1 | Een onverwachte onderbreking

In de buurt van Joux-la-Ville brak die ochtend de zon eindelijk door. Dat was bijzonder toepasselijk want kort daarvoor was hij de A6, de Autoroute du Soleil, gepasseerd over een viaductje. Een symbolische grens misschien? De snelweg vormde een haastige dissonant in het gemoedelijke Franse landschap, dat met zijn schilderachtige dorpjes, vervallen kastelen en historische kerkjes soms op één groot openluchtmuseum leek. Dit was niet het Frankrijk van elegante vrouwen, haute couture en nouvelle cuisine, maar het land van plompe boerenvrouwen die landbouwtractoren bestuurden alsof het boodschappenwagentjes waren en hun man en kinderen rijke vette maaltijden voorzetten. Afgezien van een enkele afrit om de zoveel kilometer kon je denken dat er geen contact bestond tussen die twee werelden, het vluchtige domein van stad en snelweg en dat van het vertraagde platteland. Ze leken in verschillende tijdzones ieder hun eigen tempo aan te houden. En dat deden ze misschien ook wel, want de scheiding van stad en land loopt door alle samenlevingen. Ze staat voor een diepe kloof tussen twee totaal verschillende leefwijzen. Als je erover nadacht dan kon je de sociale en culturele tegenstellingen van stedelijke rusteloosheid en vitaliteit tegenover de landelijke hang naar regelmaat en traditie aanwijzen als bron van veel politieke spanningen – niet alleen in de ontwikkelingslanden van Azië en Afrika, maar ook – of misschien wel juist – in Europa en de Verenigde Staten. Het was misschien geen spectaculaire observatie, maar je verhouding tot de natuur, zowel mentaal als fysiek, leek in hoge mate bepalend voor je blik op de wereld. Dat verschil in wereldbeeld werd in deze tijd vooral aangewakkerd door onderliggende economische factoren zoals ongelijkheid in opleidingsniveau, gemiddeld inkomen en welvaart. Om in Frankrijk als door een tijdpoort van de ene naar de andere wereld te gaan moest je tolpoortjes passeren, alsof je entreegeld betaalde om toegang te krijgen tot dat lappendeken van rust en stilte.

Achter het bos dat aan de horizon verscheen lag Vézelay, het stadje waar de Via Lemovicensis begon – de oude pelgrimsroute naar Santiago de Compostella in Spanje die door de Limousin voert. Met het verschijnen van de zon was het alsof de Hand van God het neerdrukkende wolkendek dat de afgelopen dagen de wereld had overschaduwd in één verwelkomend gebaar wegveegde, als de condens op een beslagen ruit, en de wereld zich in zijn volle glorie aan de eenzaam voortzwoegende pelgrim openbaarde.

Stef Lichtveld liep op een landweg tussen velden met bloeiend koolzaad en jonge maïsplanten. Hij had zijn lichtblauwe baret voor de eerste keer sinds dagen afgedaan en de milde zon scheen ongehinderd op zijn kalende kruin. Voorovergebogen onder het gewicht van de bepakking op zijn rug stapte hij met zijn lange postuur vastberaden de kilometers weg. Normaal gesproken hield hij zijn lichaam fier rechtop en keek hij de wereld recht in de ogen met de rusteloze en onbevangen blik van een ontdekkingsreiziger op onbekend terrein, bewust van het gevaar dat zich ieder moment kon manifesteren en gevoelig voor de schoonheid van het nieuwe. Zijn gestalte was slank en niet bijzonder gespierd en hij had een vlezig, expressief gezicht dat zijn gevoelens meestal niet verhulde. Tussen zijn enigszins bolle wangen verhulden zijn vormloze lippen een ongedisciplineerd gebit dat zich desondanks graag blootgaf in een soms nerveuze en vaak ironische lach. Een onzekere trek om zijn mond gaf hem een kwetsbaar uiterlijk, maar die indruk werd weersproken door zijn lichaamshouding en de stoere bakkebaarden die een zekere woeste ongetemdheid suggereerden. Kortom, zijn uiterlijk weerspiegelde alle complexe tegenstrijdigheden van zijn karakter.

De landelijke stilte werd verstoord door de klagende kreet van een roofvogel in de lucht. Hij keek omhoog en zag een tweetal buizerds met uitgestrekte vleugels rondjes draaien op de thermiek. Ongetwijfeld speurend naar hun middagmaal, hoewel het er meer op leek dat ze elkaar uit pure zomerse speelsheid stoeiend achterna zaten in de opstijgende warme lucht. In het westen tufte een landbouwtractor gemoedelijk over het land en Stef voelde zich opperbest. Het eerste deel van zijn grote voetreis liep bijna ten einde. Hij was een maand geleden vertrokken uit zijn woonplaats in Nederland en vandaag zou hij de eerste aanzienlijke bedevaartplaats in Frankrijk bereiken. Vanaf Vézelay begon een nieuwe fase van zijn voettocht en zou hij vaker echte pelgrims op weg naar het zuiden ontmoeten, de zogenaamde Jacquets of Caminards. Een vooruitzicht dat gemengde gevoelens opriep.

Hij zag zichzelf namelijk niet als een echte pelgrim omdat de schrijn van Jacobus in Compostella niet zijn uiteindelijke reisdoel was. De massale bedevaart van middelbare trekkers naar Noord-Spanje boezemde hem bijna evenveel afkeer in als het massatoerisme aan de Costa del Sol. Zoals altijd bleef hij een vreemde eend in de bijt, zo iemand die zich niet op zijn gemak voelde in het onrustige gezelschap van anderen. De onoverzichtelijke entropie van een verzameling mensen overweldigde altijd zijn gevoelige zenuwen. Hij was een eenling die de gebaande paden liever meed. Waar zijn reis dan wel zou eindigen wist Stef nog niet, maar hij had een sterk verlangen naar de zee, met een weids uitzicht over steeds veranderende woeste luchten en het rustgevende geruis van de eeuwige branding. Wat hem betreft kon dat evengoed de Catalaanse kust aan de Middellandse Zee zijn als de Golf van Biskaje of de kust van Galicië in Noord-Spanje. Of desnoods de Portugese Algarve, ver weg in het uiterste zuidwesten van Europa. Maar zover was het nog lang niet en hij zou wel zien waar het lot hem zou voeren. Hij had zich voorgenomen om in alle vrijheid de grillige windrichtingen van zijn impulsen te volgen. Wat het ontbreken van een vastgesteld reisdoel betrof beschouwde hij zichzelf niet zonder ironie eerder als een oude hippie dan als een moderne pelgrim. Met beiden had hij gemeen dat het onderscheid tussen een vlucht voor oude verplichtingen en een zoektocht naar nieuwe inzichten niet altijd even duidelijk was. En wellicht gingen vlucht en zoektocht altijd wel hand in hand, onlosmakelijk verbonden als Yin en Yang.

