als Gengoult, Gangolf of Gingolph. Hij was blijkbaar een trouwe vazal geweest van de vader van Karel de Grote en werd heel banaal vermoord door de minnaar van zijn vrouw. Maar in de christelijke overlevering werd hij opgetuigd met bewonderenswaardige eigenschappen en opmerkelijke wonderen, zo vernam Stef. Hij vermoedde dat de belevenissen van deze ridder een voorbeeld van christelijke deugden als rechtvaardigheid en vergevingsgezindheid moesten voorhouden aan de roofzuchtige en gewelddadige Franken van die dagen. Bij de wonderen die Gengoux omgaven stond trouwens ook een waterbron centraal. Daar dook het oeroude, heidense motief van waterbronnen met magische eigenschappen weer op. In het verhaal van Gengoux was het waterwonder net als op Beuvray overgeleverd in een christelijke verpakking, waarin de doop gold als rituele initiatie. Stef vond dat ironisch: uitheemse goden versmolten met Romeinse goden, die werden verdrongen door de intolerante christelijke god en zijn zoon, wiens aanhangers niet te beroerd waren om gebruik te maken van de Romeinse traditie om heidense rituelen te adopteren onder een nieuwe naam. Hij hield deze gedachte maar voor zich om de gevoelens van zijn bevlogen jonge reisgezel niet te kwetsen.

“Ik moest gisteren denken aan de overeenkomsten tussen christelijke martelaren en de gevallen rocksterren van mijn jeugd in de zestiger jaren. In zekere zin vonden zij ook de dood voor een nieuw geloof dat liefde en vrede predikte”, opperde Stef onbevangen. Janusz keek hem niet-begrijpend en verbaasd aan. “Ik bedoel dat de hippies in die jaren – net als die vroege christenen – ook vervuld waren van een heilig geloof in een betere wereld en dat een aantal van hun voorbeelden en wegbereiders de dood vond voor een nieuwe manier van leven. Je zou ze kunnen zien als martelaren die hun leven opofferden voor het geloof in naastenliefde en een levensstijl die zich verzette tegen het materialisme van de samenleving.”

Janusz moest dit gezichtspunt zichtbaar even verwerken en vervolgde diplomatiek: “U spreekt over een tijd die ver voor mijn geboorte ligt. Ik weet daar niet zoveel van, maar ik meen me te herinneren dat veel van die hippies zijn overleden aan de gevolgen van drugsmisbruik? Dat laat zich in mijn ogen toch moeilijk vergelijken met de opoffering van de heilige martelaren.”

“Ik begrijp dat wat ik zeg in jouw ogen opmerkelijk of zelfs blasfemisch kan zijn, en de vergelijking gaat ongetwijfeld op veel punten mank, maar los van de theologie zie ik in sociaal en psychologisch opzicht wel overeenkomsten”, nuanceerde Stef. “De jeugd in de zestiger jaren was vol van hoop op vooruitgang en verandering ten goede en hun helden vertolkten dat gevoel. Ik bedoel maar, de begrippen hoop en naastenliefde zijn toch niet vreemd aan het christelijke geloof?”

“Hm”, antwoordde de aankomende priester enigszins geprikkeld, “maar het lijkt me toch dat de martelaren hun leven gaven voor een principe – hun christelijke ideaal – en de dood vonden door het toedoen van heidenen, soms vertegenwoordigers van het rijk dat ook verantwoordelijk was voor de dood van onze Heiland, Jezus Christus. Daarentegen lieten de hippies die u noemt het leven door hun eigen bandeloosheid en gebrek aan zelfbeheersing. Dat lijkt me nogal een groot verschil.”

