Agenda

» Het Natural History Museum in Londen biedt het hele Darwinjaar 2009 door tentoonstellingen rondom Charles Darwin en de evolutieleer.
» Vanaf Darwins geboortedag op 12 februari de expositie Charles Darwin en de evolutietheorie in het Universiteitsmuseum Groningen
» Vanaf 13 februari in het Universiteitsmuseum Utrecht de tentoonstelling De evolutie draait door.

[p. 1]

Mededeelingen gedaan in de Vergaderingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1882-1883.

[p. 3]

De miniatuur-couranten of lilliputters.

Door Mr. W.P. Sautijn Kluit.

Bij gelegenheid van mijn artikel over De Tolk der Vrijheid, enz., heb ik, in De Nederlandsche Spectator van 3 Maart 1877, N0. 9, blz. 68, melding makende van deze kleine blaadjes, gezegd, dat de lotgevallen daarvan een afzonderlijk hoofdstuk uitmaken in de Geschiedenis der Nederlandsche Dagbladpers, en tevens gevraagd of eene lijst van deze kortstondige literatuur ook te vinden was in zeker vlugschrift, Physiologie van de Miniatuur-Couranten of Lilliputters; door de Redactie van het Nieuwsen Advertentie-Blaadje voor Zwolle, Deventer, Zutphen, Apeldoorn. Deventer. A. Ter Gunne. 1845. Nu ik sedert Februari 1881, dank zij de welwillendheid van den Groningschen Hoogleeraar Dr. T.J. Halbertsma, in het bezit ben van een der zeker weinige overgebleven exemplaren van dit overdrukje, 15 blz. 120, uit, naar ik vermoed, N0. 92, van Dinsdag 11 November 1845, van genoemd Nieuws- en Advertentie-Blaadje, dat oorspronkelijk slechts 10 Cts. kostte, wensch ik eene uitvoeriger studie te wij-

[p. 4]

den aan die kleine blaadjes, in de hoop dat enkele der vele leemten nog door dezen of genen tijdgenoot zullen worden aangevuld, al is, bij de onzekerheid waarin zelfs de schrijver van bedoeld vlugschrift verkeerde of hij wel het geheele aantal dier blaadjes kende, de kans hierop vrij gering.

In de Wet van den 16 Juni 1832, bevattende sommige wijzigingen in de bestaande wetgeving nopens de regten van registratie, overschrijving en zegel, Stbl. N0. 29, was in Art. 39, sub N0. 10, bepaald, dat van het zegel vrijgesteld waren: ‘de aanplakbiljetten, berigten en aankondigingen, mitsgaders addressen van woning of woonplaats, van welken aard, inhoud en bestemming ook, wanneer het papier, waarop dezelve zijn gedrukt, geene grootere oppervlakte heeft dan twee vierkante nederlandsche palmen’. Berichten en aankondigingen dus – want de plaatsing der leesteekens laat hier geen ruimte voor eenigen twijfel – van welken aard, inhoud en bestemming ook, nieuwsblaadjes derhalve, mits niet grooter dan twee vierkante Nederlandsche palmen, konden alzoo reeds sedert Juni 1832 zonder zegelmerk worden uitgegeven.

1. Hetzij dat de behoefte aan zoo iets niet sprak, hetzij dat niemand zoo aanstonds op den inval kwam om partij te trekken van eene wetsbepaling die toeliet, ongezegeld, en dus weinig kostbaar, nieuws aan den man te brengen, het is een feit dat gemelde wet reeds een tiental jaren oud was, toen het eerste ongezegelde nieuwsblaadje het licht zag. Wel is waar geeft de Physiologie geen dag van geboorte op van de Nijmeegsche Vreemdenlijst of Nieuwsblaadje, dat het oudste dier blaadjes schijnt te zijn, maar dat die dag nog in 1842 moet worden gezocht, komt mij vrij zeker voor. Het werd ‘eenmaal ‘s weeks bij J.F. Thieme te Nijmegen uitgegeven, en bevatte, behalve de namen der Vreemdelingen, in de voornaamste logementen

[p. 5]

gewaardschapt, stedelijke publicatiën, eenige onschuldige anecdoten of een versje, waaronder de regtzinnigste ministeriële’, zooals de Physiologie er voor zijne lezers van 1845 bijvoegde, ‘wel zijn naam zou durven zetten’.

2. ‘Een dito leverde de Boekhandelaar Kruijt te Arnhem, dat, zoo mogelijk, nog minder beduidde’. In de Arnhemsche Courant van Dinsdag 25 Juni 1839, N0. 99, vond ik intusschen eene advertentie, d.d. ‘Arnhem, den 24sten Junij 1839’, luidende: ‘De Ondergeteekende heeft de eer te berigten, dat van heden af aan de Vreemdelingslijst iederen dag (uitgezonderd des Zondags) zal worden uitgegeven. Om zich te abonneren en ter bekoming van nadere inlichtingen gelieve men zich te vervoegen bij W.J. Kruijt, Uitgever van de Vreemdelingslijst’. Dit bericht brengt het eerstgeboorte-recht van de Nijmeegsche Vreemdenlijst in gevaar.

3. Naar tijdsorde volgt nu ‘een Meppeler blaadje’, in de Physiologie onder N0. 5 vermeld, dat volgens haar in 1845 ‘nog ongedoopt’ was, maar reeds ‘sedert 4 Febr. 1843, elken Zaturdag te Meppel bij Hamel en Boom uitgegeven’ werd. Het scheen ‘op een goeden voet met het stedelijk- en Drentsch provinciaal bestuur te staan; zelfs van Akerlaken en Menso – twee zeer behoudende leden van de Tweede Kamer voor Noord-Holland en Utrecht zitting hebbende – zouden er niet de minste ergernis in vinden; wat vroeger wel het geval was, omtrent wijlen de Meppeler Courant, die bij dezelfde Uitgevers verscheen. ‘t Was een fiksch oppositieblad, dat zelfs buiten ‘s lands niet onbekend bleek te zijn’. Van die vroegere Meppeler Courant is mij verder niets bekend; maar de tegenwoordige, waarvan de 40ste jaargang thans nog bij J.A. Boom en Zoon te Meppel het licht moet zien, is derhalve, naar het schijnt, in 1843 als Lilliputter het leven ingetreden.

[p. 6]

Intusschen was in December 1842 bij de Tweede Kamer ingediend het Ontwerp der Wet, die later bekend is geworden als Wet van den 3den October 1843, op het regt van zegel, Stbl. N0. 47. Het was namelijk, ten gevolge van de invoering der nieuwe burgerlijke wetgeving, noodzakelijk geworden de verschillende bestaande wettelijke verordeningen omtrent de belasting, welke onder den naam van recht van zegel geheven werd, aan eene herziening te onderwerpen, en door eene algemeene wet te doen vervangen, waarbij tevens, zoo in het belang der ingezetenen als in dat van de schatkist, die verbeteringen werden aangebracht, waarvan de ondervinding de doelmatigheid had aangetoond. Bij Art. 27, letter C, N0. 1, van die wet, weldra bij Kon. Besluit van 13 Maart 1844, Stbl. N0. 18, met 1 April 1844 in werking gebracht, werd bepaald, dat van het zegelrecht waren vrijgesteld: ‘alle drukwerken, waarvan het papier geene grootere oppervlakte heeft dan twee vierkante Nederlandsche palmen’. Aan de bepaling der wet van Juni 1832 werd alzoo eene veel ruimere strekking gegeven.

4. Nog vóór dat het Ontwerp op Vrijdag 15 September 1843 ter Tweede Kamer in behandeling genomen en met 47 tegen 9 stemmen aangenomen werd, verscheen op 2 September 1843 het Tielsche Weekblaadje als Lilliputter éénmaal ‘s weeks, en in dien vorm bleef het bestaan tot het midden der maand Augustus 1844. ‘Als toen’, zegt de Physiologie, ‘trok het de kinderschoenen uit, en tot jongeling opgegroeid, nam hij nu den naam aan van ‘Tielsche Nieuwsbode’. Een jaar later werd het formaat andermaal vergroot, en welligt zal hij nog eenmaal een Goliath worden. De inhoud is doorgaans fiks, nog al kras. De Wespen (een tijdschriftje) duiden den heer Apotheker Campagne te Tiel als Redacteur aan. De Gemengde Be-

[p. 7]

rigten heeten dan hier ook Mixturen. De heer C. Campagne is uitgever’. Ik voeg hieraan toe, dat in bedoeld ‘tijdschriftje’, De Wespen, het orgaan van E.W. Van Dam Van Isselt op den huize Ravestein te Geldermalsem bij Tiel, dl. 1, blz. 105 en 106, en dl. 2, blz. 178, wordt gezegd, dat de uitgever van den Tielsche Nieuwsbode een zwager, en de redacteur, die apotheker en dichter was, en in de wandeling de Tielsche Apollo werd genoemd, een neef was van den Heer C.A. Thieme, den uitgever der Arnhemsche Courant.

Naar de inlichtingen mij welwillend door den Heer H.J. Van Wessem te Tiel verstrekt, kan ik verder hieraan toevoegen, dat genoemd Tielsch Weekblaadje, waarvan N0. 1 op Zaterdag 2 September 1843 het licht zag bij den stads- en arrondissements drukker C. Campagne, voorzien was van het stedelijk wapen. De inhoud, althans van N0. 27, van Zaterdag 2 Maart 1844, bestond uit: ‘Predikbeurten bij de Protestanten; Prijzen der granen op de markt te Tiel; Afvaart der stoombooten; Sluiting der poorten; Waterhoogte; Gemengde berigten; Stadsnieuws; Algemeen wereldsch-beursberigt’, en de lengte van het blaadje was 2 palm, bij eene breedte van 1 palm. Voor welken prijs het verkrijgbaar was, blijkt niet. Maar toen op Woensdag 21 Augustus 1844 de Lilliputter veranderde in Tielsche Nieuwsbode, Staat- en Letterkundig Weekblad, dat elken Woensdag morgen werd uitgegeven, was de prijs ƒ 2 in het jaar binnen, en ƒ 2.25 buiten Tiel; die der advertentiën was toen van 1-6 regels 60 Cts., voor iederen regel daarboven 10 Cts., behalve het zegelrecht. De vorm was nu, althans van N0. 53, van Woensdag 20 Augustus 1845, 2de Jaargang, een half vel ter lengte van 3.8 palm, bij eene breedte van 2.4 plam, en het blad was, behalve van een 1 Ct. zegelmerk, voorzien van een vignet voorstellende een’ postillon

[p. 8]

blazende op zijn’ hoorn, en daarboven de woorden: ‘Honni soit, qui mal y pense’. De inhoud bestond uit: ‘Politieke komkommertijd. Binnenlandsche berigten. Buitenlandsche berigten. Mixturen. Burgerlijke stand. Waterhoogte. Advertentiën’. Wat den redacteur, den Heer Peter Jan Campagne, een’ neef van den uitgever, betreft, deze, geboren te Tiel in 1785, en overleden in 1860, was apotheker, lid der plaatselijke schoolcommissie, en lid der provinciale commissie van geneeskundig onderzoek en toevoorzicht in Gelderland, en werd in 1846 verkozen tot lid van den stedelijken raad; in de eerste jaargangen van den Gelderschen Volks-Almanak komen gedichten voor zoowel van hem als van Van Dam Van Isselt. Wanneer nu de Tielsche Nieuwsbode in Tielsche Courant is herdoopt heb ik niet kunnen te weten komen; maar wel weet ik, dat, blijkens De Bosch Kemper, Gesch. v. Nederland na 1830, dl. 4, Letterk. Aant., blz. 285, de Gouverneur van Gelderland, W.A. Schimmelpenninck Van der Oye, in een schrijven, den 14den April 1848 uit Arnhem aan Mr. L.C. Luzac gericht, melding maakt van de Tielsche Courant (te Arnhem geschreven), die een kind van de Arnhemsche is.

Nu zegt de Physiologie verder: ‘Men moet den Tielsche Bode niet verwarren met het Tielsch Weekblad, bij As. van Loon, dat hemelsbreed, in geest en strekking, van hem verschilt, en waarvan men met veel grond vermoedt, dat de Kantonregter Engelen de pleegvader zou zijn. Omtrent de politieke gevoelens van dien heer kan men nalezen de Gids van de vorige en deze maand, in de uitvoerige recensie van den Heer Potgieter, de Engelachtige dichterlijke Staatsvormen betreffende; – maar de gewezen Rector is Kantonregter, aspirerende -?’

Bedoeld Tielsch Stads- en Arrondissements Weekblad,

[p. 9]

waarvan het Proefblad op Vrijdag 2 Februari 1844 het licht zag, en waarvan, blijkens zijn levensbericht door Mr. W. Van de Poll, in Levensberichten dezer Maatschappij 1871, blz. 39, Dr. P.H. Tijdeman, Rector te Tiel, mede-oprichter was, werd 2 Juli 1869, bij gelegenheid der afschaffing van het dagblad-zegel, herdoopt in Nieuwe Tielsche Courant. Wat den Kantonrechter Engelen betreft, deze was, na zich eenigen tijd aan het Gymnasiaal Onderwijs te hebben gewijd, in 1843 Kantonrechter te Tiel geworden, en heeft van 1850 tot 1853 het Kiesdistrict Amersfoort ter Tweede Kamer vertegenwoordigd.

5. Nadat de nieuwe wet op het recht van zegel in het Staatsblad was verschenen, werd, volgens de Physiologie, ‘het ‘Arnhemsche Nieuws- en Advertentie-Blaadje’ geboren met het jaar 1844. ‘t Verscheen tweemaal ‘s weeks bij G.W. van der Wiel te Arnhem, en, gedurende 1845, onder den titel van ‘Arnhemsche Miniatuur Courant’. De heer Mr. Robidé Van der Aa werd gedoodverwd met het redacteurschap, en zoo dit juist was, zoo compromitteerde die onafhankelijke man zich geenszins daarmede. Alleen zou men hem mogen raden, zijn stokpaardje, Matigheidgenootschappen, wat minder à tort et à travers te berijden’. De hier bedoelde Mr. C.P.E. Robidé Van der Aa was met Ds. O.G. Heldring van 1839 tot 1847 schrijver van De Volks-Bode. Een tijdschrift tot nut van ‘t algemeen. Van het ‘Arnhems Nieuws- en Advertentie-Blaadje’ nu, heb ik indertijd N0. 31, van Dinsdag 16 April 1844, onder de oogen gehad, en blijkens eene advertentie in de Arnhemsche Courant van Dinsdag 3 December 1844, N0. 240, verscheen het geregeld tweemaal per week, tegen den prijs van 40 Cts. franco door het geheele rijk in de drie maanden. Van Bevervoorde spreekt verder in zijn Asmodée, N0. 36, van 7 Juni 1846, blz. 143, van ‘N0. 22 de

[p. 10]

l’Arnhemsche Ex-miniatuur-Courant’, en in Le Courrier Batave, et Asmodée, N0. 10, van 16 Januari 1848, blz. 3, van ‘le Gelderland (ci-devant Arnhemsche Ex-miniatuur-Courant)’, en bedoelde hiermede Gelderland. Nieuws- en Advertentie-blad, zooals ten minste het opschrift van den Tienden Jaargang, 1853, luidde, toen het blad sedert 15 November zelfs driemaal ‘s weeks werd uitgegeven. In 1857 droeg het den naam van Geldersch Advertentie-Blad, en verscheen het wederom tweemaal ‘s weeks, in 1861 slechts éénmaal ‘s weeks. Volgens het Algemeen Adresboek voor den Nederlandschen Boekhandel bestond het nog in 1864, maar niet meer in 1865.

6. Naar tijdsorde volgt nu ‘ons eigen Miniatuurtje’, zooals de Physiologie zegt, maar door haar uit bescheidenheid het laatst behandeld. Het droeg den naam van ‘Nieuws- en Advertentie-Blaadje voor Zwolle, Deventer, Zutphen en Apeldoorn,’ en werd ‘sints 23 Maart 1844, tweemaal ‘s weeks te Deventer bij A. Ter Gunne uitgegeven. Volgens het oorspronkelijk doel zou het eenvoudig ‘Nieuws van algemeen of plaatselijk belang, en advertentien’ bevatten. Daar het zich hierin echter weldra op eene onheusche wijze door het Stedelijk Bestuur gedwarsboomd zag, meende het zich op een geheel onafhankelijk standpunt te mogen plaatsen, en onbewimpeld de geheele waarheid te mogen zeggen, waar het zaken van algemeen belang, of ten nutte der burgerij, gold. Deze roeping heeft de Redactie dan ook steeds in ‘t oog gehouden, en daardoor, zoo zij zich durft vleien, onmiskenbaar nut gesticht. Hieraan schrijven wij dan ook grootendeels het boven verwachting gunstige debiet toe, dat hetzelve ten deel is gevallen, en dat nog dagelijks toeneemt. Ofschoon deelende in het gewoon lot van de verbreiders der waarheid, n.l. van miskend en tegengewerkt

[p. 11]

te worden door hen, dien de duisternis liever is, dan het licht, verheugt het zich in den ruimen bijval van alle weldenkenden, verlichten en onafhankelijken in den lande. Dit doet dan ook Redactie en Uitgever blijmoedig en met ijver op den ingeslagen weg voortgaan, waarvan zelfs het nieuwe Zegel-spooksel, de bullebak van van Hall, hen niet zal afbrengen.’