Hij werd in ieder geval niet gedreven door een vaag spiritueel verlangen of een religieuze behoefte, of zelfs maar een zucht naar zelfinzicht. Als je hem op de man af zou vragen wat hem dan wel bewoog, dan zou hij antwoorden dat het eerder een onbestemde drift naar vrijheid en avontuur was, gekoppeld aan een nostalgisch getinte historische belangstelling, die hem motiveerde op zijn trektocht. In dat opzicht vond hij de ervaring van het reizen zelf belangrijker dan het bereiken van een vooropgesteld eindpunt.

Zijn historische nieuwsgierigheid ging daarbij eerder uit naar de heidense Romeinen dan naar de christelijke Middeleeuwen en hij had zich dan ook voorgenomen om na Vézelay niet de gebruikelijke pelgrimsroute naar Limoges in het zuidwesten te volgen, maar bijna pal zuidwaarts af te koersen op de Mont Beuvray aan de rand van het nationale park van de Morvan. Daar wilde hij de restanten van het oppidum van Bibracte bezoeken. ‘Oppidum’ was de Latijnse benaming voor een Keltische vestingstad op een berg of heuvel en Bibracte was de plaats waar Julius Caesar in het jaar 51 vòòr de christelijke jaartelling zijn propagandistische verslag over de onderwerping van Gallië schreef. De generaal wilde met die opgepoetste rapportage van zijn veroveringen de Senaat in Rome imponeren in de verwachting daarmee de weg te bereiden voor zijn politieke ambities, die je met een eigentijdse aanduiding populistisch zou kunnen noemen. Die aanpak zou succesvol blijken, ook al riepen de politieke machinaties van Caesar weerstand op bij zijn collega’s in de Senaat en leidden ze uiteindelijk tot zijn ondergang. De oorspronkelijke Keltische bewoners van Bibracte werden van hun oude heuvelvesting verdreven en gehuisvest bij de Romeinse legerplaats die zou uitgroeien tot de belangrijke Bourgondische stad Autun. Dat was de volgende grote plaats die Stef zou aandoen na Vézelay. Vervolgens was hij van plan om via Cluny naar Le Puy-en-Velay te lopen. Die route voerde hem weg van het Rhônedal en de vele Romeinse overblijfselen die zich daar bevonden. Maar de omvangrijke opgravingen bij Vienne en veel van de andere bezienswaardigheden in het stroomgebied van de Rhône, zoals Glanum, het grote amfitheater in Orange, de Pont-du-Gard en verschillende andere oppida uit Caesar’s tijd had hij al eens bezocht tijdens de vele zwerftochten door Frankrijk die hij per auto had ondernomen. Een belangrijke reden om vanaf Autun toch voor de Middeleeuwen te kiezen en de christelijke pelgrimsweg te nemen was de verwachting dat hij er een aangename en goed begaanbare wandelroute met veel natuurschoon zou kunnen volgen, een route waar hij bovendien prima voorzieningen zou aantreffen voor randonneurs, zoals voetreizigers genoemd werden in Frankrijk. In Le Puy begon dan de grote zuidelijke pelgrimsroute naar Compostella, de Via Podiensis, die Stef een eind wilde lopen. Die weg leidde dwars door het hart van het Centrale Massief, de ruige hoogvlakte in het midden van Frankrijk. Onderweg wilde hij de middeleeuwse sfeer proeven van de beroemde abdijen van Conques en Moissac en vele minder bekende kloosters en kerken in de kleinere plaatsen op de route. En genieten van de Romaanse bouwkunde en beeldhouwkunst – die zoals de naam al aangaf in vele opzichten een voortzetting waren van de Romeinse cultuur. Dat was althans voorlopig zijn leidraad. Maar hij had geen verplichtingen en voelde zich vrij om gehoor te geven aan spontane ingevingen die hem in een andere richting zouden leiden.

Als voorbereiding op zijn bezoek aan Vézelay en het aanstaande contact met Franse burgers en medereizigers voerde Stef in gedachten al flarden van gesprekken in het Frans. Dat beschouwde hij als een goede oefening in zijn spreekvaardigheid en nuttig voor het opfrissen en uitbreiden van zijn woordenschat. Het was geen grote moeite voor hem om in een andere taal te denken, tenslotte was al meer dan driekwart van wat hij las – boeken, artikelen, websites – in het Engels, met als gevolg dat zijn gedachten al vaak in die taal gevormd werden. Hij had zelfs gemerkt dat Engelse uitdrukkingen soms beter zijn bedoelingen verwoordden dan het gangbare equivalent in zijn moederstaal. En het kwam ook voor dat hij ernstig moest nadenken om een Nederlands woord te vinden dat overeenkwam met een Engels begrip dat in zijn hoofd zat. Hij maakte er vaak ook een taalspelletje van om het juiste Nederlandse synoniem te vinden. Hoe vertaalde je, bijvoorbeeld, woorden als apprehension of trepidation? De juiste nuance van de betekenis hing af van de context. Vrees? Bezorgdheid? Angstige verwachting? Door zijn jarenlange intense omgang met de twee talen had hij een gevoeligheid ontwikkeld waardoor hij vaak redelijk goed in staat was om de verschillen in gevoelswaarde of associatieve lading tussen twee corresponderende begrippen te zien. Helaas had hij ook moeten vaststellen dat zijn taalvaardigheid vooral voortkwam uit zijn leesactiviteiten, waardoor het verstaan van het gesproken woord hem niet altijd even goed af ging. Hij moest zich soms erg inspannen om te begrijpen wat er gezegd werd, vooral als er niet duidelijk gearticuleerd werd of wanneer er veel omgevingsgeluid was. Maar ja, dat probleem had hij bij de dagelijkse omgang in het Nederlands ook. Hij vond het gewoon moeilijk om zich op een gesprek te concentreren. Op dat moment werden de mentale oefeningen van zijn Franse taalvaardigheid vooral bepaald door de conversatie die hij nodig dacht te hebben voor zijn verblijf in Vézelay en gevoed door zijn reisgidsje en de foldertjes die hij de voorafgaande dagen her en der had opgepakt.

Maar zijn aandacht bleef zelden voor lange tijd gericht op één onderwerp en onder het lopen liet hij zijn gedachten graag de vrije loop. Al snel ontsnapten de praktische zaken die hem wachtten in de stad aan zijn concentratie en gaf hij zich over aan mijmeringen over abstractere kwesties. Want daar was hij wel goed in, ontsnappen aan de banaliteit van alledag en de stress van praktische uitdagingen door zich te begeven in de hogere sferen van afstandelijke bespiegelingen. Zijn gedachtewereld vormde een veilig domein waar hij naar hartenlust kon spelen met abstracte concepten, creatieve verbanden en vrijblijvende analyses die hij als speelblokken arrangeerde tot nieuwe, verrassende inzichten die hem het genoeglijke gevoel gaven dat hij zichzelf en de wereld doorgrondde.