“Ik denk dat zich ook onder de vroege christenen wel aanhangers bevonden die zichzelf niet in de hand hadden”, wierp Stef tegen. “Voor zover ik weet was er zelfs een periode dat veel gelovigen actief het martelaarschap zochten in de veronderstelling dat ze zo sneller een plaats naast Christus in het Hiernamaals zouden verwerven.” Dat was een opmerkelijk fenomeen dat Stef kende uit de geschiedenisboeken en dat volgens hem verdacht veel overeenkomsten vertoonde met de drijfveren van de gevreesde islamitische zelfmoordterroristen van zijn eigen tijd. “Begrijp me goed, ik wil je geloof niet aanvallen, maar in veel opzichten – een ongelovige zou zelfs kunnen zeggen in alle opzichten – is de kerk het resultaat van mensenwerk. Ik ben geïnteresseerd in patronen die me iets kunnen leren over het gedrag van mensen”, legde hij uit. ”En dan zie ik wel overeenkomsten tussen de bevlogen aanhangers van het vroege Christendom en de idealistische jongeren van mijn jeugd. Dat drugsgebruik kun je ook opvatten als een soort sacrament van de nieuwe religie van de zestiger jaren, als je die terminologie zou willen gebruiken. Het gebruik van stimulerende middelen om spirituele ervaringen op te roepen komt toch wel vaker voor bij religies? Zulke middelen worden nu misschien wel verworpen door de kerk, maar extatische visioenen van christelijke mystici zijn toch niet onbekend?” Stef was ooit betrokken geweest bij de productie van een theatervoorstelling op basis van teksten van de Vlaamse middeleeuwse dichteres en mystica Hadewijch, die haar extatische visioenen van eenwording met Christus in onverbloemde erotische termen beschreef. Hij meende zich uit de kunstgeschiedenis ook afbeeldingen van een Sint Hiëronymus te herinneren die in visioenen werd opgeroepen zich volledig aan zijn geloof te wijden. “Voor zover ik weet maakten fanatieke gelovigen en mystici soms gebruik van zelfkastijding om hun geloof te uiten”, vervolgde hij. “De natuurlijke endorfinen die dat produceerde in het lichaam hadden misschien wel een zelfde soort uitwerking als de verdovende middelen die de jeugd in de zestiger jaren gebruikte. En er zijn volgens mij genoeg voorbeelden van ascetische heremieten die de woestijn introkken om God te vinden in afzondering en stilte. Dat doet mij allemaal erg denken aan de hippies die zich afkeerden van de samenleving en in de stilte van de natuur of verafgelegen Boeddhistische kloosters en al dan niet onder invloed van drugs probeerden dichter bij het goddelijke te komen”, hield Stef vol.

“Praktijken zoals u noemt worden tegenwoordig ten zeerste afgekeurd door de kerk en het actief zoeken naar de martelaarsdood is volgens mij al in de Romeinse tijd verboden”, reageerde Janusz stijfjes. “Ik moet u zeggen dat ik uw denkbeelden nogal… eh… ongebruikelijk vindt voor een gelovige. Ik dacht dat u een christelijke pelgrim was?” Inwendig moest Stef een lach onderdrukken toen Janusz exact dezelfde vraag stelde als Jacques een paar dagen eerder.

Stef had er weinig behoefte aan om de stemming te bederven door een theologische discussie aan te gaan met de gedreven priester-in-spe en besloot zijn uitgesproken atheïstische levensvisie maar voor zich te houden. De overeenkomsten die hij dacht te zien tussen de oude en nieuwe martelaren vielen duidelijk niet in goede aarde. Misschien was de wijze waarop hij dacht over deze kwestie te abstract voor een gelovige. Of misschien waren de parallellen gewoon wel te ver gezocht. “Neem me niet kwalijk als ik je gevoelens kwets met mijn vragen, maar ik heb nu eenmaal een onderzoekende geest. Mijn tocht door het leven wordt misschien wel bepaald door de vragen die ik heb en de antwoorden die ik zoek. En de kerk is er volgens mij om antwoorden te geven op de levensvragen van mensen. Ik denk dat de mensen tegenwoordig andere vragen hebben of andere antwoorden verwachten dan vroeger. Maar je hebt gelijk, ik ben soms erg kritisch, laat je daardoor niet van de wijs brengen. Je zult daar in je loopbaan als priester nog wel vaker mee te maken krijgen.”