De Wet van den 18den December 1845, die weldra den doodsteek geven zou aan de Lilliputters – aldus genoemd naar Lilliput, de schepping van Jonathan Swift in zijne in 1726 verschenen Gulliver’s Travels, naar dat fantastisch oord waar de bewoners niet grooter waren dan één duim – was geplaatst in het Staatsblad N0. 86, dat de dagteekening droeg van 21 December 1845. Volgens Art. 2, alinea 3, van de Wet, houdende Algemeene Bepalingen der Wetgeving van het Koningrijk, trad derhalve op 10 Januari 1846 de nieuwe wetsbepaling in werking. Lilliputters dus, die te zwak van gestel waren om een mannelijk leven te leiden, moesten hun bestaan met het einde van December 1845 opgeven; maar diegenen onder hen, waarvan de natuur krachtiger waarborgen opleverde voor het vervolg, traden daarentegen met Januari 1846 in eene nieuwe gedaante te voorschijn. Tot dezen behoorde het Nieuws- en Advertentie-Blaaaje bij A. Ter Gunne te Deventer uitgegeven. Op 3 Januari 1846 trad het in 4 blz. kl. folio, in 2 kol. gedrukt, voorzien van het 1 C. zegel-merk, op als Kaleidoskoop. Nieuws- en Advertentie- Blad, Zwolle, Deventer, Zutphen, Apeldoorn, met het adres: ‘Ter Boekdrukkerij van Ter Gunne en C0. te Deventer’, en met een vignet gevende een kijkje in den Kaleidoskoop. Het blad verscheen nu slechts éénmaal ‘s weeks, en wel des Zaterdags, tegen den prijs van 50 Cents in de drie maanden voor Zwolle, Deventer, Zutphen en Apeldoorn,

[p. 12]

en voor 62 1/2 Cent voor elders franco per post. De prijs der advertentiën was van één tot 5 regels 25 Cents, en vijf cents voor elken regel meer, behalve 35 Cents zegelrecht bij elke plaatsing. In het eerste nummer sprak ‘De Redactie van wijlen den Lilliputter en den pas geboren Kaleidoskoop’ zijne lezers aldus aan:

‘Zietdaar een stouten Knaap, door een vergramden wijsgeer vrij onhandig de kinderschoenen uitgetrokken en door zijnen voogd in een jongelingspak gestoken; ‘t bewijst al weer, dat men door slagen groeit, door kastijdingen groot wordt.’

‘Zietdaar uit eene rups, die kruipende zich op een beperkt terrein bewoog, een vlinder ten voorschijn gekomen, om het geheele land door te fladderen, doch die zich zooveel mogelijk wachten zal, in een ministriëel net gevangen te worden.’

‘Zietdaar een nietig voertuigje, (wij zijn niet nederig genoeg, om het, even als onze Zwartsluizer collega het zijne, een ezels-wagentje te noemen), zietdaar, zeggen wij, een klein karretje, vervangen door een fatsoenlijk rijtuig.’

‘Zietdaar de mug of moskiet, herschapen in den beloofden schorpioen.’

‘Zietdaar het kleine blaadje, waarvan sommigen zeiden: ‘juist goed voor zekere plaats,’ uitgebreid tot het deftig formaat van eenen Asmodée.’

‘Zietdaar, eindelijk, een KALEIDOSKOOP u aangeboden, waarin alles in een bonte mengeling zal te zien zijn.’

Die kaleidoskoop intusschen zou niet altijd, volgens zijnen naam, een schoonheidskijker zijn, maar dikwijls leelijke dingen vertoonen, zooals de voorwerpen in het vignet: eene bodemlooze Schatkist, een Chinees, een gedecoreerd Schaap, een Moriaan met bezem en borstel, een paar Duiveltjes waaronder de géldduivel, een Spinneweb,

[p. 13]

eene Grondwet en een Besluit, en verscheidene Kruizen. Ieder die den Lilliputter had gekend, kende diens ‘natuere ende maniere van voorstelling, en in denzelfden geest en trant’ zou de Kaleidoskoop voortgaan. Hij plaatste zich op een geheel onafhankelijk standpunt. En de prijs van het blad, twee Gulden in het jaar, was zeer billijk; want hiervan ging ruim 70 Cts. af aan zegelrecht, en men betaalde dus eigenlijk evenveel als vroeger voor den Lilliputter, terwijl men 3 à 4 maal meer papier kreeg, en de Asmodée van gelijke oppervlakte 6 Gld. kostte.

Of er van den Kaleidoskoop meer bundels bestaan dan dien de Amsterdamsche Bibliotheek (Catal. 6de gedeelte, blz. 870) bezit, welke, behoudens een elftal gapingen, loopt van 3 Januari 1846 tot en met 10 Juni 1848, is mij niet bekend. Naar de mededeeling van den Heer C. Stoffel in den Volks-Almanak van 1875, blz. 17, was dit blad bij het volk algemeen bekend onder den naam van ‘de Kalfskop’. Het hield zich staande – zekere Willem Van der Linde Hzn. was de redacteur – tot in 1851 of 1852, toen het samensmolt met de sedert Januari 1846 bestaande Ysselbode, in latere jaren (1858) Ysselblad geheeten1.

7. ‘Meer vrij’ dan het onmiddellijk vooraf vermelde Meppeler blaadje, zegt de Physiologie, werd geschreven: ‘De ‘Zwartsluizer Nieuwsbode, in Correspondentie met Hasselt, Genemuiden, Vollenhove, Blokzijl en Kuinre.’ Hij deed zijne eerste reis op den 4 Julij 1844 – derhalve na het in werking komen der nieuwe zegelwet -, en sedert verliet hij elken Zaturdag de woning van den, tevens in

1Deze laatste opgave, naar stukken door mij gezien, komt niet overeen met een’ oogenschijnlijk zeer vertrouwbaren getuige, het Algemeen Adresboek voor den Nederlandschen Boekhandel, in welks jaargang 1861 de IJsselbode voor het laatst voorkomt.

[p. 14]

wijn en spiritualiën handelenden, boekverkooper R. van Wijk Anth. Zn. te Zwartsluis’. Mij is omtrent dit blad verder alleen bekend, dat Van Bevervoorde in Le Courrier Batave, N0. 9, du 9 Janvier 1848, pag. 3, spreekt van ‘le Zwartsluizer Bode (feuille de Zwartsluis en Overyssel)’, en in N0. 18, du 12 Mars 1848, pag. 3, van ‘R. van Wyk. Rédacteur et éditeur du Zwartsluizer Bode’. Maar verder dan het jaar 1848 schijnt het leven van dit blad niet te reiken. Althans in de Naamlijst van Boekhandelaren in Nederland (voorlooper van het Alg. Adresboek voor den Nederl. Boekhandel). Enz. Enz. Bijeengebragt door G.L. Koopman (Boekhandelaar te Amsterdam). ‘s Hage, K. Fuhri, 1848, waaraan toegevoegd is eene lijst van dagbladen die in dat jaar het licht zagen, wordt de Zwartsluizer Bode wel vermeld, maar niet meer in den jaargang 1849.

8. ‘De ‘Zierikzeesche Nieuwsbode’,’ zegt de Physiologie, ‘kondigde het eerst zijn bestaan aan in het midden der maand Augustus 1844, en heeft dit jaar (1845), den 18 dier maand, zijne eerste verjaring gevierd in een net rosé kleedje, en met eene regt geestige feestrede. Het verschijnt driemaal per week bij den Heer P. de Looze te Zierikzee, en ‘t getal abonnementen bedraagt verre over de duizend. De legende luidt, dat de Uitgever het eerst op het denkbeeld was gekomen, om een Lilliputter uit te geven, toen Boudewijn (J.L. Van der Vliet), bij een bezoek in zijne geboorteplaats Zierikzee, hem een Handelsblad in miniatuur vertoond had, dat, uit aardigheid, door de gezellen op de drukkerij van de Gebr. Giunta d’Albani in den Haag, was gefabriceerd1,

1Vrij zeker wordt hier bedoeld het kleine blaadje, groot 4 blz. 120, in 3 kol. gedrukt, zijnde het denkbeeldig N0. 3787532 enz. van de Nieuwe Amsterdamsche Courant. Algemeen Handelsblad, van Maandag 1 Januari 1844.

[p. 15]

en hem de uitgave van een blaadje, in dergelijk formaat, had aangeraden. En nu maakt dezelfde Boudewijn allerlei paskwillen op die blaadjes, speciaal op het Zierikzeesche!!’ (zie lager).

De eenige Lilliputter dien ik bezit, dank zij nogmaals de welwillendheid van Prof. Halbertsma, is de Zierikzeesche Nieuwsbode. Ter drukkerij van P. de Looze, 2 blz. 120, in 2 kol. gedrukt, met een’ postillon in galop tot vignet, van Vrijdag 23 Mei 1845, N0. 120, Eerste Jaargang. Het abonnement was twee en een halve Cent in de week; enkele nummers kostten 2 Cents. De uitgave geschiedde op Maandag, Woensdag en Vrijdag, des voormiddags. Advertentiën werden geplaatst à 10 Cents de lange regel; voor elke plaatsing was men 35 Cents zegelrecht verschuldigd. Een tweede nummer, door mij indertijd gezien bij den toenmaligen schrijver en uitgever van De Reizende Nieuwsbode, den Heer W. Kok in de Tuinstraat alhier, was N0. 131, van Woensdag 18 Juni 1845, Eerste Jaargang, en derhalve moet N0. 1 op Maandag 19 Augustus 1844 zijn verschenen. Daarentegen is later – want de Zierikzeesche Nieuwsbode behoort tot de Lilliputters die het tegen hen uitgesproken doodvonnis tot heden toe hebben overleefd, – gelijk reeds door mij is gezegd in De Nederlandsche Spectator van 14 Apri 1877, N0. 15, in N0. 1503, van Woensdag 18 Augustus 1858 medegedeeld, dat het drie dagen vroeger, 15 Augustus, veertien jaren was geleden dat de Zierikzeesche Nieuwsbode in het licht verscheen, en zijnen 25sten verjaardag vierde het blad op Dinsdag 17 Augustus 1869.

9. ‘Het Utrechtsch blaadje’, verklaarde de Physiologie, ‘hebben wij nimmer te zien kunnen krijgen. ‘t Is ook al dood en begraven (November 1845); ‘t moet gestorven zijn aan eigene armzaligheid, en de ongeschiktheid van

[p. 16]

den Stichtschen bodem voor staatkundige vrijheid en verlichting.’ Gelukkiger dan de Physiologie, kan ik mededeelen indertijd bij den reeds genoemden Heer W. Kok te hebben gezien N0. 1, 2 en 3 van het Utrechtsch Nieuws- en Advertentieblaadje. Ter drukkerij van J. van Boekhoven, Breedstraat, H. 410. 2 blz. 120, in 2 kol., van Dinsdag 26, Donderdag 28, en Zaterdag 30 November 1844, Eerste Jaargang. Gelijk men ziet verscheen het blaadje driemaal ‘s weeks; het kostte 39 Cents in de drie maanden, terwijl de prijs der advertentiën was 10 Cts. de regel.

10. De meest beruchte Lilliputter is zeker geweest ‘de ‘Haagsche Miniatuur-Nieuwsbode’,’ gelijk de Physiologie verder terecht aanteekent ‘een pendant of liever parodie, wat inhoud en formaat betreft, van den ministriëlen ‘’s Gravenhaagschen Nieuwsbode’,’ die ‘sedert 4 Juli jl. (1845), elken Vrijdag, met allerlei nieuwigheden uit het breinpakhuis van den bekenden Meeter in de Residentie rond trok, tot dat hij, twaalf togten gelukkig te hebben volbragt, ten gevolge dat zijn patroon Meeter en zijn huisbaas P. Mingelen, wegens het te sterk doen kleppen van een Ooijevaar, achter de traliën raakten, stierf. De Bode, een vreemd verschijnsel! was de eenigste der Lilliputters, die zich niet met advertentiën belastte, waarop de ondernemers van dergelijke expeditiën anders zoo tuk zijn.’ Onder verwijzing naar hetgeen door mij omtrent dit blaadje is medegedeeld in mijn artikel over De Tolk der Vrijheid, enz., in De Nederl. Spectator van 3 Maart 1877, N0. 9, herinner ik alleen, dat N0. 13, waarvan een exemplaar in het bezit is van den Heer J.P.J.W. Korndörffer, Bibliothecaris der Kon. Milit. Academie te Breda, op Vrijdag 26 September 1845 verschenen, den dag dat Meeter werd gevangen genomen, het laatste nummer is geweest.

[p. 17]

11. ‘De ‘Harderwijker Miniatuur-Courant’,’ zegt de Physiologie, ‘verschijnt sedert Julij (1845) tweemaal ‘s weeks bij G.J. Nijenhuis te Harderwijk. Men vindt er soms nog al aardige en pikante zetten in, óf eigen vernuft óf van elders overgenomen. Trouwens het stelen is eene zonde, die de Lilliputters, in meerdere of mindere mate met de Staats-Courant en andere deftige Couranten, Maandwerken, Boeken, en zelfs Verhandelaars in het Nut, gemeen hebben’. De opgave der Physiologie omtrent dit blaadje was intusschen minder juist. Bij den Heer W. Kok toch heb ik indertijd gezien de ‘Harderwijksche Miniatuur-Courant van Zaturdag den 2den Augustus 1845. N0. 1. Te Harderwijk, ter Stads-Boekdrukkerij van G.J. Nijenhuis, 2 blz. 120, in 2 kol. Deze Courant verschijnt twee maal ‘s weeks des Dingsdags en Zaturdags. Het abonnement is per Kwartaal 30 Cents binnen de Stad en 40 Cents franco per post door het geheele Rijk. Men kan zich bij den Uitgever of aan het Post Kantoor te Harderwijk abonneren. Advertentien worden geplaatst per 5 regels 25 Cents, voor elke regel meer 4 Cents en 35 Cents Zegelregt voor elke plaatsing.’

12. ‘Den 20 September (1845) verscheen’, zooals de Physiologie zegt, ‘het, reeds veel gerucht gemaakt hebbende ‘Steenwijker Nieuws- en Advertentie-Blaadje’ bij W.J. Lorgion te Steenwijk. Sedert komt het elken Zaturdag geregeld uit, met gemengd nieuws, een allegaartje van anecdoten, Steenwijker gedachten, spreuken en invallen, eene vrij drukke correspondentie, nog al personeel, enz. De Redactie heeft het al spoedig te kwaad gekregen met de Zwolsche Courant, ter zake van zekeren Huzaren-doctor Roodermeel (reeds in de vorige eeuw ad patres afgemarcheerd) en zij is onnoozel genoeg, niet te begrijpen, dat zij door den geestigen Zwollenaar voor ‘t lapje gehouden wordt’.

[p. 18]

13. ‘Twee dagen later’, zegt de Physiologie, derhalve 22 September 1845, ‘zag het licht een ‘Groninger Nieuws- en Advertentie-Blaadje’ bij de Gebr. J. & J. Oppenheim te Groningen, verschijnende driemalen in de week, en veeltijds nog met Bijlagen. Wegens de uitgebreide marktprijzen, die men er in vindt, is het nog al belangrijk voor den handel. Aan de politiek schijnt niet gedaan te worden; wel treft men er het vaste bestanddeel van een Lilliputter, Gemengde Berigten, in aan, alsmede het zoogenaamde Mengelwerk: anecdootjes, spreukjes, gedachjes, rijmpjes enz.’ – ‘Wat is het toch jammer’, voegde de Physiologie hieraan toe, ‘dat deze laatste produkten, nog zoo piep jong, weldra reeds het leven zullen moeten derven. ‘t Ware gewis beter, dat zij nimmer het licht hadden gezien!’

14. Een Lilliputter waarvan de Physiologie geen melding maakt, is De Ontwaakte Leeuw, omtrent welk blaadje vroeger door mij een en ander is medegedeeld in De Nederlandsche Spectator van 3 Maart 1877, N0. 9. Ik heb daar gezegd dat deze miniatuur van Meeter wel de dagteekening draagt van Maandag 22 September 1845, maar toch inderdaad eerst op Woensdag 24 September is uitgegeven; een van de 100 verspreide exemplaren is in het bezit van den Heer J.P.J.W. Korndörffer, een tweede is in handen van Mr. W.F. De Jonge te Utrecht. Naar aanleiding van hetgeen ik vroeger mededeelde, dat namelijk de huiszoeking bij en de arrestatie van Mingelen en Du Mée (bij wie het blaadje gezet en gedrukt was) in den loop van Vrijdag 26 September, weinige uren nadat Meeter was overgebracht, oorzaak is geworden dat een tweede nummer van De Ontwaakte Leeuw nooit het licht heeft gezien, ofschoon beweerd is dat er toch eenige afdrukken van het zetsel zijn genomen, dat door het ge-

[p. 19]

recht, al ontbrak er ook hoofd en onderschrift aan, werd in beslag genomen, – berichtte Mr. W.F. De Jonge mij indertijd, dat hij ook in het bezit was van een exemplaar van dit tweede zeker zeer zeldzame nummer, evenals het eerste voorzien van een hoofd en gedrukt bij J. Du Mée te ‘s Hage. Maar het is een dubbel blaadje slechts aan de buitenzijden gedrukt; op de eene witte binnenzijde staat met potlood geschreven: ‘Dit blad is nimmer uitgegeven maar vóór de uitgave gesaisisseert, en op de voorhanden zijnde exemplaren beslag gelegd’. In het hoofd is eene drukfout achtergebleven, namelijk: Maandag, in plaats van Vrijdag 26 September 1845.