Lopen is denken, bedacht Stef. Marcher, c’est penser. Op het internet circuleerde een citaat dat werd toegeschreven aan Nietzsche en stelde dat je geen gedachte kon vertrouwen die niet ontstaan was tijdens het wandelen. Dat was een enigszins vrije vertaling van de oproep om zo weinig mogelijk stil te zitten die de filosoof deed in zijn boek Ecco Homo. In het hoofdstuk met de titel ‘Waarom ik zo slim ben’ adviseerde hij keinem Gedanken Glauben (zu) schenken, der nicht im Freien geboren ist und bei freier Bewegung, in dem nicht auch die Muskeln ein Fest feiern.

Stef had ergens gelezen over een neurowetenschapper die beweerde dat de hersenen waren ontstaan vanuit beweging. Daarvoor moest je dan wel een heel eind – honderden miljoenen jaren – teruggaan in de evolutie, maar het was inderdaad zo dat het zenuwstelsel van sommige primitieve diersoorten zoals kwallen en wormen uit niet veel meer bestond dan groepjes zenuwcellen die een gecoördineerde beweging mogelijk maakten. Bij kwallen gaven die samengeklonterde zenuwcellen een ritmisch signaal af waardoor het spierweefsel van hun mantel samentrok en de dieren het meeliften op de zeestromen enigszins konden bijsturen. Dat was een grote vooruitgang ten opzichte van de primitieve sponzen die in principe niet van hun plek kwamen of toch hoogstens passief konden meedrijven met de getijden. Bij platwormen – die evolutionair alweer verder ontwikkeld waren dan kwallen en anatomisch iets ingewikkelder in elkaar zaten – vond je een of meerdere zenuwknopen aan de voorkant, in wat je hun kop zou kunnen noemen. Daar bevonden zich ook hun primitieve zintuigen. Vanuit die zenuwknopen, oftewel ganglia, liepen zenuwbanen door het lichaam die signalen zonden naar de spiercellen om de beweging door middel van selectieve en gecoördineerde samentrekkingen van het weke lichaam te sturen. In de menselijke hersenen vond je ook van die zenuwknopen, maar die waren een stuk groter en werden de basale ganglia genoemd. Ze speelden een belangrijke coördinerende rol bij het aansturen van onze skeletspieren, evenals de ganglia van ons perifere zenuwstelsel. Bij Parkinson-patiënten kon je goed zien wat er gebeurde als de samenwerking tussen de verschillende ganglia verstoord raakte door een gebrekkige Dopamine-afgifte vanuit de hersenstam: hun bewegingen werden stram en houterig of hun ledematen trilden juist ongecontroleerd. Dopamine was een belangrijke signaalstof in onze hersenen die ook in verband gebracht werd met verschillende andere vormen van gedrag, zoals motivatie, leren en verslaving. Het was een neurotransmitter die ons aanzette om iets te gaan doen. De bekroonde film Awakenings toonde patiënten die vanwege een verstoring in hun Dopamine-huishouding helemaal bevroren leken te zijn, opmerkelijk genoeg zowel in beweging als in denken. Het verhaal was gebaseerd op waargebeurde ervaringen van de bekende neuroloog Oliver Sacks. Die experimenteerde met het medicijn L-Dopa en wist daarmee deze patiënten, tijdelijk helaas, uit hun bevroren toestand te wekken. Dat wees er op dat ons bewustzijn en denken inderdaad samenhingen met het deel van onze hersenen dat zich bezighield met beweging. Dat beweging een gunstige uitwerking had op ons denken werd ook wel geïllustreerd door het positieve effect van bewegingstherapieën op mensen die gebukt gingen onder depressiviteit. Iets dat Stef uit eigen ervaring kon bevestigen. Lopen stimuleerde dus niet alleen indirect de bloedsomloop door het bloed in de benen omhoog te stuwen met het afwisselend spannen en ontspannen van de beenspieren, maar het bevorderde ook het denken door het afgeven van signaalstoffen op belangrijke knooppunten in ons brein waar verbindingen uit verschillende hersengebieden samenkwamen. Inclusief die van twee op het oog zo verschillende zaken als beweging en denken.

Op het monotone ritme van zijn voetstappen borrelden onsamenhangende gedachten op in het hoofd van de wandelaar. Het was een neveneffect van de hersenactiviteit die het lopen reguleerde: zintuiglijke prikkels met informatie over het landschap kwamen binnen, werden gefilterd in de thalamus en in combinatie met informatie die was opgeslagen in de hersenschors verwerkt tot een samenhangend en bruikbaar beeld van omgeving, positie en houding, waarna motorische signalen werden verzonden naar de spieren. De waarneming van bijvoorbeeld een kuil in de weg of een ander obstakel werd onbewust omgezet en vertaald in de noodzakelijke correctie op de richting en kracht van de volgende voetstap. En terwijl de betrokken zenuwcellen in de hersenen deze elementaire functie uitvoerden, werden ook sommige aangrenzende hersendelen gestimuleerd door de vrijgekomen signaalstoffen en ontstond er in een kettingreactie van prikkels een stroom van associatieve gewaarwordingen en gedachten. Zo stelde Stef het zich tenminste voor. Soms kon er op deze stream of consciousness iets komen bovendrijven dat leidde tot een interessant of vermakelijk inzicht. Een losstaand beeld dat kristalliseerde tot een heldere gedachte die uitnodigde tot verdere overpeinzingen. Maar de menselijke geest produceerde niet spontaan een samenhangend betoog dat was opgebouwd uit een reeks van logische verbanden tussen op zichzelf staande ideeën. Een dergelijk resultaat vereiste een zekere geconcentreerde inspanning waarbij indrukken gekoppeld werden aan woorden, de abstracties die beredeneerde en samenhangende verbanden mogelijk maakten. Volgens Stef was een redenatie het product van een creatief proces van de hersenen, niet heel veel anders dan het componeren van een muziekstuk of het schrijven van een gedicht. Of het bedenken van een verhaal.

Uit de observatie dat Frankrijk rijkelijk bezaaid was met plaatsen die diep doordrongen zijn van verhalen over hun verleden ontstond in het hoofd van Stef het beeld van een aaneenschakeling van halfvergeten dorpjes, slaperige plaatsjes en drukke stadjes die met elkaar verbonden waren door een netwerk van prehistorische paden, Romeinse militaire wegen en Middeleeuwse pelgrimsroutes, als de kralen aan een Rozenkrans. Terwijl het bos dichterbij kwam en Stef de grote lage boerenschuren van het gehucht Précy-le-Sec passeerde, werd in het complexe weefsel van hersencellen waarin zijn kennis en ervaringen waren vastgelegd, een herinnering aan een heel ander netwerk van routes geactiveerd. Hij moest denken aan het onzichtbare wegennet van de Australische aboriginals en hun lange trektochten door de wildernis. Die walkabouts konden maanden of jaren duren, waarbij soms wel duizenden kilometers werden afgelegd, te voet. En dat zonder de genoeglijke auberges of restaurants langs de route die de voettocht van de moderne West-Europese wandelaar tot een relatief risicoloos avontuur maakte.