Ze liepen enige tijd stilzwijgend verder. Het gerimpelde landschap bood zicht op akkers, bosjes en weilanden met her en der een groepje van die witte koeien die hier blijkbaar zo goed gedijden. Het was een zonnige dag en plukjes witte wolken sierden de heldere blauwe lucht. Ergens in de verte hing een rode stofwolk die boerenbedrijvigheid op het droge land verraadde. Na enige tijd pakte Stef de draad van het gesprek weer op: “Ik kan me nogal opwinden over de oppervlakkige clichés van de zestiger jaren die het populaire beeld tegenwoordig lijken te bepalen. Dat het een tijdperk was van alleen maar hedonistische vrijheid-blijheid met feestende jonge mensen die zich onder invloed van onschuldige psychedelische drugs overgaven aan vrije liefde en seks. Vooral dat beeld van vrolijke vrijheid wordt nogal gekoesterd door de commercie. Het leven als één groot feest – wie wil dat niet?” Stef ergerde zich dood aan dit fenomeen en vatte die eendimensionale beeldvorming nogal persoonlijk op. Het voelde bijna als een aanranding van zijn jeugdige idealen en de strijd die er soms mee gepaard ging. “Reclameboodschappen drijven natuurlijk op positieve gevoelens die geassocieerd worden met de producten die men probeert te slijten. Wat dat betreft vormen beelden van vrolijk dansende jongeren die zijn uitgedost in kleurige kleding een haast niet te missen icoon voor een opgewekte, zorgeloze levensstijl. Vooral als daar een aansprekende muzikale omlijsting bij geplaatst kan worden – en die mogelijkheid is dankzij de creatieve explosie van de popmuziek in die jaren ruimschoots voor handen. In veel opzichten zijn de sporen van de zestiger jaren nog overal om ons heen waar te nemen – een beetje zoals de Romeinse ruïnes in het Franse landschap. Maar misschien is dat alleen goed zichtbaar voor de generatie die zich herinnert hoe kleurloos, sober en geordend het leven vòòr die tijd was. In de zestiger jaren waren we getuige van een Cambrische explosie van culturele inventiviteit. Niet alleen in de ethische opvattingen over natuur, vrijheid, vrede en gelijkheid, maar regelmatig worden succesvolle liedjes, strips, televisieseries en films uit die tijd van de plank gehaald en afgestoft om in een nieuwe digitale verpakking gepresenteerd te worden: remixen van oude platen, fragmenten van hitjes die opduiken in knip-en-plak dansmuziek, driedimensionale CGI-versies van Donald Duck en Asterix, Hollywood remakes van succesvolle televisieseries als de Thunderbirds en Batman en ga zo maar door. Misschien zal het jou allemaal niet bekend voorkomen, maar op mij maakt het de indruk dat ons huidige tijdsgewricht toch lijdt aan een vorm van creatieve bloedarmoede. In ieder geval ten opzichte van de eruptie van culturele vernieuwingen in mijn jeugdjaren. Bijkomend voordeel voor de commercie is ook nog dat die sixties-nostalgie een hele generatie kapitaalkrachtige ouderen van mijn leeftijd enorm aanspreekt. Het is één groot feest van herkenning. En mijn generatie, die ze tegenwoordig spottend Boomers noemen, kijkt over het algemeen toch al vol nostalgie terug op haar jeugd, wat ons natuurlijk extra vatbaar maakt voor de beelden en geluiden die geassocieerd worden met die tijd.”

“Ik heb me nooit gerealiseerd dat de reclame vaak teruggrijpt op beelden over die jaren. Maar ik moet zeggen dat ik er ook nooit zo op gelet heb”, merkte Janusz enigszins bedrukt op. “Misschien is dat in Polen anders? En wat klopt er dan eigenlijk niet aan dat beeld?”