Waar een tijdgenoot als De Bosch Kemper, Gesch. v. Nederland na 1830, dl. 5, blz. 67, tot de ‘kleine blaadjes onder het zegelformaat’ zoo ten onrechte Asmodée, De Ooijevaar, en De Ooijemoer brengt, was het verre van overbodig de lijst dier blaadjes te geven, althans de poging daartoe te wagen. Een ander tijdgenoot, Jacobus Leunis Van der Vliet, geboren te Zierikzee in 1815, overleden te ‘s-Gravenhage 11 November 1851, die als apothekersbediende in zijne geboortestad begon, en sedert 1845 het algemeen bekende geschrift: De Tijd. Merkwaardigheden der Letterkunde en Geschiedenis van den Dag, voor de beschaafde Wereld. Met platen en portretten. Te ‘s Gravenhage, bij zich zelf tweemaal in de maand het licht deed zien, heeft zich, in de aflevering van 1 Augustus 1845, blz. 93, volgenderwijs over de Miniatuur-Couranten uitgelaten:

‘Terwijl men er zich in Frankrijk en Engeland op toelegt, om het formaat der dagbladen te vergrooten, is men er bij ons te lande al meer en meer op bedacht geworden, om bijzonder kleine dagblaadjes uit te geven, die niet grooter zijn, dan gewone preêkbeurt-briefjes. Zij zijn een

[p. 20]

bepaald getal duimen lang en breed, en juist iets kleiner dan het formaat, waarop de wet het zegel gelast. Zij zijn aldus, als het ware, een bespotting van het zegel, en de goedkoopheid dier blaadjes wordt daardoor zeer vermeerderd. Daarom kan de zoogenaamde gemeene man ze koopen en lezen, namelijk, als hij lezen kan en anders laat hij het door zijne kinderen of buren doen. Hij wordt er door bekend met het ineengedrongen nieuws uit andere hoeken der wereld, met de grieven van zijn eigen gemoed en met de politiek van zijn vaderland, die hij echter uit die blaadjes op de ongunstigste wijze leert kennen. Het zijn kleine wespjes, die op den adem der hekelzucht het land doorvliegen, en meenigeen bitter steken. Reeds bezitten Arnhem, Tiel, Utrecht, Zierikzee en Zwolle, zulke miniatuur-courantjes; zij beginnen doorgaans met eene vreeselijke moordgeschiedenis; daarop volgen gewoonlijk eenige gemengde berigten1, die meestal would be geestig zijn; daarna komt het een of ander ingezonden stuk, een uitvloeisel van persoonlijken haat of een miniatuurvertoog over de belasting, de herziening der grondwet, de ongenoegzaamheid der regering, gebreken in den Koning, zijne zonen en dochteren, enz. Soms kan men er ook kleine epigrammen in lezen, die over het algemeen den geest der oppositie ademen. Het valt niet te ontkennen, dat deze voortbrengselen der periodieke drukpers niet gunstig werken op de ontwikkeling, den smaak en de rust en vredelievendheid van het volk, en vrij waarschijnlijk is, dat het lezen van zulke blaadjes invloed heeft gehad op de onrustige bewegingen in Zierikzee2. Daar de uitgevers goede zaken doen met deze

1Volgens de Physiologie was die rubriek eene vinding van de Kamper Courant.

2Natuurlijk tusschen Augustus 1844 en Juli 1845.

[p. 21]

miniatuur-courantjes, zal men weldra in iedere stad van eenige beteekenis, het voorbeeld der genoemde steden zien volgen, en indien er geen wijziging komt op de zegelwet, en indien zulk een blaadje in handen wordt gesteld van een geestig redakteur, die der oppositie is toegedaan, dan kunnen zij zeer gevaarlijk worden voor het bestuur des lands’.

De Physiologie evenwel betwijfelde ‘het ten sterkste dat de Heer van der Vliet, alias Boudewijn, die blaadjes wel goed gelezen (had). Misschien (had) hij het alleen maar van hooren zeggen, of dat hij ze allen (beoordeelde) naar wijlen het Haagsche Lilliputtertje van Meeter’.

Dit laatste vermoeden komt mij verre van ongegrond voor, want het heeft er veel van alsof juist Meeter met zijnen Haagsche Miniatuur-Nieuwsbode de Lilliputters in een’ slechten reuk heeft gebracht, en dat hij heeft gemaakt, dat die blaadjes, die de Kamper Courant, blijkens de Physiologie, wegens hunnen stekeligen inhoud, moskieten of muggen noemde, door een’ Amsterdammer in het Journal du Commerce d’Anvers met den vereerenden titel van ‘libellen eener Kanaille-pers’ konden worden bestempeld. ‘De eerste Lilliputters’ toch hadden, volgens de Physiologie, ‘niet veel om het lijf, en bevatten, bijna uitsluitend, nieuws van plaatselijk belang’. Onder de toenmalige tijdsomstandigheden evenwel moest het weldra anders worden. Wien toch, niet al te jong van dagen, staat het niet levendig voor den geest, hoe de zoogenaamde Vrijwillige Leening sedert de laatste dagen van 1843 onder alle standen, in alle kringen, door oud en jong werd besproken en weerzin verwekte; hoe een jaar later de ontevredenheid toenam door de verwerping van het zoo vurig gewenscht voorstel tot grondwetsherziening; hoe weinig tijds daarna de aardappelenziekte gepaard met

[p. 22]

duurte van andere levensmiddelen in sommige plaatsen ongeregeldheden veroorzaakte; alles te zamen verschijnselen des tijds in overvloed om zich af te spiegelen op de kleinst mogelijke ruimte papier waarover de pers te beschikken had. Zoo dan moet de loop der omstandigheden hebben teweeggebracht, dat de kleine blaadjes, die onder begunstiging eener wetsbepaling van 1832, algemeener gemaakt in 1843, ongezegeld, dus zeer goedkoop, het licht konden zien, en oorspronkelijk slechts onschuldige nieuwsblaadjes waren, geheel overeenkomstig hun karakter, in de jaren 1844 en 1845 het staatkundig nieuws van den dag moesten meedeelen waarvan ieder den mond vol had, en dat wel wegens beperkte ruimte in een’ vorm zoo bondig, puntig mogelijk, en bij de algemeene stemming in afkeurenden zin. Eijlart Meeter vervulde hier stellig en zeker in 1845 eene hoofdrol.

Zóó door de bepalingen van de Wet zelve te worden gefopt en aangevallen, was voor Van Hall, op wien, als de ziel der regeering, alle slagen neerkwamen, wat kras! Maar de door en door gevatte staatsman wist wel raad! In de bijeenkomst der Tweede Kamer van Maandag 27 October 1845, één maand dus nadat Meeter reeds achter slot was gebracht, kwam eene Koninklijke Boodschap in, met daarbij behoorend Ontwerp van Wet en Memorie van Toelichting, van den 24sten October. Dat Ontwerp van Wet tot wijziging van de Wet van den 3den October 1843 (Staatsblad N0. 47), op het Zegel, medegedeeld in de Nederlandsche Staats-Courant van Dinsdag 28 October 1845, N0. 255, blz. 1, kol. 1, was van den volgenden inhoud:

‘Wij Willem II, enz.’

‘Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat de vrijstelling van zegel, bij de wet van 3 October 1843

[p. 23]

(Staatsblad n0. 47) toegekend aan drukwerken waarvan het papier geene grootere oppervlakte heeft, dan twee vierkante Nederlandsche palmen, tegen de oorspronkelijke bedoeling is te baat genomen tot de ongezegelde uitgifte van nieuwsbladen van die verkleinde oppervlakte, en dat die wet alzoo behoort te worden gewijzigd’,

‘Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:’

‘Eenig, artikel.’

‘Artikel 27, letter C, n0. 1 der wet van 3 October 1843 (Staatsblad n0. 47) wordt voortaan gelezen als volgt:’ ‘Alle drukwerken, waarvan het papier geene grootere oppervlakte heeft dan twee Nederlandsche palmen, met uitondering der dagbladen, couranten en nieuwspapieren’.

‘Lasten en bevelen, enz.’

De hierbij behoorende Memorie van Toelichting luidde als volgt:

‘In art. 39, n0. 10, der wet van den 16den Junij 1832 (Staatsblad n0. 29) zijn van het zegel vrijgesteld ‘de aanplakbiljetten, berigten, aankondigingen, mitsgaders adressen van woning, wanneer het papier geene grootere oppervlakte had dan twee Nederlandsche palmen’.

‘Eene gelijke vrijstelling van zegel is in de wet van 3 October 1843 (Staatsblad n0. 47) toegekend, maar de algemeenheid der uitdrukkingen in art. 27, litt. C, n0. 1 dier wet voorkomende, heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan van ongezegelde nieuwsblaadjes, welke, in een verkleind formaat uitgegeven, en onder de geringere volksklasse verspreid, eene begunstiging boven andere dagbladen genieten, op welke derzelver strekking en inhoud geenszins eenige aanspraak geeft’.

[p. 24]

‘De vrijstelling, gelijk de wet van 16 Junij 1832 uitwijst, was uitsluitend bestemd, om geringere neringen en bedrijven aan welke men, door gedrukte berigten, eenige bekendheid tracht te geven, in derzelver uitoefening niet te bezwaren of te belemmeren’.

‘Het is uit dit tweeledig oogpunt, dat de wet van 3 October 1843, op het zegel, eene verduidelijking vereischt; eene geringe verandering zal aan het oogmerk voldoen, en eene vrijstelling doen vervallen, welke noch door het het belang der schatkist, noch door dat der maatschappij gevorderd wordt’.

Hoe andere Lilliputters dit wets-ontwerp beoordeelden is mij niet bekend, maar blijkens de Physiologie sprak het ‘Nieuws- en Advertentie-Blaadje voor Zwolle, Deventer, Zutphen en Apeldoorn’ in N0. 90, van Dinsdag 4 November 1845, er het volgend oordeel over uit:

‘De Heer van Hall gelieft te zeggen, tot aanprijzing van zijn voorstel, om de Lilliputters den nek te breken, dat zij ‘eene begunstiging boven andere dagbladen genieten, op welke derzelver strekking en inhoud geenszins eenige aanspraak geeft’, waarom wordt voorgesteld, ‘eene vrijstelling (van zegel) te doen vervallen, welke noch door het belang der Schatkist, noch door dat der Maatschappij gevorderd wordt’.’

‘Dat de strekking en inhoud van enkele dier blaadjes, welke niet onder den plak staan van Gemeente-besturen, (gelijk het Zierikzeesche, het Arnhemsche, het Harderwijker en het onze) den Ministers niet bevallen, gelooven wij geredelijk: niemand toch wordt, bij kwade zaken, gaarne op de vingers gezien; en dat zij vooral met leede oogen aanzien, dat ook de mindere standen, wegens de min kostbaarheid dier blaadjes, onderrigt worden, hoe er al zoo met de natie gehandeld wordt, is geheel natuurlijk’.

[p. 25]

‘Dat het belang der Schatkist er door benadeeld zoude worden, is eene in ‘t oog vallende onwaarheid. Integendeel, de Miris trekt van de Miniatuurtjes. Voor elke advertentie, die er in geplaatst wordt, betaalt men even zoo goed 34 1/2 Ct. alsof zij in een gewoon dagblad werd opgenomen; en vele dier advertentiën, hoofdzakelijk in plaatsen waar geene andere dagbladen verschijnen, als Zutphen, Apeldoorn, Harderwijk, Zwartsluis, Steenwijk, Meppel enz. enz. zouden achterwege blijven, waarvoor thans aan de Schatkist geofferd wordt. Ons blaadje alleen draagt nog pl. min. 100 gulden ‘s jaars daartoe bij; eene geringe som, wel is waar, in vergelijking tot een Budjet van 70 millioen; maar rekent onze Minister van Finantiën niet zelf, dat veel kleintjes één groote maken? Ook de gewone Couranten worden door hare zusjes geenszins benadeeld. Zij worden er niet minder om gelezen; integendeel wekken deze laatste den lust op, om ook met de volwassenen kennis te maken. Ze zijn voor velen het A B C boek der Couranten-lectuur. Dat die blaadjes tegen het belang der Maatschappij zouden zijn, is insgelijks eene onwaarheid. Men moet hier, in plaats van Maatschappij, Ministers lezen, en dan is het volkomen waar’.

‘Het belang van Ministers toch, en van alle Aristocraten en Oligarchen, zoo groote als kleine, is immers, dat het volk zwijge, geloovig vertrouwe, hen love en prijze, en blijmoedig betale! En vordert, daarentegen, het belang der Maatschappij, der Natie, niet, dat men haar naar waarheid inlicht, hare regten, verpligtingen en belangen leert kennen, de gelegenheid aanbiedt, om zich opentlijk te kunnen beklagen of verdedigen, wanneer haar onregt geschiedt; dat onwettige handelingen, door wie ook begaan, aan het licht worden gebragt? Ook het gerief en voordeel, dat er, niet alleen voor de neringdoenden (dit geldt

[p. 26]

toch bij onzen wijsgeerigen Minister in Nederlandschen zin, niet veel), maar ook voor den partikulier in gelegen is, om op eene spoedige en minkostbare wijze iets van plaatselijke strekking aangekondigd te krijgen (waartoe anders geene dan veel kostbaarder en minder doelmatige middelen bestaan), meenen wij wel degelijk in ‘t belang der Maatschappij te moeten rekenen’.

‘Van de eene zijde wordt gewerkt op de verliGting (onzer beurzen); van de andere op de verliCHting (van den geest). Vandaar de verschillende belangen’.

‘Wij tarten de Ministers, ons aan te toonen, dat één der thans nog bestaande blaadjes, in strekking en inhoud eenen verderfelijken geest hebben aan den dag gelegd, die maatschappelijke banden konden schaden? Hebben zij niet al de pogingen, die door het graauw hier en daar, ter verstoring der rust werden aangewend, ten sterkste afgekeurd, en tot orde en onderwerping aan de wetten, met alle kracht aangemaand? Moet dit eene nadeelige strekking, een gevaarlijken inhoud heeten?’

‘Men leze die blaadjes en oordeele! Maar de bijl ligt aan den wortel! Van eene Tweede Kamer is geen heil voor ons te wachten. Wij zijn echter op den slag voorbereid, en weten wat ons te doen staat’.

Een week later bleek in de Nederlandsche Staats-Courant van Donderdag 13 November 1845, N0. 269, blz. 2, kol. 2, van het aanvankelijk oordeel door de Tweede Kamer over het wets-ontwerp uitgesproken. In het verslag namelijk ‘in Centrale afdeeling vastgesteld, op Dinsdag 11 November 1845’ werd gezegd, dat ‘reeds bij gelegenheid van de behandeling der wet van den 16den Junij 1832 (Staatsblad n0. 29)’ – ‘in eene der afdeelingen van de Tweede Kamer de vrees (was) te kennen gegeven, dat de daarbij verleende vrijstelling tot ontduiking

[p. 27]

van het regt aanleiding zou kunnen geven, in welke vrees de Regering destijds, bij de meerdere bepaaldheid der gebezigde uitdrukking, verklaarde niet te kunnen deelen’. Verder werd in het verslag gezegd:

‘Bij het voorloopig onderzoek van deze voordragt heeft de groote meerderheid der leden van de Tweede Kamer verklaard zich met dezelve te kunnen vereenigen. Aan eenige literale bedenkingen, welke bij die gelegenheid in het midden gebragt zijn, is de Regering door eene gewijzigde redactie te gemoet gekomen, terwijl zij ten aanzien van de bedenking of marktberigten in klein formaat, die thans aan geen zegel onderworpen zijn, daarvan in het vervolg vrijgesteld zouden blijven, bij hare beantwoording eene geruststellende verzekering heeft gevoegd’.

‘Bij het nader onderzoek in de afdeelingen hebben enkele leden evenwel de vrees geuit, dat die verzekering in de toepassing welligt onvoldoende zoude kunnen zijn, om aan de bedoelde marktberigten het voorregt der vrijstelling op den duur te waarborgen, weshalve zij den wensch te kennen hebben gegeven, dat de vrijstelling alsnog in de wet zelve met name worde uitgedrukt’.

‘Terwijl overigens de beantwoording door de groote meerderheid voor kennisgeving is aangenomen, hebben daarentegen sommige leden hun leedwezen betuigd wegens de onvolledigheid van dat antwoord, in hetwelk niet alle punten, die in het voorloopig verslag waren aangeroerd, zijn opgenomen en behandeld, en waarbij zelfs eene zeer belangrijke bedenking, waaraan door sommige dier leden veel gewigt werd gehecht, geheel met stilzwijgen is voorbijgegaan’.

‘Die bedenking namelijk betrof de geheele strekking van het wetsontwerp, waarin sommige leden gemeend hadden het geheime oogmerk te bespeuren om de vrijheid

[p. 28]

der drukpers te fnuiken, door de uitgave en verspreiding van kleinere nieuwsblaadjes te belemmeren en tegen te gaan. Zij hadden zich te dien opzigte op de memorie van toelichting zelve beroepen, waarbij, als eene reden tot opheffing der genotene vrijstelling, was gewezen op de strekking en den inhoud van die nieuwsblaadjes; hetgeen dan ook bij gelegenheid van het voorloopig onderzoek aan de meerderheid, die in de aangebodene voordragt niet anders dan eene belastingwet had gezien, aanleiding had gegeven om het verlangen te uiten, dat in den considerans meer duidelijk zou worden opgegeven, uit welk oogpunt de tegenwoordige voordragt eigenlijk moest worden beschouwd’.

‘Het stilzwijgen nu, hetwelk omtrent dit geheele punt in de memorie van beantwoording bewaard is, heeft de aandacht van onderscheiden leden getrokken, die meenden dat de Regering inderdaad beter zou hebben gedaan om de staatkundige strekking van hare voordragt niet te willen verbergen of ontveinzen. Enkele dier leden beschouwden dat stilzwijgen als veelbeteekenend, en als een blijk dat hunne opvatting ten aanzien van de voornaamste zoo niet eenige bedoeling dezer voordragt geenszins van grond ontbloot was geweest. Zij verklaarden overigens in het streven der Regering, om met behulp eener belastingwet de vernietiging der kleine dagbladen en nieuwspapieren tot stand te brengen, een ongeoorloofd en ongrondwettig middel te zien ter verkorting van de vrijheid der drukpers, – een middel, hetwelk trouwens, naar het gevoelen dier leden, voor zeer ontoereikend te houden is, vermits het zeer gemakkelijk zal zijn, door verandering van vorm en inkleeding, deze nieuwe wetsbepaling te ontduiken. Zij oordeelden daarteboven, dat de uitdrukking nieuwspapieren, in deze voordragt gebezigd, aanleiding zal geven

[p. 29]

tot veelvuldige fiscale vexatien en toepassing dezer wet tegen haren zin en bedoeling. Zij hebben eindelijk doen opmerken, dat de Regering bij deze voordragt van eene verkeerde onderstelling is uitgegaan, daar zij niet konden toegeven, hetgeen in den considerans van het wets-ontwerp wordt gezegd, dat het de bedoeling der wet van 3 October 1843 niet zoude zijn geweest, de kleinere dagbladen van het zegel vrij te stellen’.