Beelden van beschilderde naakte mannen met woest haar en verweerde gezichten sprongen op in zijn geest. In gedachten zag Stef de donkere gestalten gehurkt zitten rond een kampvuurtje in de uitgestrekte wildernis. Ze gaven in zang en dans vorm aan eeuwenoude verhalen waarin de wereld door hun spirituele voorouders werd geordend. De orale cultuur van de aboriginals illustreerde de diepgewortelde menselijke behoefte om de werkelijkheid in verhalen te vatten. Hun leefwijze bood een unieke blik op het verre verleden, toen de prehistorische mens met niet meer dan wat hij zelf kon maken van hout, bot en steen, moest zien te overleven van wat het land te bieden had. De oorspronkelijke Australische bewoners waren met de Afrikaanse San en een paar inheemse stammen in het Amazonegebied zo’n beetje de laatste rondtrekkende jagers-verzamelaars op Aarde. Hun leefwijze en wereldbeeld moesten wel overeenkomsten vertonen met dat van onze eigen voorouders voordat de zogenaamde neolithische revolutie met de introductie van landbouw en veeteelt een einde maakte aan hun rondzwervende bestaan. De aboriginals gebruikten hun songlines om zich te oriënteren in de uitgestrekte Australische woestijnen. Met gezongen verhalen over de schepping brachten ze hun wereld in kaart en gaven ze belangrijke routes mondeling door aan volgende generaties. Herkenningspunten in het landschap, zoals rotsen, kloven, heuvels, bronnen en beekjes, werden verbonden met gebeurtenissen uit een mythisch verleden – de Droomtijd. Zo noemden ze de tijd dat totems – dierlijke oervoorouders waarmee ze een diepe spirituele verwantschap voelden – de wereld creëerden. Bruce Chatwin sprak in zijn boek Songlines over totemic geography of totemic maps. Door middel van zulke verhalen werden plaatsen met elkaar verbonden en in volgorde geplaatst. Op die manier vormden de vertellingen en liederen als het ware een verbale routekaart. Dat stelde de inheemsen in staat om hun weg – ook naar voedsel en water – te vinden in de outback. Het was als een omgekeerde mnemonische techniek, de manier waarop sommige sprekers complexe informatie onthielden door die in een denkbeeldige ruimtelijke omgeving te plaatsen. Hun verhalen waren als wegwijzers in de wildernis. In dat opzicht zag Stef wel overeenkomsten met de Europese pelgrimswegen. Ook die waren afgebakend met heilige plaatsen die omgeven waren door oude verhalen over mythische figuren – in dit geval christelijke heiligen en martelaren. De elfde-eeuwse Codex Calixtinus, die beschouwd werd als de eerste reisgids voor pelgrims naar Santiago de Compostella, beschreef de route al als een opeenvolging van christelijke bedevaartplaatsen en heiligdommen. Chatwin noemde wel meer voorbeelden van verhalende geografie, zoals de Britse Ley-lines die stenen cirkels en menhirs met elkaar verbonden, Chinese drakenlijnen die we kennen uit de Feng-Shui en de Nazca-lijnen in de Peruviaanse woestijn. Stef meende zich te herinneren dat ook in de klassieke Griekse mythologie veel geografische plaatsen verbonden waren aan godenverhalen, zoals bijvoorbeeld de berg Olympus waar Zeus en zijn verwanten huisden. Op de Aarde projecteerde de mens zijn verhouding tot het bovennatuurlijke.


There are places I remember, all my life…. neuriede Stef voor zich uit. Er was blijkbaar iets in dat sentimentele Beatles-liedje dat resoneerde met zijn gedachtestroom van dat moment en uitdrukking gaf aan het gevoel van weemoed dat weidse landschappen altijd bij hem opriepen. Inmiddels was hij door een stuk bos gelopen en aangekomen bij een weg langs een riviertje. Het landschap leek wat heuvelachtiger en bosrijker te worden en de verre horizon had plaatsgemaakt voor een coulissenlandschap in alle schakeringen van groen. De zon scheen nu volop en hij besloot een pauze in te lassen om iets te eten. Hij ontdeed zich van de last op zijn schouders en met zijn rug tegen de warme stenen van een oud muurtje installeerde hij zich in het kort gemaaide gras langs de weg. Hij pakte zijn waterfles en nam een paar flinke slokken. Het was rond het middaguur en er passeerde geen verkeer over het verweerde asfalt. Het openbare leven was tot stilstand ge- komen vanwege de heilige middagpauze en overal in het land genoten de Fransen op dat moment van hun déjeuner. Hoewel hij niet hongerig was, had Stef wel trek en hij haalde het halve stokbrood dat nog restte van zijn ontbijt uit zijn rugzak. Met zijn padvindersmes sneed hij een stuk brood af en belegde dat met stukken van het geitenkaasje en plakken van de komkommer die hij die ochtend bij zijn vertrek uit Nitry in een klein supermarktje had gekocht. Genoeglijk nestelde hij zich in het zonnetje en nam de omgeving in zich op. Zoemend vlogen een paar insecten over de boterbloemen die ontsnapt waren aan de grasmaaier en een groepje koeien lag in het grasland langs het beekje aan de overkant van de weg rustig te herkauwen.

Zo, ontspannen genietend van zijn broodje, dobberend op de genoegzame golven van zijn mijmeringen, werd Stef plotseling teruggetrokken naar de werkelijkheid door een merkwaardig geluid, een soort zacht gekreun. Eerst dacht hij dat het afkomstig was van de koeien in de weide aan de overkant, maar het kwam van veel dichterbij. Het klonk als de zware ademhaling van iemand die in een diepe slaap lag, maar dit geluid had niet diezelfde rustige regelmaat. Het was eerder een soort onderaards gereutel. Het klonk niet goed. Stef stond op en keek om zich heen om te zien of hij de bron van het geluid kon lokaliseren. Nu hoorde hij dat het van links kwam, een stukje verderop, vanachter het muurtje van losse gestapelde stenen dat de weg scheidde van het bos. Hij stond op en nieuwsgierig liep hij de kant van het raadselachtige gesnurk op. Tot zijn ontsteltenis zag hij twee benen in het opgeschoten onkruid achter de stenen afzetting. Hij wierp een blik achterom om te controleren of zijn spullen veilig waren langs de kant van de weg en klauterde op de losliggende natuurstenen. Naar beneden kijkend zag hij achter het muurtje een man liggen die leek te slapen, maar diens moeizame ademhaling wekte de indruk dat het geen rustig middagdutje was. Bovendien lag hij op een rare plek, zo in de schaduw van de brokkelige muur uit het zicht van de weg. Een vage geur van ontlasting hing in de lucht. De man lag op zijn rug en was gekleed als een gewone wandelaar, met stevige schoenen, een groen regenjack en een grijze wandelbroek met afritsbare pijpen. Zijn pet was afgevallen en onthulde een bos grijzende krullen waar rond de kruin een bleke vlek van de hoofdhuid doorheen scheen. Stef schatte zijn leeftijd ergens voorbij de veertig levensjaren. Er stond een rugzak tegen de stenen en in het groen naast de man lag een dof glanzend pistool… Dat was verontrustend. Een vuurwapen beloofde niet veel goeds. Stef wist wel iets van wapens en herkende het als een klassiek Duits model. Een Mauser van vòòr de Eerste Wereldoorlog, meende hij. Eerder een verzamelaarsobject dan een wapen waarmee een doorgewinterde misdadiger op pad zou gaan. Hoewel je dat natuurlijk nooit zeker kon weten. De man maakte een kreunend geluid en leek iets te mompelen. Stef keek nog eens om zich heen, maar zag geen mens. Alleen de koeien leken zijn bewegingen met nieuwsgierige aandacht te volgen. Hij liet zich van de stenen glijden en kwam gehurkt naast de onbekende terecht. Hij zag nu dat die schuim op de lippen had en onder zijn ogen zaten vreemde donkere vlekken. Het was duidelijk dat de vreemdeling er slecht aan toe was en hulp nodig had.