“Natuurlijk was het een geweldige tijd om in op te groeien. Er gebeurden onnoemelijk veel opwindende dingen voor jonge mensen en door de opkomst van de draagbare transistorradio en de televisie bleef je op de hoogte van wat je leeftijdsgenoten elders dachten en deden. Door de aanhoudende aandacht die de nieuwe massamedia schonken aan de jongerencultuur kreeg je echt het gevoel deel uit te maken van een wereldwijde beweging. Generatie leek belangrijker dan afkomst of geografie. Dat voelde totaal nieuw en er ging een enorme kracht vanuit. Maar er was natuurlijk ook de nodige kommer en kwel. Het was niet alleen maar feest de hele tijd. Er werd ook geleden door de jonge generatie. Juist omdat er zoveel nieuwe ideeën en opvattingen waren over hoe de samenleving zou moeten functioneren en hoe mensen met elkaar om zouden kunnen gaan viel het contrast met het oude erg op en dat gaf aanleiding tot conflicten, groot en klein. In de huiselijke kring waren er confrontaties met het ouderlijk gezag omdat opvoeders zich uit angst voor het onbekende verzetten tegen de vrijheid die de kinderen voor zichzelf opeisten.” Stef herinnerde zich goed de doorlopende conflicten met vooral zijn vader over zijn uiterlijk, de lengte van zijn haar, zijn kleurige maar versleten kleding en natuurlijk zijn muzikale voorkeur – alsof het dààr allemaal om draaide in het leven, de banale uiterlijkheden. “De oudere generatie had de wereldoorlog meegemaakt en de inspanningen van de wederopbouw begonnen juist hun vruchten af te werpen in de vorm van meer welvaart, meer bestaanszekerheid en de kans om maatschappelijk vooruit te komen. Men had er in mijn omgeving over het algemeen totaal geen begrip voor dat de jeugd dat allemaal op het spel wilde zetten door zich af te keren van de zekerheden van het brave burgerbestaan. Ouders projecteerden de angsten van hun eigen jeugd op hun kinderen en waren doodsbang dat hun nageslacht tot armoede en ellende zou vervallen door onafgemaakte opleidingen, ongewenste zwangerschappen of een desastreuze drugsverslaving. Vooral ouders uit de lagere klassen, die dankzij de nieuwe welvaart de kans kregen om vooruit te komen en te klimmen op de sociale ladder, waren bevreesd dat hun kinderen zouden terugvallen in de ellende die hun eigen jeugd had getekend tijdens de crisis van de dertiger jaren en de oorlog die daarop volgde. De dreiging die uitging van de Koude Oorlog benadrukte het gevoel dat vrede en welvaart kwetsbare verworvenheden waren. In hun machteloosheid probeerden zij hun kinderen kort te houden door alles van de nieuwe jeugdcultuur af te wijzen en te verbieden, wat natuurlijk een averechts effect had.” Dat waren voor Stef weliswaar allemaal inzichten achteraf, maar het bood hem wel een verklaring voor de opstelling van zijn eigen ouders in die tijd. De voortdurende afwijzing en het volslagen onbegrip hadden hem lange tijd vervreemd van zijn vader en moeder.