De ‘literale bedenkingen’ bij het voorloopig onderzoek opgeworpen, waaraan de Regeering door eene gewijzigde redactie te gemoet kwam, moeten, bij vergelijking van het Ontwerp met de Wet, zooals die later in het Staatsblad N0. 86 van 1845 verscheen, hierin hebben bestaan, dat in den considerans de uitdrukking ‘verkleinde oppervlakte’ minder gewenscht werd geacht, en vervangen werd door de woorden ‘kleinere oppervlakte’, en dat in het eenig artikel voor ‘twee Nederlandsche palmen’ de aanwijzing ‘twee vierkante Nederlandsche palmen’ wenschelijk werd gekeurd, geheel in overeenstemming én met het bepaalde in den considerans van het wets-voorstel, én met den inhoud van de wet van 1843. Verder werd nog in het eerste lid van het eenig artikel de uitdrukking: ‘wordt voortaan gelezen als volgt’, veranderd in ‘zal luiden als volgt.’

In de zitting der Tweede Kamer van Vrijdag 14 November 1845 kwam het wets-ontwerp in beraadslaging. De rij der sprekers werd geopend door Mr. B. Wichers, den Vice-President van het Provinciaal Gerechtshof van Groningen, die zich vroeger sterk tegen de regeering had uitgelaten, en door de Staten van Groningen op 19 Juli 1844 afgevaardigd was ter vervanging van den, eerst sedert 1843 zitting hebbenden, en acht dagen vroeger plotseling overleden 35 jarigen Groningschen Advocaat Mr.

[p. 30]

Tj. P. Tresling; weldra meer bekend als een der negen mannen die een voorstel tot grondwetsherziening deden, werd hij reeds op 7 Juli 1846, tengevolge van welke ininvloeden ook, vervangen door Mr. C.M. Nap, maar dertien jaren later, toen de Heer S. Blaupot ten Cate, wegens zijne benoeming tot Inspecteur van het Lager Onderwijs in de provincie Groningen, op 6 Augustus 1859 zijn ontslag nam als lid der Tweede Kamer, werd Mr. B. Wichers op 30 Augustus andermaal gekozen, en nam hij op 20 September zitting; op 23 Augustus 1863 nam hij wegens gevorderden ouderdom zijn ontslag, en werd op 16 September daaraanvolgende vervangen door Mr. J.H. Geertsema Cz. Blijkens de Nederlandsche Staats-Courant nu, waarin destijds de beraadslagingen in de Tweede Kamer gehouden zoo uitvoerig en onpartijdig werden medegedeeld als mogelijk was, van Maandag 17 November 1845, N0. 272, blz. 3, kol. 2, bestreed Mr. Wichers het wets-ontwerp in de volgende bewoordingen:

‘Het bij dit wets-ontwerp voorgedragen middel is nadeelig in strekking, en het denkbeeld, waarvan men daarbij uitgaat, is onjuist en het gevolg eener verkeerde voorstelling. De strekking der wet blijkt duidelijk uit de memorie van toelichting. Tot nu toe waren kleine nieuwsblaadjes vrij van zegel, maar er zijn zoodanige blaadjes in het licht verschenen, wier strekking de Regering niet goed kan keuren, en nu wil zij door middel van het zegelregt derzelver uitgave bemoeijelijken. Ziet daar dus eene belasting gebezigd tot het bereiken van een staatkundig doel, en de Kamer geroepen om over eene staatkundige gelegenheidswet te beraadslagen. De spreker vraagt of de bestaande strafwetten, gedeeltelijk ook afkomstig van den op zijn gezag zoo naijverigen Franschen Keizer, dan niet genoegzaam zijn om aanranding der Re-

[p. 31]

gering, burgertwisten, oproer, hoon en laster te beteugelen; en of de regterlijke magt dergelijke overtredingen straffeloos laat bedrijven? Neen, op de regterlijke magt kleeft niet de blaam, dien men ingewikkeld haar heeft willen aanwrijven. Men kan de bestraffing der misdrijven, welker voorkoming men bij het wets-ontwerp op het oog had, gerustelijk aan de voorziening der strafwet en het oordeel des regters overlaten. Eene belastingwet moet uit een zuiver finantieel oogpunt worden daargesteld; eene strafwet alleen moet het voorkomen van misdaden ten doel hebben. Bij het tegenwoordig wets-ontwerp is dit onderscheid niet in het oog gehouden, en bestaat er in dit opzigt verwarring van begrippen, die de spreker voor strijdig houdt met de eerste beginselen eener beschaafde wetgeving. Door de aanneming van het wets-ontwerp zou, zijnes inziens, eene schrede gedaan worden op eenen weg, die op donkere bijpaden uitloopt. Want wat zal verhinderen, dat men, na eene eerste schrede gedaan te hebben, eene schrede verder ga? Het verwacht wordende nieuwe Strafwetboek zou men op die wijze eveneens aan een daaraan geheel vreemd doel dienstbaar kunnen maken; men zou daarbij eene gedeeltelijke verbeurdverklaring van goederen kunnen opnemen, op grond dat alleen de geheele verbeurdverklaring bij de grondwet verboden is. Tot zulke schromelijke gevolgen leidt het, wanneer men eenmaal de eigenaardige perken overschrijdt. De spreker toont vervolgens aan, van welke onjuiste denkbeelden en voorstellingen de Regering, zijnes inziens, ten deze is uitgegaan. Zoo wordt in de memorie van toelichting gezegd, dat de kleinere nieuwsblaadjes eene begunstiging boven de grootere genoten en dat men deze begunstiging wil doen ophouden. Deze voorstelling der zaak acht hij onjuist. Er is geene bevoorregting mogelijk, dan waar

[p. 32]

eigenaars of bezitters zijn, en de Regering heeft dus te kennen willen geven dat de uitgevers van kleinere dagbladen thans boven die van grootere dagbladen begunstigd zijn. Maar zijn, vraagt de spreker, de uitgevers der groote dagbladen altijd andere personen dan die van kleinere bladen? Dit is het geval niet of zou dit wel niet altijd blijven en de uitgever van beiderlei soorten van bladen zou dus ten gevolge der voorgedragene wet, dikwijls dubbel belast worden en meer moeten betalen dan vroeger. Hieruit blijkt reeds de onjuistheid van dit denkbeeld der Regering genoegzaam. De spreker merkt ten dezen aanzien nog op, dat elke belasting steunt op de behoefte van den Staat, en wanneer het voor die behoefte noodzakelijk is den eenen te belasten, volgt daaruit nog niet dat ook de andere belast moet worden. De wet heeft bepaald, dat van de bladen van eene gegevene grootte eene belasting zal worden voldaan en van die beneden de aangewezene grootte niet. Hierdoor nu wordt geene bevoorregting der kleinere dagbladen daargesteld, maar dit toont alleen, dat de behoefte der schatkist niet zoo groot is, dat er eene belasting op eene ruimere schaal noodig wordt geacht. – Een ander onjuist denkbeeld, waarvan de Regering ten deze is uitgegaan, is, volgens den spreker, dat het de bedoeling der wet van October 1843 geweest zou zijn, om ook de kleinere bladen aan een zegelregt te onderwerpen, om welke bedoeling te bewijzen de Regering tot de wet van Junij 1832 opklimt. Daarlatende of het in het algemeen rationeel is bij de toepassing eener wet, hare bedoeling op te maken uit eene andere die tien jaren vroeger gemaakt is, merkt de spreker aan, dat dit beweren, zijnes inziens, geheel strijdig is met den aard eener belastingwet, omdat de behoefte der schatkist op het eene tijdstip geheel anders kan ge-

[p. 33]

geweest zijn dan op het andere, en men bij de eene wet van geheel andere grondstellingen kan zijn uitgegaan dan bij de andere. Dit geldt ten opzigte van alle belastingwetten, maar vooral in het onderwerpelijk geval. In den considerans toch der wet van 1832 wordt gezegd: ‘en willende tevens de uitvoering der tot dit onderwerp betrekkelijke bepalingen, zoo veel mogelijk, verduidelijken en vereenvoudigen, in afwachting der na de invoering der nieuwe Nederlandsche burgerlijke wetgeving voor te nemene herziening der wetten op de indirecte belastingen’, zoodat door de herziening, welke na de invoering van het Burgerlijk Wetboek, in verband daarmede noodzakelijk was en in 1843 heeft plaats gehad, alle vorige bepalingen omtrent het zegelregt ophielden van kracht te zijn. Daarom werd dan ook bij de wet van 1843 in art. 45 bepaald, dat alle vroegere wettelijke verordeningen op het regt van zegel vervielen, behoudens de vrijstellingen vermeld in art. 27, n0. 71 dier wet, en in dit artikel werden onderscheidene bij vroegere wetten verleende vrijstellingen alle bij name opgenoemd en bestendigd. Wat intusschen zou, wanneer het bestredene denkbeeld der Regering waarheid was, eenvoudiger geweest zijn dan dat de wet van 1843 daarbij ook de hier in aanmerking komende bepaling der wet van 1832 vermeld had? Aan vergissing valt hier niet te denken, want de aanhaling der uitzonderingen heeft tot twaalf malen toe plaats. De wetgever van 1843 had dus niet dezelfde bedoeling als die van 1832. In het genoemde art. 27, n0. 71, waar het bestendiging van vroeger verleende vrijstellingen geldt, wordt gezegd: ‘worden in stand gehouden de vrijstellingen, bepaald,’ enz. terwijl ten opzigte van de zaak in geschil eene andere uitdrukking gebezigd wordt, namelijk: ‘van het zegelregt zijn vrijgesteld’. De algemeene uit-

[p. 34]

drukking in art. 27, C, n0. 1 is dus én naar de letter én naar den geest der wet ook op kleine bladen toepasselijk en het voorgedragen wets-ontwerp bevat alzoo niet eene autentieke interpretatie der wet van 1843, maar is inderdaad eene nieuwe belastingwet, tot iets anders moetende strekken, dan daarbij wordt opgegeven.’

Een tweede bestrijder van het ontwerp was Mr. S. Baron Van Heemstra, die 9 Juli 1844 door de Staten van Friesland tot lid der Tweede Kamer gekozen, weldra ook behoorde tot het bekende negental, van 30 Juni 1848 tot 31 October 1849 Minister voor de zaken der Hervormde en andere eerediensten was, weinige dagen later andermaal lid der Kamer voor Leeuwarden tot 20 Augustus 1850, daarna Commissaris des Konings in Utrecht tot 31 Maart 1858, daarop in Zeeland tot 2 Maart 1860, Minister van Binnenlandsche Zaken tot 31 Januari 1862, eindelijk voor de derdemaal lid der Kamer voor Middelburg van September 1862 tot December 18641. Deze spreker was ‘in de eerste plaats, van oordeel, dat de aanleiding tot het indienen dezer wet verkeerd is opgegeven, en zal bij de behandeling van dit punt de Regering volgen in hare eigene beschouwingen. De thans bestaande zegelwet geeft vrijstelling van het zegel aan blaadjes beneden eene bepaalde grootte. Het gevolg daarvan is, gelijk de Regering zegt en de spreker beaamt, geweest, dat er ongezegelde nieuwsblaadjes ontstaan en verspreid zijn geworden, die in een verkleind formaat worden uitgegeven. Wat de inhoud dier blaadjes betreft, de spreker verklaart ze niet te kennen. Hij wil echter met de Regering aannemen, dat zij zich niet alleen bepalen tot het vermelden van nieuws; dat daarin verkondigd wordt wat men niet

1Zie zijn levensbericht door Mr. J. Dirks in Levensb. dezer Maatschappij 1865, blz. 180.

[p. 35]

gaarne verkondigd zag; dat zij een satiriek karakter bezitten, en daarin met meerdere scherpte de Regering zelve wordt aangevallen. Had men in die blaadjes de beschouwingen der Regering goedgekeurd, deze wet zou niet aangeboden zijn. Nu echter, omdat men de strekking dier blaadjes verkeerd achtte, omdat de daden van het bestuur daarin beoordeeld worden op eene wijze die men niet gaarne zag, wil men ze van hun bestaan berooven. Daarin ligt dus de aanleiding tot het indienen dezer wet. Maar, naar het oordeel des sprekers, is het beneden de waardigheid der Regering om tot eenen strijd tegen dagbladschrijvers af te dalen. Zij moet in haar zelve kracht genoeg bezitten om zich aan zulke aanvallen niet gelegen te laten liggen. Men heeft naar een middel rondgezien om daaraan een einde te maken. Slechts één middel had daarbij in aanmerking bëhooren te komen, namelijk, dat de minister van Justitie door de procureurs-generaal liet vervolgen de schrijvers van zoodanige blaadjes, die onrust stoken. Maar neen, de magt der justitie schoot hier te kort, en men wil dus door eene belastingwet bereiken, hetgeen niet door eene toepassing der strafwetten te verkrijgen was. – Dit brengt den spreker tot een tweede punt, dat namelijk het doel der wet verkeerd is. Het geschrijf, waarvan hier sprake is, is strafbaar, ja of neen. Is het strafbaar, waarom dan degenen, die zich aan misbruik van de vrijheid der drukpers schuldig maken, niet streng vervolgd? De regterlijke collegien zullen, indien hier werkelijk zoodanig misbruik bestaat, in die vervolging niet achterlijk zijn. Mogt dit echter het geval zijn, dan is de Minister van Justitie daar, om de ambtenaren van het publiek ministerie bij hunnen pligt te houden. Is daarentegen het geschrijf niet strafbaar, dan doen deze schrijvers niets anders dan gebruik maken van een regt, het-

[p. 36]

welk ieder in Nederland bezit, namelijk om zijne gedachten door middel der drukpers openbaar te maken. Langs den koninklijken weg de blaadjes, waarvan gesproken wordt, niet van hun bestaan kunnende berooven, heeft men daartoe zijpaden ingeslagen. Men wil in stilte en in ‘t geheim het leven berooven aan de zoodanigen, over wie men in ‘t openbaar geen vonnis kan doen uitspreken. – In de derde plaats acht de spreker het middel, waarvan men zich hier bedient, onvoldoende en verkeerd. Door ontduiking der wet zal men hetzelfde trachten te doen, wat de Regering thans wil beletten. De spreker wil dit niet door voorbeelden bewijzen; zij zullen weldra bekend worden, en het zal ook hier zijn: Incidit in Scyllam, qui vult vitare Charybdin. Het wets-ontwerp is daarenboven, naar het oordeel des sprekers, te veelomvattend. Op welken grond geeft Zijne Excellentie de Minister de verzekering, dat de marktberigten van het zegelregt zullen worden vrijgesteld? Zouden blaadjes, waarin het nieuws der markt, het nieuws der beurs, de rijzing en daling der prijzen worden medegedeeld, geene nieuwsbladen zijn? En zoo ja, wat geeft dan het regt, om zekere nieuwsbladen van de algemeene verpligting omtrent het zegelregt te verschoonen? Men zegge niet, dat hier eene bloot finantiele wet is voorgesteld, dat men slechts het beginsel der gelijkheid van lasten heeft willen handhaven. De Regering zelve heeft het aangewezen, dat zij iets anders beoogt. – Ten slotte maakt de spreker eene opmerking, die, zoo hij zegt, evenzeer op het verhandelde over dit, als over andere wets-ontwerpen toepasselijk is. Zij bestaat hierin, dat, wanneer de Regering voor een ingediend wets-ontwerp op eene meerderheid in deze Kamer rekent, zij het der moeite niet waardig acht, om de bedenkingen der minderheid te beantwoorden. Hij acht dit hoogst

[p. 37]

verkeerd. Het moet der Regering niet te doen zijn, om alleen eene meerderheid van stemmen te verwerven, maar wel om door kracht van argumenten alle bezwaren tegen een aanhangig wets-ontwerp uit den weg te ruimen, al waren die bezwaren ook van een enkel lid afkomstig’.

Een derde bestrijder was Mr. J. Corver Hooft, een veteraan der Kamer, daar hij reeds sedert 1824 voor Noord-Holland zitting had1. Van diens redevoering opgenomen in de Nederlandsche Staats-Courant van Dinsdag 18 November 1845, N0. 273, blz. 1, kol. 1, werd twee dagen later in dezelfde courant van Donderdag 20 November 1845, N0. 275, Bijv. blz. 3, kol. 1, de volgende verbeterde lezing gegeven: ‘Indien het hier alleenlijk sprake ware van eene wijziging of verduidelijking in een artikel van de wet op het zegel, en dat er noch in het voorloopig verslag, noch in de memorie van beantwoording eenige melding gemaakt ware geweest van den zijdelingschen invloed, dien deze wijziging op de onbelemmerde vrijheid der drukpers konde hebben, zoude ik het woord niet hebben gevraagd over een wets-ontwerp oogenschijnlijk van een zeer beperkt belang; of zoude ik mij ten minste hebben kunnen bepalen tot de aanmerking of de uitdrukking nieuwspapieren in deze voordragt gebezigd, niet aanleiding zoude kunnen geven tot veelvuldige fiscale vexatien, door onder dezelve te begrijpen zoodanige marktberigten of prijs-couranten, hetzij van effecten, hetzij van andere goederen, die dagelijks of wekelijks, of op gezette tijden verschijnen, en die uit hunnen aard moeijelijk van dagbladen, couranten en nieuwspapieren door omschrijving onderscheiden kunnen worden; terwijl het niet genoegzaam is, dat die bedoeling in de memorie van beant-

1De Bosch Kemper, De Staatk. Gesch. v. Nederland tot 1830, blz. 659.