Hallo, monsieur!”, probeerde Stef, maar de man reageerde niet. Stef schudde de man bij zijn schouder en probeerde het nogmaals: “’allo, Monsieur. Vous m’entendez?”

Ditmaal knipperde de man even met zijn ogen, maar sloot ze direct weer. Het was lang genoeg om te zien dat de ogen bloeddoorlopen rood waren. De man bewoog zijn lippen en leek iets te willen zeggen. Stef schudde hem nogmaals bij de schouder en herhaalde zijn vraag. Ditmaal prevelde de man iets onder zijn onregelmatige ademhaling. Het klonk niet erg Frans: “…schtung… ngfektieuzz...” om met een rochelend “ahrrrm...” te eindigen.

De onbekende leek Duits te spreken en Stef probeerde het nu in die taal: “Bitte, verstehen Sie mir?” De man knipperde weer even met zijn ogen, maar had duidelijk geen kracht om ze open te houden. Hij probeerde nog iets te zeggen en leek zijn arm te willen optillen, maar zijn “Acht...” werd gesmoord in een reutelend gekuch waarbij hij nog meer schuim en bloed ophoestte en vervolgens het bewustzijn helemaal verloor. De man reageerde daarna niet meer op verdere pogingen van Stef om zijn aandacht te trekken.

Nou, dat is een mooie toestand, dacht Stef bij zichzelf. Ik kan hem toch niet aan zijn lot overlaten en hier laten liggen. Dan crepeert hij ongetwijfeld. Er zat niets anders op dan hulp te gaan zoeken. Hopelijk zou er iemand in een auto voorbijkomen die de zieke kon meenemen of een ambulance waarschuwen. De gedachte om zelf een alarmnummer te bellen kwam in de consternatie niet in hem op. Hij meende dat een passerende Fransman wel het beste zou weten wat er moest gebeuren. Stef besloot dat de man eerst achter dat muurtje vandaan gehaald moest worden. Hij vergewiste zich er zo goed mogelijk van dat de zieke geen verwondingen had en probeerde hem overeind te sjorren. Dat lukte uiteindelijk door hem achterlangs onder zijn oksels beet te pakken. De onbekende leek rochelend te protesteren tegen deze behandeling, maar het was moeilijk om vast te stellen of dat kwam omdat hij pijn leed of dat hij een koortsdroom had. Een misselijkmakende geur die Stef liever niet wilde identificeren steeg op uit zijn kleding. Door het bovenlichaam van de man met diens armen en hoofd over het muurtje te hangen kon Stef hem min of meer stabiliseren. Vervolgens pakte hij zijn benen en draaide het lichaam zodanig dat de man gestrekt op het muurtje lag. De zieke gaf geen teken dat erop wees dat hij zich realiseerde wat er gaande was. Op dat moment kwam er een oude witte Renault voorbij en Stef probeerde zwaaiend de aandacht te trekken van de chauffeur. Deze reageerde door vrolijk terug te zwaaien en zonder te stoppen verdween het voertuig voorbij de volgende bocht. Zwetend van de inspanning van het gesjouw met de zieke stuurde Stef de wagen een knetterende verwensing na. Hij klauterde nu zelf over het muurtje om beter in staat te zijn een volgende passant tot stoppen te bewegen.

Blijkbaar was de Franse lunchpauze inmiddels voorbij, want terwijl hij op adem kwam hoorde Stef weer het geluid van een auto naderen. Plotseling kwam er een geel bestelwagentje van La Poste de hoek om zetten en Stef positioneerde zich nu midden op de weg en zwaaide met beide armen om de auto tot stoppen te dwingen. Toen het voertuig stilhield zag Stef dat de chauffeur een niet al te jonge vrouw was, die hem argwanend opnam. In de landelijke gebieden van Frankrijk lijken de mannen altijd op het land en aan de weg te werken, terwijl de vrouwen de openbare diensten draaiende houden. Ze had een grof gezicht en kort krullend haar. Aan een draad om haar nek hing een leesbrilletje. Door het open raampje keek ze achterdochtig naar de man die op de muur lag en vroeg wat er gaande was. Althans, voor zover Stef haar kon verstaan, want ze sprak snel en met een vreemde tongval. Terwijl hij probeerde uit te leggen dat hij deze man ziek had aangetroffen langs de weg en hulp nodig had, ontspande het gezicht van de vrouw een beetje. Blijkbaar had ze hem herkend als een buitenlandse toerist die hulp nodig had. Nadenkend wierp ze nog een blik op de zieke man en – nu iets beter verstaanbaar – vroeg of ze een ambulance moest bellen. Ze voegde eraan toe dat ze volgens de reglementen van de Post geen passagiers mocht meenemen in haar auto. Opgelucht knikte Stef bevestigend en antwoordde: “Oui, une ambulance, s’il vous plaît…Merci, merci bien”.

Terwijl de vrouw in de postauto het alarmnummer belde, liep Stef naar de plek waar zijn spullen stonden en pakte zijn waterfles. Teruglopend nam hij een paar flinke slokken en vragend keek hij de vrouw aan. Ze meldde dat er uit Avallon een ambulance gestuurd werd en dat die er met een minuutje of vijf wel zou zijn. Die vijf minuten leek Stef getuigen van een typisch Franse onderschatting van tijden en afstanden, dus in gedachten verdubbelde hij de aangekondigde wachttijd. De postbeambte informeerde of hij verder in orde was, want ze moest verder met haar werk. Nu er hulp onderweg was, zag Stef geen noodzaak om de vrouw verder op te houden en hij bedankte haar voor de assistentie. Daarop startte ze de motor van haar wagentje en vertrok. Ze was geen moment uitgestapt.