“Ik vind het nogal wrang dat ouderen de hele Seksuele Revolutie – die mogelijk was door de komst van de anticonceptiepil – met schrik en afkeuring aanzagen, terwijl hun kinderen ter wereld kwamen tijdens de geboortegolf die voor een deel het resultaat was van hun eigen ongeplande zwangerschappen. Die waren mede het gevolg van het taboe op geboortebeperking en de beperkte beschikbaarheid van voorbehoedsmiddelen, terwijl ze tegelijkertijd hun huwelijken moesten uitstellen vanwege de naoorlogse woningnood. Veel stellen van de generatie van mijn ouders konden niet trouwen omdat er geen woningen beschikbaar waren, maar de seksuele lust liet zich daardoor natuurlijk niet beteugelen. Het middel dat hun kinderen kon bevrijden van de angst voor de ongewenste zwangerschappen die hun eigen levens soms zo sterk bepaald hadden, beschouwden ze vaak als een enorme bedreiging. Waarvan? Met hun onnavolgbare logica zagen ze in de pil of condooms vooral een aansporing tot seks vòòr het huwelijk, waarbij ze alleen maar konden denken aan de soms met schande overladen buitenechtelijke zwangerschappen van hun eigen generatie. Oh beste Janusz, neem me niet kwalijk, maar ik denk dat de kerk met haar seksuele moraal hierin nog altijd behoorlijk wereldvreemd is. Zeker gezien de reputatie van haar eigen vertegenwoordigers op dat terrein.”

De Pool keek hem ongemakkelijk aan bij deze verwijzing naar het grootscheepse seksuele misbruik van minderjarigen binnen de Katholieke Kerk dat alweer bijna twee decennia eerder aan het licht gekomen was en de gemoederen nog altijd kon verhitten. “Jaja, ik begrijp dat gelovigen het moeilijk hebben met de vreselijke gebeurtenissen die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen”, zei Janusz met een dun stemmetje. “De kerk heeft een zware verplichting om dat vertrouwen te herstellen. Maar het bevestigt dat de mens zwak is en niemand zonder zonden, ook priesters niet”, formuleerde hij zwaarwichtig.

Dat klonk nogal obligaat en nietszeggend, vond Stef, maar hij realiseerde zich dat de kerk ook weinig anders kon doen dan het boetekleed aantrekken en pogen het leven te beteren. Hij ging er verder niet op in en vervolgde zijn betoog over de zestiger jaren: “En buìten de huiselijke kring werd er in die tijd op straat gestreden voor werkelijke sociale en maatschappelijke veranderingen. Daarbij ging het soms hard tegen hard omdat er grote politieke belangen in het geding waren. De gevestigde orde gaf zich niet zomaar gewonnen. En het waren niet alleen jongeren die verandering wilden. Arbeiders verbonden zich met studenten en gingen de straat op voor meer democratische rechten en vrouwen verzetten zich tegen onderdrukking en vooroordelen. In de Verenigde Staten vochten zwarten voor gelijke burgerrechten en in de derde wereld kwamen koloniën in opstand. Dat ging allemaal gepaard met bloed, zweet en tranen en er vielen soms talloze dodelijke slachtoffers. En dat alles tegen de achtergrond van een Koude Oorlog die bij tijd en wijle helemaal niet zo koud was maar juist gloeiend heet, zoals in Vietnam, waar jonge Amerikaanse babyboomers hun bloed verspilden in een hopeloze jungleoorlog. Nee, het was heus niet alleen maar een zorgeloos psychedelisch feestje in die tijd, er waren juist overweldigend veel redenen om te verlangen naar naastenliefde en vrede.”

“Ja, ik denk ook dat in mijn land de aandacht van de kerk meer uit ging naar de strijd van de onderdrukten”, haakte Janusz in, waarschijnlijk opgelucht dat de hete aardappel van het kindermisbruik binnen de kerk aan hem voorbij gegaan was. “Het gedrag van de westerse jongeren zal door de officiële instanties bij ons wel afgeschilderd zijn als uitwassen van het decadente kapitalistische systeem. Hoewel de jongeren aan onze kant van het IJzeren Gordijn natuurlijk ook droomden van meer vrijheid. Maar bij ons hadden ze wel andere zorgen, denk ik zo. Mijn ouders en grootouders hadden te maken met een Russische bezetting en een zwaar repressieve communistische regering. In Polen stond de kerk juist aan de kant van de oppositie. Voor zover die werd toegelaten tenminste. Paus Johannes-Paulus II steunde in 1980 Lech Walesza en zijn vakbond Solidarnosc.”