[p. 38]

woording gevonden wordt, zonder dat dit in de wet zelve zij opgenomen’. – ‘Doch nu, dat in het voorloopig verslag als een gevoelen van de minderheid is opgegeven, dat onder deze voordragt voornamelijk het voornemen ligt opgesloten om op deze wijze de verspreiding van kleinere nieuwsbladen tegen te werken, en alzoo op eene bedekte wijze de vrijheid der drukpers te fnuiken, nu, dat dit doel in de memorie van beantwoording niet onduidelijk doorstraalt, nu, zeg ik, komt de zaak mij van oneindig meer belang voor, en stel ik het mij tot pligt, het stilzwijgen daarover niet te bewaren, maar openlijk voor mijn gevoelen uit te komen. Dit had de Regering naar mijn inzien ook behooren te doen, en indien bij haar de overtuiging bestaat, dat maatregelen tegen de ongebondenheid der drukpers genomen moeten worden, moest zij eene wet op de verantwoordelijkheid van schrijvers, drukkers en uitgevers voorslaan, en zich niet verschuilen achter gezochte of voorgewende ontduikingen op eene zegelwet, die zeker niet genoegzaam is, om deze hoogst moeijelijke materie te regelen. De vrijheid van de drukpers, Edel Mogende Heeren, is het palladium van alle vrijheid; men behoort ze onder alle vormen te eerbiedigen en alles te vermijden, wat haar regtstreeks of zijdelings belemmeren kan. Laat elk openlijk voor zijn gevoelen uitkomen. Waar vrijheid heerscht, bestrijdt, vernietigt de eene dwaling de andere, tot dat eindelijk de waarheid zegeviert. De hartstogten door de vrije drukpers zoo ligt in beroering gezet, waar deze in de zeden eener natie nog niet is doorgedrongen, bedaren, of schamen zich, zich te vertoonen, waar zij een bestanddeel van het politiek bestaan uitmaakt’. – ‘Waant echter niet, Edel Mogende Heeren, dat ik de buitensporigheden der drukpers zoude voorstaan. Daaraan schrijf ik dien geest van insubordinatie toe, die zich alom openbaart.

[p. 39]

Alle eerbied voor de wet, alle ontzag voor de overheid, alle ondergeschiktheid voor zijne meerderen gaat bij de jeugd verloren, waar onophoudelijk en op alle mogelijke toonen al voor wat eerwaardig in de maatschappij gehouden moet worden, ongestraft aan de minachting wordt prijs gegeven. Dit is reeds zoo verre gekomen, dat in de meeste landen van Europa de naam van de jeugdige bevolking en die van oproermakers dezelfde beteekenis bekomen heeft. Het is tijd en meer dan tijd, dat dit met kracht tegengegaan wordt, maar dit doel zal niet bereikt worden door te chicaneren over de uitgestrektheid, die een blad hebben moet, om het aan het regt van zegel te onderwerpen. Daartoe behooren krachtiger maatregelen. Elk blad, groot of klein, gezegeld of ongezegeld, moet verantwoordelijk zijn voor hetgeen daarin wordt gelezen. Behelst het waarheid, zoo moet dezelve geëerbiedigd worden, al ware het ook ten koste van wien het ook zij. Maar de minste afwijking van de waarheid in de aanhaling der daadzaken, de minste lasterlijke aantijging tegen de personen, moet door de zich beleedigd achtende partij vervolgd en achterhaald kunnen worden, hetzij dan dat het publieke autoriteiten, hetzij dat het particulieren geldt’. – ‘Eene strenge wet tegen de misdrijven der drukpers, de vervolging daarvan aan het publiek ministerie opgedragen, en eene onverbiddelijke toepassing der strafbepaling, – ziedaar, Edel Mogende Heeren, het eenig middel tegen dit kwaad, dat geenszins door de voorgedragen wet getroffen zal worden. Ik zal tegen de wet stemmen’.

Het algemeen bekende en geachte lid der Kamer sedert 1828 voor Zuid-Holland, Mr. L.C. Luzac1, zeide

1Zie zijn levensbericht door Mr. G.W. Vreede, in Levensb. dezer Maatschappij van 1862.

[p. 40]

‘dat dit wets-ontwerp ook hem bij den eersten opslag allereenvoudigst en natuurlijk toescheen; doch toen hij in de memorie van toelichting las, dat de bedoeling van den maatregel was, om aan de kleine nieuwsblaadjes eene begunstiging te ontnemen, waarop zij door strekking en inhoud geenszins eenige aanspraak hadden, werd het hem duidelijk, dat hier geene quaestie meer was van eene zegelwet of van het belang der schatkist, maar dat de wet eene staatkundige strekking had. Hij vroeg zich zelven dus af, of hij mede kon werken tot het doel der Regering, en in de tweede plaats, of, zoo hij al met haar van gevoelen kon zijn, dat de kleine courantjes behoorden beteugeld te worden, hij dan de wijze, waarop men dit wilde doen eenigermate kon goedkeuren. Hij heeft beide die vragen ontkennend moeten beantwoorden. Hij acht het hoofddoel, dat men zich met deze wet voorstelt, nadeelig voor het palladium onzer vrijheid, beleedigend voor de regterlijke magt en allezins beneden de waardigheid der Regering. Hij is daarenboven van oordeel, dat zoo al het doel goed ware, het daartoe voorgedragen middel schadelijk, nadeelig en onstaatkundig zou zijn’. – ‘Het hoofddoel der wet is, volgens den spreker, beperking of inkrimping der vrijheid van drukpers, vermindering der publiciteit en van de vrije uiting der gedachten, door middel eener belasting. Het is dus in strijd met art. 225 der grondwet, hetwelk men onlangs, bij het verhandelde over de herziening derzelve, toen van eene verplaatsing van dat artikel quaestie was, onder het hoofdstuk van het onderwijs behouden wilde hebben, omdat de drukpers beschouwd werd als een middel van onderwijs1. Men zal zeggen, dat dan toch op de groote

1Art. 225 van de Grondwet van 1840 luidde: ‘Het is aan elk geoorloofd om zijne gedachten en gevoelens door de drukpers, als een doel matig middel tot uitbreiding van kennis en voortgang van verlichting, te openbaren, zonder eenig voorafgaand verlof daartoe noodig te hebben, blijvende nogtans elk voor hetgeen hij schrijft, drukt, uitgeeft of verspreidt, verantwoordelijk aan de maatschappij of bijzondere personen, voor zoo verre dezer regten mogten zijn beleedigd’.

[p. 41]

couranten een zegelregt drukt. Maar waarom is dit het geval? Omdat in der tijd de nood des vaderlands dwong, om ook die couranten door eene belasting te treffen. Vóór 1795 waren hier te lande alle couranten vrij van zegel; de herinneringen in de familie des sprekers laten daaromtrent bij hem geen twijfel over1. Maar zoo men dus gedwongen is geweest van de groote couranten een zegelregt te heffen, ziet hij geene reden, dat daarom ook de kleinere getroffen moeten worden. Tot volledige uitvoering van art. 225 der grondwet zou het veeleer in aanmerking komen, om ook de groote nieuwspapieren van het zegelregt te ontheffen’. – ‘De wet is eenigzins beleedigend voor de regterlijke magt. Men gaat daarbij van het beginsel uit, dat de kleine blaadjes, die men op het oog heeft, ondeugend zijn. Maar is dit zoo, waarom worden zij dan niet gestreng vervolgd en hunne overtredingen gestraft? Doen dan de officieren bij de regtbanken hunnen pligt niet? Is dit laatste het geval, waarom weet de Minister van Justitie dan zijne onderhoorige ambtenaren niet bij hunnen pligt te houden? Kunnen echter, bij mangel van genoegzame wetsbepalingen, de overtredingen niet gestraft worden, dan behoorden de ministers met een nieuw wets-ontwerp tegen het misbruik van de vrijheid der drukpers te voorschijn te komen. Doen zij dit in het veronderstelde geval niet, dan rust dit op de stilzwijgende veronderstelling, dat de Kamer, ook wan-

1Verg. intusschen mijne studie over De Fransche Leidsche Courant in de Handel. van 1870, blz. 139, ontleend aan de papieren berustende in de familie Luzac.

[p. 42]

neer de Ministers haar de noodzakelijkheid van zulke wetsbepalingen zouden aantoonen, hare medewerking zou weigeren. Er schuilt dus hier een beginsel van wantrouwen tegen de regterlijke magt en zelfs eenigermate tegen deze Kamer’. – ‘De spreker acht het voorts beneden de waardigheid der Regering, dat zij om dagbladschrijvers te treffen den fiscus inroept; ten einde raad den Minister van Finantien door eene kleine wijziging in eene belastigwet doet bewerken iets, waarvoor men niet regtstreeks uitkomt. En wat zal het gevolg van den maatregel zijn? Dat men aan sommige ingezetenen een klein stuk broods ontneemt, dat men de kleine blaadjes niet doodt, maar van krachten berooft, opdat zij aan tering zouden sterven; terwijl in allen gevalle het voordeel voor de schatkist allergeringst zal zijn. Is dit eene wijze van handelen, die men edel, grootsch, cordaat kan noemen? Is werkelijk bij de Regering de overtuiging aanwezig, dat de drukpers moet worden beteugeld, dan zou het allezins cordaat geweest zijn, om daarvoor uit te komen en door nieuwe wetten te zorgen, dat de dagbladschrijvers zich niet meer aan overtredingen van dien aard schuldig maakten’. – ‘Maar al kon de spreker het doel der wet goedkeuren, dan zou hij het voorgedragen middel nog onvoldoende achten. De mogelijkheid zal altijd blijven bestaan, om door het drukken onder eenen anderen vorm als anderzins het zegelregt te ontduiken. Had er werkelijk geen andere uitweg bestaan, dan had de Regering het voorstel moeten doen, om de geheele wet op het zegel van hare menigvuldige leemten te zuiveren en niet als in transitie eenen kleinen slag moeten slaan. Het voorstel heeft ook eene schadelijke strekking, omdat het middelen van bestaan doet opdroogen, daar waar men die in stand moet houden. Heeft de Minister van Finan-

[p. 43]

tien niet onlangs bij de behandeling van de wet omtrent den aanvoer van levensmiddelen te kennen gegeven, dat hij daarin geene verandering kon brengen, uit vrees van sommige trafijken te belemmeren en daardoor stremming van arbeid te doen geboren worden? En is het dan goed en voorzigtig dit in het tegenwoordig geval te doen? – Men zegt, dat de kleine blaadjes eene schadelijke strekking hebben? Maar is daarin dan nooit iets goeds te kennen gegeven? En zoo neen, kan hetzelfde middel, dat thans kwaad heeft gedaan, niet goed stichten, en kunnen in plaats van de ondeugende kleine blaadjes, niet andere te voorschijn komen, die een heilzaam tegengif leveren?’ – ‘Het hoofd-argument voor de wet is gelegen in de billijkheid en in het beginsel, dat geen privilegie in zaken van belasting mag bestaan. Maar de spreker heeft zich van die billijkheid niet kunnen overtuigen. Is het voorstel billijk omtrent de uitgevers der kleine couranten? Zeker neen. Zij hebben hunnen tak van nijverheid opgerigt en uitgeoefend onder eene wet, die hen van zegelregt vrijstelde, en nu zij dien tot zekere hoogte hebben gebragt ontneemt men hun die vrijheid. Is het voorstel billijk omtrent de groote massa der ingezetenen? Neen, deze zuchten nu reeds onder de duurte der groote couranten. Het moet voor de mindere klassen, voor den eenvoudigen burger aangenaam zijn, in een kort bestek en voor een gering geld te kunnen vernemen wat er in den lande omgaat. Is het eindelijk billijk voor de groote couranten? Ja, zegt men, want deze betalen zegelregt en de kleinere, die niet betalen, genieten dus een beneficie. Maar zijn er dan van de zijde der groote couranten over dit punt klagten ingekomen? Hebben zij gevraagd, dat hunne kleinere confraters aan denzelfden druk onderworpen mogten worden, als hun is opgelegd? Inte-

[p. 44]

gendeel, wat de groote couranten vragen is ontheffing of eene aanzienlijke vermindering van zegelregt; die zoo al niet voor de eigenlijke nieuwstijdingen, dan ten minste zou behooren te worden toegepast op hetgeen in deze landen voorvalt en met name ook op de handelingen der volksvertegenwoordiging. Het is toch eene waarheid, dat, zal men in een constitutioneel land den publieken geest aanwakkeren, het hoogst nuttig is, dat ieder burger wete wat de volksvertegenwoordiging doet; en dat, nu de dagbladen, die, als zij op de gewone wijze worden uitgegeven, geene ruimte genoeg hebben, om al die handelingen te bevatten, nog zegelregt moeten betalen voor hunne poging om met opoffering dat verhandelde meer volledig te leeren kennen, strijdt, naar het inzien des sprekers tegen den geest onzer constitutie. Hij meent dan ook, dat zoodra onze finantien zulks slechts eenigzins veroorloven dit bezwaar moet worden weggenomen. Het is, hij herhaalt dit, hem niet gebleken, dat immer de wensch is geuit, om die arme kleine, nietige couranten aan een zegelregt van eene fractie van een cent te onderwerpen. Hij kan het niet billijk vinden, dat men een mesje opneemt, om aan een kleinen tak van den grooten boom eene insnijding toe te brengen. Het doet hem leed, dat aan den Minister van Finantien en aan de Regering het voorbeeld van Mazarin niet voor de oogen is geweest, die, toen Frankrijk door zware belastingen gedrukt werd en dit aanleiding gaf, dat allerwege ondeugende geschriften en liedjes te voorschijn kwamen, aan dengene, die hem voorstelde om daartegen maatregelen te nemen, ten antwoord gaf: Qu’ils chantent pourvu qu’ils payent. De natie, die zoo blijmoedig betaalt wat haar is opgelegd, verdiende ten minste wel die belooning, dat zij eene enkele maal over de daden der Regering mogt glimlagchen en

[p. 45]

zich vrolijk maken over misschien niet altijd gepaste aanvallen’.

De vijfde spreker, die eindigde met vóór het wets-ontwerp te stemmen, was Mr. J.J. Uytwerf Sterling, lid der Kamer sedert 1841 voor Noord-Holland, en Procureur-Generaal bij het Provinciaal-Gerechtshof van dat gewest1. Hij zegt ‘dat de hoofdbedenking, die hij tot dusverre tegen het behandelde wets-ontwerp heeft hooren aanvoeren, daarin bestaat, dat het eene beperking van de vrijheid der drukpers ten doel zou hebben en dus eene staatkundige gelegenheidswet zoude zijn. Hij erkent, dat voor die opvatting wel eenige grond bestaat. De Regering heeft zelve daartoe aanleiding gegeven door eene uitdrukking in de memorie van toelichting en voornamelijk door haar stilzwijgen in de memorie van antwoord. Ware dit inderdaad de strekking van dit ontwerp, de spreker zou het moeten afkeuren; want hij is het met den tweeden spreker van heden eens, dat wanneer er bepalingen tot beperking van het geschrijf in kleine blaadjes, die hij evenmin kent als vroegere redenaars, noodig waren, dit dan regtstreeks bij eene strafwet, niet zijdelings bij eene belastingwet zou behooren te geschieden. Het is toch te regt aangemerkt, dat de bestaande strafwetten toereikend zijn om hoon, laster en opruijing tegen te gaan, ja dan neen. In het eerste geval is niets noodig, dan eene strikte handhaving der bestaande wetten; in het tweede zou eene wet tot aanvulling daarvan behooren te worden voorgedragen. Maar is het doel dezer wet wel om de vrijheid van drukpers aan banden te leggen? De spreker vindt daarvan niets in de overwegingen van

1Zie over hem Mr. M.C. Van Hall in Hand. dezer Maatschappij 1853, blz. 74.

[p. 46]

het wets-ontwerp, die alleen gewagen van het doen ophouden eener thans bestaande ongelijkheid, die namelijk, dat thans de groote dagbladen aan het zegelregt onderworpen en de kleine daarvan ontheven zijn. Is dit werkelijk het eenig doel, dan, moet de spreker een voorstel toejuichen, waarin niets onbillijks gelegen is en dat overeenkomt met de zoo dikwijls in deze Vergadering verkondigde beginselen van gelijkheid van allen voor de wet en met het grondwettig voorschrift tegen alle privilegie in materie van belastingen. De spreker verlangt dus omtrent de strekking der wet eene pertinente verklaring der Regering, en alleen indien daaruit blijkt, dat werkelijk enkel gelijkheid van belasting bedoeld wordt, zal hij eene goedkeurende stem aan de wet geven. – Wat het punt der marktberigten betreft, voedt hij geene de minste vrees, dat deze aan het zegelregt onderworpen zullen zijn, en zulks niet om het deswege door de Regering gegeven antwoord, maar omdat in geval van regtsvervolging de wet alleen het rigtsnoer zou zijn, en bij dit ontwerp niet de marktberigten, maar alleen de dagbladen, couranten en nieuwspapieren van de vrijstelling omtrent het zegelregt worden uitgezonderd. Voorts had de spreker gewenscht, dat de Regering, indien zij de bestaande wet op het zegel wilde herzien, zich niet tot eene enkele verbetering had bepaald. De ervaring heeft doen zien, dat in die zegelwet onderscheidene bepalingen voorkomen, die voor verschillende opvatting vatbaar zijn, en waaromtrent tot nu toe geene andere beslissing bestaat, dan die van den Minister van Finantien. De spreker zal hier niet in bijzonderheden treden. Hij noemt echter als voorbeelden van bepalingen in de zegelwet, die verbetering wenschelijk maken, dat thans het regt gevorderd wordt van quitantien voor eene geringe som, die vroeger nooit aan zegel onderhevig waren,

[p. 47]

en dat men ook de beschrijvingen van geringe boedels aan het zegelregt onderwerpt. De wetgever heeft, blijkens art. 872 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, de beschrijving van geringe boedels zooveel mogelijk willen aanmoedigen. Indien dus thans in dat geval zegelregt geheven wordt, stemt dit wel overeen met de letter der zegelwet, maar strijdt het met den geest van het wetboek. De spreker had te liever gewenscht, dat men ook op soortgelijke verbeteringen bedacht ware geweest, omdat dan zelfs de schijn van beperking der drukpers vermeden ware geworden. Hij zal daarom, indien hij de door hem verlangde verklaring omtrent het doel en de strekking dezer wet erlangt, haar niet verwerpen, daar ook slechts eene enkele verbetering welkom moet zijn, en hij zich daarvoor het wel eens gedane verwijt van mede te werken tot zoogenaamd lapwerk zal getroosten, wel wetende, hoe moeielijk het is, eene algemeene herziening van eene bestaande wet tot stand te brengen.’