Stef werd overvallen door de stilte. Het leek alsof de natuur met hem wachtte op wat er komen ging. Hij probeerde zijn gedachten te ordenen. De vloeiende stroom van overpeinzingen op de rustige cadans van zijn voetstappen die hem de afgelopen weken vergezeld had was ruw verstoord door deze onverwachte gebeurtenissen. Stef moest zich even hernemen om zich aan te passen aan de totaal andere staat van zijn die deze verwikkelingen hem oplegden. De man op het muurtje leek nu iets rustiger te ademen, maar hij kon zich vergissen. Misschien was zijn ademhaling alleen maar minder diep. Stef klauterde nogmaals over de stenen om de rugzak van de man te pakken. Zijn oog viel nu weer op het antieke vuurwapen. Dat was hij in de opwinding helemaal vergeten. Wat moest hij daar nu mee? Hij bedacht dat hij natuurlijk het beste het ding in de rugzak van de man kon steken en alles meegeven aan de ambulance. Dan konden ze het in het ziekenhuis verder uitzoeken. Maar hij aarzelde. Het wapen oefende een merkwaardige aantrekkingskracht op hem uit, zoals vuurwapens bij hem van jongs af aan hadden gedaan. Zijn verstand werd beneveld door de kracht van dezelfde verleiding die een heimelijke verslaving kon oproepen. De fascinatie die uitging van het schiettuig overmande hem en de gedachte kwam in hem op dat hij de man hielp door het wapen achter te houden. Wanneer dat ding in diens bagage werd aangetroffen zou dat alleen maar aanleiding geven tot lastige vragen. Daar zat de man in deze toestand vast niet op te wachten. Ergens besefte Stef wel dat hij met deze redenatie vooral zijn eigen geweten suste, maar voordat hij het wist had hij het pistool opgepakt en in zijn zakdoek gewikkeld. Het lag prettig zwaar in de hand en een bijna erotisch gevoel van opwinding overviel Stef. Een verwarrende sensatie. Heimelijk keek hij om zich heen om te zien of iemand hem kon betrappen op deze faux pas. Hij legde het verboden pakketje neer op de stenen en snel klom hij weer over het muurtje en holde op een drafje naar de plek waar hij kort daarvoor nog vreedzaam mijmerend had zitten picknicken. Hij pakte de resten van zijn maaltijd in en liep met zijn rugzak terug naar de plek waar de man nog altijd bewegingloos op de stenen afzetting lag. Stef plaatste zijn eigen rugzak naast de bewusteloze en weer klom hij naar de andere kant. Hij tilde nu de bepakking van de vreemdeling over het muurtje en plaatste het aan de wegkant in de zon. Als laatste pakte hij zijn trofee en stopte het pakketje tussen de kleren in zijn eigen rugzak. Net op tijd, want op dat moment kwam een motoragent met grote vaart de bocht om rijden.

Hard remmend stopte de agent de motorfiets. Terwijl Stef voor de laatste maal over het muurtje klauterde – zodat hij weer aan de weg stond – zette de agent zijn voertuig op de standaard en nam zijn helm af. Hij wierp een blik op de bewusteloze man en stapte op Stef af, salueerde formeel en zei: “Gendarmerie Nationale, bonjour monsieur. Wat is er aan de hand?” In zijn beste Frans probeerde Stef in het kort de situatie uit te leggen: dat hij de man hier achter het muurtje had aangetroffen, hem op het muurtje gelegd had en een postauto had aangehouden om een ambulance te bellen. Hij repte natuurlijk met geen woord over het vuurwapen dat nu in zijn rugzak zat en inwendig vervloekte hij zichzelf dat hij er niet aan gedacht had dat met de oproep voor een ambulance de alarmcentrale tegelijkertijd ook de politie zou kunnen inschakelen. De agent boog zich nu over de man op het muurtje en bekeek hem aandachtig. Hij maakte daarbij een vreemd smakkend geluid en liep vervolgens weer naar zijn motorfiets, waar hij via zijn krakende mobilofoon een korte conversatie had met de centrale. Toen die beëindigd was richtte hij zich weer tot Stef met de mededeling dat de ambulance onderweg was en met een paar minuten zou arriveren. Hij voegde eraan toe dat hij een proces verbaal moest opmaken van de gebeurtenis en daarom het identiteitsbewijs van Stef wilde zien.

Hoewel Stef liever in anonimiteit doorgelopen was, begreep hij wel dat hij hier niet onderuit kwam en trok zijn paspoort uit de binnenzak van zijn jack, dat losjes vastgegespt op zijn rugzak zat, en overhandigde het document aan de agent. Terwijl de man zijn gegevens noteerde hoorde hij in de verte de sirene van een ambulance dichterbij komen. Die verscheen nu uit de richting waar eerder de postauto naartoe gereden was. Met een oorverdovend lawaai en flitsende lichten kwam de wagen de bocht om gieren, tot ontsteltenis van de koeien in het weilandje aan de overkant, die verschrikt overeind kwamen en het op een hollen zetten. De auto kwam abrupt tot stilstand en het geluid van de sirene werd ruw afgebroken. De inzittenden sprongen eruit en gingen geroutineerd aan de slag. Een jonge vrouw stapte onmiddellijk met een koffertje op de bewusteloze man af en inspecteerde hem op uiterlijk letsel. Terwijl ze behendig zijn hemd aan de voorkant openmaakte voerde ze een snelle conversatie met de agent, die haar beknopt op de hoogte stelde. Ondertussen was de mannelijke bestuurder van de ambulance naar de achterkant van de wagen gelopen, waar hij een brancard tevoorschijn haalde. Alles gebeurde snel en doelgericht. De vrouw had steriele rubberhandschoenen aangetrokken en luisterde nu met een stethoscoop naar de borstkas van de man. Daarna bestudeerde ze zijn gezicht en trok een ooglid van de man op. Geschrokken deinsde ze even terug en vervolgens probeerde ze de aandacht van de man te trekken door hem aan te spreken. Dat herinnerde Stef eraan dat de man volgens hem Duits sprak. Hij meldde dit aan de agent, die met zijn opschrijfboekje en Stef ’s paspoort in de hand stond toe te kijken. De vrouwelijke arts keek hem even aan en gebaarde aan haar collega dat ze de man nu op de brancard konden leggen. Terwijl ze bezig waren de zieke in te laden, vroeg de agent wijzend of de rugzak die tegen het muurtje stond van de onbekende was. Stef bevestigde die veronderstelling en de agent nam de bagage op en plaatste deze in de ambulance die daarop met loeiende sirene vertrok.