“Mmmm. Ja, daar had ik niet zo bij stilgestaan”, moest Stef toegeven. “Maar inderdaad hadden wij op school ook een sociaal bewogen dominee die in Latijns-Amerika betrokken was geweest bij de oppositie tegen de dictatuur daar.”

“Ja, en Pax Christi zette zich toen ook al in voor mensenrechten en vrede”, voegde Janusz gretig toe.

“Die naam heb ik lang niet meer gehoord. Was dat eigenlijk een katholieke beweging?”

“Jazeker. Die was na de Tweede Wereldoorlog opgezet om de toenadering tussen Frankrijk en Duitsland te bevorderen door middel van het geloof. In de jaren zestig vonden ze ook aansluiting bij de vredesbeweging. De kerk was in die tijd niet zo wereldvreemd als u schijnt te denken. Men begreep wel dat de tijden veranderden en er werd gezocht naar wegen om de aansluiting niet te missen. Paus Johannes XXIII had het Tweede Vaticaans Concilie bijeen geroepen omdat hij de noodzaak zag van een aggiornamento, een modernisering van de kerk.” Janusz bevond zich met zijn kennis over de recente kerkgeschiedenis blijkbaar op bekend terrein, want zijn stem klonk weer wat overtuigder en zekerder.

“Oh ja, toen is de Latijnse Mis afgeschaft, nietwaar?” meende Stef.

“Nou, het Latijn werd niet echt afgeschaft, maar om de afstand tot de gelovigen te verkleinen werd de volkstaal voortaan toegelaten bij de Mis. Ook kregen de bisschoppen meer lokale invloed, evenals de leken. En er kwam meer tolerantie jegens andere geloofsrichtingen waardoor een dialoog mogelijk werd met protestanten en joden.”

“Jaja, ik herinner me dat bij ons de zogenaamde beatmis werd ingevoerd: popmuziek in de kerk in een poging om jongeren aan te trekken.” Stef herinnerde zich dat zijn zusje soms op zondag met hun katholieke buurmeisje naar dergelijke bijeenkomsten ging. Het was de basis geweest voor de zogenaamde relipop, ook al een product van de sixties. Onder leiding van hippe en langharige zogenaamde hulppriesters probeerde men met de inzet van popgroepen de jongeren binnen de kerk te houden. Jezus werd als vanouds ook geportretteerd als een langharige opstandeling tegen de gevestigde orde, dus het leek niet zo vergezocht om hem af te schilderen als een soort proto-hippie. Het was opmerkelijk om te constateren dat de Rooms-Katholieke Kerk de jeugd desondanks van zich vervreemdde door haar rigide opvattingen over anticonceptie en huwelijksmoraal en dat er tegelijkertijd fundamentalistische christelijke jongeren waren – in de tijd door Stef en zijn vrienden steevast aangeduid als Jezus Freaks – die de uiterlijke kenmerken van de hippies combineerden met de strenge seksuele moraal van het geloof. Dat was in ieder geval een voorbeeld waarbij hippiedom en Christendom elkaar wèl hadden gevonden.

“Helaas maakte de oliecrisis een einde aan de economische hoogconjunctuur die de vooruitgang en het optimisme van de zestiger jaren had gevoed”, ging hij verder. “En er was de menselijke zwakheid waardoor de tegencultuur en haar verworvenheden al snel verloederden. Vrijheid vereist zelfbeheersing, een eigenschap die bij jongeren nogal eens te wensen over laat. En inderdaad, velen raakten ontworteld en gingen ten onder aan drugsmisbruik.”