Krachtig werd het wets-ontwerp bestreden door Mr. J.K. Baron Van Goltstein, die sedert Juli 1840 voor Utrecht zitting had, gelijk later, sedert 1848, voor het hoofd-kiesdistrict van dien naam; die van 1849 tot 1852, en van 1856 tot 1858 Voorzitter der Kamer was; van Maart 1858 tot Februari 1860 Minister van Buitenlandsche Zaken; daarna, sedert 8 Mei 1860 lid voor Amersfoort, totdat hij op 8 Juni 1869 door de anti-revolutionaire partij werd verworpen; weldra lid der Eerste Kamer tot op zijn overlijden 17 Februari 18721. ‘Bij eene oppervlakkige lezing van het ontwerp, zegt hij, schijnt dit inderdaad van weinig beteekenis en van geringen omvang te zijn. De wet van 3 October 1843 heeft in het alge-

1Zie zijn levensbericht door Mr. N.F. Van Nooten in de Levensb. dezer Maatschappij 1873, blz. 69.

[p. 48]

meen vrijstelling van het zegelregt bepaald voor drukwerken beneden zekeren omvang, en daar deze bepaling van drukwerken spreekt in het algemeen, strekt de vrijstelling zich ook uit tot dagbladen van die kleine uitgebreidheid. Wat, evenwel, zoo vraagt de Regering, is natuurlijker, dan dat die kleine bladen evenzeer als de grootere door de zegelwet getroffen worden? Het is dus, voert de Regering verder aan, voldoende gebleken, dat er eene leemte in de wet op het zegel bestaat, en dat er eene bepaling noodig is ter behoorlijke aanvulling en verduidelijking dier wet. Zij meent alzoo dat men behoort terug te komen tot de grondbeginselen der wet van 16 Junij 1832 en eene belasting als de nu besprokene algemeen moet zijn. Deze redenering schijnt geene bedenking hoegenaamd toe te laten, want wanneer de wetgever van 1843, zoo als men daarbij onderstelt, zich aan eenig verzuim heeft schuldig gemaakt, behoort er eene aanvulling plaats te hebben. Maar de juistheid dezer redenering is bloote schijn; want indien men tot den grond der zaak doordringt, zal men moeten erkennen, dat de wetgever niet zoo onbezonnen gehandeld heeft, als de Regering wil doen gelooven. Immers er bestaan vele redenen om de vrijstelling der kleinere dagbladen van het zegelregt te regtvaardigen. De dagbladen van eenen meer aanzienlijken omvang en uitgestrektheid zijn bestemd voor lezers van den welgestelden en meer bemiddelden stand, en deze bladen kunnen dus ligtelijk de kosten van het zegel goedmaken. Geheel anders is het gelegen met de bladen van geringeren omvang; deze zijn voor de lezers van de mindere volksklasse bestemd, en wanneer zij door zegelregten gedrukt worden, dan zal het voor hen niet mogelijk wezen de te maken kosten te boven te komen, zoodat de lezing van kleine dagbladen op die wijze inder-

[p. 49]

daad aan de mindere standen ontzegd zou worden. De pligt der Regering intusschen is het, om voor het onderwijs der lagere standen te zorgen en onder deze de kennis te verspreiden van hetgeen omtrent handel, nijverheid en landbouw voorvalt, ten einde den geringen man op die wijze te leiden en zijnen geest te ontwikkelen en te beschaven. Wanneer men dus doordringt tot den geest der wet van 1843, wanneer men nadenkt over de redenen eener vrijstelling, die men thans op wil heffen, dan wordt men overtuigd, dat de bepaling der genoemde wet op behoorlijke grondslagen rust en de wetgever van 1843 wordt aldus vrijverklaard van de beschuldiging, door de Regering tegen haar (sic) ingebragt. Het geldt alzoo hier niet eene bloote aanvulling van de bestaande wet op het zegel. De spreker zegt aan zijne bedenking te meer waarde te hechten, omdat hij gevoelt dat de tegenwoordige zegelwet reeds gewigtige bezwaren voor de dagbladen oplevert, en hij dus niet ligtelijk zou kunnen overgaan een nieuw bezwaar van dezen aard te helpen daarstellen. Het is toch bekend, dat het zegelregt voor alle dagbladen, grooter dan twee vierkante palmen, 1 cent beloopt, en dat zoodra een dagblad 15 palmen groot is, 1 1/2 cent zegelregt en voor elke 5 palmen daarboven 1/2 cent verschuldigd is. Wat nu is het noodwendig gevolg dezer bepaling? Dat de dagbladen zoo veel mogelijk ingekrompen worden, dat zij op die wijze dikwijls verhinderd worden belangrijke mededeelingen aan het publiek te doen, en dat het voor hen met name inderdaad onmogelijk is het algemeen kennis te doen dragen van hetgeen in deze Kamer verhandeld wordt. De openbaarmaking van de beraadslagingen dezer Vergadering is dus aan de regeringsbladen overgelaten, maar deze ruimen slechts nu en dan eene verlorene plaats daarvoor in en wanneer de be-

[p. 50]

raadslagingen al medegedeeld worden, dan is die mededeeling steeds geschoeid op de leest der Regering1.

1Deze woorden gaven aanleiding dat in de Nederlandsche Staats-Courant van Woensdag 19 November 1845, N0. 274, Bijv., blz. 1, kol. 1, het volgende voorkwam:

‘Bij de beraadslagingen over de wijziging der wet op het zegel, in de zitting der Tweede Kamer van den 14den November jl. heeft de heer van Goltstein een verwijt tegen de redactie der Staats-Courant gerigt, hetwelk die redactie zoowel heeft gegriefd als bevreemd. Zijn Edel Mogende heeft in zijne alstoen uit het hoofd uitgesprokene redevoering, naar hetgeen daarvan door andere snelschrijvers dan die der Staats-Courant is opgeteekend en in verscheidene dagbladen te lezen is, het volgende gezegd (zie b.v. Arnhemsche Courant van Zondag 16 Nov. 1845, N0. 232, bl. 3, kol. 1): ‘Zij [de dagbladen in 't algemeen] kunnen niet alle noodige stukken en mededeelingen opnemen. Van daar dat zij van het verhandelde in deze Kamer geen uitgebreider verslagen kunnen geven. Zij moeten de mededeeling blootelijk aan de regeringsbladen overlaten. En die bladen wijden dikwerf aan de belangrijkste slechts eene verlorene plaats, terwijl de mededeelingen naar de mededeelingen der Regering worden geschoeid.’’

‘Daar in ons vaderland geen ander regeringsblad bestaat dan de Staats-Courant, heeft de redactie dat laatste gezegde op zich zelve moeten toepassen. Die redactie is allezins bereid om te erkennen, dat, bij spoedig op elkander volgende, langdurige beraadslagingen van de Tweede Kamer, haar verslag van die beraadslagingen noch zoo volledig is, noch met dien spoed medegedeeld wordt, als zij dit wel zou wenschen. Maar het verwijt van in die mededeelingen met partijdigheid te werk te gaan, werpt zij verre van zich. Zij zou meenen door zulke eene partijdigheid te handelen tegen de voorschriften, die zij van regeringswege ontvangen heeft. Zij beroept zich, ten bewijze dat zij zich nimmer daaraan schuldig maakt, op al de leden der Tweede Kamer en op den heer van Goltstein in het bijzonder. Het moest haar te meer bevreemden, een verwijt te dezen aanzien van Zijn Edel Mogende te hooren, omdat de heer van Goltstein tot dusverre meestal gewoon is geweest zijne voor de vuist uitgesprokene redevoeringen zelf op het papier te brengen en aan de redactie der Staats-Courant toe te zenden, welke redactie zich dan altijd beijverd heeft, om die redevoeringen, niet op eene verlorene plaats, maar in het ligchaam der Courant, in het verslag van de zittingen, op te nemen.’

Terecht beweerde de redactie, dat er destijds in ons vaderland geen ander regeeringsblad bestond dan de Staats-Courant; maar als de Heer Van Goltstein sprak van ‘regeringsbladen’, dacht hij aan het Journal de La Haye, en aan ‘s lands penningen daarvoor gebezigd, een feit door hem reeds in de zittingen der Tweede Kamer van Woensdag 17 Januari 1844 bestreden; zie mijne studie over het Journal de La Haye in de Mededeelingen dezer Maatschappij, 1879, blz. 98 en volgg. En vermoedelijk dacht de spreker behalve aan genoemd blad, ook aan de ‘s Gravenhaagsche Nieuwsbode, de Utrechtsche Avondpost en de Drentsche Courant, waarvan in De Volksbode, blz. 309, in 1847 gezegd werd: zij ‘zijn opzettelijk opgerigt, om de regering te verdedigen tegen de oppositiebladen, en zij zijn hun bestaan dan ook geheel en al aan de regering verschuldigd. De regering betaalde de kosten hunner oprigting en maakt de uitgaven goed, benoodigd voor schrijvers, zetters, drukkers, papier, inkt, localen, zegelregt enz. enz.’

[p. 51]

De vrije dagbladen, die onder den druk der zegelbelasting leven, vinden bovendien eene geduchte mededinging in de regeringsbladen; om hen in staat te stellen zich bij deze mededinging staande te houden en tevens ter tegemoetkoming van het zoo even aangeduide bezwaar, behoorden die vrije dagbladen van het zegelregt eerder ontheven te worden, dan dat men den bestaanden last nog vermeerderen zou. Maar is het, vraagt de spreker verder, alleen het denkbeeld om de opbrengst der belasting te vermeerderen, dat de Regering tot het doen der tegenwoordige voordragt leidde? Hij meent zulks niet te mogen gelooven, omdat de Regering erkend heeft hier ook het belang der maatschappij op het oog gehad te hebben. Wanneer de spreker let op de omstandigheid, die aanleiding gegeven heeft tot het tegenwoordig wets-ontwerp, dan gelooft hij dat het antwoord der Regering, hetwelk het lid uit Noord-Holland (Mr. J.J. Uytwerf Sterling) alsnog verlangde, duidelijk genoeg is op te maken uit de memorie van toelichting, waar niet alleen van het belang der schatkist, maar ook van dat der maatschappij gesproken wordt. Die omstandigheid nu bestond hierin, dat er eenige kleine blaadjes in het licht verschenen zijn, waarin daden van het oppergezag werden afgekeurd,

[p. 52]

waarin levendige uitdrukkingen tegen de Regering voorkwamen en hare bedoelingen in een ongunstig daglicht geplaatst werden. En nu was de Regering er op bedacht, om zoodanig bezwaar aan dergelijke blaadjes in den weg te leggen, dat het verder uitkomen daarvan wierd tegengegaan. Dit is, naar des sprekers inzien, het hoofdpunt, hetwelk hier in het oog moet vallen. Het was dus van het denkbeeld, om een maatregel te nemen tot voorkoming van het misbruik van de vrijheid der drukpers, dat de Regering ten deze uitging. Maar het is bekend, dat het nemen van zoodanigen maatregel de vrijheid der drukpers zelve ten onder zou brengen. Om de weldaad eener vrije drukpers te genieten moet men het daarvan gemaakte misbruik tegengaan, maar niet dat misbruik willen voorkomen; want daardoor zou men de vrijheid der drukpers zelve aanranden. En is het, vraagt de spreker, bovendien wel noodig, tot zulke maatregelen als de thans voorgedragene over te gaan? Staat de Regering ongewapend tegenover de uitspattingen der drukpers? Wij leven nog onder eene Napoleontische wetgeving, waarbij elke aanranding van het oppergezag strafbaar verklaard is, en wij hebben voorts eene eigene wetgeving, bij welke elke smaad en beleediging, aan eenen ambtenaar, tot den minsten toe, aangedaan, met straf bedreigd wordt, en wat zullen wij, bij zoo vele waarborgen tegen misbruiken der vrije drukpers, nog maatregelen vaststellen ter voorkoming van dezelve; maatregelen die bovendien onbestaanbaar zijn met de handhaving van de vrijheid der drukpers? Wanneer de spreker ziet, dat de Regering verklaart bereid te zijn om, bij de toepassing der thans behandelde wet, enkele blaadjes in klein formaat, zoo als de marktberigten, vrijstelling van het zegelregt te laten behouden, dan gelooft hij dat de Regering toont zelve voor den

[p. 53]

door haar voorgestelden maatregel eenigzins terug te deinzen. Hij ziet in die verklaring tevens de strekking om in de toekomst aan een of ander blaadje gunsten toe te kennen en de kleinere dagbladen naar willekeur al of niet met het zegelregt te treffen, en hierin ligt voor den spreker eene nieuwe reden, om zulk een gevaarlijk wapen als het tegenwoordig wets-ontwerp aan de Regering niet in handen te geven. De spreker zal alzoo tegen het voorstel der Regering stemmen, omdat er eene gewigtige reden bestaat voor de vrijstelling bij de wet van 1843 aan de kleinere dagbladen verleend; omdat hij de bezwaren, die op de dagbladen drukken, niet vermeerderen wil; omdat hij het beginsel van vrijheid der drukpers huldigt en een maatregel ter voorkoming van misbruiken in dezen met die vrijheid zelve onvereenigbaar acht; en eindelijk, omdat hij ontwaard heeft, dat de Regering voornemens is bij de toepassing van de voorgedragene wetsbepaling gunsten uit te deelen.’

Mr. J.M. De Kempenaer, lid der Kamer sedert 3 Juli 18441, was stellig de meest lastige bestrijder van het wets-ontwerp. Deze ‘acht het onderhavige wets-ontwerp een treurig verschijnsel; treurig met opzigt tot de Regering, omdat zij voor een klein belang in het strijdperk treedt met dagbladschrijvers, en daarvoor haar gewigtig standpunt verlaat; treurig met opzigt tot de natie, omdat haar hier een genot betwist wordt, waarop de tegenwoordige beschaving en belangstelling in de openbare zaken haar prijs doen stellen. Verscheidene leden hebben verklaard de blaadjes, die het hier geldt, niet te kennen; de spreker verkeert niet in dit geval. Hij heeft zich de

1Zie over hem het uitvoerig levensbericht door Mr. J. Heemskerk Az. in Levensb. 1870, blz. 559.

[p. 54]

bedoelde blaadjes, zoo ver hij die verkrijgen kon, aangeschaft en thans eenen geheelen bundel van zes verschillende soorten voor zich liggen1. Na het doorzien daarvan heeft hij zich zelven afgevraagd, wat dan toch de gevoeligheid der Regering tegen die blaadjes heeft gaande gemaakt, maar de aanleiding daartoe niet kunnen vinden. Het is des sprekers voornemen niet, die dagblaadjes te verdedigen: hij is daartoe niet geroepen, en het is daarvoor thans noch de tijd, noch de gelegenheid. Integendeel wil hij die blaadjes in een donker daglicht beschouwen; hij wil aannemen, dat zij reden tot ontevredenheid hebben opgeleverd, niet voor bijzondere personen en van dien aard, dat daardoor eene strafvordering mogelijk wordt, want dan is het openbaar ministerie daar, om daarin te voorzien; maar tot zoodanige ontevredenheid, die bij de Regering zelve huisvest en waarvan de aanleiding buiten het bereik der strafwet ligt. Maar dan ook ziet men de Hooge Regering in het strijdperk treden tegen schrijvers van kleine blaadjes, die bijzondere personen onaangeroerd gelaten, en de strafwet niet overtreden hebben, maar zich de ontevredenheid der Regering op den hals hebben gehaald. Tegen dezen trekt men te velde, want het doel der tegenwoordige voordragt is niet twijfelachtig; het bestaat in niets anders dan dat men het zegelregt wil uitbreiden, om langs dien weg deze kleine blaadjes te vernietigen. Om die bedoeling te leeren kennen behoeft men de stukken der Regering slechts in te zien en het verwondert den spreker dus, dat een lid uit Noord-Holland (Mr. J.J. Uytwerf Sterling) van den minister nog eene verklaring van zijne bedoeling verlangd heeft, en op die

1In den Catal. Bibl. De Kempenaer, Arnhem, 1873, heb ik dien bundel vruchteloos gezocht.