De stilte keerde terug in de kleine vallei. Stef had dorst gekregen van alle opwinding en nam nog maar eens een slok uit zijn waterfles. De agent bekeek zijn aantekeningen en nam de gebeurtenissen nog eens van begin tot eind met hem door. Ingaand op Stef’s verklaring dat de man Duitstalig was informeerde hij wat de onbekende tegen hem gezegd had. Stef moest daarop uitleggen dat die slechts onverstaanbaar gebrabbel had voortgebracht, maar dat de klank hem Duits in de oren had geklonken – naar zijn mening had de man in geen geval geklonken als een Francophone. De gendarme, knikte begrijpend en wilde nu ook weten waar Stef vandaan kwam en wat zijn reisdoel was. Hij concludeerde dat hij te maken had met een pelgrim op de weg van Saint Jacques en om de zaken niet nodeloos ingewikkeld te maken weersprak Stef die gevolgtrekking niet. Hij kon nog niet zeggen waar hij in Vézelay zou overnachten, maar gaf aan dat het waarschijnlijk in de lokale jeugdherberg zou zijn. Nadat hij klaar was met zijn aantekeningen vroeg de agent hem zich de volgende ochtend te melden op de politiepost aan de Rue de l’Étang in Vézelay. Daar zou hij zijn paspoort terugkrijgen als alles verder in orde was. Dat was een onverwachte wending en Stef wilde protesteren, want hij had helemaal geen zin in dit onvoorziene oponthoud en vond het al helemaal niks om zijn paspoort af te staan. Hij had het vage idee dat zoiets wettelijk gezien ook helemaal niet mocht. Bovendien bestond de kans dat de man bij bewustzijn kwam en aangifte zou doen van de vermissing van zijn pistool en dan had Stef een hoop uit te leggen. Het zou een hoop ellende en ongewenste vertraging tot gevolg hebben. Maar hij had vol- doende ervaring met onverzettelijke politiefunctionarissen om te weten dat zo’n discussie niets opleverde en hem alleen maar op zijn zenuwen zou werken. En het zou misschien achterdocht wekken en aanleiding geven tot ongemakkelijke vragen. Wel wierp hij tegen dat hij zijn paspoort nodig had om zich te identificeren bij de jeugdherberg. De agent knikte begrijpend, maakte weer dat smakkende geluid en krabbelde iets op een blaadje met een politielogo erop dat hij Stef overhandigde bij wijze van reçu. “U kunt dit laten zien in plaats van een identiteitsbewijs”, voegde hij eraan toe. “Pas de souci, geen zorgen.”

Overdonderd door deze onplezierige wending wist Stef hier verder ook niets tegen in te brengen en hij knikte berustend. Daarop wenste de agent hem vriendelijk glimlachend een prettige dag verder en begon via zijn mobilofoon weer een gesprek met de centrale. Er zat voor Stef niets anders op dan zijn rugzak op te nemen en zijn weg te vervolgen. Ontdaan door de onverwachte gebeurtenissen ging hij weer op pad. Hij liep in de richting Voutenay-le-Cure, de volgende plaats op zijn weg naar Vézelay, en even later werd hij ingehaald door de motoragent die hem op hoge snelheid voorbijreed. De rust keerde eindelijk terug. Nu zijn gemoed weer een beetje tot bedaren kwam merkte Stef dat hij nodig moest plassen. Schichtig keek hij om zich heen voordat hij zich terugtrok in het struikgewas om zijn blaas te legen.

Ongeveer een kilometer verderop kwam de bebouwing van Voutenay in zicht. Hij liep een klein stukje langs een drukke Route Nationale en sloeg daarna rechtsaf het vriendelijk ogende dorpje in. Op een hoek van het uitgestorven hoofdstraatje stond een verweesde kerktoren die aan een gewoon woonhuis vastzat, alsof hij door een liefhebbende dorpsbewoner was geadopteerd. Geen kerk te zien. Was die op raadselachtige wijze verdwenen in het verdwijnputje van de geschiedenis? Of was het plan om een volledige kerk te bouwen na het voltooien van de toren vergaan op de klippen van te hoog gestelde ambities voor het kleine plaatsje? Even verder liep Stef onder een klein spoorviaduct door, waarna het einde van het dorp gemarkeerd werd door een middeleeuws aandoend stenen bruggetje over het riviertje de Cure. Midden op de linkermuur van het bruggetje stond een verweerd stenen kruis. Stef nam even de tijd om van het schilderachtige uitzicht te genieten. Op de oevers aan weerszijden groeiden bomen die zich loom uitstrekten over het snelstromende riviertje dat door een kloof uit de richting van Vézelay kwam. Het zonlicht dat door de bladeren viel schitterde op de rimpelingen van het water.

De stille rust van het zonovergoten idyllische landschap stond in schril contrast met de onrust die zich langzaam maar zeker meester maakte van zijn gedachten. De hele affaire met die zieke man drukte zwaar op zijn gemoedsrust en hij vervloekte nu zijn impuls om dat pistool in te pikken – want daar kwam het achteraf gezien natuurlijk wel op neer. Het begon tot Stef door te dringen dat hij vreselijk onbezonnen had gehandeld. Wat moest hij nu met zo’n gevaarlijk wapen? De potentiële gevolgen waren niet te overzien: de mogelijkheden die zich in gedachten aandienden varieerden van een arrestatie tot allerlei vreselijke wraakacties. Bovendien woog het ding ruim een kilo, schatte Stef, en dat extra gewicht in zijn bagage kon hem nog weleens flink gaan opbreken. Voor een wandelaar telde tenslotte ieder grammetje gewicht dat meegetorst moest worden, dat stond in alle reisgidsen. Het vooruitzicht om zich de volgende dag te moeten melden bij de Gendarmerie werkte hem al met al zwaar op de zenuwen. Dat kon natuurlijk niet goed gaan. De gedachte kwam in hem op om het wapen in de rivier te gooien, maar bij nader inzien leek hem dat zo dicht bij het dorp geen goed idee. Je wist tenslotte maar nooit welke nieuwsgierige ogen hem vanachter de gesloten luiken in de gaten hielden. Schichtig keek hij om zich heen. Misschien dat hij even verderop buiten het zicht van de bewoonde wereld het bewijs van zijn misstap kon dumpen? Deze gedachte moedigde hem aan om zijn weg te vervolgen en even verderop nam hij een weggetje linksaf, omhoog het bos in.