Door het wegvallen van veel oude normen ontstond een vacuüm waarin veel jongeren op drift raakten, zo verklaarde Stef het verval dat rond 1970 was ingetreden. Op zoek naar spirituele verlichting of banaal avontuur, of gewoon op de vlucht voor de rigide burgerlijke opvattingen van hun ouders trokken ze in oostelijke richting, naar Afghanistan, India of Nepal. Of juist naar het westen in het aloude spoor dat ook de beatniks en hipsters naar het beloofde land – en het aangename klimaat – rond de baai van San Francisco had gebracht. Daar werd de wijk Haight-Ashbury een afvoerputje waarin het ronddrijvende wrakhout van de nieuwe Amerikaanse Droom zich verzamelde. Hologig en berooid zagen ze hun psychedelische droom daar vaak transformeren tot de tandeloze en haveloze nachtmerrie van verslaving aan alcohol, speed of heroïne. Stef verbleef aan het einde van de tachtiger jaren tijdens zijn rondreis door de Verenigde Staten een paar weken in de hippiewijk van San Francisco en had de verloedering – en de commerciële corrumpering – met eigen ogen aanschouwd. Ook als tiener was hij zich al vaag bewust geweest van de keerzijde van zijn romantische hippiedroom. Toen hij vijftien of zestien was had hij zelfs onbeholpen teksten voor een rockopera geschreven waarin hij fantaseerde over een jongen die van huis wegliep om het hippiespoor te volgen, maar daarbij afgleed naar de zelfkant en onder invloed van drugs op de vlucht voor de politie een tragisch einde vond. Dat was weliswaar een verhaallijn die bol stond van de dramatische clichés, maar het bood wel een inkijkje in Stef’s puberale belevingswereld.

“Maar al met al ben ik blij dat ik in die tijd ben opgegroeid. Ik heb ervan geleerd dat, gegeven de juiste omstandigheden, de mens in staat is tot grote saamhorigheid en verbondenheid. Als de basisbehoeften van de mens maar gegarandeerd zijn, dan ben je al halverwege een veel vriendelijkere samenleving. Dat is een belangrijke les die ik heb overgehouden aan die tijd.”

Stef had vaak nagedacht over de erfenis van de zestiger jaren en vatte zijn conclusie samen: “Verder denk ik dat de bevochten vrijheid zowel goede als slechte gevolgen heeft gehad. Er kwam meer ruimte voor individuele ontplooiing, dat is zeker waar. Maar daarmee verdween veel saamhorigheidsgevoel en solidariteit en ontstond er tegelijkertijd meer competitie, ook omdat met de economische achteruitgang na de oliecrisis van 1973 de mogelijkheden beperkter werden. Dat pakte voor sommigen beter uit dan voor anderen. Mensen die goed voor zichzelf konden opkomen slaagden er waarschijnlijk beter in om de kansen en mogelijkheden die de vrijheid hen bood te benutten dan anderen die misschien minder assertief waren. Dat is nu eenmaal de natuur der dingen. Mensen zijn verschillend, ook in hun vermogen om zich te meten met anderen. Sommigen gedijen nu eenmaal beter in de luwte van gelijkgestemdheid, terwijl anderen beter in staat zijn om zich staande te houden of hun kansen te grijpen in een hardere, meer competitieve samenleving. Zo kent ieder tijdperk zijn winnaars en verliezers. Dankzij de zestiger jaren is de positie van vrouwen, homo’s en minderheden in veel opzichten verbeterd, maar de vrijheid heeft op politiek en economisch terrein ook het neoliberalisme voortgebracht. Dat is in mijn ogen een verwerpelijke ideologie die de wereld zo’n beetje beschouwt als het exclusieve speelterrein van mondige, zelfbewuste en zelfstandige burgers. Helaas valt volgens mij maar een klein percentage van de mensheid in die categorie en zijn velen niet bij machte om het onderscheid tussen assertiviteit en domme botheid te zien. Niet iedereen heeft dezelfde aanleg en niet iedereen heeft in zijn leven dezelfde voorbereiding gekregen voor deelname aan de strijd om het bestaan. Je moet het in het leven maar zien te rooien met de kaarten die je zijn toebedeeld.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.