[p. 55]

verklaring zoo veel prijs stelde, dat hij daarvan zijne stem omtrent het behandelde wets-ontwerp deed afhangen. Wanneer toch die verklaring overeenstemt met hetgeen de Regering in de gedrukte stukken gezegd heeft, is zij onnoodig, en komt zij daarmede niet overeen, dan zal zij niet afdoende zijn. De spreker zegt verder bij de beoordeeling van het wets-ontwerp niet te zullen opklimmen tot de wet van Junij 1832, omdat hij het met een ander lid (Mr. B. Wichers) eens is, dat die wet van provisionelen aard was en in afwachting eener nieuwe burgerlijke wetgeving was vastgesteld. Door de herziening van de zegelwet in 1843, na het invoeren van het Nederlandsch Burgerlijk Wetboek, verviel de geheele wet van 1832. In die nieuwe wet nu van October 1843 leest men in art. 23: dat aan het zegelregt bij art. 22 vastgesteld, onderhevig zijn alle dagbladen, couranten enz., behoudens de uitzonderingen, vermeld onder letter c van art. 27, en hier staat bepaald: ‘Van het zegelregt, hiervoren bij art. 22 vastgesteld, zijn vrijgesteld: 10. Alle drukwerken, waarvan het papier geene grootere oppervlakte heeft dan twee vierkante Nederlandsche palmen.’ Wanneer men deze beide wets-bepalingen naast elkander legt, dan blijkt daaruit dat de wetgever gewild heeft, dat het zegelregt op de drukwerken geëvenredigd zou zijn aan de uitgebreidheid van het daarvoor gebezigde papier, maar ook uitdrukkelijk bepaald heeft, dat dagbladen, couranten enz. van geene grootere oppervlakte dan twee vierkante Nederlandsche palmen van het zegelregt zouden zijn vrijgesteld. Dit is eene duidelijke wetsbepaling, eene bepaling die helder, klaar, en voor geene tweeledige opvatting vatbaar is, noch stof kan opleveren tot eenig verschil van gevoelen. Wanneer dit nu zoo is, wat zal men dan zeggen van den considerans van het tegenwoordige wets-ontwerp, waar men

[p. 56]

leest, dat de vrijstelling van zegel bij de wet van 3 October 1843 toegekend aan drukwerken van geene grootere oppervlakte dan twee vierkante Nederlandsche palmen, tegen de oorspronkelijke bedoeling is te baat genomen tot de ongezegelde uitgifte van nieuwsbladen van die kleinere oppervlakte? Men heeft dit, blijkens de aangehaalde wets-bepalingen, gedaan, niet tegen de oorspronkelijke bedoeling der wet, maar overeenkomstig hare uitdrukkelijke en duidelijke letter, en het gezigtspunt, waarvan de Regering ten deze is uitgegaan, is alzoo geheel valsch. Even zoo is het gezegde, in de memorie van toelichting voorkomende, in strijd met de duidelijke bepaling der wet, het gezegde namelijk, dat de algemeenheid der uitdrukkingen in het meergenoemde art. 27 aanleiding gegeven heeft tot het ontstaan van ongezegelde nieuwsblaadjes en deze alzoo tegen de bedoeling der wet eene begunstiging boven andere dagbladen genieten zouden. De wet heeft duidelijk vastgesteld, dat zulke blaadjes vrij zullen zijn van zegel. Bovendien leert de memorie, in verband met het ontwerp zelf, dat de blaadjes, die onlangs in het licht verschenen, het misnoegen der Regering hebben opgewekt, dat men betreurt dat er eene vrijstelling van zegelregt aan dezelve verleend is, dat men daarom eene uitbreiding der zegelwet voordraagt, ten einde op deze wijze die kleine courantjes te niet te doen gaan. Het eenige doel van de uitbreiding der zegelwet is aldus de vernietiging der kleine blaadjes, niet de opheffing eener beweerde begunstiging. – De spreker toont vervolgens aan, dat het hier voorgestelde middel ter bereiking van het bedoelde einde geheel ondoelmatig is. Hij herinnert voor zijn betoog aangenomen te hebben, dat er voor de Regering redenen van ontevredenheid over de kleine blaadjes bestonden, dat daarin uitdrukkingen en gezegden ge-

[p. 57]

bezigd en gevoelens geuit werden, die onaangenaam moesten zijn voor de Regering. Maar dit verschijnsel schrijft de spreker daaraan toe, dat wanneer een minister thans het vaderland doorreisde, hij niet slechts malaise, maar overal onvergenoegdheid en misnoegen vinden zou. En die onvergenoegdheid ontstaat volgens hem daaruit, dat onze huishouding van Staat voortdurend op eenen te uitgebreiden voet en te kostbaar is ingerigt, dat ten gevolge hiervan belastingen van zeer grooten druk moeten worden opgebragt en er allerlei middelen gebezigd worden om de opbrengst dier belastingen op te drijven, en dat zelfs in dit jaar eene schoone gelegenheid om de materiele belangen der natie te bevorderen, ongebruikt is voorbijgegaan, de gelegenheid namelijk om een vrijzinnig tarief der regten van in-, uit- en doorvoer tot stand te brengen en daardoor verstopte bronnen onzer welvaart weder te openen. Die onvergenoegdheid en misnoegen spruit verder niet in mindere mate voort uit het algemeen verlangen naar eene herziening onzer grondwet, waarvan de ministers uit één mond verklaard hebben de noodzakelijkheid niet in te zien, hoewel alle leden der Kamer, op één na, verklaard hebben van die noodzakelijkheid overtuigd te zijn. Over dat alles is de natie onvergenoegd, en zal men nu het uiten van dat misnoegen kunnen tegengaan door de kleine nieuwsblaadjes te vernietigen en te bezwaren? Neen, dan alleen zal men die uitdrukkingen van ontevredenheid doen ophouden, wanneer men de mogelijkheid daarstelt, om de belastingen te verminderen, wanneer men de bronnen onzer welvaart opent, en wanneer men tot eene grondwetsherziening overgaat. Wanneer men dezen weg volgde, zou men weldra niet meer over die kleine blaadjes te klagen hebben; dan zouden deze niet langer uitdrukkingen bezigen, die voor de

[p. 58]

Regering onaangenaam zijn, maar zouden zij integendeel de loftrompet voor die zelfde Regering opsteken. – Behalve de genoemde bedenkingen, zou ook de onduidelijkheid van het wets-ontwerp den spreker verbieden, daaraan zijne goedkeuring te schenken. Want voor hem is het onduidelijk, wanneer in het eenige artikel gesproken wordt van ‘dagbladen, couranten en nieuwspapieren.’ Het is een vereischte in iedere wet, dat daarin niet meer woorden gebruikt worden dan volstrekt noodig zijn en nooit tweemaal hetzelfde worde gezegd; de uitlegger dezer wet zal dus verpligt zijn hier te onderscheiden, wil hij niet veronderstellen dat de wetgever driemaal hetzelfde heeft gezegd. En nu mag men vragen, welke geleerde het onderscheid zal kunnen aantoonen tusschen dagbladen, couranten en nieuwspapieren en of niet het woord nieuwspapieren een zoo uitgebreiden zin heeft, dat daaronder prijs-couranten, markt-berigten en eene menigte andere papieren kunnen verstaan worden. Het tegenwoordig wets-ontwerp zou dus, in stede van tot verduidelijking, tot verduistering der wet van 1843 strekken, terwijl in allen gevalle de daarin vervatte bepaling gemakkelijk ontdoken zou kunnen worden, als b.v. door gedurige verandering van naam of vorm. – De spreker had zich voorgesteld in de laatste plaats nog te betoogen, dat de tegenwoordige voordragt ongrondwettig is, als in strijd met art. 225 onzer staatsregeling. Na het hieromtrent gezegde, zal hij daarover niet verder uitweiden, maar nog slechts ten slotte als zijne meening doen kennen, dat het geschrevene vrijelijk moet kunnen verspreid worden, zoolang het niet in strijd is met de bepalingen van ons Strafwetboek, en dat wanneer dit niet toereikende is om de misbruiken van de vrijheid der drukpers te beteugelen, de wetten van 16 Mei 1829 en van 1 Junij

[p. 59]

18301 daartoe zeer zeker voldoende zullen zijn. De spreker besluit met te verklaren, dat hij aan een wets-ontwerp, dat aan zoo vele gebreken lijdt, zijne goedkeuring niet geven kan.’

Geheel tegenovergesteld was het oordeel van den Amsterdamschen Hoogleeraar Mr. C.A. Den Tex, lid der Kamer voor Noord-Holland van 1842 tot 18462. Deze verklaart ‘dat hij, niettegenstaande hetgeen onderscheidene sprekers in het midden hebben gebragt, in het tegenwoordig wets-ontwerp niets anders zien kan, dan alleen eene wijziging van de wet op het zegel. De stand der zaak is, zijns inziens, deze: Er hebben zich, nadat de wet van 1843 in werking is, kleine nieuwspapieren opgedaan, aan welke bij de daarstelling dier wet niet kon worden gedacht, omdat zulke blaadjes toen onbekend waren. En nu is het de vraag of aan die kleinere nieuwspapieren vrijstelling van zegelregt verleend zal worden, dan wel of zij zullen vallen in de categorie der grootere dagbladen, dat is van de drukwerken, die aan zegelregt onderworpen zijn. Nu meent de Regering, dat er geen genoegzame grond voor eene vrijstelling bestaat, en het is daarom, dat deze voordragt geschied is. De spreker erkent, dat volgens eene juiste interpretatie der wet van 1843 de kleinere blaadjes thans niet onderworpen zijn aan het zegelregt, maar het geldt hier de vraag, om die wet, nu zich iets wat vroeger niet voorzien was heeft

1De spreker bedoelde de Wet van den 16 Mei 1829, houdende aanvulling van eenige gapingen in het wetboek van strafregt, Stbl. N0. 34, en de Wet van den 1sten Juni 1830, tot beteugeling van hoon en laster en andere vergrijpen tegen het openbaar gezag en de algemeene rust, Stbl. N0. 15.

2Zijne levensschets door Mr. J. Van Hall is te vinden in de Handel. dezer Maatschappij 1854, blz. 94.

[p. 60]

opgedaan, te wijzigen. En wat deze vraag betreft, verklaart de spreker, ofschoon hij een zoo groot voorstander van de vrijheid der drukpers is als iemand wezen kan, niet te kunnen inzien, dat die vrijheid der drukpers in het minste geschonden zal worden, wanneer kleinere nieuwspapieren even als de grootere aan een zegelregt onderworpen worden. Hij meent hiermede zijne uit te brengen stem genoegzaam geregtvaardigd te hebben en legt de verklaring af, dat alle politieke bedoelingen in dezen verre van hem verwijderd zijn.’

Hierop trad de Minister van Financiën op ter verdediging van zijn ontwerp. Hij zegt: ‘In alle rijken van Europa, waar een zegel van de dagbladen betaald wordt, zijn kleine en groote bladen daaraan gelijkelijk onderworpen. Ook hier te lande was dit tot voor twee jaren het geval. De kleine bladen waren daar niet tot dusverre vrij, gelijk de geachte spreker uit Groningen (Mr. B. Wichers) zich minder juist heeft uitgedrukt; zij waren integendeel, evenzeer als de groote, aan een zegelregt onderworpen. Eene te algemeene uitdrukking in art. 27 C. 10., der bestaande wet op het regt van zegel van 3 October 1843 heeft daarin eene verandering gebragt; en dien ten gevolge hebben de dagbladen in klein formaat een privilegie in zake van belasting erlangd, dat hun niet toekwam en waarvan misbruik is gemaakt op eene wijze, welke hier door mij niet zal ontwikkeld worden.’ – ‘De voorlaatste spreker (Mr. J.M. De Kempenaer) heeft gezegd, de hier bedoelde blaadjes te kennen. Zijn Edel Mogende heeft er bijgevoegd, daarin niets te hebben gevonden, wat eenigzins verkeerd was. Ik laat dat gezegde geheel voor rekening van den geachten spreker. Het bewijst alleen, dat het gevoel van regt, billijkheid en betamelijkheid bij den eenen eerlijken man en den anderen

[p. 61]

aanmerkelijk kan verschillen.’ – ‘Het doel van het tegenwoordig wets-ontwerp is om een begaan ongelijk te herstellen, en om een privilegie in het stuk van belasting te ontnemen aan personen die zich het genot daarvan niet bijzonder hebben waardig gemaakt. Dit is het antwoord, dat ik, als eerlijk man, geven kan aan den geachten spreker uit Noord-Holland (Mr. J.J. Uytwerf Sterling), die eene bepaalde verklaring op dit punt heeft verlangd. De Regering, ik herhaal dit, heeft geen ander doel, dan om een privilegie te ontnemen aan hen, die bewezen hebben, daarvan geen goed gebruik te maken. Niets anders wordt in de memorie van toelichting tot deze wet gezegd. Wanneer men de daarin gebezigde woorden in derzelver verband beschouwt, zal men daarin de bedoeling der Regering volkomen zoo uitgedrukt vinden, als ik die thans opgeve.’ – ‘En wie zal dan in een land als het onze, waar wij het geluk hebben te leven onder het heerschen van het beginsel van gelijkheid van allen voor de wet, zich verwonderen, dat de Regering pogingen aanwendt, om eene bestaande ongelijkheid te doen ophouden? Wie zal daarachter geheime oogmerken zoeken? De overtuiging echter, die blijkbaar ook de tegenstanders dezer wet – de geachte spreker uit Gelderland (Mr. J.M. De Kempenaer) uitgezonderd – koesteren, dat van het bedoelde privilegie misbruik is gemaakt op eene wijze, die onze natie tot oneer strekt en op den duur onze taal zou doen verbasteren en onze zeden zou bederven, heeft het denkbeeld doen ontstaan, dat de Regering een ander doel beoogde; dat zij, met belemmering van de vrijheid der drukpers, de blaadjes, waarvan hier gesproken wordt, zou willen tegengaan. Men verwart door dit te stellen het hoofddoel met eene bijkomende omstandigheid. Dat hoofddoel is reeds duidelijk toege-

[p. 62]

licht. Het komt nog meer uit wanneer men met hetgeen thans hier met opzigt tot het zegelregt der dagbladen bestaat, de wetgeving daaromtrent in alle andere naburige landen en die, welke tot voor twee jaren hier geldig was, vergelijkt.’ – ‘Voor het te keer gaan van het misbruik, dat van de drukpers gemaakt wordt, moet de strafwet en de justitie waken. Mijne denkbeelden daaromtrent zijn ontwikkeld in de circulaire, geschreven tijdens mijne aanvaarding van de portefeuille van het departement van Justitie. Die denkbeelden worden door mijne geachte ambtgenooten gedeeld en zijn sedert ook bij mij onveranderd gebleven.’ – ‘Maar zoo dit de taak der justitie is, moet ook de fiscale wetgever van zijne zijde zijnen plicht betrachten, en zorgen, dat geen onregtvaardig privilegie blijve bestaan. Dit was thans mijne taak, voor de volvoering waarvan ik niet ben teruggedeinsd. Zijdelings blaadjes te keer te gaan, ik beaam dit ten volle, voegt der Regering niet, kan nooit de taak zijn van het departement van Finantien. Maar wel was het mijne taak om, toen ik zag, dat eene bepaalde klasse van ingezetenen een privilegie genoot en dat daarvan geen behoorlijk gebruik werd gemaakt, te zorgen, dat dit privilegie niet bleef voortduren. Daarom ook, omdat dit het eenige doel is der wet, ga ik met stilzwijgen voorbij, wat door sommige geachte sprekers gezegd is geworden omtrent het onvoldoende van het middel tot stuiting van het kwaad. Men heeft aan de Regering een doel toegekend, hetwelk zij niet heeft, en neemt dan daaruit aanleiding om te betoogen, dat dit doel niet zal worden bereikt. Dit alles is mij onverschillig. Het doel, hetwelk de Regering werkelijk beoogt, zal bereikt worden, namelijk, dat voortaan geene courant, geen nieuwsblad zal kunnen worden uitgegeven, hetzij dan in grooter, hetzij in kleiner formaat, zonder

[p. 63]

dat daarvan zegelregt betaald wordt.’ – ‘Van pogingen om de vrijheid der drukpers te belemmeren, zal wel niemand de Regering kunnen verdenken. Ook ik heb de vrije drukpers steeds beschouwd als het palladium van alle andere vrijheden, als van het hoogste belang niet enkel voor de natie, maar ook voor de Regering zelve. Ik beaam alles wat daaromtrent door een geacht spreker uit Noord-Holland (Mr. J. Corver Hooft) is gezegd, en zou het voor het ongeluk van mijn leven houden, indien ik immer bewogen mogt worden om mede te werken tot iets, waardoor al ware het dan slechts zijdelings de vrijheid der drukpers zou kunnen worden gefnuikt. Ik geloof te mogen zeggen, dat de namen van ‘s Konings ministers en hunne bestaande antecedenten op zich zelve daaromtrent reeds voldoende waarborgen opleveren. De lankmoedigheid, waarmede de Regering de dagelijksche aanvallen der drukpers aanziet, bewijst waarlijk niet, dat zij de vrijheid der drukpers vreest of zou willen verkorten. Wij rekenen ons dit niet aan als eene verdienste. De meeste van die aanvallen toch zijn van zoodanigen aard en komen van zoo laag, dat hij, welke zich die aan zou trekken, niet verdienen zou de standplaats te vervullen, welke hem door ‘s Konings vertrouwen is aangewezen. Op het gezond verstand van het Nederlandsche volk zullen die aanvallen op den duur geen indruk maken, wanneer ‘s lands regenten voortgaan met rustelooze inspanning hun pligt te doen en alles aan te wenden wat, naar hun beste weten, in het belang van Koning en vaderland gevorderd wordt. En indien ik mij daarin bedroog, indien het Nederlandsche volk verdwaasd en ongelukkig genoeg kon zijn, om zich door de laster- en schandtaal van dergelijke bladen, als die hier door mij bedoeld worden, te laten bedriegen, wie die zich zelven acht en bewust is alleen door