Onder de bomen hing een drukkende stilte. Een vochtige geur van humus kwam hem tegemoet, alsof iets of iemand niet lang geleden de bodem had omgewoeld. Na een kilometer verscheen er een groot open veld aan de linkerkant van de landweg. Hoewel hij al een tijdje door de Bourgogne liep, had Stef nog maar weinig wijngaarden gezien. Ja, een paar dagen eerder was hij door de Chablis gelopen, maar vanwege het slechte weer had hij niet erg op de omgeving gelet. De boeren in deze streek leken vooral maïs, graan en aardappelen te verbouwen. Her en der lagen tussen de akkertjes onduidelijk gevormde rommelige grasveldjes waarop koeien stonden te grazen. Ook rechts van hem waren een paar kleine open plekken in het bos. Er stonden geen gewassen op en ze lagen enigszins uit het zicht van het stille weggetje. Stef keek om zich heen om te zien of hij niet geobserveerd werd en stapte door een opening in het groen. Luid protesterend vloog een merel uit het struikgewas. Van schrik lette hij even niet op en haalde zijn hand open aan een bramenstruik. Hij bevond zich nu op een kleine afgezonderde weide en zocht een beschut plekje in de zon. Daar deed hij zijn rugzak af en zette zichzelf neer in het gras na zich er nogmaals zorgvuldig van verzekerd te hebben dat niemand hem zag. Nu haalde hij het zware pakketje uit zijn bagage en vouwde voorzichtig de zakdoek open. Weer overviel hem dat verontrustende en tegelijkertijd aangename gevoel van opwinding, alsof hem een verboden vrucht werd aangeboden. Christelijke symboliek lag blijkbaar niet ver weg op dit pelgrimspad, bedacht Stef ironisch. Het koude metaal glansde donker in zijn hand. Nieuwsgierig bewonderde hij de bijzondere constructie van het vuurwapen. Dit model was een van de eerste halfautomatische pistolen geweest, meende hij zich te herinneren. In feite was het een overgangsvorm tussen de traditionele revolver, waar de kogels in een ronddraaiende cilinder boven de trekker zaten, en het moderne pistool met een patroonhouder in het handvat. Bij deze Duitse Mauser gingen de kogels weliswaar niet in een ronde cilinder, maar het magazijn bevond zich wel vòòr de trekker en niet in het handvat. Door het gewicht van de kogels had het wapen de neiging voorover te kieperen wanneer je het in de hand nam, zoals Stef nu ondervond terwijl zijn vingers zich sloten rond de kolf. Dat leek er op te wijzen dat het wapen geladen was. Door deze kenmerkende schikking was het handvat een stuk slanker dan bij de meeste pistolen. Het was bekleed met geribbeld hout en er stond aan beide zijden een roodgeschilderd cijfer negen in gegraveerd. Onder aan het handvat zat een metalen ring om het pistool te bevestigen aan een koord. Het wapen had een vrij lange, taps toelopende loop. Aan de rechterkant boven het handvat stond de tekst ‘Waffenfabrik Mauser – Oberndorf A Neckar’ gestanst in het metaal. Gefascineerd bestudeerde hij het ding en Stef vroeg zich af hoe het zou zijn om het af te vuren. In de gegeven omstandigheden leek het hem geen goed idee om de proef op de som te nemen, maar de wetenschap dat er waarschijnlijk kogels in zaten wekte een gevaarlijke nieuwsgierigheid in hem op.

Wat nu te doen? Het wapen weggooien en als de eigenaar aangifte deed van vermissing glashard ontkennen dat hij het had weggenomen? Of was het misschien beter het in dat geval terug te geven met de smoes dat hij het in de verwarring helemaal vergeten was en zich er tijdelijk over ontfermd had? Dan was de schade in elk geval hersteld, hoewel er natuurlijk lastige vragen te beantwoorden bleven. Maar er was ook een redelijke kans dat de man helemaal geen vergunning had om met een dergelijk wapen rond te lopen. Wat moest een Duitse wandelaar tenslotte met een pistool in Frankrijk? In dat geval zou hij ongetwijfeld geen aangifte doen. Dat zou hij ook niet doen als hij een misdadige achtergrond had. Maar ja, peinsde Stef verder, in dat laatste geval bestond er wel de kans dat hij op zoek zou gaan naar de dief. Het zou de man waarschijnlijk weinig moeite kosten om de identiteit van zijn zogenaamde redder bij de politie los te peuteren met het argument dat hij deze wilde bedanken. Het vooruitzicht om zijn trektocht voort te zetten met een misdadiger op zijn hielen was natuurlijk niet erg aanlokkelijk. Al met al was het een lastig dilemma waarin hij zichzelf gemanoeuvreerd had. Tenslotte bedacht Stef dat zijn eerste ingeving was geweest dat dit antieke pistool geen wapen was voor een geroutineerde misdadiger, maar eerder een object voor een verzamelaar. Wat ook diens reden was om ermee rond te sjouwen, de eigenaar zou in ieder geval blij zijn dat het ding niet in beslag genomen was door de politie. Als Stef nou gewoon de volgende dag informeerde waar de zieke lag, kon hij hem altijd nog opzoeken en zijn bezit teruggeven. De mogelijkheid om zijn fout recht te zetten gaf hem nu enige gemoedsrust en hij besloot het wapen voorlopig te bewaren.

Stef bekeek het ding nog eens aandachtig en voorzichtig sjorde hij er wat aan. Aanvankelijk dacht hij dat een schuifje rechts op het wapen de veiligheidspal moest zijn, maar toen zag hij een kleine letter S staan op een hendeltje dat links naast de hamer zat. Het leek hem dat die S moest staan voor Safety of Sicherheit. Die veronderstelling werd bevestigd toen hij het hefboompje omlaag duwde en een letter F tevoorschijn kwam. Dat kon niet anders betekenen dan Fire of Feuer en in die stand moest het afvuurmechanisme dus vrij zijn om te schieten. Het was geruststellend om te weten dat hij het wapen kon blokkeren. Door de hamer naar achteren te halen ontstond er ruimte om het deel met het schietmechanisme – dat volgens Stef de slede genoemd werd – naar achter te trekken. Toen hij dat deed wipte er aan de bovenzijde een patroon uit het wapen. Stef concludeerde dat die kogel in de loop had gezeten en dat het wapen dus doorgeladen was geweest. Behoedzaam liet hij de slede door een ingebouwde veer weer op zijn plaats trekken en terwijl hij dat deed, voelde hij met een lichte klik een nieuwe patroon in de loop schuiven. Zo stond het wapen dus weer op scherp. Hoewel hij nu had uitgevonden hoe de veiligheidspal werkte, wist hij niet zeker of dat mechanisme volledig betrouw- baar was. Door het heen-en-weer geschuif met de slede een aantal malen te herhalen wist hij alle kogels uit het magazijn te halen. Het waren er negen in totaal, maar de laatste zag er anders uit dan de rest. De eerste acht hadden een geelkoperen huls met een zilverkleurige kogel erop, maar bij de negende had de kogel een roodkoperen glans. Ook leek de top van die laatste wat ronder dan de rest. Dat was merkwaardig, maar Stef nam aan dat de eigenaar twee verschillende soorten ammunitie had gebruikt bij het laden. Nu de patronen verwijderd waren kon het pistool in ieder geval niet meer onverwacht afgaan. Enigszins opgelucht dat hij het wapen onschadelijk had gemaakt en een beslissing had genomen knoopte hij de kogels in een zakdoek en wikkelde hij de Mauser en het pakketje kogels in een T-shirt en borg het bundeltje op, onder in zijn rugzak. Die extra kilo gewicht zou hij voorlopig maar voor lief nemen.En nu was het de hoogste tijd om zijn tocht te vervolgen. Hij oriënteerde zich met behulp van de GPS-app op zijn smartphone en concludeerde dat hij een eindje verderop de GR654 zou vinden. Dat was een gemarkeerde wandelroute – een Grande Randonnée – die hem naar Vézelay zou voeren. Hij schatte dat het nog zo’n tien kilometer was naar zijn eindbestemming voor deze dag. Hooguit nog een paar uurtjes lopen dus.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.