[p. 64]

pligtgevoel geleid te worden, zou dan nog blijven hechten aan eene zoogenaamde openbare meening, die dergelijke bladen als hare tolken erkende!’ – ‘Men versta mij wel, Edel Mogende Heeren. Ik zeg dit alleen om u mijne gevoelens te doen kennen voor zoo verre die aanvallen mijn persoon mogten betreffen, en er nog iemand zou kunnen zijn, die meende, dat eenige persoonlijke wrok of verdriet mijne bekende beschouwingen omtrent de vrijheid der drukpers zou hebben kunnen wijzigen. Maar wanneer ik dit zeg, en wanneer zij, die mij eenige achting toedragen, wel verzekerd zullen zijn, dat geenerlei persoonlijke beschouwingen hier eenigen invloed op mij hebben kunnen uitoefenen, – voeg ik er echter te gelijker tijd bij, dat de Regering diep doordrongen is van de overtuiging, dat in eene welgeordende maatschappij de wet en de justitie voor de eer der regenten zoowel als voor de eer en de rust der burgeren behooren te waken; en dat zoo het den staatsman al vrijstaat zich persoonlijk te verheffen boven laaghartigen laster en valsche voorstellingen, op hem in het belang van het algemeen pligten berusten, welke hij niet uit het oog mag verliezen.’ – ‘De vrijheid der drukpers wordt door dit wets-ontwerp in geenerlei opzigt benadeeld of belemmerd, evenmin als door de bepalingen der bestaande zegelwet. Zulk eene belemmering ligt niet in den geest van ‘s Konings Ministers, en dit wilde ik doen uitkomen, terwijl ik tevens de toepasselijkheid van het voorschrift der grondwet, dat op het stuk der belastingen geen privilegie mag bestaan, waarvoor geene genoegzame reden aanwezig is, in het licht wilde stellen. Ik beaam dan ook alles wat door een geacht spreker uit Noord-Holland (Mr. J.J. Uytwerf Sterling) is gezegd, om te doen zien, dat indien de bestaande wetten niet genoegzaam zijn om het mis-

[p. 65]

bruik van de vrijheid der drukpers te keer te gaan, men dan regtstreeks en door eene directe wet, niet zijdelings, daarin behoort te voorzien. Maar ik moet er bijvoegen, dat onder zoodanige omstandigheden er geene gronden kunnen bestaan, om een privilegie te doen voortduren, door hen genoten, tegen welke men directe middelen van beteugeling denkbaar acht.’ – ‘Ik kan het ongegronde der aanvallen van de tegenstanders dezer wet, die met mij voorstanders zijn van de vrijheid der drukpers, maar de denkbeelden daaromtrent anders toepassen, niet beter in het licht stellen, dan door de zaak om te keeren. Wat zou het geval zijn, wanneer hier nog in het geheel geen zegelregt bestond, en dan de Regering het voorstel deed, om voortaan een zegelregt te heffen van alle dagbladen, grooter dan twee vierkante palmen? Zouden dan niet zij, die zich thans tegen dit wets-ontwerp verzetten, op grond dat er een geheime toeleg tot fnuiking der dagbladschrijvers zou bestaan, met meer regt dien toeleg daarin erkennen? Zou men dan niet zeggen, dat de Regering juist die grootere bladen, die gerekend worden met meer kennis van zaken te worden geschreven, waarin althans meer kennis van zaken zou kunnen worden ontwikkeld, ook omdat men voor de redactie daarvan betere schrijvers kan bekomen, uitsluitend belastte en daardoor trachtte te belemmeren; terwijl men die kleine nietige blaadjes, welke alleen op het minst beschaafde en minst invloed hebbende gedeelte der bevolking kunnen werken, vrijliet? Zou men dan niet zijne stem verheffen tegen het privilegium odiosum, dat in zulk een geval met opzigt tot de kleinere bladen zou worden ingevoerd? Zouden dan niet aangevoerd worden al die redeneringen, die de geachte spreker uit Zuid-Holland (Mr. L.C. Luzac) nog in deze zitting heeft doen gelden, toen hij beweerde,

[p. 66]

dat de natie door middel der dagbladen behoorlijk moest worden bekend gemaakt met al wat in deze vergaderzaal wordt verhandeld? Zou men dan niet wijzen op het voorbeeld van het vrijzinnig Engeland, waar juist die kleinere blaadjes het zwaarst belast zijn? Ik vraag het in gemoede, of, zoo men de zaak omkeert, het bedoelde voorstel niet zoodanige oppositie zou ontmoeten van de zelfde zijde, als thans het tegenwoordige bestreden wordt? Welnu, Edel Mogende Heeren, die staat van zaken bestaat thans bij ons; en dien staat van zaken willen wij doen ophouden. Het is gelijkheid voor de wet, die de Regering voorstaat, en geenszins het vernietigen van blaadjes, die velen van U Edel Mogenden verklaard hebben niet te kennen, die de Regering verpligt is te kennen en die door het geachte lid uit Gelderland gelezen worden.’ – ‘Het is niet om te benadeelen, maar om te beletten, dat langer bij uitsluiting begunstigd worde, dat de Regering het onderwerpelijk voorstel heeft gedaan. Dat voorstel levert dan ook niet het treurig verschijnsel op, hetwelk het gevoelig hart van een der geachte sprekers (Mr. S. Baron Van Heemstra) getroffen heeft, dat de Regering, met voorbijzien van hare waardigheid, in het strijdperk treedt tegen kleinere dagbladschrijvers. De Regering treedt op voor de wet, in het belang van het algemeen, tot het doen ophouden van een ten onregte toegekend privilegie. Waar het zulke beginsels geldt, is in de oogen der Regering niets te klein, niets te gering. Daarom ook acht zij het voorstellen en verdedigen van dit wets-ontwerp niet beneden hare waardigheid, omdat wat met de pligten, die op haar rusten, overeenstemt, niet beneden die waardigheid zijn kan.’ – ‘Ik hoop, Edel Mogende Heeren, door het aangevoerde genoeg te hebben gezegd om alle miskenning van het beginsel,

[p. 67]

waarop dit wets-ontwerp berust, weg te nemen. Ik zal niet stilstaan bij de enkele litterale aanmerking, die door het geachte lid uit Gelderland (Mr. J.M. De Kempenaer) op het eenig artikel van dit ontwerp is gemaakt, en het gebruik daarin der nagenoeg gelijkluidende woorden: ‘dagbladen, couranten en nieuwspapieren,’ betreft. Bij die aanmerking is het aan Zijn Edel Mogende waarschijnlijk niet voor den geest geweest, dat die zelfde drie woorden ook in de oorspronkelijke wet van 1843 zijn gebezigd, en dat dus hier, waar het eene wijziging geldt, dezelfde uitdrukkingen behouden moesten blijven.’

De Heer De Kempenaer bleef den Minister het antwoord niet schuldig. Nogmaals zegt hij ‘dat hij niet over de kleine blaadjes heeft willen spreken zonder die te kennen; dat hij zich dus die zoo veel mogelijk heeft aangeschaft, en daarin veel heeft gevonden wat hij geestig keurt, maar ook veel wat hij hoogstens afkeurt, omdat het was geschreven in eenen verkeerden toon, valsch vernuft en persoonlijke beleedigingen bevatte. Dit zijn oordeel heeft echter bij deze beraadslaging geen de minste waarde. Hij moest vragen: wat is in deze bladen, dat de verontwaardiging der Regering zoo zeer heeft opgewekt, en dit heeft hij daarin te vergeefs gezocht. Met bevreemding heeft hij den Minister hooren zeggen, dat dit een bewijs oplevert, hoe twee eerlijke en regtschapene mannen over dezelfde zaak een geheel verschillend oordeel kunnen vellen. Deugd is alleen deugd, eerlijkheid alleen eerlijkheid, en bij hem, wier hoofd en hart op de regte plaats staan, kan geen verschil van dien aard plaats grijpen. Het geheele betoog des Ministers over de billijkheid van het voorstel, de gelijkheid voor de wet en het privilegie op het stuk der belastingen, rust op de ver onderstelling, dat belasting de natuurlijke toestand is

[p. 68]

Bij den spreker is het omgekeerd. Hij acht het niet belasten den natuurlijken toestand1, en daarom heeft iedere belasting hare grenzen. Het is geen privilegie dat volgens de wet op het personeel de woningen van geringen aard zijn vrijgesteld. Het belasten der couranten acht hij strijdig met den geest der eeuw en met de zedelijke behoeften der natie. Hij blijft volhouden, niet in te zien, dat door dit wets-ontwerp de gelijkheid zal worden bevorderd en ziet integendeel de uitgevers der kleine blaadjes opgeofferd aan het misnoegen der ministers.’

De Minister Van Hall antwoordde hierop nog in hoofdzaak: ‘Edel Mogende Heeren! De laatste gezegden van den redenaar uit Gelderland, die zoo even weder het woord heeft gevoerd, herinneren mij, dat ik nog ééne bedenking onbeantwoord gelaten heb; die namelijk, ontleend uit de vrijstelling van de belasting op het personeel in bepaalde gevallen. Die vrijstelling wordt verleend aan zoodanige personen, die geacht worden hun aandeel in de genoemde belasting niet te kunnen betalen. Het is eene vrijstelling steunende op armoede, in verband met de behoefte om de belastbare voorwerpen te bezitten. Maar geen beroep, hoe gering en weinig winstgevend ook, is van het patentregt vrijgesteld; alle beroepen en neringen zijn daaraan onderworpen, en er is zelfs ééne klasse van neringdoende lieden, die men gemeend heeft hooger te moeten belasten, dan de vermoedelijke winsten van hun beroep anders zouden medebrengen. Het is de stand der tappers. Ik moet daarvan hier gewagen, omdat de geachte spreker uit Zuid-Holland (Mr. L.C. Luzac), die thans zoo zeer geijverd heeft tegen het denkbeeld,

1Gulden woorden, in onze dagen te plaatsen boven den ingang van menige wetgevende vergadering, als prikkel tot bezuiniging!

[p. 69]

om zijdelings te treffen en door eene belastingwet iets anders dan het belang der schatkist te beoogen, in der tijd zoo krachtig heeft aangedrongen op dat onderwerpen der tappers aan een hooger regt, op grond dat de uitoefening van dit beroep nadeelig kon worden voor de zeden en voor de maatschappij in het algemeen. Ik voer dit alleen aan ten bewijze, dat er beroepen kunnen bestaan, die niet heilzaam zijn voor de maatschappij, en dat er, naar het oordeel van het geachte lid redenen kunnen aanwezig zijn, om zulk een beroep zijdelings te treffen. Ik herhaal overigens, dat de Regering bij het voordragen dezer wet dat voorbeeld niet heeft gevolgd, maar alleen een privilegie heeft willen doen ophouden, dat ten onregte was verleend en op welks voortduring zij, die het genieten, geene aanspraak hebben.’

De zege verbleef natuurlijk aan de Regering. In stemming gebracht werd het ontwerp aangenomen met 33 tegen 15 stemmen. Vóór stemden de leden: Strens, Van Naamen, Van Harencarspel, Backer, De Jong van Beek en Donk, Van Sasse van IJsselt, Hiddema Jongema, Timmers Verhoeven, Cost Jordens, De Backer, Nederburgh, Bijleveld, Star Busmann, Michiels van Verduijnen, Menso, Den Tex, Van Heloma, Faber van Riemsdijk, Telting, Van Leeuwen, Duijmaer van Twist, Van Bleiswijk, Van Rijckevorsel, De Monchy, Van Panhuijs, Kien, Corneli, Gevers van Endegeest, De Man, Uytwerf Sterling, Lycklama à Nyeholt, Gouverneur en Luyben. Tegen stemden de leden: Verweij Mejan, De Kempenaer, Anemaet, Hooft, Van Goltstein, Corver Hooft, Van Heemstra, Luzac, Modderman, Nedermeijer van Rosenthal, Storm, Hoffman, Boreel van Hogelanden, Schooneveld en Wichers.

Van hetgeen bij de Eerste Kamer voorviel met het

[p. 70]

wets-ontwerp, is, bij gemis der openbaarheid van de handelingen van dit lichaam destijds, niets bekend. De uitkomst intusschen heeft geleerd, dat de beste Kamer, zooals de Physiologie het uitdrukte, niet genadig tusschen beide kwam! Zij werd, zooals uit de Nederlandsche Staats-Courant van Maandag 8 December 1845, N0. 290, Bijv. blz. 3, kol. 1, blijkt, bijeengeroepen om te vergaderen op Maandag 15 December 1845, en in dezelfde courant van Dinsdag 23 December 1845, N0. 303, blz. 1, kol. 1, vindt men de Wet van 18 December 1845 gelijk die is opgenomen in het Staatsblad N0. 86 van dat jaar.

De Arnhemsche Courant liet natuurlijk de redevoering van Van Hall niet ongemoeid, en ze gaf in het voorbijgaan diens zwager Den Tex het volgende niet onaardige snuifje1. De Amsterdamsche Hoogleeraar toch had beweerd, dat ‘toen de wet van 1843 werd daargesteld, aan geene kleine nieuwspapieren kon worden gedacht.’ En waarom niet? ‘Want’ liet hij er op volgen: ‘want zij bestonden niet.’ Dat men om iets niet kan denken, zeide nu de Arnhemsche, omdat het niet bestaat, is zeker eene nieuwe bijdrage ter verklaring wat Nederlandsche zin is, in welken geest de Professor in de zitting van 11 November 1844 verklaard had de grondwet te willen herzien, terwijl hij een half jaar later, toen met die uitdrukking de draak was gestoken, in de zitting van 27 Mei 1845, zich hieromtrent nader had uitgelaten. En, zeide de Arnhemsche, ‘waarschijnlijk hebben wij dan daaraan

1Zie Arnhemsche Courant van Zondag 23, Dinsdag 25, en Donderdag 27 November 1845, N0. 238, 240, en 242.

[p. 71]

onze te-korten te danken, omdat men niet aan te-korten kan denken, vóór zij bestaan.’

Wat Van Hall zelf betrof, deze had gesproken van ‘eene min duidelijke bepaling der wet van 1843’ waaraan de kleine blaadjes hun oorsprong verschuldigd waren. Maar hiermede strookte niet de ‘vrijstelling’, waarvan de Minister meende dat die blaadjes volgens de wet het genot hadden, want dan had men in 1843 wel degelijk aan de mogelijkheid van bestaan dier blaadjes gedacht, en was de wet dus volstrekt niet onduidelijk. Die blaadjes moesten volgens den Minister aan zegelrecht onderworpen worden, omdat zij zich hunne vrijstelling ‘weinig waardig’ hadden betoond; omdat zij van hun privilegie ‘geen goed gebruik’ hadden gemaakt; omdat er ‘misbruik van het privilegie was gemaakt.’ Hadden zij zich dus die vrijstelling ‘waardig’ gemaakt, hadden zij geen ‘misbruik’, maar een ‘goed gebruik’ van hun privilegie gemaakt, dat is te zeggen, hadden zij de Regering en de Ministers toegejuicht, geprezen, vergood, aangebeden, – dan zou men hun het zegelrecht kwijt gescholden hebben. Handhaving van het grondwettig beginsel ‘gelijkheid voor de wet’ was derhalve niet de ware beweegreden van het wets-ontwerp. – In een tweede artikel werden de woorden van Van Hall, dat de namen der ministers en hunne antecedenten tot waarborg konden strekken, dat zij op de heiligheid van de vrije drukpers geene inbreuk zouden maken, beantwoord met de opmerking, dat de Arnhemsche Courant nooit vermoed had, dat er in die namen zulk eene tooverkracht school; zij had al de namen en de letters van de namen der ministers met vlijt bestudeerd, afzonderlijk en gecombineerd, doch zij had den talisman niet gevonden. De eenige zinvolle namen waren die van de ministers van justitie, van oorlog,

[p. 72]

van marine en van de R.K. eeredienst, De Jonge, List, Rijk, Van Son. Voorwaar een groote waarborg! En de antecedenten van de ministers kwamen er natuurlijk niet beter af. – Eindelijk werd in een derde artikel een loopje genomen met de lankmoedigheid der regering tegenover de dagelijksche aanvallen der drukpers, waarop Van Hall had gewezen.

Weinige dagen later brak de Arnhemsche Courant in hare N0. 244 en 245, van Zaterdag 29 en Zondag 30 November 1845, nog eene lans met het Journal de La Haye, dat in de nummers van Vendredi en Dimanche 21 en 23 Novembre de gehouden beraadslagingen in de Kamer had behandeld.

Nog moet worden aangeteekend hoe De Staatkundige Tooverlantaarn of Utopisch-Politische Snelwagen, 2de deel, blz. 129-155 (en dus het laatste gedeelte van het 2de stuk dat blz. 87 begint, en het eerste gedeelte van het 3de stuk dat blz. 151 aanvangt) wordt ingenomen door ‘Eene tweede voorstelling van den Staatkundigen Tooverlantaarn. – De Zegelwet,’ opgevoerd te Amsterdam in het Théâtre des Variétés van Duport, naar aanleiding van het wets-ontwerp tegen de Lilliputters en de beraadslagingen daarover gehouden, waarvan het stuk eene parodie was.

Hoe heeft nu de wet van 18 December 1845 gewerkt? ‘Au lieu de disparaître,’ heeft Adriaan Van Bevervoorde aangeteekend in het Appendice au N0. 24 du Courrier Batave, du Vendredi 5 Mai 1848, ‘tous ces lilliputiens, un seul excepté peut-être, reparurent le lendemain dans un format aussi grand que le permettait le timbre coûtant 1 cent. Ce n’étaient que des feuilles volantes; ce devinrent

[p. 73]

tout-à-coup autant de journaux; le gouvernement enragea, mais il ne put en accuser que ses vues mesquines et sa maladresse.’ Zeker was Van Bevervoorde iemand die het weten kon, en toch komt het mij voor, dat zijne voorstelling van zaken sterk gekleurd is. Uit het begin van dit onderzoek toch blijkt, dat van de veertien mij bekende Lilliputters slechts zes de voor hun bestaan zoo noodlottige wet hebben overleefd, namelijk de Meppeler Courant, de Tielsche Courant, de Gelderland, de Kaleidoskoop, de Zwartsluizer Bode, en de Zierikzeesche Nieuwsbode, van welke zes op dit oogenblik nog slechts deze drie in leven zijn: de Meppeler Courant, de Tielsche Courant, en de Zierikzeesche Nieuwsbode. Van het denkbeeld door Luzac en De Kempenaer aangegeven, om door gedurige verandering van naam of vorm van een nieuwspapier de nieuwe wetsbepaling te ontduiken, heeft niemand zich meester gemaakt.

Amsterdam, October 1882.

Mr. W.P. Sautijn Kluit.

admin – 14 februari 2009